Hoofdstuk 19 - De handlezer
By Chris Polanen
Zwijgend stappen we uit. Ik zie hoe ze het huis bekijkt en het met haar herinneringen vergelijkt.
‘Rowan logeert beneden,’ zeg ik. ‘Maar hij is vandaag op een trip buiten de stad, toch?’
Ze knikt.
Ik doe de poort voor haar open en ze volgt mij de trap op.
‘Laten we op het balkon zitten. Ik trek even wat aan,’ zeg ik.
Ik ben blij dat ik eindelijk mijn natte korte broek en onderbroek uit kan trekken. Ik was m’n gezicht en loop naar mijn kamer.
Ons gesprek zal gaan over de tijd die mij nog rest. Welke outfit past daarbij? Ik kies het Dolfijn-shirt, geel met de springende dolfijn in een cirkel, een remake van het oude shirt uit de jaren zeventig dat ik mij een paar maanden geleden heb laten aansmeren door een jonge zwemmer die ze zelf maakt, gecombineerd met de nieuwe jeans die ik bewaar voor speciale gelegenheden.
Als ik terugkom en haar op het balkon zie zitten is het even alsof de tijd heeft stilgestaan.
Ze kijkt op en glimlacht. ‘Het oude Dolfijn-shirt. Je bent nog steeds knap, Henri. Misschien wel knapper dan vroeger.’
Ik schud mijn hoofd, maar eigenlijk ben ik het met haar eens. Op je zestigste zie je pas goed hoe verschillend mannen verouderen en er zijn er niet veel die er zo jong uitzien als ik. Misschien heeft het leven de afbraak van mijn binnenste gecompenseerd met het ongemoeid laten van de buitenkant.
‘Ik hield er altijd van om hier te zitten,’ zegt ze. ‘Ik voelde mij hier thuis. Je moeder behandelde mij alsof ik haar eigen dochter was en zelfs je vader vond mij aardig, toch?’
‘Ja. En dat was bijzonder, want hij maakte meisjes die hier kwamen het leven zuur.’
‘Hij had veel pijn.’
‘Zijn knie…?’
‘Nee. Trauma’s.’
‘Ouders die hun kinderen aftuigen hebben altijd een excuus. Hun eigen trauma’s en complexen.’
‘Ja, maar toch…’
Ik ga op de stoel naast haar zitten. Zonder erbij na te denken schuif ik mijn stoel tegen de hare aan en sla een arm om haar schouder. Net als vroeger.
Ze legt haar hand op de mijne. ‘Het is alsof we terug in de tijd zijn, toch?’
Ik wil antwoorden, maar de woorden worden verzwolgen door melancholie.
We kijken naar de mensen en auto’s die voorbijgaan.
‘Hoeveel tijd heb je nog?’ Ze klinkt zakelijk.
We kunnen beter in het verleden blijven. ‘Dat weet ik niet.’
‘Ongeveer?’ Nog steeds geen emotie in haar stem.
‘Ik voel me nog goed. Af en toe benauwd en pijn in mijn rug. Plassen gaat moeilijk.’
Ze knikt en kijkt weer voor zich uit.
Ik verwachtte dat ze zou huilen, maar het lijkt alsof haar emoties zijn uitgeschakeld.
‘Ik voel met je mee, Henri. Maar ik huil niet meer om de dood.’ Ze zucht, duwt wat krullen achter haar oor. ‘Ik heb tien jaar geleden een nieuwe lever gekregen. Van een donor. Anders was ik nu al dood.’
‘O, ik wist niet…’
‘Natuurlijk niet.’ Ze kijkt mij aan met een blik die ik nog nooit gezien heb. ‘Ik ben aan de dood ontsnapt. Voorlopig. Maar die nieuwe lever kan het elk moment begeven. Niemand kan zeggen wanneer.’
‘O god, Mirna.’
Ze pakt mijn hand en probeert die te omvatten, wat niet lukt, maar wel goed voelt. ‘Ik heb geleerd daarmee te leven.’
Ze buigt zich naar mij toe, legt haar hoofd tegen het mijne en kijkt naar boven. ‘Ik was vergeten hoe mooi de Surinaamse lucht is.’
‘Dat zal nooit veranderen.’
Theo verschijnt op zijn balkon en steekt zijn hand op.
Onze balkons liggen zo dicht tegen elkaar dat we regelmatig fruit, drank of zelfs hele maaltijden met elkaar uitwisselen. Theo kookt zoals zijn Chinese moeder deed, heel anders dan mijn creoolse vader, maar minstens net zo goed.
Nieuwsgierig kijkt hij naar Mirna.
Ik steek mijn hand op en wuif met een gebrek aan enthousiasme dat hij zal herkennen als het verzoek om te verdwijnen. Hij weet dat ik op mijn privacy gesteld ben als er een dame op bezoek is.
Hij maakt een onhandige buiging in Mirna’s richting en gaat weer naar binnen.
Mirna houdt haar lachen in. ‘Wat een grappige man.’
Ik glimlach. ‘Hij ontplofte bijna van nieuwsgierigheid. Wil je wat eten?’
‘Heb je wat in huis?’
‘Ik heb nog moksi alesi van gisteren. Ik kan er wat gedroogde vis en bitawiri bij maken. Dat is heel snel klaar.’
‘Dat heb ik zo lang niet gegeten! En ik kan je helpen.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Dat hoeft niet.’
‘Ik mag wel kijken, toch? Ik heb altijd spijt gehad dat ik nooit heb gekeken. Jullie kunnen zo goed koken.’
‘Kookte Humphrey niet voor je?’ Ik heb direct spijt van mijn vraag. Zijn naam tegen haar uitspreken doet pijn.
‘Nee, maar hij klaagde altijd over mijn eten. En we hebben niet eens een jaar samengewoond…’
‘Niet eens een jaar?’ Het is eruit voor ik er erg in heb. Veel te hard ook. Een schreeuw bijna. En ja, ze zal in mijn ogen lezen wat ik erachteraan wil zeggen: heb je mij daarom verraden en achtergelaten? Om zwanger te raken van die idioot en daarna achter te blijven met zijn baby? Ik zie schrik in haar ogen. Nee, dit wil ik niet. ‘Laten we niet over hem praten,’ zeg ik.
Ik heb jaren nagedacht over het vraagstuk wie meer schuld had, Humphrey of zij, en uiteindelijk kwam ik er altijd op uit dat ze allebei schuldig waren, maar hij meer dan zij. En nu ik haar heb zien huilen en gehoord heb hoeveel het haar spijt, wil ik het haar vergeven.
En om haar echt te kunnen vergeven, moet ik hem alle schuld geven. Zo simpel is het. Als ik van haar een onschuldige maak die zich in haar jeugdige onnozelheid vergist heeft en per ongeluk de verkeerde broer heeft gekozen, dan verschuift alle schuld naar hem.
Door achter mijn rug om iets met hem te beginnen overtrad ze de regels en verwoestte ze ons broederschap, maar hij liet dat gebeuren. Zij kwam als een vreemde in ons leven en was geen van ons iets verschuldigd. Ze had het recht om hem te kiezen in plaats van mij, ze had het mij alleen moeten vertellen. Maar hij was mij loyaliteit verschuldigd. In plaats daarvan nam hij mij mijn grote liefde af, mijn vertrouwen in mezelf en in het leven.
Ze knikt, duidelijk blij dat ik mijn emoties onder controle heb.
We staan op en ze pakt mijn hand.
Zo lopen we naar de keuken.
Met tegenzin laat ik haar hand los en open de koelkast. ‘Je hoeft niets te doen,’ zeg ik.
Ze leunt tegen de koelkast. Haar lach is luid en zo zorgeloos dat ik een lichte afgunst voel. Heb ik na hun vertrek nog ooit zo kunnen lachen?
Ik leg de vis en de groente op het aanrecht, pak een snijplank en een mes.
‘Ik ga goed kijken, dan kan ik het thuis ook maken,’ zegt ze.
‘Ik denk niet dat dat gaat lukken.’ Het is eruit voor ik er erg in heb.
Haar gezicht betrekt. ‘Je vaders eten was het lekkerste wat ik ooit gegeten heb. Ik heb nergens ter wereld meer zo lekker gegeten. En hij heeft het jou en Humphrey geleerd. Rowan heeft mij verteld dat jij zonder moeite het lekkerste vegetarische eten voor hem klaarmaakt dat hij ooit gegeten heeft.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Hij is een lieve jongen, maar hij overdrijft.’
‘Helemaal niet! Hij heeft in de beste vegetarische restaurants van Europa gegeten. Weet je, het klinkt als volkomen onbelangrijk vergeleken bij alles wat er is gebeurd, maar ik kon jou noch Humphrey ooit nog vragen om mij te leren koken. Dat was een extra straf. Lang niet zo erg als alle andere. Maar toch…’
Verbaasd kijk ik haar aan. Ja, ik weet dat we goed kunnen koken. En dat we er trots op zijn, op een arrogante en onuitstaanbare manier. Maar iedereen vindt de moksi alesi, de bruine bonen, en de masala kip van thuis toch het lekkerst? En natuurlijk de pom, het eeuwige onderwerp van discussie. ‘Die ouwe gek heeft ons gehersenspoeld. Wij moesten geloven dat zijn manier van koken de enige goede was. Maar hoe ouder ik word, hoe minder ik er in geloof.’
Ze schudt haar hoofd. ‘Nee! Nee, nee, nee. Ik weet dat je niet van je vader hield, maar… niemand kookte zoals hij.’
Ik stop met het ontleden van de vis. ‘Heb ik ooit tegen je gezegd dat ik niet van hem hield?’
‘Ja. Maar dat is vijfendertig jaar geleden.’
‘Ik was het vergeten.’ Ik heb de woorden nooit tegen mezelf uitgesproken. En hoe verschrikkelijk een vader ook geweest is, uitspreken dat je nooit van hem gehouden hebt is als zestiger moeilijker dan als twintiger. Daarom zoek ik nog een laatste keer in herinneringen en beelden, hoe vervaagd ook, naar iets wat ook maar een beetje op liefde lijkt.
Het is vreemd dat van al die jaren die mijn vader en ik hier doorbrachten, niet veel meer over is dan de dreiging van woede, de trilling in zijn stem en de razernij in zijn ogen.
Op mijn leeftijd besef ik dat ik zijn jeugd, vernietigd door verwaarlozing en mishandeling, niet kan negeren. Zijn geboorte maakte, met de meedogenloze onverschilligheid die de natuur in zich heeft, een vijftienjarig meisje moeder. Volgens de geruchten was zijn vader een matroos uit Puerto Rico, die voor zijn geboorte met onbekende bestemming vertrok, maar die uitleg werd wel vaker gegeven om een man, getrouwd, respectabel en soms ook nog familie, uit de problemen te houden.
De ouwe was gedoemd om zichzelf altijd vragen te stellen die nooit beantwoord werden.
De laatste keer dat ik hem zag lag hij in bed, zijn ogen weggezakt, naar het plafond starend, zijn huid gerimpeld om de botten. Hij verkeerde in een staat waarin hij telkens ontwaakte uit een lichte slaap en dan weer een nieuw gesprek begon. Plots vroeg hij, met een helderheid die ik in geen tijden gehoord had: ‘Wat voor man ben jij?’ Ik kon geen woorden vinden en zweeg, hoopte dat hij weer in slaap zou vallen, maar hij herhaalde de vraag. ‘Wat voor man ben jij, Henri?’
‘Een andere dan jij,’ antwoordde ik.
Hij sloot zijn ogen en glimlachte. ‘Dat lijkt maar zo,’ zei hij en hij legde zijn hand op de mijne.
Ik denk dat dat de enige keer in zijn leven was dat hij dat gedaan heeft.
De volgende dag was hij dood.
‘Het is waar. Ik denk niet dat ik ooit van hem heb gehouden.’
‘Was je niet verdrietig toen hij stierf?’
Oké, je mag het proberen met psychologie, ik vind het niet erg. Zelfs Freud en Jung samen zouden tevergeefs zoeken. ‘Ik voelde niets. Nou ja, opluchting misschien.’
‘Miste je hem niet, daarna?’
‘Het was vreemd om hem niet meer op het balkon te zien zitten. Maar missen… nee.’
‘Zou je willen dat hij nog leefde?’
‘Nee.’ Ik ga door met het ontleden van de vis. ‘Maar hij is terug. Sinds Rowan er is verschijnt hij ’s nachts op het erf. Voor het huisje. En hij praat tegen hem.’
‘Wat?’ Ze slaat haar hand voor haar mond. ‘Echt?’
‘Ik heb hem ook gezien. Rowan vindt het geweldig, maar ik had liever dat hij weg was gebleven.’
‘Jezus…’
‘Geloof je in geesten? Dat ze terug kunnen komen? Tegen je praten?’
‘Ik denk het wel. Wat zegt hij dan?’
‘Hij klaagt over de veranderingen in de straat. Zegt dat alles vroeger beter was.’
‘Dat was toch ook zo?’ Ze komt achter mij staan, drukt zich tegen me aan en slaat haar armen om mij heen.
Ik voel de warmte van haar lichaam, haar borsten en buik tegen mijn rug en het voelt zo goed dat ik haar handen pak, zodat ze niet weg kan.
Ze legt haar hoofd op mijn schouder.
Ik kijk naar het eten in de pan en zeg: ‘Hij vond twee dingen belangrijk. Koken en een “echte man” zijn.’
Ze omhelst me nog steviger. ‘Laten we het eten even uitstellen. Laten we… eerst douchen en naar bed gaan,’ zegt ze, alsof we een stel zijn en het vanzelfsprekend is dat we het gaan doen, dat we alleen moeten beslissen wat het beste moment is.
Mijn hart begint te bonzen alsof er nu al extra bloed naar beneden gepompt moet worden. Ik draai het vuur onder de pan uit en zucht. In tegenstelling tot mijn lichaam, heeft mijn hoofd geen idee wat het met dit voorstel aan moet. Toen we vanmiddag zoenden was het alsof er vijfendertig jaar na een bosbrand iets uit de grond ontsproot dat voorgoed verloren leek. Maar dit is te veel.
‘Overval ik je?’
Ik voel haar adem in mijn nek.
‘Ja.’
‘Wil je het niet? Dat kan ik begrijpen, hoor.’
‘Ik wil het wel, maar ik weet niet of ik het kan. De laatste keer dat ik het deed, ging ik bijna dood.’
‘Dat wil ik niet op mijn geweten hebben.’
‘Jij bent niet bang voor de dood, toch?’
‘Nee, maar ik wil je niet voor een onmogelijke keus stellen.’
‘Het is geen onmogelijke keus.’ Ik draai me om en in de zoen verdwijnt de angst.
Dit is een ander soort zoen dan vanmiddag. Haar tong duwt hard tegen de mijne, gaat diep mijn mond in. Hoe kon ik deze tong vergeten? Nu is het de enige tong in mijn hele leven die telt. De herinneringen aan alle andere zijn weggevaagd en zullen niet meer terugkomen.
Mijn handen tasten haar lichaam af, borsten, heupen, billen. Ik knijp er zacht in. Als het een andere vrouw was, zou het misschien te groot zijn, maar bij haar heb ik alles nodig en hoe groter, hoe beter. Ik kan alleen maar hopen dat haar lichaam groot genoeg is om alle pijn en verdriet te verzwelgen.
Ik zoen steeds gretiger, mijn tong beweegt nu zonder schaamte door haar mond, mijn mond gaat steeds wijder open, en even vraag ik mij af hoe dat eruit moet zien. Op onze leeftijd…
Het kost moeite, maar het lukt me om mezelf los te maken van haar mond. Ik kijk haar aan en glimlach, verlegen, mij er plotseling van bewust dat ik teer op een restje leven dat elk moment op kan raken. Terwijl ik probeer me niet te verliezen in haar ogen en haar glimlach die vertellen over seks die is geweest en gaat komen, bedenk ik dat er praktische zaken geregeld moeten worden. ‘Ga jij eerst douchen? Dan ga ik mijn bed verschonen,’ zeg ik.
Ze sluit haar ogen en knikt.
Een man kan nooit weten wat een vrouw denkt op zulke momenten.
Ik loop voor haar uit naar de badkamer.
‘Alles is kleiner dan in mijn herinnering,’ zegt ze.
De ouwe onderhield het huis beter dan zijn eigen lichaam. Hij schaafde, timmerde, verfde, bijna blij als hij iets ontdekte wat onderhoud nodig had en nu pas realiseer ik me dat hij in die laatste fase van zijn leven zich vooral nuttig, nodig zelfs, wilde voelen. Alle houten huizen in de nabijheid vervielen, behalve dat van ons. Maar na zijn dood zette het verval langzaam in. Ik liet de verf afbladderen en zinkplaten verroesten, alsof ik aanvoelde dat ik niet lang profijt zou hebben van het onderhoud. Ik liet het huis sterven.
Waarom heb ik er nooit over nagedacht wat er met dit huis gebeurt na mijn dood? Humphrey. Godverdomme. Tenzij ik een testament opmaak en mijn helft aan iemand anders nalaat, gaat het naar hem. Maar aan wie zou ik mijn deel moeten nalaten?
Wat voor een treurig leven heb je geleid als je geen vrouw, kind, familielid of desnoods een goed doel kunt bedenken dat je bezit kan erven? Hoe pathetisch een leven is, valt pas goed op als het ophoudt. Er blijft niemand achter aan wie ik dit huis, mijn auto en mijn spaargeld kan nalaten, om de simpele reden dat niemand erin slaagde lang genoeg van mij te houden. Waarschijnlijk ben ik geen persoon van wie je de helft, een kwart of zelfs maar een tiende van een leven kunt houden. Voor de vrouwen met wie ik verder wilde was het altijd na een paar jaar genoeg.
Ik moet hier niet meer aan denken, maar me concentreren op mijn heden. Weer is een grote liefde in mijn armen teruggekeerd en krijg ik een tweede kans, terwijl iedereen weet dat tweede kansen in de liefde uiterst zeldzaam zijn en meestal gedoemd te mislukken.
Misschien is dit het moment om toe te geven dat Mirna de liefde van mijn leven is, maar op een leven van zestig jaar is onze relatie van amper twee jaar zo kort dat ik dan ook moet toegeven dat mijn leven op liefdesgebied volledig mislukt is en zover ben ik nog niet.
Ik geef Mirna een schoon badlaken dat ik normaal reserveer voor het zwemmen. Dat kan ze om zich heen slaan wanneer ze de badkamer uit komt.
Ze stapt de badkamer in alsof ze dat elke dag doet.
Mijn slaapkamer is een puinhoop. Waarom zou je opruimen als jij de enige bent die er slaapt? Ik ruk het groezelige beddengoed weg en vervang alles in een razend tempo. Daarna raap ik rommel van de vloer, prop kleding in kasten, verzamel alles wat zonder reden rondzwerft en smijt het in de rommelkamer.
Mirna doucht lang. Ik heb zelfs nog tijd om de vloer aan te vegen en het bureau en de vensterbanken af te nemen. Nadat ik de ramen open heb gedaan, sla ik met een doek om mij heen om het stof naar buiten te jagen. Daarna kijk ik naar de kamer en ‘armoedig’ is het eerste dat bij me opkomt. Wat kan ik nog doen om daar iets aan te veranderen?
Te laat, Mirna komt binnen.
Ze heeft de handdoek inderdaad om zich heen geslagen, haar haar is nat, de krullen zijn er bijna uit. Haar glimlach maakt mij week.
‘Zo zie je eruit als vroeger,’ zeg ik.
‘Dat lukt helaas nooit meer.’ Ze kijkt rond. ‘Je oude kamer. Bijna niets veranderd.’ Ze ruikt aan de rug van haar hand. ‘Ik heb me gewassen met jouw zeep en shampoo.’
Ik loop naar haar toe en druk mijn neus in haar nek. Haar geur vermengd met de mijne.
Ze drukt mijn hoofd tegen zich aan en lacht.
Ik doe een stap achteruit. ‘Je kent het huis nog… Voel jezelf vrij. Je kunt ook wat eten als je honger hebt.’
Ze schudt haar hoofd. ‘Eten kan later nog.’
Ik stap de badkamer uit zonder handdoek. Mijn lichaam is de laatste twintig jaar niet veel veranderd. Een vetlaagje, natuurlijk, maar het zit egaal om mijn torso en buik heen, geen buikje zoals bijna al mijn leeftijdgenoten.
Het grote verschil is dat ik vroeger met een stijve de slaapkamer in zou stappen. Natuurlijk zal dat haar opvallen, maar ze heeft een nog veel oudere man in Nederland, dus ze weet dat een geslacht na de zestig meer tijd nodig heeft. Als de reflex ergens na je vijftigste steeds vaker uitblijft, is dat voor ons mannen het eerste bewijs dat de tijd niemand vergeet. Dit verval is meedogenloos, duizendmaal erger dan de kilo’s, het haarverlies en de rimpels. Natuurlijk praten we er niet over, misschien alleen met een enkele vriend die we echt vertrouwen.
Ze ligt op haar zij, steunt op haar elleboog. De handdoek is weg. Haar borst hangt tot op het matras, haar heup rijst als een berg omhoog. Ze kijkt naar mijn lichaam. Een gezicht waarachter van alles broeit, maar dat op de een of andere manier gladgestreken blijft.
‘Kom liggen, no,’ zegt ze. Geen Nederlandse tongval meer. Surinaamser kunnen drie woorden niet zijn.
Nu zie ik de moedervlekken. Het zijn er honderden, grote en kleine, dicht bijeen in haar hals en op haar schouders, via haar schouders uitwaaierend over haar lichaam als een wolk insecten. Sommige vlekjes, andere verheven boven de huid. Ik wist dat ze er waren, maar vroeger waren het er niet zoveel. Met de jaren hebben ze zich vermenigvuldigd, zijn ze een eigen leven gaan leiden. Ik heb er nog nooit zoveel op een lichaam gezien.
Ze kijkt mij aan met licht opgetrokken wenkbrauwen.
Natuurlijk ziet ze dat ik haar bekijk en ze daagt me uit om iets te zeggen.
Ik ga naast haar liggen, streel haar wang en laat mijn hand naar beneden glijden, over haar hals en haar schouder, over alle moedervlekken. Op haar borsten zitten ze niet. Ik laat mijn vingertoppen over haar borst glijden. Nooit heb ik zo’n grote borst betast en ik voel meer ontzag dan begeerte.
Er loopt een litteken in het midden van haar borstkas verticaal naar beneden. Verdikte huid met aan weerszijden punten die vertellen waar de hechtingen gezeten hebben. De lijn splitst zich op haar buik in tweeën, een korte tak loopt naar links, een lange naar rechts. Mijn vingers strijken er als vanzelfsprekend over, voelen het verschil met de zachte huid. Dat harde richeltje lijkt het enige overblijfsel van de dag dat de chirurg, omringd door een heel team, haar buik opentrok, urenlang bloedvaten en allerlei weefsels waarvan ik de naam niet eens weet doorsneed om ze daarna weer met elkaar te verbinden.
Hoe kun je een lever uit een mens verwijderen en vervangen door een andere? En van wie was die andere? Wie had ooit springlevend ‘donatie van organen’ op een formulier aangekruist, niet wetende wanneer en hoe de dood zou komen en zeker niet dat een Surinaamse vrouw daardoor vele jaren leven erbij zou krijgen?
Ze glimlacht, begrijpt dat ik haar lichaam opnieuw moet leren kennen. Ik zie in haar blik iets wat lijkt op trots. Natuurlijk, dit litteken vertelt het verhaal van haar overwinning op de dood en al is die maar tijdelijk, elk mens zou daar trots op zijn.
‘Weet je iets over je… donor?’
Ze schudt haar hoofd. ‘Nee. Ik zou zo graag iets terugdoen. Voor de nabestaanden.’
Mijn hand rust op de splitsing van het litteken.
Ze plaatst haar hand op de mijne en drukt er stevig op, alsof ik zo de lever zou kunnen voelen. Daar, onder onze handen, is de bron van haar leven die het mogelijk maakt dat ze na vijfendertig jaar weer in mijn bed ligt.
Ze haalt haar hand van de mijne en ik leg mijn hand op haar heup, trek haar wat naar mij toe en laat mijn hand over haar bil glijden. Ik tast de hele bil zacht knijpend af en geniet van het gevoel tussen mijn vingers.
Haar glimlach wordt breder. Ze schaamt zich niet voor haar litteken, en zeker niet voor haar omvang. Hoelang ze ook in Nederland gewoond heeft, ze weet dat een Surinaamse vrouw groot mag zijn.
Ik kan nauwelijks geloven dat ik dit lichaam van overvloed mag voelen.
We zoenen, veel voorzichtiger dan net, alsof nu niets meer vrijblijvend is. Elke aanraking, elke beweging is nu een stap naar een eindpunt dat kan resulteren in een dood die een man als ik riskeert, omdat seks echt is en de dood slechts een idee. Tot het moment dat je geen lucht meer krijgt en het zwart voor je ogen wordt.
Ze slaat een been over het mijne heen. Haar dij is massief en zwaar. Het voelt alsof mijn been verpletterd wordt, maar ik doe alsof ik niets voel. Voorzichtig steunend op haar ellebogen gaat ze schrijlings op mij liggen. Haar borsten plooien zich zwaar om mijn borstkas.
Ik word in het matras gedrukt en kan niet meer bewegen. Ademen wordt moeilijker. Ik geef me over aan de zoenen die ze in mijn hals drukt. Het is fijn om haar liefde te ondergaan, maar zo kan ik niet ontspannen. Ik wil het niet zeggen, maar gelukkig merkt ze het zelf.
Ze rolt van me af en trekt mij op haar, als een worstelaar tijdens een wedstrijd.
Ik lig tussen haar gespreide benen, haar dijen drukken tegen de mijne. Haar lichaam voelt als een kussen waarin ik wegzak. Mijn toli is nog lang niet stijf genoeg. Ze schuift haar hand onder mij, pakt hem bij de basis vast, knijpt er zachtjes in alsof ze hem oppompt, voelt hem harder worden, glimlacht, gaat door en op het moment dat hij hard genoeg is leidt ze hem naar binnen. Ze is nat en nauw.
Waarom heb ik mij nooit gerealiseerd hoe bijzonder het moment is dat je voor het eerst bij een vrouw naar binnen gaat? Ik was altijd gedreven door lust, te gehaast om op haar te letten.
Nu let ik op alles: haar ogen zijn gesloten, haar mond is iets geopend, haar ademhaling doet haar borsten en buik onder mij golven. Ik denk dat ze moeite heeft om te ontspannen en voor een vrouw is dat op dit moment waarschijnlijk het belangrijkste. Overgave. Of is dat een typisch mannelijke gedachte?
Ze weet waarschijnlijk niet meer hoe diep ik wil gaan en hoe ik in haar zal bewegen. Het is zo lang geleden en zo lang waren we niet samen. Ze voelt zich nu vast als een vrouw die een nieuwe minnaar in zich voelt komen. Het is bijna onmogelijk dat alles overeen zal komen met haar verwachtingen.
Ze knijpt haar ogen dicht en fluistert: ‘Eindelijk.’
Zo zacht dat ik me afvraag of ik het goed gehoord heb.
‘Ja,’ zeg ik, ‘ja…’ Ik pak haar hoofd tussen mijn handen. Het voelt alsof ze van mij is. Na al die jaren, na al het gemis, de woede en het verdriet, is dit het enige wat we kunnen doen. Vrouwen hebben weleens tegen mij gezegd dat seks niet de oplossing is, maar waarom zou het in ons geval niet toch zo zijn?
Als ik in haar stoot, voel ik hoe haar lichaam meegeeft.
Ze zucht, opent haar ogen.
Mijn pijn vloeit weg.
Ze fronst haar wenkbrauwen en sluit haar ogen weer.
Ik blijf stil liggen en vraag: ‘Gaat het?’
Ze opent haar ogen en zegt. ‘Ja. En met jou?’
‘Heel goed.’
We glimlachen.
Ik beweeg langzaam in haar. ‘Kun je je nog herinneren hoe het vroeger was?’
Ze knikt. ‘Zeker.’
‘En is het nu anders?’
Ze sluit haar ogen. ‘Alles is anders. Wij zijn anders. En toch is het hetzelfde.’
Ik probeer iets van vroeger terug te halen, maar er komt niets. Ik zoen haar, zo teder dat het mijzelf verrast. ‘Ja, toch is het hetzelfde,’ zeg ik terwijl ik haar in de ogen kijk. Nog nooit heb ik met zoveel liefde gelogen.
Ze drukt haar handen op mijn billen. ‘Genoeg gepraat.’ Het duurt niet lang voordat ze klaarkomt.
Nu herinner ik me het.
Er rollen tranen over haar wangen.
Ik zoen ze weg.
Ze glimlacht.
Mijn orgasme nadert, maar is nog ver genoeg verwijderd om onder controle te houden.
Ik zie een angstige verwachting in haar blik.
‘Henri…’ zegt ze.
Natuurlijk is ze bang. Ik ben ook bang.
Ik zou nu kunnen stoppen, maar mijn lichaam gaat door, heeft geen boodschap aan angst. De vorige keer ontwaakte ik toch weer? Mijn prostaat is niet goed, maar mijn hart zal niet zomaar stoppen. Het is een zwemmershart, het heeft van jongs af aan geleerd om met weinig zuurstof een heel lichaam onder water voort te stuwen.
Ik kan nu niet meer stoppen, al zou ik het willen.
Ik vertrouw op mijn hart.
‘Henri… Henri.’
Ik pak haar hoofd tussen mijn handen.
Ik kan niets meer zeggen. Haar lichaam omsluit mij en ik zink er in weg.
Ze blijft mijn naam zeggen, maar het klinkt steeds verder weg.
Het is bijna zover.
Ik voel meer leven dan ik ooit gedacht had dat mogelijk was.
Ik word meegezogen, ik stoot niet zelf meer.
Ik ben klaar om te sterven.
Mirna’s ogen zijn het laatste wat ik zie.
Het voelt als thuiskomen na een reis die te lang, te vermoeiend en te pijnlijk was.
Mijn leven passeert in beelden die net zo snel vervagen als ze komen.
Dus dit is alles wat er van een leven overblijft.
Ik observeer hoe alles wegvloeit zonder iets vast te willen houden.
En dan is er ontspanning.
De zwaarte van het zijn is weg.
Ik glij voort alsof ik onder water ben, mijn ogen dicht, want ik hoef niets te zien.
Ik hoef geen kracht te zetten. Ik weet niet of ik armen of benen heb.
Er is geen scheiding tussen water en lucht. Ik hoef niet meer te ademen.
Ik kan hier altijd blijven.
Ik hoef niets.
Ik wil niets.
lk ben.
Nee, ik ben niet meer.
Henri.
De stem verstoort alles.
Henri.
Dat was ik.
Henri.
Dat ben ik niet meer.
Henri.
Ik heb al afscheid genomen.
Henri.
Ik ben verlost.
Henri.
Ik zou gek zijn om terug te gaan.
Henri.
Nu weet ik van wie die stem is. Nu heb ik geen keus meer en word ik teruggezogen in mijn lichaam. Het voelt alsof ik diep onder water ben en de druk op mijn borstkas is verschrikkelijk. Maar zelfs na de dood weet mijn lichaam wat het onder water moet doen. Ik strek mijn armen omhoog, klem mijn hoofd ertussen, pomp alle kracht die ik nog in mij heb naar mijn benen en stuw mijzelf omhoog. Bij elke golfbeweging voelt het alsof mijn rug kan breken. De pijn is ondragelijk, maar ik schiet omhoog.
‘Henri.’
Ik open mijn ogen.
Dit gezicht is nu mijn wereld. Die neusvleugels die nauwelijks zichtbaar bewegen, die mond met het begin van een glimlach, die ogen met een glinstering van tranen en hoop. Buiten dit gezicht is er niets.
‘Ik dacht dat je dood was.’
Ik hou van haar. Ik wil het zeggen, maar ik kan niet praten.
Ik wil huilen, maar dat kan ik ook niet. Huilen omdat het leven zoveel zwaarder voelt dan de dood, maar ook omdat ik meer liefde voel dan ik ooit gevoeld heb, niet alleen voor deze vrouw, maar voor het leven zelf, voor elk mens, voor elk dier, voor de planten, voor het water, voor de wind, voor de wolken. Moet een mens eerst doodgaan voor hij dit kan voelen? Wat een tragische vergissing.
Ze legt haar hoofd op mijn borst.
Het is te zwaar.
Ik wil haar vragen het van mijn borst te halen, maar ik kan het niet.
Ik wil mijn hand optillen, maar dat lijkt onmogelijk. Pas na een paar keer proberen lukt het mij om hem op haar rug te leggen.
‘Ik was dood.’
‘Echt?’ Ze richt haar hoofd op en kijkt mij aan.
‘Ja.’
‘O god.’
‘Het was heerlijk.’
‘O god.’ Ze legt haar hoofd weer op mijn borst. Het is minder zwaar nu.
‘Ik hoorde je stem. Anders was ik daar gebleven.’
‘Echt?’
‘Ja. Ik hou heel veel van je, Mirna.’
Ze legt een hand op mijn voorhoofd alsof ze voelt of ik koorts heb. ‘Je bent net dood geweest. Je weet niet wat je zegt.’
Ik wil lachen, maar dat zou veel te veel kracht kosten.
Ze zucht, brengt haar gezicht weer boven het mijne, zodat ik niets anders meer kan zien. ‘Ik hou van jou, Henri. Misschien geloof je mij niet, maar het is altijd zo geweest.’
‘Ik geloof je.’ Ik wil zeggen dat die liefde, dat mengsel van verwachting en teleurstelling, die vervloekte worsteling, maar een klein deel is van de liefde die je voelt na de dood. Maar zoveel woorden kan ik niet uitspreken, dus kijk ik naar haar glimlach en word ik verdrietig, omdat ik ook dit gezicht zal vergeten als ik sterf.
Ik weet niet hoelang we zo gelegen hebben. Alleen onze ademhaling, een roep van een vogel, het geblaf van een hond en Theo’s papegaai die na al die jaren spraakles, het meest zinloze wat ik een mens ooit met een dier heb zien doen, iets krast wat klinkt als: mooooiiii, mooooiiii. Een duivels, maar ingetogen geluid.
‘Die papegaai…’ zeg ik, maar ik heb niet de energie om het hele verhaal te vertellen.
Ze glimlacht alsof ze weet wat ik wil zeggen.
Al die jaren heb ik gedacht dat we uren zouden moeten praten over vroeger, alle woede, alle pijn, alles wat nergens naartoe kon eruit moesten gooien, schreeuwen en huilen, maar ik had nooit gedacht dat een trip naar Leonsberg, een paar kilometer zwemmen in de rivier, zoenen, seks en even dood zijn, alle woorden overbodig zouden maken.
‘Henri. Er is iets wat ik je moet vertellen.’
‘Weet je zeker dat het moet?’
‘Ja, het moet. Maar het is heel moeilijk.’ Ze licht haar hoofd van het kussen en kijkt me aan zoals iemand een ander aankijkt die geen idee heeft welk effect de woorden die gaan komen op hem zullen hebben.
Normaal gesproken zou die blik mij verontrusten, maar nu, mijn hele wezen nog ontspannen, zeg ik: ‘Je kunt alles tegen me zeggen.’
Ze knijpt haar ogen even dicht om ze daarna wijd te openen en diep adem te halen. ‘Rowan kan ook jouw zoon zijn. Ik weet het niet…’
Er ontploft iets in mijn hoofd dat alles om zich heen verpulvert. Vanuit mijn hart zwelt een schreeuw aan die mijn mond nooit zal bereiken. Ik zoek naar mijzelf, maar er is alleen chaos. Mijn hartslag blijft versnellen en ik spring uit het bed met een kracht die ergens in mijn lichaam verborgen moet hebben gezeten. Dan sta ik stil. Verloren in dit leven, op deze aarde.
Ik pak mijn telefoon van het nachtkastje. Met trillende handen ga ik op zoek naar een foto waarop ik met Rowan sta. Ik vergelijk zijn gezicht met het mijne en bestudeer elk detail met een snelheid die mijzelf verbaast.
Voorhoofd, wenkbrauwen, ogen, mond, tanden, kaken, kin lijken sprekend op die van mij. Alleen zijn neus en zijn handen lijken op die van Humphrey. Het is de neus van onze vader, groter en platter dan de mijne, het zijn de handen van de ouwe, met zware palmen en vingers, veel groter dan die van mij. En Rowan heeft hun stem, zwaarder dan de mijne en een beetje schor. Waarom zou mijn zoon niet zijn opa’s neus, handen en stem kunnen hebben?
Langzaam laat ik mijn telefoon zakken. De chaos heeft plaatsgemaakt voor leegte. Al mijn energie is weg en ik zoek steun tegen de wand.
Mirna zwaait haar benen uit het bed, hijst zich omhoog, zuchtend alsof ze voor het eerst voelt hoe zwaar ze is, en slaat het badlaken weer om zich heen. Ze kijkt mij aan en schuldiger kan een mens niet kijken. Ze staat iets ineengedoken, als een hond die slaag verwacht.
Mij bedriegen met Humphrey en dit verzwijgen zijn leugens van de ergste soort en bij elkaar opgeteld zouden ze een man, juist een man die heel veel van een vrouw houdt, tot razernij kunnen drijven. Er worden in Suriname vrouwen om minder mishandeld, vermoord zelfs. Maar hoe kan ze denken dat ik haar pijn zou kunnen doen?
‘Ik heb nooit gedurfd het te vertellen.’
‘En Humphrey? Rowan? Weten ze het?’
Ze schudt haar hoofd, zoekt steun tegen de kast en vecht tegen de tranen.
Langzaam ebt de schok weg. Er is woede, omdat ze mij vijfendertig jaar lang de kans op een zoon heeft onthouden. En nu is het te laat.
Maar zou ik vijfendertig jaar geleden blij geweest zijn met dit nieuws? Zou ik geld willen storten, maand na maand, jaar na jaar? Voor een kind dat ik niet eens gewild had en dat ik niet zou zien opgroeien? Een kind dat mij minder als een vader zou zien dan de minnaars van zijn moeder? Zou ik interesse getoond hebben in schoolresultaten en hobby’s? Zou ik hem over laten komen en vakanties met hem doorbrengen? Zou ik hem in Nederland opzoeken? Ik ken mannen die dat allemaal deden. Tijd, geld en energie investeerden in een project dat hen niets opleverde, behalve verwijten dat het niet genoeg was en beschuldigingen over het veroorzaken van pijn en trauma’s. Zo’n man zou ik nooit kunnen zijn.
Mirna staat met haar hoofd tegen mijn kledingkast gedrukt.
Ik draai haar naar me toe. ‘Kom,’ zeg ik. ‘We gaan eten.’
We eten op het balkon.
Mirna staart wezenloos voor zich uit.
‘Is het lekker?’ vraag ik.
Ze lijkt wakker te schrikken. ‘Het is het lekkerste wat ik in jaren gegeten heb.’
‘Koken je mannen niet voor je?’ vraag ik.
Ze schudt haar hoofd. ‘Niet zo. Niet zo.’
Ik keek vroeger ook graag naar haar als ze at. De manier waarop ze een steeds kleinere hoop op het bord maakt, de kleine happen, het bedachtzaam kauwen. Ik kan mij niet voorstellen dat ik verliefd zou worden op een vrouw die schrokt of smakt. En net als vroeger ben ik verbaasd dat een vrouw als zij te bescheiden is om een tweede portie te vragen, maar net als vroeger schep ik die voor haar op en geniet ik van haar blik als ze het bord aanpakt.
Voorzichtig komt er ruimte vrij voor een soort vreugde. Rowan zou mijn zoon kunnen zijn, een zoon om trots op te zijn en ik zou na mijn dood een betere versie van mijzelf achterlaten. Die gedachte brengt rust.
‘Het is goed,’ zeg ik en ik verbaas me over mijn eigen woorden. Natuurlijk is het niet goed. Ze heeft mij misschien het vaderschap onthouden en Rowan misschien een vader. Dat recht had ze niet, ook al zou ik een miserabele vader zijn geweest.
Maar er zijn zoveel vrouwen die met zo’n geheim leven. Moeders van kinderen die verwekt zijn omdat het onweerstaanbaar was, omdat er toch niemand achter zou komen, omdat de lust het verstand wegvaagde en voorbehoedsmiddelen het altijd afleggen tegen oerkrachten.
We zijn allemaal zwak. We zijn dieren die pretenderen meer te zijn, maar als het erop aankomt altijd door de mand vallen.
Ik vergeef iedereen.