Hoofdstuk 2 - De handlezer
By Chris Polanen
Sinds ik met pensioen ben rekken de dagen zich eindeloos uit en rijgen ze zich aaneen zonder herinneringen van belang. Regendruppels als stenen op het zinken dak, water dat warm en troebel de straat overstroomt, de huizen binnendringt en het leven verweekt. Droge tijden waarin de hitte alles neerslaat, de aarde doet barsten en zuchten.
Het grootste deel van de dag zit ik op mijn balkon en kijk uit over de straat. In de schoolkinderen die passeren herken ik de volwassenen al: de gebaren van de clown, de vooruitgestoken borst van de waaghals, de opgetrokken schouders van de introvert. Ik zou ze willen vertellen dat het logisch is om juist je sterke eigenschappen te ontwikkelen, maar dat het leven je ooit confronteert met de gevolgen daarvan. Ach, ze zouden mij een oude gek noemen en ze zouden nog gelijk hebben ook.
Ik vraag me af waarom ik nog elke vrouw bestudeer en vervloek de gewoonte die geheel zinloos is geworden. Waarom zou je alles nog beoordelen, als je rol uitgespeeld is? Als je als zestigplusser borsten, heupen en billen binnen die eerste seconden naloopt, ben je een vieze oude man. Als je dat als stervende doet, ben je rijp voor de hel.
Sinds mijn bezoek aan de arts maakt de blik van vroeger steeds meer plaats voor een andere. Pas als je niets meer van een vrouw wilt, kun je echt naar haar kijken. Gratie en kracht, maar ook zwakte en onzekerheid zien die vroeger verborgen bleven.
Wat de mannen betreft: ik heb mijzelf altijd vergeleken met de sterken en de succesvollen, maar nu pas doorzie ik onze ijdelheid, het gebrek aan richting, aan verantwoordelijkheidsgevoel, aan alles.
Ik zwem nog steeds drie kilometer per dag, doe push-ups en ren regelmatig een rondje in de Cultuurtuin tussen joggers, waarvan de meerderheid er ongezonder uitziet dan ik.
Als ik in de spiegel kijk, voel ik zowel trots als pijn. Leven, God, kanker, jullie hebben mij misleid, maar ik zal de illusie zo lang mogelijk in stand houden.
Een straathond snuffelt bij een hoopje vuilnis. Zijn nek en poten zijn kaal, de schurft vreet aan zijn huid. Eén achterpoot hangt slap, ooit verbrijzeld tijdens een slecht geplande oversteek.
Zonder na te denken gooi ik mijn broodje bakkeljauw naar beneden.
De hond schrikt, kijkt schichtig naar boven, maar sluipt dan naar het broodje toe en begint te eten.
‘Proef,’ zeg ik zacht. ‘Dit is het lekkerste broodje dat je ooit gegeten hebt.’
De laatste jaren heb ik me aan alles wat ik vanaf mijn balkon zag geërgerd. Aan het vuilnis, aan de straathonden die het uit elkaar trokken, aan de geur van rotting in de wind, aan de ratten die steeds groter en brutaler werden, aan de geparkeerde auto’s op het trottoir. Aan de verloedering van de straat.
Zestig jaar geleden ben ik in dit huis geboren. Ik heb het meerdere keren verlaten, vol grootse plannen of vergiftigd door woede, van plan nooit meer terug te keren. Maar ik kwam altijd terug, soms binnen een dag, soms na maanden. Hoezeer de wereld ook trekt en duwt, dit huis is de basis van mijn leven.
De praktijken van een huisarts, tandarts, notaris en advocaat, gaven de straat decennialang een zekere allure. Altijd kwamen er mensen op zoek naar verlichting van lichamelijk of financieel ongemak, naar zekerheid of gerechtigheid.
In de loop der jaren zijn de artsen en doctorandussen overleden of gepensioneerd. Hun praktijken werden omgebouwd tot Braziliaanse bars, hotels, discotheken, restaurants en de beruchte combinaties van dat alles, waarin de keukens de hele nacht rijst, vlees en vis klaarstomen, de muziek altijd door bonkt terwijl vrouwen en mannen doen wat ze doen als de nacht valt, ongeacht de schade die ze toebrengen aan hart en ziel.
En toen kwamen de Chinezen die hun groezelige, maar goed gesorteerde winkels vestigden in de periferie van het uitgaansgeweld, zodat alles wat ’s nachts verbruikt werd, overdag bij hen ingekocht kon worden.
Ondernemers en winkeliers kun je niet kwalijk nemen dat ze zich vestigen op plekken waar geld te verdienen is, maar ze profiteren van het gedachteloos zuipen, vreten en feesten van de armen die zo gedoemd zijn om altijd arm te blijven.
Een oudere man loopt voorbij. Zweetdruppels glinsteren op zijn voorhoofd en hij kijkt alsof hij vreest dat hij het einde van de straat niet gaat halen. Zijn rug is licht gebogen, zijn rechterbeen volgt het linker onwillig.
In de loop van een leven is er ergens in de benen altijd wel een onderdeel dat het begeeft. Bot, gewricht, spier, pees, bloedvat, zenuw, lymfebaan. De lijst van mogelijkheden is eindeloos. En hoe klein dat lichaamsdeel ook is, weg is je ritme, je symmetrie, je waardigheid.
Mijn tred is nog soepel. In tegenstelling tot de meeste van mijn leeftijdgenoten die een flinke pens meezeulen, ben ik slank. Bovendien heb ik mijn haar en bijna al mijn tanden nog. Goed geconserveerd, noemt men mij. Dat klinkt leuk, maar ik heb al heel wat goed geconserveerde heren in hun kist zien liggen. Gladgeschoren, in hun zondagse kleren en met gepoetste schoenen. Surinaamse mannen van mijn leeftijd zijn tijdbommen en de eerste gaan al ruim voor de zeventigste verjaardag af, de bigi yari waarop je gewekt zou worden door het bazuinkoor voor je poort en die zou eindigen met luide muziek, een catering waarover nog jaren gepraat zou worden, vele borrels en aanvankelijk uitbundige, maar later wankele rondjes op de dansvloer.
Terwijl de hond over de plek likt waar net nog het broodje lag, vraag ik me af of ik me vaker had moeten laten testen. Misschien, maar ik behoor niet tot de mannen die elk jaar bloed af laten nemen en, God verhoede, een rectaal onderzoek ondergaan. Wie wil er zo leven?
Bovendien heb ik gezien dat testen geen garanties zijn voor een lang leven. Alle uitslagen kunnen goed zijn, maar een Surinaams mannenhart kan na een jaar of zestig trouw pompen, zomaar besluiten dat het mooi geweest is.
Ik heb de afgelopen jaren twee vrienden begraven die zonder enige voortekenen dood neervielen. Nou ja, neervielen. Glenn, mi mati, jij lag in bed met een jonge vrouw. Gelukkig in je eigen bed en niet in een short time-hotel, want dat maakt van de dood een karikatuur die vrouwen laat glimlachen en mannen doet vloeken. Dat verdiende je niet.
Het meisje belde mij met jouw telefoon. Niet je broer, je zus of een van je kinderen, maar mij. Kennelijk wist ze dat ik, in tegenstelling tot al die anderen, rustig zou blijven en geen lastige vragen zou stellen. Als je een vrouw goed kent, vertel je haar over de karakters van familie en vrienden.
Toen ik arriveerde zat ze op de rand van het bed, geheel gekleed en met haar schoenen aan. Een jong gezicht, een zwaar lichaam, tatoeages op de armen. Haar haar was nat, ze had net gedoucht.
Ik was haar dankbaar voor het laken dat ze over je heen had gelegd. Je vingers staken eronder uit met je gouden ringen en je keurig verzorgde nagels, maar ik kon me niet voorstellen dat je echt weg was. Je was de meest onsterfelijke persoon die ik kende.
Ze keek mij aan met een treurige kalmte, alsof ze had geweten dat dit ooit zou gebeuren.
We keken zwijgend naar je contouren en in de stilte van je slaapkamer voelde ik dat haar verdriet zwaarder was dan het mijne. Ook al was ze minstens dertig jaar jonger, ook al had je haar naam nooit genoemd.
Ik had niet gedacht dat ik je zo zou missen, Glenn. Ik mis je lach, je jongensogen als je vertelde over middelen om seks zo lang mogelijk te laten duren en hoe je je hoofd schudde als ik je wees op de gevaren.
Voor jou geen ziekenhuizen, geen chemo, geen gecontroleerde aftakeling, niets van alles wat mij te wachten staat.
Misschien had ik met je mee moeten gaan, de nacht in, mezelf verdoven met Johnnie Walker en Borgoe, jouw pillen slikken en alles uit het leven halen, omdat de tijd niet van ons is, maar van de dood.