Hoofdstuk 15 - De handlezer
By Chris Polanen
Het is zover. Vandaag komt ze aan.
Rowan verheugt zich duidelijk op haar komst en zegt telkens wat ze leuk zou vinden en wat hij haar wil laten zien. Elke keer als hij zoiets zegt, voel ik mijn hartslag versnellen en roep ik mijzelf tot de orde.
We vertrekken ’s middags naar Zanderij, maar komen in het centrum vast te zitten in het verkeer. Het is zo’n dag waarop de hele stad samen lijkt te spannen om je te laat te laten komen. Als we eindelijk verder kunnen rijden, slaak ik een zucht van opluchting. Ik kan aan Rowans glimlach zien dat hij me begrijpt.
Een gewone vakantieganger kan best even buiten de aankomsthal wachten, om zich heen kijken, overdonderd worden door het blauw van de lucht, het groen bewonderen, zweten, belaagd worden door taxichauffeurs en hosselaars en zich verloren voelen. Maar Mirna moet de magie van de aankomst ervaren: naar buiten lopen, herkend, omhelsd en beschermd worden.
We passeren een Chinese winkel. Voor de deur staan jonge mannen bier te drinken en in het veld ernaast staat iemand te plassen. In één hand houdt hij een blik bier en met de andere hand richt hij zijn toli zo hoog dat de straal omhoog spuit, als uit een brandslang.
‘Volk van de straat. Asociaal. Onbeschaafd. Hopeloos. Is dit de toekomst van Suriname?’ zeg ik.
‘Ik heb nog nooit iemand zo hoog zien plassen,’ zegt Rowan.
‘Dat gaat mij nooit meer lukken. Ik mag al blij zijn als het een straal is.’
Rowan kijkt verbaasd.
‘Prostaat,’ zeg ik. ‘Begin op tijd met controles. Het zit in de familie.’
‘Vergroting bedoel je?’
‘Ja. Aldoor plassen. ’s Nachts eruit.’
‘Maar het is niet gevaarlijk, toch?’
Ik moet het je vertellen, voor het te laat is, maar ik wil niet dat je met medelijden naar mij gaat kijken. Ik wil met je kunnen zwijgen zonder ongemak en lachen om niks. ‘Niet echt. Het is een goedaardig soort kanker.’
Hij kijkt verschrikt. ‘Fuck, Henri. Kanker?’
Je kunt dat woord eigenlijk niet noemen zonder een ziekenhuis, je sterfbed en je hele begrafenis tevoorschijn te toveren.
‘De dokter zegt dat ik er oud mee kan worden.’
‘Is dat zeker?’
‘Niets is zeker, Ropi, maar voorlopig hoef je je geen zorgen te maken.’
Hij glimlacht. ‘Gelukkig,’ zegt hij en hij kijkt weer naar buiten.
Ik kijk naar zijn profiel en dat van zijn vader duikt op, onverwachts helder. Rowans neus is kleiner, zijn lippen smaller, zijn kin steekt minder vooruit, zijn kaken zijn niet zo zwaar. Het is een bijzonder mooi profiel. Mannelijk, maar niet hard.
Hij wijst naar het kadaver van een poes langs de weg, de witte vacht is besmeurd met bloed en zand. Na zoveel weken Suriname, zijn er nog steeds veel dingen die vreemd voor hem zijn.
‘Hoe zal het voor mijn moeder zijn? Na zoveel jaar?’ vraagt Rowan.
‘Vreemd.’ Mirna zag altijd alles en vooral wat er niet goed was. Dat is een eigenschap die iemand doorgaans met zich meedraagt tot het graf. Ik hoop maar dat de tien dagen die ze geboekt heeft, geen kwelling worden.
De passagiers komen door de schuifdeuren naar buiten. Euro-Suri’s met hun goud en tatoeages, trolleys meeslepend en karren vol koffers voortduwend, de benen nog stijf, maar verder klaar voor de rol die ze deze vakantie zullen spelen.
Ik herken haar direct.
Ze is dik geworden, niet een beetje zwaarder, maar echt dik. Onder haar wijde jurk zijn een zware vooruitstekende boezem en forse heupen zichtbaar. Natuurlijk, ze was vroeger al stevig en ze hield van eten. Ze is lichter dan de karamelkleur in mijn herinnering, dit is haar winterkleur. Haar haar is niet meer gladgemaakt, zoals vroeger, ze heeft een roestbruine afro. Maar haar houding is nog net zo kaarsrecht en ze kijkt nog steeds om zich heen alsof ze alles onder controle heeft. Ze komt met grote passen dichterbij, de kar met koffer voor zich uit duwend alsof ze dat elke dag doet.
Nu kan ik haar gezicht pas goed zien en dat is niet veranderd. Ik vond altijd al dat ze op Kathleen Cleaver leek, die Black Panther-vrouw met een engelengezicht en strijdlust in de lichte ogen. Met de afro is de gelijkenis nog treffender. Haar omvang maakt niets uit, ze is nog steeds mooi. Heel mooi.
Na al die jaren voel ik het weer: een aantrekkingskracht die alles in de omgeving wegvaagt. Dit is niet de vanzelfsprekendheid die ik bij Judy voel. Dit trekt me mee als de stroom van een rivier.
Ze heeft mij ook gezien en haar ogen laten de mijne niet los.
Rowan rent op haar af en hun omhelzing is innig.
Aan de manier waarop een zoon zijn moeder omhelst kun je zoveel zien. Zonen die zonder vader opgroeien houden op een andere manier van hun moeder. Niemand in huis die haar ondersteunde, bekritiseerde of liefhad. Zij was de beschermer, het voorbeeld, de straffer en de beloner. Een huisgod, die ploeterde, sloofde, soms wanhoopte, maar altijd overleefde.
Na wat een eeuwigheid lijkt, laten ze elkaar los. Rowan, een kop groter, slaat een arm om haar heen en zo lopen ze op mij af. Haar ogen lijken niet geïnteresseerd in mijn uiterlijk, maar kijken dieper. Misschien zijn deze ogen de enige die mij echt kunnen zien.
Ik overweeg haar tegemoet te lopen, maar mijn benen voelen zo slap dat ik besluit te blijven staan. Het is ongetwijfeld kinderachtig, maar zij is ooit bij mij weggegaan, is het niet logisch dat zij nu naar mij toe komt?
Dit is het moment waarop ik al die jaren heb gewacht, bewust en onbewust, en nu het er is, voelt het niet echt. Het lijkt alsof ze op mij af zweeft. Wie zegt dat dit geen droom is?
‘Henri!’ roept ze.
Ik was vergeten hoe hoog haar stem is.
Ze maakt zich los van Rowan en overbrugt het laatste stuk bijna rennend.
Nu weet ik het niet meer. Blijven staan, haar tegemoet lopen, mijn hoofd schudden en glimlachen zoals oude mannen doen, mijn armen spreiden om te doen alsof ik geen wrok koester? Voor ik kan besluiten vliegt ze mij om de hals.
Haar lichaam is overweldigend en voelt stevig aan. Ik zet een stap naar achteren om in evenwicht te blijven.
Ik was vergeten dat ze iets langer is dan ik.
Ik was vergeten hoe sterk ze is.
Wat ben ik nog meer vergeten?
Wat als dit een heel ander persoon is dan ik al die jaren dacht? Niet alleen vijfendertig jaar ouder maar iemand die mijn herinnering ontgroeid is, delen van zichzelf heeft losgelaten en zich nieuwe heeft aangemeten. Iemand die ontwikkelder, volwassener en vooral wijzer is dan ik mij ooit voor had kunnen stellen?
Voorzichtig sluit ik mijn armen om haar heen. Wat kan ik anders?
Ze omhelst mij net zo innig als haar zoon. Vijfendertig jaar moederschap en vijfendertig jaar afwezigheid lijken tot dezelfde omhelzing te leiden.
Het lijkt alsof ik verdwijn in het grote lichaam en ik word omhuld door de parfum die ze waarschijnlijk net heeft opgespoten. Ergens verborgen in de artificiële bloemengeur is haar eigen geur die naar een plek in mijn hersenen schiet die geen tijd kent. Beelden van ons samen, dicht tegen elkaar aan.
Het lijkt alsof alles een vergissing was, alsof ze gisteren vertrok, vandaag weer terugkeerde en we samen een toekomst hebben. Ik laat haar los en kijk haar aan.
Ze veegt met trage, voorzichtige bewegingen de tranen van haar wangen en zegt: ‘Ik had me nog zo voorgenomen om niet te huilen.’
De woorden klinken afgemeten, de Surinaamse klanken en de emotie zijn eruit gefilterd, alsof gevoel in tranen en omhelzingen naar buiten mag komen, maar niet in je stem. Het doet pijn aan mijn oren. Ze praat als een Nederlander, niet als een Surinaamse Nederlander, maar als een echte Nederlander. Surinamers die met Nederlanders werken, met ze naar de kroeg gaan, met ze naar bed gaan, kinderen met ze krijgen en niet meer naar Suriname op vakantie gaan, maar naar Spanje of Griekenland, die Surinamers kunnen hun accent helemaal verliezen. En dan zullen het haar eigen woorden zijn die mij overtuigen dat hier een ander mens staat dan de vrouw die mij verliet.
Ze recht haar rug en kijkt me aan met ogen die door de tranen nog groter lijken.
Waren die ogen altijd al zo’n lichte kleur bruin?
‘Je bent niet veranderd,’ zegt ze.
Godzijdank kan ik mijn eigen tranen terugdringen. ‘Ik ben een wrak. Maar jij ziet er fantastisch uit.’
Ik hoef niet te doen alsof, ik hoef niet te vleien of te overdrijven. Het is waar. Ze is nog even mooi. Haar gezicht is voller, maar er zijn geen rimpels. Haar huid glimt en haar ogen zijn nog net zo fel als vroeger. Waarom worden Surinaamse vrouwen eigenlijk zoveel mooier oud dan wij mannen? Wat is het dat onze huid vlekkerig maakt, ons oogwit vertroebelt, ons hoofd en onze buik opblaast? Zelfs als we niet drinken en roken verouderen we sneller.
‘Alleen twee keer zo zwaar als toen je mij voor het laatst zag,’ zegt ze.
Haar lach is onweerstaanbaar, dus lach ik ook. Zo makkelijk kan het zijn, samen lachen, na zoveel jaar. Zo is het ooit begonnen.
‘Ik was vergeten hoe je lacht,’ zegt ze, plotseling ernstig.
‘Dat is niet erg…’
‘Het is wel erg,’ zegt ze. Haar stem trilt. De Nederlandse tongval is weg. Ze knijpt haar ogen dicht en wendt haar hoofd af. Het lijkt alsof ze weg wil lopen.
Ik omhels haar, voorzichtiger dan zij mij net. Alle energie lijkt uit haar lichaam weggevloeid en ik heb geen idee wat ik met haar aan moet.
Achter haar kijkt Rowan toe met een bezorgde blik.
Ik klop Mirna op de rug. ‘Het is oké,’ zeg ik, maar ik weet dat het niets uit zal maken. Schuld, spijt en gevoelens waarnaar ik alleen maar kan raden, hebben vijfendertig jaar kunnen gisten in haar ziel. En toch. Het feit dat we elkaar na vijfendertig jaar omhelzen, geeft hoop op een afsluiting en voor mij is op dit moment niets belangrijkers dan niet-afgehandelde zaken afsluiten. Ik leg een hand op haar schouder en zeg: ‘Kom, we hebben nog genoeg tijd om te praten. Suriname wacht op je.’
Ze zit naast mij in de auto en dat beeld is zo onwaarschijnlijk dat het moeilijk is om het in de realiteit toe te laten. Ik moet me inhouden om niet aldoor naar haar te kijken. Haar profiel trekt als een magneet. Nee, het is niet perfect, haar kin lijkt met de jaren nog iets vierkanter geworden en meer naar voor te steken, maar soms is het juist de imperfectie die aantrekkingskracht op je uitoefent.
Rowan zit achter ons en praat honderduit. Hij vertelt over zijn ervaringen in Suriname, maar het meeste van wat hij zegt ontgaat mij.
Mirna knikt en zegt ‘O?’ of ‘Ja ja…’
Als je hier bent opgegroeid heb je niets aan de kijk van Nederlandse Surinamers op ons en ons land. Ze zullen nooit begrijpen hoe alles in elkaar zit en waarom we doen wat we doen.
Mirna kijkt naar buiten met een blik van dromerige herkenning die ik ken van alle Surinamers die na lange tijd terugkeren. Buiten de stad is niet veel veranderd. Meer huizen, villa’s, winkels en krotten, maar nog steeds vooral oerwoud − groen en ondoordringbaar.
Ze zegt niet veel, wijst af en toe naar een plek die ze herkent.
Dat verandert wanneer we de stad in rijden.
‘Mijn god,’ mompelt ze als we in het centrum arriveren.
‘De stad is vervallen,’ zeg ik, maar ik weet dat woorden zinloos zijn nu haar brein binnen enkele minuten overspoeld wordt met vijfendertig jaar destructie die een tropisch klimaat aanricht in een houten stad als er geen geld meer is voor onderhoud en opbouw.
De beelden van planken die wegrotten en onkruid dat huizen overwoekert, zullen de strijd aangaan met de beelden in haar geheugen. Het is een strijd die vanaf dat moment altijd doorgaat en altijd pijn blijft doen.
Ze kijkt mij aan met een blik die weigert te geloven. ‘Ik had me erop voorbereid, maar…’
Ik knik. Wat kan ik zeggen?
Ze kijkt naar buiten en zegt meer tegen zichzelf dan tegen mij: ‘Dit is nooit meer te herstellen. Al die prachtige oude huizen.’
Huizen herstellen? Als je hier woont, denk je aan de prijs van benzine, manja’s, koffie, roti en moksi meti. De armoede is veel erger dan de armoede die zij toen wilde bestrijden. Ik ben nog steeds niet erg begaan met de armen, maar ik ben wel bang voor de criminelen die het baart, want ik weet dat ze op hun rooftocht geen medelijden met me zullen hebben.
Ze kijkt nu strak voor zich uit. ‘Ik hoop dat niet alles vervallen is.’
Ze hoopt natuurlijk dat de tijd haar ouderlijk huis gespaard heeft, maar ik weet dat het huis is opgeslokt door de Braziliaanse buurt. Nadat het gesloopt was verrees er een betonnen blok, haastig in elkaar gemetseld. COMPRA DE ORO, staat er in grote gouden letters. De muren zijn nooit fatsoenlijk geverfd, goudzoekers lopen er af en aan, hangen en drinken op het terras ernaast. Luide muziek en de geur van Braziliaanse barbecue.
Ik zal het haar niet vertellen en als het in mijn macht ligt zal ik haar er zo ver mogelijk vandaan houden. Er zijn andere plekken die minder dramatisch veranderd zijn.
Hoewel velen van onze generatie vertrokken zijn en enkelen overleden, zal ze mensen ontmoeten die ze kent en hun verhalen aanhoren. Drama’s die na jaren nog slechts anekdotes zijn, dromen die nooit uitkwamen, mysteries die nooit opgelost werden, kinderen die verwachtingen niet waarmaakten, maar ook degenen die obstakels overwonnen, de liefde vonden of tegen alle verwachtingen in succesvol waren.
Ze haalt weer een hand door haar haren en zucht.
Ik voel een bijna niet te bedwingen aandrang om mijn hand tegen haar wang te leggen.
‘Sommige plekken zijn ontsnapt aan de tijd,’ zeg ik. ‘Als je goed kijkt, zal je ze zien.’
Ze glimlacht.
Rowan is stil.
Ze logeert in zo’n modern guesthouse. Een eenvoudig huisje beschilderd in felle kleuren, met een minizwembad.
We lopen met haar het erf op.
De verhuurder, een dame van een jaar of zestig, heet haar hartelijk welkom, maar houdt mij en Rowan goed in de gaten. Mirna stelt ons aan haar voor als: ‘Mijn zoon en mijn zwager,’ waarna Rowan en ik een blik uitwisselen en glimlachen.
We brengen haar bagage naar de kamer. Die is ruim, heeft een keuken, een douche met warm water, een flinke flatscreen-tv en een tweepersoonsbed met daarboven een klamboe. Alle gemakken die de doorsnee Nederlandse toerist verwacht.
Mirna besteedt niet veel aandacht aan de kamer, maar loopt het erf op. Keurig aangeharkte aarde en bloemen in alle soorten en kleuren. Ze staat stil bij de planten, streelt de bladeren, ruikt aan de bloemen.
Rowan en ik kijken vanaf het terras toe.
Dan trekt ze haar sandalen uit en loopt langzaam op blote voeten op ons af.
‘Ik ben thuis,’ zegt ze. ‘Eindelijk.’ Ze slaat een arm om mij heen, de ander om Rowan en trekt ons naar zich toe.
Ik heb er geen zin in, maar ik heb niet de moed om mij te verzetten.
‘Fijn dat je er bent,’ zegt Rowan en hij kust haar wang.
Ze kust hem terug.
Die twee zijn kleffer dan ik een moeder en zoon ooit heb gezien.
Dan kust ze mijn wang.
En ik kus terug.
We hebben nog wat gedronken op het terras voor haar huisje, zo’n poppenterrasje met blauwgekleurde tegels, gemaakt voor Nederlanders die uren in een hangmat willen dutten of onderuitgezakt in een luie stoel willen zitten met een Parbo in de hand en hun telefoon in de andere.
Ze vroeg naar mensen die in Suriname waren gebleven en van wie ze nooit meer wat had gehoord.
Ik vertelde haar over ziekte, dood, scheiding, geboorte en vertrek naar het buitenland, maar we kwamen er al snel achter dat ik lang niet al haar oude vrienden en kennissen kende.
Het voelde vreemd om haar achter te laten in dat kleine huisje.
Thuis zit ik met Rowan op het balkon.
Het is inmiddels bijna middernacht. Maandagavond, dus de rustigste avond van de week.
Er zijn nauwelijks mensen op straat.
‘Je moeder ziet er nog goed uit,’ zeg ik, omdat ik weet dat ik iets moet zeggen, maar geen zin heb om over mijn gevoelens te praten.
Hij knikt. ‘Hoe was het voor je om haar te zien?’
‘Emotioneel. Maar het went al.’
‘Ik bewonder je, Henri. Ik weet dat het niet makkelijk voor je is, om altijd zo beheerst te blijven. Dat heeft het voor haar makkelijker gemaakt.’
‘Ach. Op mijn leeftijd…’
‘Dat is op elke leeftijd moeilijk.’
‘Je wordt sentimenteel, Ropi.’
‘Misschien. Het is ook al laat.’
Meerdere keren opstaan om te plassen vind ik allang niet erg meer. Als ik wakker word, ben ik dankbaar dat ik leef en dat de rugpijn nooit meer terug is gekomen. Het gedruppel en de dunne straaltjes die onvoorspelbaar alle kanten op gaan, lijken nooit echt de moeite van het opstaan waard, maar het went.
Terwijl ik weer naar mijn slaapkamer loop, hoor ik stemmen achter op het erf. Ik kijk uit het raam.
O god.
Op de stoep voor het huisje zit mijn vader met Rowan naast hem.
Er is een gesprek gaande, maar ik kan niet horen wat ze zeggen.
Ik ben doodsbang, maar als Rowan daar gewoon zit te praten, moet ik mijn angst overwinnen…
Ik loop op blote voeten de trap af. Af en toe kraakt er een plank.
Natuurlijk zien ze mij aankomen. Het gesprek valt stil en ze kijken hoe ik nader.
De lamp onder het huis verlicht het erf nauwelijks.
Het bovenlichaam van de ouwe is ontbloot. Door de omlaaggetrokken klep van zijn pet kan ik zijn ogen niet zien. Ik zie zijn neus, breed en brutaal, en zijn mond, strakgetrokken, klaar om vuil te spuwen. Vuil regelrecht uit de hel.
Hoe dichterbij ik kom, hoe zwaarder mijn benen voelen.
Hij was gevaarlijk als mens, waarom zou hij als geest anders zijn?
Wanneer ik hem op een meter of vijf genaderd ben, heft hij zijn hand, die klauw die zoveel pijn kon veroorzaken.
Hij staat op. Soepeler dan toen hij leefde.
Doet zijn knie geen pijn meer? Als hij zijn oude kracht weer terug heeft, is er niets wat hem belet om mij een pak slaag te geven dat erger is dan ik ooit gehad heb.
Mijn hart bonkt zo erg dat ik bang ben dat het zal stoppen.
De duivel loopt op mij af.
Ik hoor het zand onder zijn pata’s.
Hij doet zijn pet af, maar het is te donker om zijn ogen te zien.
God, help mij, dit is erger dan de dood.
Ik deins achteruit.
Mijn voet blijft ergens achter haken en ik val achterover.
Ik hoor Rowan roepen: ‘Henri!’
De ouwe vloekt zoals hij altijd vloekte.
Ik raak de grond met een klap die een verlammende pijn door mijn rug stuurt en mij de adem beneemt.
Ik hap naar adem en blijf kreunend liggen.
De ouwe buigt zich over mij heen.
Ik word wakker in mijn bed.
Ik zweet en voel me alsof ik kilometers gerend heb, achtervolgd door iets verschrikkelijks.
Het moet een droom geweest zijn. Laat het een droom zijn geweest.