Hoofdstuk 17 - De handlezer
By Chris Polanen
We lopen over de steiger, nog steeds zwijgend.
De wind waait haar jurk tegen mijn broek aan en we komen aan bij de plek waar we praatten, lachten en zoenden, tot de dag waarop ze er een einde aan maakte.
‘Zullen we gaan zitten?’ vraagt ze, alsof er een andere mogelijkheid is.
Volgens mij is het exact dezelfde plek als waar we toen zaten.
Ze aarzelt.
Ik pak haar arm en ondersteun haar terwijl ze zich voorzichtig laat zakken. Ze trekt haar jurk omhoog zodat ze haar benen boven het water kan laten bungelen.
Als ze zit, ga ik naast haar zitten. Er ontsnapt gekreun uit mijn mond. Een oude man die door zijn hurken gaat. Ik doe mijn slippers uit en leg ze naast me.
‘We worden oud, Henri…’
‘Als we geluk hebben…’
Ze glimlacht. Het lijkt alsof haar lichaam zich uitspreidt over de houten balken.
Toch is ze nog net zo mooi als vijfendertig jaar geleden. Dit was allemaal gemakkelijker geweest als dat niet zo was. Dan zou het zijn alsof het allemaal voor mijn eigen bestwil was geweest.
Er komen beelden van vroeger naar boven. Seks op een hete middag, haar rug en haar billen voor me, zwetende lichamen in een te klein bed, haar mond om mijn geslacht.
‘Wat we hadden was heel bijzonder,’ zegt ze. ‘Maar ik was te jong… te onrustig om het te beseffen. Dat heb ik me pas veel later gerealiseerd.’
Heel slim. Ze geeft mij het gevoel dat ik speciaal ben, zodat ik haar verder zal laten gaan.
Ik haal diep adem, blaas alle lucht uit mijn borstkas, alsof ik zo beter bestand ben tegen wat gaat komen. Voorlopig zeg ik niets.
Ze vervolgt: ‘Natuurlijk laten liefdes die abrupt eindigen de meeste vragen achter.’ Ook slim. Duidelijk maken dat wat er met ons gebeurde ook met anderen gebeurt. Het onderwerp is bestudeerd en er zijn theorieën over. Moet dit mij hoop geven?
Ik voel haar blik op mij gericht, maar ik blijf naar het water kijken. Het is in vijfendertig jaar niets veranderd. Dezelfde donkere en lichte stromingen, de golven die klein en onschuldig lijken, maar keihard tegen een zwemmer zouden slaan en het ritme van zijn slag zouden verstoren. En toch voel ik de verleiding om me mee te laten voeren door de stroom. Naar de monding, naar de zee. Terugzwemmen zou onmogelijk zijn. Mijn enige hoop zou zijn: aanspoelen op een zandbank of een vissersboot tegenkomen. Toch lijkt het minder erg dan dit gesprek. Alles lijkt minder erg.
‘Waarom leun je zo naar voren. Je gaat er toch niet in springen?’
Ik kan mijn glimlach niet tegenhouden.
Zij lacht en stoot tegen mijn schouder. ‘Jullie waren beiden bang voor de rivier, maar Humphrey hield het verborgen. Stel je voor dat het bekend zou worden, de stoere marathonzwemmer…’
De woorden, terloops uitgesproken, raken mij als een klap in het gezicht. Zij weet meer over mijn broer dan ik. Hij won de marathon jaren achter elkaar en leek zich telkens te verheugen op het moment dat hij, ingevet met vaseline, van de ponton de stroom in kon springen. Ik durfde nooit tegen hem te zeggen hoe bang ik was dat ik verkeerd uit zou komen bij de brug, niet tussen de twee middelste pijlers door, maar te veel naar links en in de modder van de oever zou eindigen of te veel naar rechts en zou afdrijven naar de zee. Wie dat overkwam moest de vernederende ervaring ondergaan van het opgepikt worden door een begeleidende boot.
Ik kon Humphrey nooit bijhouden, in de rivier had ik niets aan mijn onderwatertechniek. De groep zwemmers viel na de start al snel uit elkaar, zodat het voelde alsof je alleen in de rivier zwom. Ik heb me nooit meer zo nietig gevoeld. En al die jaren hield hij zijn angst voor mij verborgen, terwijl het delen daarvan ons zoveel dichter bij elkaar had kunnen brengen.
Een nieuwe pijn om te verwerken voor ik doodga. Nog een zinloze pijn.
‘Je weet niet hoeveel spijt ik heb gehad. Ik dacht altijd dat je snel een ander zou hebben. Dat je ons zou vergeten. Ik hield mezelf voor de gek. Ik heb je je broer afgenomen. En nog veel meer, denk ik.’
In mijn buik woelen vormen van pijn die ik niet eens kan benoemen. Praten is onmogelijk.
‘Je hoeft niets te zeggen,’ zegt ze. ‘Ik weet dat je het niet wil horen, maar laat me alsjeblieft uitpraten.’
Wie geeft jou het recht om uit te praten? Waarom mag jij het goedpraten? Wegpraten?
‘Het was de grootste vergissing van mijn leven.’
Het water onder mij is bruin en modderig, maar oogt koel.
‘Humphrey leek meer man dan jij. Maar dat was niet zo. Natuurlijk niet.’
Ik leun naar voren en val.
Ben ik echt los van de steiger?
Het wateroppervlak nadert, vreemd genoeg niet snel, maar heel langzaam.
Dat moment dat je tussen aarde en het rivierwater zweeft is doorgaans vervuld met spanning, angst zelfs, maar nu voel ik alleen maar opluchting, alsof ik eindelijk mag toegeven aan de roep van het water.
Ver weg hoor ik Mirna mijn naam roepen.
Mijn voeten raken het wateroppervlak.
Het water is heerlijk.
Ik verdwijn onder water en proef het slib.
Er is niets te zien. Ondoordringbaar bruin.
Ik kom boven water.
‘Henri! Henri!’ Mirna roept, maar ik kijk niet omhoog.
Ze weet net zo goed als ik dat niemand tegen deze stroom in kan zwemmen.
Ik trek mijn T-shirt uit en crawl met de stroom mee. Van mijn korte broek heb ik geen last. Rustig zoek ik naar de juiste cadans. Eén worden met de rivier, meebewegen met de golven. Ik kijk niet meer om en ik hoor niets meer.
Ik heb mijn ritme gevonden, mijn armen laat ik ontspannen op het oppervlak vallen en ik trek het water weg zonder kracht te verbruiken. Zelfs ongetraind kan ik zo kilometers doorzwemmen.
Hoelang zal het duren voor ik de monding bereik, voor het zoute water in mijn ogen zal branden? Voor de oevers verdwijnen en er alleen water over is? Hoelang zal het duren voor ik uitgeput raak en onder water verdwijn? Zelfs de beste zwemmers verdrinken uiteindelijk.
Het water voelt goed, net koud genoeg om de hitte van de zon van me af te spoelen.
Als je je ritme gevonden hebt, is zwemmen net zo natuurlijk als lopen. Je hoeft er niet bij na te denken en er ontstaat ruimte voor andere dingen. Het hart spreekt het makkelijkst als het onder water is en dan luister je, zonder weg te drukken wat je hoort.
Hoe kon ik verlangen naar doodgaan terwijl mijn zaad in een vrouw vloeide? Waarom heb ik nooit gedacht aan de rivier?
Deze dood zal zoveel mooier zijn.
Hoelang heb ik gezwommen? Een uur? Anderhalf?
Ik voel mijn armen en schouders verzuren. Ik moet vertragen.
Er is geen haast. Ik zal de zee bereiken.
Ik stop met crawlen, zwem een heel langzame schoolslag en laat me meevoeren door de stroming.
Ik hoor een geluid boven het ruisen van het water uit.
Het gebrom van een machine.
Ik draai me om.
Een boot.
Een slanke korjaal die je kunt charteren om de rivier over te steken, naar dolfijnen te kijken of een stervende op weg naar de zee in te halen.
Op de punt zit een vrouw. Als Moeder Natuur. Haar jurk waait alle kanten op.
Ze zwaait.
De stroom trekt mij achteruit, maar niet snel genoeg.
De boot nadert razendsnel en zal me binnen een paar minuten bereiken.
Ik sluit mijn ogen en laat me naar beneden zakken.
Het water sluit zich boven mijn hoofd met een vanzelfsprekendheid die mijn laatste twijfel wegneemt.
Dit is het beste.
De zon brandt niet meer. De golven zijn weg.
Alle geluiden zijn verstomd en de stroming is niet voelbaar.
Boven wacht Mirna met haar woorden.
Woorden die nu niets meer waard zijn.
Ze zullen zeggen dat ik uitgeput was, dat ze net te laat waren. Dat mijn lichaam, verzwakt door de kanker, verzwolgen is door de rivier die ik als jonge zwemmer zo vaak bedwongen had.
Elke journalist zou blij zijn met zo’n verhaal. Met een foto uit de archieven van mij als wedstrijdzwemmer. Klaar.
Ik zak verder naar beneden.
Het heeft geen zin meer om mijn ogen te openen.
Hier kan geen daglicht meer doordringen.
Uiteindelijk zal mijn overlevingsmechanisme het overnemen en zal ik als een gek naar het oppervlak zwemmen, maar als ik te diep ben afgedaald, zal ik niet genoeg zuurstof meer hebben om boven te komen.
Zal ik buiten bewustzijn raken net als in Dolfijn of naar adem happen en zal het water mijn mond binnenstromen en mij verstikken?
Ik blijf in het water hangen.
Mijn lucht is bijna op.
Nog een paar seconden om te beslissen.
Een seconde is genoeg om te beslissen.
Er stroomt koud water langs mij.
De kou zendt een schok door mijn lichaam.
Hoe diep ben ik?
Ik wil leven.
Ik zwem naar boven.
Het water is te zwaar.
Ik open mijn ogen.
Zonlicht door het water.
Het oppervlak nadert.
Te laat.
Ik kan niet meer.
Mijn lucht is op.
Lucht.
Licht.
Mirna’s stem.
Mannenstemmen.
Handen die mij vastpakken.
Hard hout tegen mijn lichaam.
Twee mannen aan weerszijden van mij pakken mijn armen, zetten hun schouders onder mijn oksels en slepen mij over de steiger naar de aangrenzende warung.
Ik probeer te lopen, maar krijg nauwelijks een voet voor de andere. Ik ben weer dertien en word na mijn eerste zwemmarathon tussen twee man de steiger over gezeuld. Ik kan niet eens meer rechtop staan, laat staan lopen.
In de aankomsttent zie ik bezorgde blikken van ouders, trainers en zwemmers. ‘Drinken. Hij moet drinken,’ hoor ik telkens.
In een poging Humphrey bij te houden was ik veel te hard van start gegaan. Nadat we een halfuur zij aan zij hadden gezwommen, tikte hij mijn schouder aan en sprintte weg. Ik voelde mijn armen zwaar worden en wist dat ik hem moest laten gaan. Langzaam zag ik zijn armen steeds kleiner worden tot ze verdwenen. Hij had de marathon al twee keer gezwommen en ik had gehoopt dat hij mij zou helpen om precies goed tussen de pijlers van de brug door te zwemmen.
Maar de brug kwam maar niet dichterbij. Elke zwemmer die te snel start, zal door de rivier gestraft worden, had onze trainer T. Rex gezegd en hij had gelijk. De golven sloegen tegen mijn armen en maakten borstcrawlen bijna onmogelijk. Ik kreeg een paar keer een slok rivierwater binnen en de modderige smaak bleef in mijn mond hangen. Toen ik eindelijk bij de brug was had ik niet genoeg kracht meer om van richting te veranderen, maar gelukkig hoefde dat ook niet. De stroom voerde mij mee tussen de middelste pijlers door en sleurde mij langs de stad.
Toen ik in de aankomsttent op een stoel gezet werd, kwam Humphrey naar mij toe en reikte me de erwtensoep en colastroop aan die voor de zwemmers klaarstond. Hij keek me aan met een blik die ik niet thuis kon brengen, ging naast me zitten en nam met een arrogante vanzelfsprekendheid felicitaties in ontvangst.
In de warung krijg ik een saoto en een cola. Aanvankelijk kan ik de lepel en het glas nauwelijks vasthouden en vrees ik dat ik alles ga uitbraken, maar na een paar slokken cola en een paar lepels saoto, begin ik me beter te voelen.