Hoofdstuk 14 - De handlezer
By Chris Polanen
Bericht van Judy.
‘Wat was dat heerlijk gisteren. Ik kan nergens anders aan denken. Ik voel je nog…’
‘Het was fantastisch. Jij bent fantastisch.’
‘Voel je tot niets verplicht. Wij zijn weer bij elkaar gekomen, dat is wat telt. Ik wil je heel graag weer zien, maar neem je tijd. Je hebt iets meegemaakt wat je diep geraakt heeft.’
‘Jij bent de liefste. We zien elkaar snel.’
Ik durf niet te zeggen dat ik bang ben dat ik het weer verpest en dat ik niet weet hoe we verder moeten.
Rowan komt naar boven.
‘Ik heb je gisteren niet meer gezien. Jij was overdag weg en ik ’s avonds.’
Ik glimlach. ‘In de ochtend heb ik gezwommen en een oude vriendin ontmoet. Ik ben nog even met haar mee naar huis geweest.’ Dat kinkt geheimzinnig en seksueel, terwijl ik dat juist wilde vermijden.
Ik zie aan Rowans grijns dat hij doorheeft dat ik wat verberg. ‘Je bent geliefd bij de dames, oompie.’
‘Valt wel mee. Ik heb ooit met haar samengewoond. Het ging mis. Vijftien jaar geleden.’
‘Maar oude liefde roest niet, toch?’
Een Surinaamse neef zou dat nooit aan zijn oom durven vragen, maar ik vergeef het hem. ‘Nee… eigenlijk niet. En wat heb jij gedaan?’
‘Overdag met Christina de stad in en ’s avonds een handleesworkshop gegeven op de Nederlandse ambassade. Kaklui, maar heel aardig. De Nederlandse ambassadeur vroeg mij of ik mij Surinamer of Nederlander voelde!’ Hij lacht smakelijk. ‘Een vraag die alleen een witte Nederlander kan stellen.’
‘Wat heb je geantwoord?’
‘Allebei en geen van beide.’
‘Ja, dat is eigenlijk wel logisch.’
Rowan wrijft over zijn nek. ‘Wel onrustig geslapen vannacht.’
‘Muskieten?’
‘Nee, hij was er weer. De man.’
‘Wat?’
‘Ik hoorde hem en ben gaan kijken.’
‘Nee… Rowan…’
‘Hij zat voor het huisje. Weer te schelden en te klagen.’
‘Dus, je hebt hem gezien.’
‘Ja, maar niet van dichtbij. Hij gebaarde dat ik niet dichterbij moest komen.’
‘Wat voor iemand was het?’
‘Een oude man. Hij had een pet op met de klep naar beneden getrokken. Ik kon zijn gezicht niet goed zien. Ontbloot bovenlijf. Korte broek. Versleten gympen.’
O god. Wat komt die klootzak doen. Waarom juist nu? ‘Zei hij wat tegen je?’
‘Toen hij mij zag, werd hij stil. Ik vroeg hem of ik wat voor hem kon doen. Hij schudde zijn hoofd, stond op en liep weg.’
‘Waarnaartoe?’
‘Lang het huisje, links.’
‘Maar hoe kwam hij dan van het erf af? Over de schutting? Een oude man lukt dat nooit.’
‘Ik heb niets gehoord. Maar ik ben hem achternagelopen…’
‘Jezus…’
‘Waarom zou ik bang zijn voor een oude man?’
‘Omdat hij misschien een paar jonge rovers bij zich had.’
Rowan wuift het weg. ‘Er was niets. Niemand.’
‘Hoe is hij dan over de schutting gekomen?’
Rowan kijkt mij aan alsof hij verbaasd is dat ik het nog niet begrijp. ‘Dit was geen mens, oom.’
‘Hoe weet je dat zo zeker?’ Ik weet het ook zeker en ik weet wie het was.
‘Een mens kan niet zomaar in de nacht verdwijnen.’
‘Dat is waar…’
‘Het is een entiteit.’
‘Een geest, bedoel je?’
‘Nou ja. Met een geest bedoel je iemand die overleden is. Een entiteit kan van alles zijn. Het hoeft geen mens te zijn geweest.’
‘Oké. Oké. Maar wat voor entiteit is het dan, denk je?’
‘Iemand die hier gewoond heeft.’
‘Zoals mijn vader. Je opa.’ Ik sta op, loop naar de boekenkast en pak er een fotoalbum uit. Ik blader tot ik een foto heb van de ouwe gek vlak voor zijn dood. Met zijn pet op.
‘Zou dit hem kunnen zijn?’
Rowan knikt. ‘Ja, dat is hem.’
‘Daar was ik al bang voor.’
‘Hij is teruggekomen. Fantastisch…’
Ik zie de opwinding in zijn ogen.
‘Fantastisch? Je hebt hem niet gekend…’
‘Wat voor een vader was hij?’
‘Hij dronk… schold… en sloeg.’
Ik kende niemand die dronk zoals jij, Pa. Dan zocht je ruzie met jonge vechtersbazen in de kroeg verderop en moesten we je te hulp schieten, omdat je anders op straat in elkaar geslagen werd. Als je dronken was schold je ons uit, plaste je naast de toiletpot en sloeg je ons waar je ons ook maar kon raken met die harde klauwen van je. Altijd zei je dat we hard moesten worden, omdat de wereld keihard is. Pas veel later ontdekte ik dat je ongelijk had. De wereld heeft niet meer harde mannen nodig. Bovendien zag ik hoe jij, een harde man, ooit gerespecteerd en gevreesd, langzaam veranderde in een gebogen en kreupel wezen, bang voor ziekte, bang voor eenzaamheid, bang voor de wraak van God, bang voor alles. Ik zal het niet zover laten komen. Jouw aftakeling duurde jaren. Die van mij is waarschijnlijk binnen een jaar voltrokken en ik zal het waardiger dragen. Ik zal er zelf een einde aan maken als ik zie dat ik op jou ga lijken.
‘Ik hoef hem nooit meer te zien. Ook niet als geest.’
Rowan pakt voorzichtig mijn handen beet en keert ze met de handpalmen naar boven. Hij kijkt naar ze en knikt. ‘Je geest is constant in beweging. Gevoelig voor elke prikkel vanbuiten. Vanbuiten ben je een ijsberg, vanbinnen een vulkaan.’
‘Hoe kun je dat zien?’
‘Veel diepe lijnen die kriskras door elkaar lopen. Vergelijk het met mijn hand.’
Hij laat mij zijn handpalmen zien. Zijn handen zijn groter dan die van mij, maar hebben inderdaad veel minder lijnen.
‘Als kind leren we wat we wel kunnen laten zien en wat niet. Jij hebt geleerd om alle onrust binnen te houden. Anderen uiten dat juist.’
Hij heeft gelijk, maar ik heb het me nooit gerealiseerd. Ik vraag me af wie van mijn vrienden of vriendinnen dit ooit heeft doorzien. ‘Kun je dat echt zien? Dat is ongelofelijk…’
Hij wuift het weg. ‘Dus jij hebt je vader nooit gezien? Op het erf?’
Ik schud mijn hoofd. ‘Nee. Nergens.’
‘Die dingen gebeuren gewoon. Je kunt het niet afdwingen. Je kunt het ook niet voorkomen.’
Het is geen toeval. Hij is gekomen om mij te halen.
’s Avonds zit ik op het balkon en kijk ik naar de mensen die voorbijgaan. Arbeiders met het stof van de werkdag nog in hun haren, het weekend in hun blik. Toeristen, lachend, aanstellerig, hongerig naar avontuur. Jongeren die zich met hun lichaam en bravoure door de nacht heen denken te bluffen. Oudjes, stram en berustend.
Mijn telefoon piept. Een bericht van Gloria.
‘Ik hoop dat het goed met je gaat, Henri. Het was zo fijn om je weer te zien. Je hebt mij iets laten voelen wat ik heel lang niet gevoeld heb. Maar je hebt een probleem. Je wilde het vertellen, maar ik wilde het niet horen. Ik weet dat je probleem de reden is dat je niet bent gekomen. En waarom ik daarna niets van je heb gehoord. Ik wil je graag weer zien, maar we zijn te oud om spelletjes te spelen. Daarom wil ik je dit vragen: los je probleem op voor we elkaar weer zien. Als ik niets meer van je hoor, weet ik dat het je niet gelukt is en zal ik het je niet kwalijk nemen. Niet alle problemen zijn oplosbaar.
Bedankt voor een heerlijke avond. (Ik had niet gedacht dat je zo lekker kon zoenen.)
Warme brasa van mij.’
Ik zucht.
Liegen of zwijgen. De eeuwige keus.
Ik bekijk de voorbijgangers niet meer met interesse, maar met een irritatie die ik niet kan verdrijven. Mensen zijn hopeloze wezens.
De Braziliaanse nadert, hand in hand met een jonge man. Hij is lang en knap, geheel in het zwart, zij heeft een strakke rode jurk aan en rode pumps. Ze lijken weggelopen uit een reclame.
Ze lacht om iets wat hij gezegd heeft, haalt een hand door haar haren. Ze is verliefd.
Voor het balkon staan ze stil.
‘Goedenavond,’ zegt ze. ‘Hoe gaat het met u, meneer?’
‘Goed, hoor. Gaan jullie uit?’
‘Ja. Dit is mijn vriend, Gabriel. Hij woont in Brazilië en spreekt geen Nederlands.’
Ik steek mijn hand naar hem op.
Hij doet hetzelfde en glimlacht.
Ik vraag me af of ik ooit zo’n man gezien heb. De lijn die van zijn jukbeenderen naar zijn kaken loopt, zie je alleen bij modellen en filmsterren. Zijn haar glanst en valt tot op zijn schouders. Ondanks dit alles oogt hij verlegen. Ik kan begrijpen dat ze hem gekozen heeft uit het ongetwijfeld ruime aanbod.
‘Wat vindt hij van Suriname?’ vraag ik.
Ze kijkt bezorgd. ‘Hmm, hij wil dat ik met hem meega naar Brazilië. Maar Suriname is mijn land…’ Ze vertaalt haar woorden voor hem en hij glimlacht naar mij, zichtbaar in verlegenheid gebracht.
‘Ik begrijp het…’ zeg ik.
Ze kijken beiden omhoog. Afwachtend.
Ik moet iets verstandigs zeggen, mijzelf een wijze oude man tonen. Jezus. ‘Denk er goed over na. Het is een heel belangrijke beslissing. Als het kan, doe eerst een proefperiode. Zodat jullie kunnen zien hoe het gaat. Of dat nu in Suriname is of in Brazilië. Maar ik kan zien dat jullie echt van elkaar houden en dan ben je overal gelukkig. Als je maar samen bent.’ Het eerste is een welgemeend advies, het tweede is een leugen van de meest grove soort, maar soms moet je liegen om jonge mensen moed te geven. De waarheid zou ze wanhopig maken.
Ze kijkt gerustgesteld en vertaalt.
Hij knikt naar mij en legt een hand op zijn hart.
‘Dank u, ook namens Gabriel,’ zegt ze.
‘Het komt allemaal goed. Ik wens jullie een fijne avond.’
Ze werpt mij een kushand toe.
Ik kijk ze na.