Hoofdstuk 22 - De handlezer
By Chris Polanen
En zo zitten we de volgende dag aan de eettafel, tegenover Rowan. Mirna heeft gezegd dat we hem wat moeten vertellen. Hij leunt ontspannen achterover en kijkt ons geamuseerd aan.
Natuurlijk denkt hij dat wij gaan vertellen dat we weer verliefd zijn. Misschien zelfs een langeafstandsrelatie willen beginnen zodat ik haar derde man wordt, een aanvulling op de Nederlander en de Surinamer die ze al heeft. Ingewikkeld, onwaarschijnlijk, maar niet onmogelijk. En hij vindt het allemaal prima.
Mirna wringt haar handen boven de tafel. ‘Dit is heel moeilijk voor mij, Ro.’ Het klinkt alsof ze de woorden al vaak gerepeteerd heeft.
De pijnlijkste, gênantste mededelingen, repeteren we. Maar elke zondaar weet dat ze er op het moment zelf anders uitkomen, omdat je in de ogen staart van degene die je bedrogen hebt en die afwachtende onschuld doet je rug en schouders verkrampen, terwijl in je buik een leegte ontstaat die je organen opzuigt, totdat er slechts een omhulsel overblijft van pure ellende.
Ik heb medelijden met haar, zou het van haar over willen nemen, maar dit moet ze alleen doen, al breekt het haar.
Rowan schudt zijn hoofd. ‘Ma, voor je begint. Je mag doen wat je wilt. Het is jouw leven.’
Nog nooit waren jeugd en onschuld zo overweldigend. Nog nooit voelde ik me zo oud.
Mirna kijkt mij aan en het lijkt alsof ze elk moment in huilen kan uitbarsten.
Ik leg een hand op haar arm en ik voel hoe ze trilt.
Ze buigt haar hoofd, haalt diep adem, lijkt een beroep te doen op haar laatste krachten.
‘Het is oké, Ma… echt,’ zegt Rowan.
Het is niet oké, jongen. De persoon die je het meest vertrouwde, heeft iets verzwegen dat nooit verzwegen had mogen worden. Als het erop aankomt zijn we allemaal zwak, we zwijgen of liegen tot de dood.
Ze schudt haar hoofd, richt zich weer op. ‘Je weet hoeveel ik van je hou… Ik zou je nooit opzettelijk pijn doen…’
Hij trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Jezus, Ma. Zo erg kan het niet zijn, toch?’
‘Het is niet makkelijk,’ zeg ik.
‘Wat is het dan?’ vraagt Rowan. Nu pas hoor ik verontrusting in zijn stem.
‘Ik weet niet zeker…’ Ze fluistert. ‘Wie…’
‘Wie wat?’ vraagt Rowan.
‘Wie je vader is. Humphrey of Henri.’
Rowans mond valt een klein stukje open en in die kleine opening tussen zijn lippen, die vrijwel identiek zijn aan de mijne, zie ik het verlies van alle houvast. Een van zijn belangrijkste zekerheden, gebaseerd op de verhalen van deze vrouw en van niemand anders, is in een allesvernietigend moment verdwenen. Zullen al zijn theorieën en opleidingen hem nu helpen? Zijn mond vormt twijfelend het begin van een glimlach. Hij kijkt van Mirna naar mij en weer naar haar. Hij hoopt dat we in lachen uitbarsten en zeggen dat het een grap was, maar hij ziet de ernst in onze gezichten.
Het liefst zou ik opstaan en hem omhelzen, zeggen dat ik trots zou zijn op zo’n zoon, maar ik heb geen kracht in mijn benen en de woorden komen niet. Ik probeer mijn hand op zijn arm te leggen, maar hij zit net iets te ver weg en mijn vingers strekken zich machteloos op de tafel.
Zijn glimlach, gevormd door ongeloof en verdriet, is er een die ik te vaak bij vrouwen veroorzaakt heb. Ook al ben ik nu niet de veroorzaker, ik voel me toch verantwoordelijk. En als hij mijn kind is, ben ik ook verantwoordelijk voor hem, ook al heb ik alles gemist.
Mirna slaat haar hand voor haar mond en knikt een paar keer alsof ze al antwoord geeft op de vragen die nu in haar zoons hoofd opkomen. Ja, ik had het veel eerder moeten vertellen, ja, ik schaamde mij te erg, ja, ik vraag je me te vergeven.
‘Jezus Christus…’ zegt hij zacht. Hij staat op en loopt met grote passen naar het balkon, een arm afwerend naar ons uitgestrekt.
‘Rowan…’ Mirna staat op, wil hem achterna lopen.
Ik sta op en pak haar hand. ‘Geef hem even de tijd.’
Ze kijkt mij aan en ik zie de angst in haar ogen. Dit is de enige man in haar leven die ze niet mag verliezen. Ze drukt haar gezicht tegen mijn schouder.
En zo staan we. Het verleden drukt ons tegen elkaar aan zonder zich te bekommeren om wat het met ons doet.
Hoelang moeten we Rowan alleen laten? Hoeveel tijd heeft iemand nodig na zulk nieuws? Ik pak haar hand en we lopen naar het balkon. Als mijn hart al zo bonst, dan moet Mirna’s hart bijna exploderen.
Vlak voor het balkon stopt ze en schudt haar hoofd. Ze kan niet verder.
Ik heb veel minder te vrezen en minder te verliezen. Voorzichtig stap ik het balkon op.
Rowan zit op de stoel aan het rechtereinde van het balkon. De stoel waarin de ouwe zijn laatste jaren sleet, de flessen Borgoe en Johnnie Walker binnen handbereik, de ogen gericht op de weg, keurend, afkeurend, smeulend.
Rowans hoofd is gebogen, zijn ogen zijn dicht, zijn handen rusten op zijn knieën. Hij haalt langzaam en diep adem.
Ik loop naar hem toe.
Theo’s papegaai schreeuwt iets wat klinkt als: ‘Mijn gooood! Mijn gooood!’
Theo verschijnt op zijn balkon met ontbloot bovenlijf, net zo pezig als zijn Chinese voorouders die hele dagen op een kommetje noedelsoep het land bewerkten, leunt over de balustrade en vraagt met een stem zwaar van ziekelijke nieuwsgierigheid: ‘Alles in orde, buur?’
Heeft hij geen eigen leven? Wacht hij de hele dag tot er iemand mijn balkon op komt? Ik zou hem kunnen vermoorden. Eerst hem en dan de vogel. ‘Theo, zorg dat dat beest zijn kop houdt, anders draai ik zijn nek om. Ik zweer het je.’ Ik schrik van mijn eigen stem.
Theo verstijft, draait om zijn as en schiet naar binnen. Ik hoor hem tegen de papegaai praten en er klinkt een soort gekreun, meer menselijk dan dierlijk. Dan is het stil.
Rowan zit nog steeds doodstil met zijn ogen gesloten.
Voorzichtig leg ik mijn hand op zijn schouder.
Hij opent zijn ogen en kijkt omhoog.
Ik hurk bij hem neer, omhels hem.
‘Jezus, Henri…’ Hij kijkt langs mij heen.
Ik kijk achterom en zie dat Mirna achter ons staat.
Ze heeft haar handen ineengeslagen en wrijft haar duimen tegen elkaar aan. Haar mascara en eyeliner zijn uitgelopen, haar blik is leeg.
Rowan staat op.
En zo staan ze tegenover elkaar.
Hij kijkt naar haar alsof hij haar voor het eerst echt ziet.
Zij heft haar hand in een poging hem aan te raken, maar haar gespreide vingers blijven in de lucht hangen.
‘Ro…’ Haar stem is schor.
Rowan schudt zijn hoofd. Dan doet hij een stap naar voren, pakt de balustrade vast en schuift langs haar heen zonder haar aan te raken.
Zelf ben ik dit huis zo vaak ontvlucht. Zo vaak voelde ik me onbegrepen, niet gewaardeerd of gekwetst en moest ik hier weg, voordat dit huis en iedereen erin mij zou verstikken. ‘Laat hem gaan. Hij is verstandig. Hij moet alleen zichzelf weer vinden.’
Mirna knikt. Ik kan zien dat ze mij niet gelooft, maar ze heeft geen kracht om iets anders te willen.
Ik had, zoals een echte vader, gehoopt dat Rowan voor het donker teruggekeerd zou zijn. Mirna en ik hebben hem allebei gebeld, maar hij nam niet op. De hele middag heb ik vanaf het balkon de straat afgespeurd, hopend zijn gestalte in de verte te zien verschijnen of een taxi te zien naderen die vaart zou minderen en hem daaruit te zien stappen.
Mirna is naar haar pension teruggekeerd en belt mij elk uur om te vragen of Rowan er al is. Voor ik om twaalf uur naar bed ga, bel ik haar en druk haar op het hart zich geen zorgen te maken. Hij is waarschijnlijk bij zijn Braziliaanse vriendin en zal daar wel blijven slapen.
’s Nachts moet ik eruit om te plassen.
Ik hoor iemand op het erf praten.
Ik kijk uit het raam.
Rowan.
Hij zit op de stoep voor het huisje. Ellebogen op zijn knieën en zijn hoofd in zijn handen.
‘Ik weet het niet meer,’ zegt hij. ‘Echt niet. Ja, dat maakt wel uit. Natuurlijk maakt het uit.’
De ouwe is nergens te bekennen. Praat hij in zichzelf?
‘Een mens staat niet op zichzelf. De helft van de genen van de vader en de helft van de moeder. Een unieke ziel? Ja, maar een kind moet toch weten wie zijn vader is? Wist jij dat ook niet? Hoe ben je daarmee omgegaan? Heb je hem toch nog ontmoet? Is hij nu bij jou? Echt?’