Loading...
Skip to content
Readers Treasury

Hoofdstuk 16 - De handlezer

By Chris Polanen

Er waait een lichte bries. Vogels fluiten opgewonden, misschien wel angstig voor wat de nieuwe dag gaat brengen, honden blaffen loom en geïrriteerd, bromfietsers slalommen tussen de auto’s door die in een file door de straat schuiven met muziek die uit de ramen bonkt.

Bericht van Judy.

‘Hoe gaat het met je, Henri?
Ik geniet nog steeds na van onze ontmoeting.
Ik wil je graag weer zien, maar als je tijd nodig hebt, begrijp ik het.’
‘Lieve Judy, ik denk heel veel aan je, maar je hebt gelijk.Ik heb inderdaad tijd nodig.
Hou van je. Tot gauw.’

Ik lees mijn boodschap, vraag me af wat ik in godsnaam voel, en druk op verzenden.

Ik ga Mirna ophalen. We hebben niet gesproken over onze bestemming. Om negen uur wacht ik bij de poort van het guesthouse.

Ze komt aanlopen met haastige passen en een glimlach vol verwachting die mij nerveus maakt. Haar haar is ingevet, waardoor de afro is veranderd in golven bruine krulletjes die strak naar achteren gekamd zijn. Ze heeft een lange jurk aan met rode en blauwe bloemen, aangesnoerd met een ceintuur, zodat hij strak over haar borsten trekt en haar heupen accentueert.

Ik heb geen rekening gehouden met het ongemak van deze situatie. Het is maar een meter of 10, maar in die tijd moet ik mijzelf een houding geven, haar niet laten merken dat ik probeer te visualiseren hoe haar lichaam er onder die jurk uitziet, me probeer te herinneren hoe haar borsten, met name haar tepels eruitzagen en of haar schaamhaar dezelfde roestbruine kleur had als haar haren, want ik weet dat vrouwen direct zien dat je aan zulke dingen denkt.

Hoe kun je dat alles trouwens vergeten? Waarschijnlijk omdat de lichamen van latere vriendinnen de oude beelden verdringen, een trucje van de natuur om je te helpen focussen op de voortplanting.

Ik glimlach en knik, zoals een zestigjarige gentleman zou doen die een ritje gaat maken met een oude vriendin, zijn hoofd vrij van gedachten over haar lichaam.

Ze is me nu op een paar meter genaderd. Haar ogen zijn zwaar opgemaakt. Door de glimlach die iets spottends heeft, lijkt het alsof ze toch precies weet waar ik aan denk.

‘Goedemorgen,’ zeg ik. Ik overwoog even om er ‘schoonheid’ aan toe te voegen, maar alles wat op flirten lijkt zou vreemd zijn.

Haar glimlach verbreedt. ‘Goedemorgen moiboi,’ zegt ze.

Zij denkt kennelijk dat het wel kan. Ik ken haar goed genoeg om te weten dat ze heeft nagedacht over het gebruik van het woord en nu mijn reactie observeert.

Ik ben in mijn leven ontelbare keren zo genoemd en ik weet dat een vrouw het nooit zonder reden doet. Soms is het om je duidelijk te maken dat je ondanks je looks geen kans maakt, maar meestal is het om je te prikkelen, om je te laten weten dat je een stap kunt zetten.

‘Ik had niet gedacht dat iemand mij ooit nog zo zou noemen,’ zeg ik.

‘Hou op!’ zegt ze. ‘Ik weet zeker dat je de dames nog het hoofd op hol brengt.’

Ik glimlach en schud mijn hoofd. ‘Waar wil je vandaag naartoe?’ vraag ik. ‘De vakantieganger bepaalt.’

‘Leonsberg.’

Ik onderdruk een zucht, zoek naar woorden, kan ze niet vinden en hou het bij mijn gentleman-glimlach.

Gelukkig is de weg naar Leonsberg lang genoeg om me voor te bereiden op wat waarschijnlijk een van de moeilijkste gesprekken van mijn leven wordt. Ik kijk af en toe opzij en probeer haar stemming te peilen.

‘Heb je een vriendin, Henri?’ vraagt ze, met een glimlach die iets verontschuldigends heeft.

‘Niet echt,’ zeg ik. Behalve een middag bijna dodelijke seks met een ex.

Een andere glimlach nu. Niet goed te plaatsen. Ze weet natuurlijk dat wanneer een man ‘niet echt’ zegt, er wel seks is, maar geen concrete afspraken. We zijn beesten.

‘En jij? Een man?’

Ze knikt.

Natuurlijk. Een vrouw als zij blijft nooit lang alleen. ‘Een Nederlander?’ Ik heb altijd geweten dat ze uitgekeken zou raken op Surinaamse mannen. Te hoge eisen, geen geduld voor onze zwakheden.

Ze knikt. ‘Ja.’ Haar blik is vreemd, ze strijkt over haar haren. ‘Twee. Een Nederlander en een Surinamer.’

‘Twee? Niet tegelijk, toch?’

‘Jawel.’

Godverdomme. Ik voel een steek in mijn borst, een naald op zoek naar mijn hart, ongeacht de ravage die de route aanricht. Ik was erop voorbereid dat ze getrouwd was, gescheiden, meerdere relaties had gehad, maar niet hierop. Waarom doet het zo’n pijn?

‘Ja. Ik weet dat het gek klinkt. Ik vind het zelf ook gek klinken. Hier. Met jou.’

Nederland doet vreemde dingen met mensen. Ik probeer te onderhandelen met de naald, maar die heeft inmiddels mijn hart bereikt en wil erdoorheen. Met alle macht probeer ik onverstoorbaarheid te veinzen.

‘Ik woon al heel lang samen met Willem, een Nederlander, een schat van een man. Hij is bijna twintig jaar ouder en hij heeft mij altijd vrijgelaten. Je hoeft niet alles bij één persoon te vinden in het leven, zegt hij. Ik had regelmatig… vriendjes. Tien jaar geleden ontmoette ik Danny, een Surinamer van mijn leeftijd. Er was een grote aantrekkingskracht en, nou ja, Willem gaf me toestemming om een relatie met hem te beginnen. Ik zie hem twee keer per week.’ Ze kijkt mij aan met bezorgdheid in haar blik. ‘Ik weet dat dit vreemd moet klinken voor jou, Henri.’

Jezus Christus. Ik haal diep adem. Als een andere vrouw dat tegen mij zei zou ik glimlachen, blij zijn dat ze niet mijn vriendin was en nieuwsgierig zijn naar de details. Maar nu, met haar, voelt het alsof ze mij opnieuw bedriegt. Alsof er een onuitgesproken afspraak was dat ze na mij en Humphrey wel andere harten mocht breken, maar in ieder geval monogaam zou blijven.

Ik mag niet laten merken dat dit me raakt. Ze moet niet denken dat ik na al die jaren niet over haar heen ben.

Bovendien geven wij Surinamers nooit toe dat we geschokt zijn door de verhalen van Surinaamse Nederlanders. Sterker nog, we doen alsof we er zelf al over hebben nagedacht en er een mening over hebben die berust op moderne denkbeelden. Oké, hier gaan we dan. ‘Nee, hoor. Ik ben niet zo bekrompen. Ik ben ook voor vrijheid van… vrouwen, maar is je man dan niet jaloers?’

‘Hij zegt van niet. We hebben wel bepaalde afspraken over wat ik wel en niet vertel.’

‘Geen details over seks?’ God, help mij met dit gesprek. Binnenkort kom ik u persoonlijk bedanken.

‘Dat is een van de afspraken.’

‘En je vriend en Willem, ontmoeten die elkaar niet?’

‘Nee, dat blijft gescheiden.’

Jezus. Dan ben je ver in de zeventig en je vrouw gaat naar bed met een zestiger die veel potenter is dan jij. Misschien ben je al impotent, Willem. Maar waarom identificeer ik mij met jou en niet met Danny?

‘En jullie zijn alle drie gelukkig zo? Niemand voelt zich tekortgedaan?’

Ik probeer me een beeld te vormen van jou, Willem. Ik zie een magere man met lang grijs haar en een grijze baard. In een wit gewaad. In mijn verbeelding ben je een soort heilige, Willem. Dat moet wel als je je vrouw zo vrij laat.

‘Volgens mij zijn we gelukkig zo.’

Ik knik, maar ik geloof er niets van. Volgens mij ben jíj gelukkig zo. Je hebt verdomme het beste van twee werelden. Een Nederlander voor zorg en zekerheid en een Surinamer voor opwinding en seks. De vrouw die ik dacht te ontmoeten is veranderd in iemand anders.

‘Ik verlang niet van je dat je het begrijpt, Henri. Maar als ik een man was…’

‘Als je een Surinaamse man was, zou het geaccepteerd zijn.’

‘Maar van een vrouw wordt het niet geaccepteerd. Suriname blijft voor eeuwig in de middeleeuwen hangen.’

Kijk, daar heb je het al. Normaal zeggen ze dat we in de vorige eeuw zijn blijven steken, maar dit klinkt nog minachtender. In de middeleeuwen hadden ze je hoofd er met een heel scherp zwaard afgehakt, mevrouwtje met je twee mannen. ‘Ik zou het moeilijk vinden. Als ik Willem was.’

‘Je bent Willem niet.’

Vanuit mijn ooghoek zie ik haar naar me kijken.

Vroeger zou ik gezegd hebben: gelukkig niet, ik heb medelijden met die fucker. Vroeger zou ik het vuur in haar blik tegemoet treden, ongeacht of het mij zou verschroeien. Nu hou ik mijn blik op de weg en probeer ik de woede die in mij opkomt te verklaren. Ben ik jaloers op Willem die een manier heeft gevonden om haar aan zich te binden? Of op Danny, die profiteert van de situatie? Maar ik zou geen van beiden willen zijn.

Het probleem met de liefde is dat iedereen grenzen overschrijdt omdat ze hun behoeften belangijker vinden dan de pijn die ze veroorzaken. Mirna. Ik. Iedereen.

‘Sorry, Henri. Ik ben niet gekomen om ruzie te maken.’

‘Wij gaan geen ruzie maken,’ zeg ik, maar ik ben niet overtuigd. Misschien gaan we een ruzie maken die zo erg is dat ik het me nog niet eens kan voorstellen. Ik vraag niet waarom ze wel gekomen is.

In de stilte die valt, kom ik weer tot rust. De naald zit nog in mijn hart, maar ik probeer hem te negeren. Ik concentreer me op de weg en realiseer me dat dit de laatste keer is dat ik naar Leonsberg rij. In de korte tijd die mij nog rest zal ik de plek waar ik voor het eerst stierf, niet meer bezoeken.

Ik kijk naar de huizen, bomen, een tankstation, overwoekerde percelen en aan de rechterkant de rivier die op open stukken zichtbaar wordt en telkens weer achter gebouwen en begroeiing verdwijnt. Dit alles zal ik nooit meer zien.

Dit is het eerste moment dat ik definitief afscheid neem. Niet van een mens of een plek die me dierbaar is, maar van een weg, een doodgewone weg. Wanneer was ik dan van plan te beginnen? Zou ik het voor me uitschuiven tot het laatste moment?

Ik slik en voel tranen komen, maar ik zal verdomd zijn als ik hier, naast Mirna, op weg naar Leonsberg, ga huilen.

Plotseling besef ik hoe stom ik ben. Waarom heb ik ingestemd? Zij zal om haar ziel te zuiveren de oude schuld wegpoetsen, zodat ze met een gesust geweten terug kan gaan naar Willem en Danny. Terug naar haar leven als moderne vrouw die het helemaal voor elkaar heeft en ik zal achterblijven met een opengereten oude wond, die in de korte tijd die ik nog heb, niet meer zal helen.

Ik minder vaart. ‘Ik weet niet of dit een goed idee is.’

‘Wat?’

‘Naar Leonsberg gaan.’

Ze draait zich naar mij toe, maar dat is geen gemakkelijke manoeuvre. De jurk snoert om haar borsten heen. Ze sjort en trekt met de irritatie van iemand die zich plotseling bewust wordt van haar omvang. Daarna strijkt ze alles weer zo goed mogelijk glad. Kennelijk is ze van plan om langere tijd zo te blijven zitten. Ze legt haar hand op mijn schouder, uiterst beheerst en voorzichtig, alsof ze het al vaak heeft geoefend. Haar handen zijn klein, maar harder dan van alle andere vrouwen die hun handen ooit op mij gelegd hebben. ‘Het hoeft niet. Als het niet goed voelt,’ zegt ze.

Manipulatieve psychologie. Alle Surinaamse Nederlanders maken er in meer of mindere mate gebruik van. Allemaal zijn ze ooit in therapie geweest en herhalen ze de dingen die de psycholoog zei tegen nietsvermoedende stumperds die ze daarna tegenkomen. Sorry, deze stumperd doet niet meer mee.

Er is waarschijnlijk geen handboek voor terminale kankerpatiënten, maar als dat er was zou er een hoofdstuk moeten zijn getiteld: ‘Rakel geen oude pijn op’.

Ik stuur de auto de berm in, doe de motor uit, trek de handrem aan en keer me naar haar toe.

Ik kijk in ogen die er anders uitzien dan op de foto die mijn herinnering vijfendertig jaar vormgegeven heeft. Voor het eerst zie ik hoeveel zwarte spikkeltjes er in de lichtbruine irissen zitten. Misschien vergeet ik de ogen van mijn vriendinnen, omdat ik er zo min mogelijk in kijk. Ik heb me nooit eerder afgevraagd waarom, maar nu wel. Ben ik bang dat ze mijn onzekerheid zien? Ik heb in mijn leven maar een paar mannen ontmoet die niet onzeker waren en ik heb altijd geweten dat ik die staat nooit zou bereiken.

‘Ik wil het niet,’ zeg ik.

Ze knikt. Veegt met de rug van haar hand zweetdruppels van haar voorhoofd.

Kom maar op met je Hollandse psychologie.

‘Henri, wat ik gedaan heb…’

‘Ik wil dit gesprek niet voeren.’

‘Je bent bang dat ik alles goed ga proberen te praten…’

Op de plek in mijn hart waar de naald zat, zit nu een klein gat. Het voelt alsof er bij elke hartslag bloed doorheen sijpelt en ik langzaam doodbloed.

Ik knik en kijk in de ogen die mij kunnen breken. Wegkijken lukt niet.

‘Maar we zullen er toch over moeten praten?’

Ik voel hoe die ogen in mij kijken, dwars door al het slib van de tijd, al die lagen van modderig verdriet die geen enkele bescherming bieden. Ik schud mijn hoofd en zwijg. Elk woord kan een opening zijn.

Ze zucht en trekt haar hand weg.

Ik weet dat ze zich afvraagt hoe haar therapeuten dit zouden aanpakken, hoe ze mij kan overhalen om toch te praten. Als ik niet wil praten is alles voor niets geweest.

Ze kijkt naar buiten en zegt: ‘Ik weet het ook niet, hoor.’

Het Hollandse accent is weer even weg.

Ik blijf zwijgen. Ook dit is manipulatie. Als degene die aandrong het opgeeft en zegt het niet te weten, is er ontspanning en juist die ontspanning kan de ander verleiden om toch toe te geven.

Wanneer twee mensen die elkaar ooit liefgehad hebben en op een pijnlijke manier uit elkaar gingen, maar lang genoeg samen zwijgen, zal een van hen het niet meer volhouden. En dan zijn er maar een paar opties, geen van alle aantrekkelijk: weglopen, huilen of praten.

We willen geen van beiden degene zijn die het opgeeft en zo ontstaat er een stilte die steeds schrijnender wordt.

Zonder erbij na te denken start ik de auto en rij de weg weer op.

Ze zucht, maar kijkt mij niet aan.

Ik overweeg niet eens terug te keren. Pratend of zwijgend, we gaan naar Leonsberg.

Er lijkt geen andere keus.

Loading reader...