Hoofdstuk 24 - De handlezer
By Chris Polanen
Het vliegtuig uit Nederland komt om twee uur ’s middags aan en keert om zes uur ’s avonds terug. Een passagier die aankomt kan een vertrekkende passagier ontmoeten op de luchthaven. Ze kunnen buiten snel nog wat eten, drinken, foto’s maken, hosselaars trotseren, het blauw van de lucht en het wit van de wolken aanschouwen en zeggen dat het zoveel mooier is dan in Nederland.
De vertrekker zal zich afvragen waarom hij eigenlijk in Nederland woont, hoe hij de volgende winter door moet komen en hoe snel hij weer terug kan komen.
Degene die arriveert kijkt uit naar het weerzien, de vriendschap, de liefde, de verwarring, de aantrekking en de weerzin. Hij weet dat geschiedenis en heden straks samenkomen, botsend, samenvloeiend, oceaan en tijd overbruggend.
Rowan, Mirna en ik wachten voor de aankomsthal op Humphrey alsof we een gewone Surinaamse familie zijn, die het familielid met chocola en kaas uit Nederland komt ophalen en hoopt dat niet al zijn euro’s naar roti, Borgoe en, God verhoede, de meisjes met ogen vol verborgen verdriet zullen gaan, maar dat er ook wat met een knipoog in familiehanden zullen worden gedrukt.
Ik ben opgestaan met pijn in mijn rug en een andere die ergens achter mijn toli brandt. Het voelt alsof de twee met elkaar in contact proberen te komen. Mijn rugspieren zijn verkrampt en ik loop als een oude man, voorovergebogen met kleine passen.
Mirna vroeg niets, ze zag het direct en ondersteunde mij naar de auto en vanaf de parkeerplaats naar de aankomsthal.
Ik wil Humphrey niet kromgebogen onder ogen komen, maar veel erger nog is dat dit het laatste beeld is dat Mirna van mij zal zien.
Mij voorbereiden op Mirna’s afscheid is niet gelukt. In deze weken van praten, lachen en vrijen hebben we onszelf gekoesterd in een schijnwerkelijkheid zonder toekomst. Hoe moet je definitief afscheid nemen van iemand?
Een mens kan niet omgaan met de tijd. Veel meer dan dagen, weken, een paar maanden, kunnen we niet overzien. We praten over jaren, decennia en eeuwen, maar het zijn woorden zonder betekenis. Ons brein is nog precies hetzelfde als dat van onze voorouders, nauwelijks meer dan apen, over de vlaktes dwalend, op zoek naar eten. Een regen- of droge tijd voelden ze ongetwijfeld aankomen, maar verder reikte hun tijdsbesef niet.
Mirna houdt mijn hand vast en met haar andere hand streelt ze mij telkens op een andere plek: arm, been, gezicht, alsof ze bang is dat ze, eenmaal door de schuifdeuren, zal vergeten hoe ik aanvoelde.
Ze stelt vragen, maar op de meeste kan of wil ik geen antwoord geven.
‘Als je wat nodig hebt, laat het mij weten, ja?’
Wat zou ik nodig hebben dat uit Nederland gestuurd moet worden? Pijnstillers? Krukken? Katheters? Het middel waarmee Nederlanders een eind aan hun leven maken? In Nederland komt je huisarts langs, drinkt een kopje koffie, want Nederlanders doen niets in dit leven zonder koffie dus ook het beëindigen niet, en vraagt of je het zeker weet. Je hoeft alleen maar te knikken en hij of zij spuit je regelrecht naar gene zijde.
Af en toe kijk ik naar Mirna zonder dat ze het ziet, naar haar profiel, naar de moedervlekken die ik allemaal gevoeld en gekust heb, naar haar lichaam, dat ik opnieuw moest leren kennen en waarvan ik weer ben gaan houden. Hoe neem ik afscheid van een liefde die verraad, vijfendertig jaar afwezigheid en het verzwijgen van een mogelijke zoon overleefde?
En als ik jou nodig zou hebben, Mirna? Als de dood zo dichtbij is dat overleden familieleden naast mijn bed staan, door mijn kamer lopen en tegen mij praten, zoals je stervenden vaak hoort zeggen. Zou je komen? Zou je dwars door de doden lopen zonder ze te zien en mijn hand vasthouden, totdat ik geen kracht meer had om mijn vingers om de jouwe te vouwen?
Ik druk mijn neus in je haar en adem je geur in. Ik wil je geur op kunnen roepen als ik ga, Mirna. Als we iets mee kunnen nemen, zal het iets zijn uit de diepste lagen van ons bewustzijn.
Maar je gaat niet komen, Mirna. En laten we eerlijk zijn, de meesten die uit Nederland komen voor een stervende, komen hopeloos te laat. Zelfs degenen die hier wonen en de ongelukkige elke dag bezoeken, zijn op het moment dat de ziel wegvliegt onderweg, net vertrokken of diep in slaap. Nederlanders hebben geen schijn van kans.
‘Laat mij weten hoe het met je gaat. Ook als het niet goed gaat,’ zeg je en je kijkt mij in de ogen, zoals een moeder, bezorgd om een volwassen kind.
En wat dan, Mirna? Ga je mij bellen met beeld, zodat je mijn uitgemergelde kop kunt zien? Ga je mij moed inspreken? Zeggen dat ik goed moet blijven eten? Gaan we samen bidden? Tot de god die jouw lever vernietigde en mijn prostaat verkankerde?
Ik leg mijn hand op je heup en besef dat ik die nooit meer zal voelen. Het liefst zou ik mijn hoofd op je schouder willen leggen en huilen, maar de angst om niet meer te kunnen stoppen en geheel in te storten, houdt mij tegen. En wat zou Humphrey denken als hij mij zo zag? Dat het zijn komst was die mij had gebroken en die voldoening gun ik hem niet, al stik ik in alle tranen die ik terugduw.
Ik pik hem er tussen de stroom Euro-Suri’s direct uit. Hij heeft de hoofdrol, de rest is slechts figurant. Hij loopt nog steeds zoals vroeger. De schouders, nog even massief, bewegen mee met het ritme van zijn passen. Glimmend joggingpak en goudkleurige sportschoenen die zeggen: ‘Kijk goed, ik ben niet jong meer, maar ik kan alles kopen: jeugd, energie, vrijheid. Kom maar dichterbij, misschien laat ik je meegenieten.’ Hij kijkt om zich heen, speurt de mensenmassa af die op de aankomende passagiers wacht, houdt telkens zijn pas in, staat af en toe stil.
Natuurlijk, hij zorgt ervoor dat er altijd mensen om hem heen zijn. Bejaarden, kinderen, hele families. Een menselijk schild. Hij weet dat de huurmoordenaar, ingevlogen vanuit Amsterdam of São Paulo, gewoon tussen de wachtenden kan staan, trekkend aan een sigaret, petje op, de revolver onzichtbaar onder het wijde I love Su-shirt. Wachtend op het moment waarop missen onmogelijk is.
Maar zelfs een ellendeling met een pathologisch tekort aan empathie, de afwezigheid van een geweten, of een brein weggevreten door drugs, doorzeeft niet graag een heel gezin om zijn doel te bereiken. Paniek, gegil, geroep om een ambulance en de politie, terwijl alleen zijn slachtoffer op de warme tegels leegbloedt, dat is zijn doel.
Tijdens het tumult kan hij in de wachtende auto stappen, zijn zonnebril opzetten, knikken naar de chauffeur, de revolver in het bos langs de weg gooien – knappe rechercheur die hem daar vindt – zijn opdrachtgever een bericht sturen dat de klus geklaard is, zodat de rest van het honorarium op een nog te bepalen plek opgehaald kan worden, een blikje bier opentrekken om in één teug in zijn keel te laten lopen, de adrenaline voelen afnemen en zich verheugen op de ontmoeting met het hoertje dat hij gisteren aan de bar sprak in dat kasteel van slechte smaak, waarbij ze haar ogen in de zijne boorde, haar vingers over zijn dij liet glijden en hij iets voelde waarvan hij weet dat het vluchtig en onbevredigend zal eindigen, maar wat hem toch als een magneet naar de lichten aan de rivieroever zal trekken.
Humphrey heeft ons gezien en verandert zijn koers, veel meer om zich heen kijkend dan een Euro-Suri die net geland is hoort te doen en er nog steeds voor zorgend dat er mensen om hem heen zijn. Hij heft een hand, niet met het enthousiasme van een na veel te lange tijd terugkerend familielid, maar zoals een gelauwerd kampioen zijn fans begroet: rustig aan, wind je niet te veel op, ik ben ook maar een mens.
Zijn glimlach heeft iets spottends. Waarschijnlijk was dat altijd zo, maar als je samen opgroeit, benoem je zoiets niet, dan is het er gewoon.
Ik probeer mijn rug te rechten en verbijt de pijn. Als ik het maar een paar minuten vol kan houden. De eerste indruk is belangrijk. Wat zou hij voelen als hij ons ziet: ex, broer, zoon, afgeschreven, verraden, vervreemd? Wat hoopt hij te vinden? En wat juist niet?
Hoe dichterbij hij komt, hoe kleiner hij wordt. In mijn herinnering is hij steeds groter geworden, maar hij is eigenlijk maar een centimeter of drie langer dan ik. Drie centimeter. Ooit het verschil tussen winnen en verliezen. Tussen zelfvertrouwen en twijfel.
Hij staat voor ons met een bevroren glimlach die pijn moet doen aan zijn kaken. Onder het joggingpak getuigt een buik van overvloed en overmaat. Hij schuift de bagagekar met koffer opzij en komt met gespreide armen op ons af.
Ik voel Mirna verstijven, maar Rowan doet een stap naar voren en omhelst hem met een enthousiasme dat het verleden ontkent.
Mirna en ik kijken naar hen alsof we een zeldzaam natuurverschijnsel aanschouwen.
Ik zie Humphreys handen twijfelen voor ze op Rowans rug landen. Ze lijken op die van Rowan, maar het is alsof de afvalstoffen van een heel leven zich daar opgehoopt hebben en de huid hebben gerimpeld en gevlekt. Over Rowans schouder kijkt hij mij aan met een blik die ik ken van vroeger: hij zal alles ondergaan en meespelen. In tegenstelling tot zijn handen is zijn gezicht nauwelijks verouderd. Het is alleen boller geworden, de ingevallen wangen van de atleet zijn opgevuld met vet. Zijn haar is kortgeschoren, maar ik kan duidelijk zien dat het dunner is dan het mijne en dat doet mij goed.
‘Papa Humphrey!’ zegt Rowan. Slim. Het klinkt alsof hij een muzikant of een oude buurman begroet. Ik hoor Mirna diep ademhalen en vervloek het feit dat onze laatste momenten samen verpest worden door deze clown.
Humphrey en Rowan kloppen op elkaars rug en lachen. Rowan is iets langer, maar niemand zou eraan twijfelen dat dit vader en zoon zijn. Alles lijkt te kloppen. Rowan heeft Humphreys lach van vijfendertig jaar geleden. Humphreys lach, door het leven aangevreten, kraakt en raspt.
Dan doet Rowan een stap opzij zodat Humphrey Mirna en mij kan begroeten.
Humphreys ogen schieten heen en weer en zijn glimlach twijfelt aan alles. Hij zoekt achter ons naar tekenen van gevaar.
Zou je een van ons de kogel die voor jou bestemd is laten incasseren, grote broer? Ik zie je daar wel voor aan. Je zou het bloedende lichaam opvangen, het gebruiken als een schild van vlees, roepen om een ambulance en blijven speuren naar een glimp van de moordenaar, wetende dat het gevaar nog niet geweken was.
Mirna wijkt een klein stukje naar achteren. Voldoende om mij te laten merken dat ik eerst mag.
Ik haal diep adem en spreid mijn armen die plotseling veel zwaarder voelen.
‘Brada,’ zegt hij en hij omhelst me, zijn handen voorzichtig op mijn rug leggend.
Zijn lichaam is zachter dan het in mijn herinnering was. Zijn geur, vermengd met een zwaar mannelijk parfum, is moeilijk te verdragen.
‘Brada,’ zegt hij weer, nu veel te dicht bij mijn oor.
Ik voel zijn adem in mijn nek en er gaat een rilling door mij heen. ‘Aaai brada,’ zeg ik. ‘Aaai brada.’ Meer kan ik niet bedenken.
Hij houdt mij stevig vast, maar zegt niets meer. Als we elkaar loslaten, ontwijkt hij mijn blik en spreidt zijn armen in de richting van Mirna. Hij drukt haar tegen zich aan. ‘Hoe gaat het met je, gudu?’ zegt hij bijna fluisterend, met zijn mond in haar haar. Zijn armen omsluiten haar en ik voel de neiging om ze los te rukken.
Ik zie zijn blik over haar schouder rondgaan op zoek naar iets afwijkends, hoe klein ook, iets wat het einde van zijn leven kan betekenen, nog voor hij de weg naar de stad kan afleggen, nog voor hij zich kan verwonderen over wat er allemaal veranderd is en hetzelfde is gebleven, nog voor hij afscheid kan nemen van alles waaruit hij ontstaan is.
Hij laat haar los en we kijken elkaar onwennig aan.
‘Je ziet er goed uit, brada,’ zegt hij, maar ik zie aan zijn blik dat hij doorheeft dat er iets mis is met me.
‘Schijn bedriegt,’ zeg ik.
Zijn glimlach verrast mij. Na vijfendertig jaar kun je vergeten hoe je broer lacht en dat zijn lach dezelfde is als de jouwe. Het brengt een gevoel naar boven uit de dagen dat we nog elkaars beste vriend waren en alles vanzelfsprekend was. Een vergeten tijd.
‘Het is tijd!’ zegt Rowan. ‘Drie uur voor vertrek aanmelden. Snel naar de vertrekhal, Ma!’
Ik zie Humphreys ongemak. De afstand is nog geen 100 meter, maar voor iemand met een prijs op zijn hoofd moet dat stuk zonder beschutting eindeloos lijken. ‘Is het beter als we met de auto gaan?’ vraag ik.
Hij trekt een gezicht alsof hij ergens pijn heeft, maar het niet toe wil geven en schudt zijn hoofd.
Terwijl de andere net gearriveerde Euro-Suri’s naar de auto’s lopen die hen naar de stad zullen brengen, lopen wij naar de vertrekhal. Mirna ondersteunt mij nog steeds, maar ik probeer mijn rug zo recht mogelijk te houden en stappen van normale grootte te maken. De pijn is er nog, maar minder scherp.
Humphrey heeft natuurlijk allang gezien dat Mirna mij geen moment loslaat, maar laat niets merken. Hij duwt zijn kar voort en zweet zoals alle Euro-Suri’s die net uit het vliegtuig gestapt zijn. Op het moment dat de vliegtuigdeuren opengaan begint het grote zweten. Hun lichamen proberen zich wanhopig aan te passen aan de temperatuur en luchtvochtigheid en dat lukt alleen door excessief vochtverlies. Ze klagen niet, maar slaan liters Parbo en Fernandes achterover die direct weer uit hun poriën stromen en ze zoeken naar manieren om hun kapsel, make-up en kleding tijdens dit proces toonbaar te houden.
Humphrey veegt het zweet van zijn voorhoofd met een klein handdoekje, dat hij kennelijk speciaal voor dit doel heeft meegenomen. Hij let niet op mij, maar kijkt naar de auto’s die ons passeren op weg naar de vertrekhal.
Ik zou tegen hem willen zeggen dat hij zich geen zorgen moet maken: welke reiziger loopt na aankomst door de felle zon naar de vertrekhal? Je moet wel gek zijn… Niemand is voorbereid op zo’n actie.
Voor de vertrekhal sluiten we ons aan bij een menigte van familieleden, geliefden en vrienden die zich klaarmaken voor een afscheid van de Nederlandse gast die alle eigenaardigheden van vroeger nog bleek te hebben, gecultiveerd door de Nederlandse welvaartsstaat. Als hij weg is, kan iedereen weer zichzelf zijn, maar toegeven doen we dit natuurlijk niet. We omhelzen, zoenen, huilen en smeken de gast niet meer zo lang weg te blijven.
De pijn in mijn onderlichaam wordt minder, maar het naderende afscheid van Mirna drukt op mijn borst. De tijd dringt. Ze moet zo de hal in en wij kunnen niet mee.
Humphreys aanwezigheid stoort me steeds meer.
‘Kom, we gaan een foto maken,’ zegt Rowan. Hij pakt zijn telefoon en ik zie hem nadenken over de opstelling. Wie gaat er naast wie?
‘Ik ga in het midden,’ zegt hij resoluut en hij positioneert zich tussen Humphrey en mij.
Mirna blijft links van mij staan en laat me niet los.
‘Dichter bij elkaar. Dichter bij elkaar,’ zegt Rowan met een ingehouden lach.
Mirna zucht.
Nadat hij de foto’s heeft gemaakt kijkt hij op zijn telefoon en lacht: ‘Mooi. Ma en Henri, jullie hadden wel wat vrolijker kunnen kijken.’
Mirna fronst haar wenkbrauwen. ‘Mijn tijd is gekomen.’
‘Ik moet Mirna nog even alleen spreken,’ zeg ik en ik hoop dat het niet te wanhopig klinkt.
Rowan en Humphrey knikken en bestuderen mijn gezicht, allebei op een andere manier nieuwsgierig, maar het kan mij allemaal niets schelen. De gedachte dat ik haar nooit meer zal zien, knijpt mijn keel dicht. ‘Kom,’ zeg ik en ik draai me om.
Mirna loopt mee zonder vragen te stellen.
Waar vind je privacy in deze chaos van vertrekkenden met hun trolleys en hun chagrijnige gezichten? Ondanks alles wat er mis is met Suriname, doet weggaan de Nederlandse gasten pijn, hun stappen nu al zwaar van heimwee.
We steken de weg over en lopen om een van de eettentjes heen. De eters kijken nieuwsgierig op van hun plastic borden. We blijven achter het eettentje op een strook zand omgeven door hoog onkruid staan. Niemand kan ons hier zien.
‘Mirna…’ zeg ik.
Ze kijkt mij aan en glimlacht. ‘Ik weet het,’ zegt ze.
‘Het was…’ Ik slik.
Zelfs al was het geen grote liefde, zelfs al was het een vakantieliefde of een liefde waarvan je allebei wist dat het tijdelijk was, zelfs dan zou je het verdriet voelen van het voor altijd afscheid nemen van die ogen, van die mond, van die lach, van dat lichaam. En dit is een grote liefde, misschien wel de liefde van mijn leven, ook al durf ik nu niet in die termen te denken, want wat weet een man, wat weet een mens van de liefde, groot of klein, als we zoveel slechte voorbeelden krijgen en ons zo weinig geleerd wordt hierover?
Ik wil niet huilen want dan stort ik compleet in en zal Mirna mij hier in het zand achter moeten laten.
Ze glimlacht een glimlach die geen afscheid, zelfs geen dood vreest. Ze drukt zich tegen mij aan en fluistert in mijn oor: ‘Ik heb altijd van je gehouden. Ik blijf altijd van je houden.’
Het zijn zinnen die alleen in films uitgesproken worden. Dit moment lijkt in niets op het echte leven.
Ik probeer de tranen uit mijn ogen te knipperen, praten lukt niet meer.
‘Je bent een goed mens,’ zegt Mirna. ‘Beter dan je denkt. En je bent sterker dan je denkt.’ Ze komt dichterbij en drukt haar lippen op de mijne. Haar bewegingen zijn beheerst en vastberaden, als een actrice die de scène al tientallen keren geoefend heeft.
De laatste zoen.
Een aarzelend begin, waarbij ik nauwelijks meer kan doen dan proberen niet te huilen. Hoe zou een laatste zoen moeten zijn? Zo teder mogelijk of juist met al je kracht, alle lust, alles wat je in je hebt?
De gedachte dat ik deze mond nooit meer zal voelen is ondraaglijk. De tederheid maakt al snel plaats voor iets wanhopigs. Het is onmogelijk te zeggen hoelang deze zoen duurt. Juist op deze plek, waar alles om tijd draait, zijn we ervan losgeraakt.
Heel langzaam trekt ze zich los en zegt: ‘Ik moet gaan.’
We lopen terug.
De eters kijken weer op van hun eten. Gezien onze leeftijd zullen ze denken dat we gesproken hebben over zorgen die het leven van zestigers beheersen: huizen die vervallen en in waarde dalen, kinderen en kleinkinderen die ons hun zorgen en problemen cadeau doen, het reizen tussen Holland en Suriname, pensioenen die nooit voldoende zijn en gezond proberen te blijven terwijl de tijd aan onze botten knaagt.
Voor we het asfalt oversteken, laat ik haar los. Straks is ze weg en moet ik ook op eigen kracht lopen. Ze laat haar vingertoppen op mijn arm rusten.
Rowan en Humphrey staan wat verloren tussen de mensen die verwoede pogingen doen om te zwaaien naar vertrekkende familieleden.
Maar dan krijgen ze ons in de gaten.
‘Opschieten, Ma!’ zegt Rowan. ‘De incheckbalie gaat sluiten.’
Mirna omhelst hem haastig. Daarna Humphrey. Ze zoent mij snel op de mond, pakt haar koffer en handbagage en haast zich naar de ingang van de vertrekhal.
Ik zie Humphreys verbazing over de afscheidszoen. Ja, nu weet je het, broer. Voel het maar. Ik hoop dat het pijn doet, al is het maar een beetje. Je zult er in ieder geval over nadenken.
De vliegveldmedewerker voor de schuifdeuren schudt zijn hoofd en bekijkt met tegenzin Mirna’s ticket. Ze wijst met een driftig gebaar naar binnen en heft haar handen. De man schudt nog een keer zijn hoofd, maar plotseling ontspant zijn gezicht en opent hij de glazen deuren. Mirna stormt naar binnen en vliegt langs de afzettingen die de passagiers in goede banen moesten leiden. Ze is de laatste. Aan de balie wordt nog even gediscussieerd, maar haar koffer gaat de band op.
Rowan slaakt een kreet. ‘Ze is erdoor!’
Ze loopt met grote passen naar de paspoortcontrole, zwaait naar ons en zoekt mijn ogen.
Ik probeer te glimlachen, maar het lukt niet.
Ze kijkt nog een paar keer om en zwaait. Dan verdwijnt ze door de glazen schuifdeuren.
Het zweet druipt van Humphreys gezicht en hij doet zijn joggingvest uit. Het T-shirt eronder is doorweekt. ‘Echte Nederlander ben ik,’ zegt hij en wijst naar zijn shirt.
We kopen drinken bij een kraampje. Humphrey drinkt achter elkaar twee flesjes water leeg.
Rowan en ik maken aanstalten om naar het parkeerterrein te lopen, maar Humphrey blijft staan.
‘Ik ga een taxi nemen,’ zegt hij. Hij pakt zijn telefoon en typt iets. ‘Ik laat mijn vriendin weten dat ik veilig ben en jullie heb ontmoet. Als ze te lang niets hoort, denkt ze dat er iets mis is.’ Zijn gezicht heeft dezelfde uitdrukking als toen, die dag in Oase dat ik de eerste keer van hem won. Het lijkt nog steeds onnatuurlijk dat hij, de sterkere versie van mijzelf, ergens bang voor is.
‘Jullie kennen mijn situatie,’ zegt hij en hij wuift afwerend. ‘Jullie zijn al te lang in mijn buurt. Dat is gevaarlijk.’
Ik knik. ‘Ook in Suriname?’
‘Suriname is gevaarlijker dan Nederland. Nergens beveiligingscamera’s. Al dat bos.’ Hij kijkt om zich heen. ‘Criminelen bewegen zich hier vrijer dan in Nederland.’
Mijn verdriet om Mirna laat geen ruimte voor medeleven met jou, broer. Als je weet dat het hier gevaarlijker is, maar toch komt, dan is het je eigen schuld als je neergeknald wordt. Ga dan niet klagen en paranoïde doen. Als het zover is en je lichaam niet verdwenen is, zal ik zoals het een broer betaamt, zorgen dat je een fatsoenlijke begrafenis krijgt. Misschien zal ik zelfs een paar woorden zeggen. Maar verwacht niet te veel.
‘Ben je bang?’ Dat is het enige wat ik wil weten.
Hij kijkt me aan, zijn wenkbrauwen opgetrokken en zijn mond iets open.
Ik herken zijn onwil om te antwoorden op een vraag die hem dwingt zich bloot te geven. Een Surinaamse man, een echte man, geeft zich niet zomaar bloot. Natuurlijk zal hij weleens doen alsof, tegenover vrouwen die hij probeert te verleiden of om vergeving vraagt, maar echt blootgeven… Daar is veel meer voor nodig.
Hij bevochtigt zijn lippen. Vreemd dat er nog iets droog is in dat kletsnatte gezicht. ‘Ja… maar weet je wat het gekke is?’ Hij kijkt naar Rowan, zoals je kijkt als je iets gaat zeggen wat niet voor de oren van een kind bestemd is, maar besluit dan kennelijk dat hij volwassen genoeg is, en zegt: ‘Ik ben niet bang om dood te gaan. Ik heb een goed leven gehad. Ik ben alleen bang om dood te gaan zonder dat ik mijn moordenaar zie. Zonder dat ik me kan voorbereiden. Ik wil mijn moordenaar in de ogen kijken. Is dat vreemd?’
Ik frons mijn wenkbrauwen. Het doelwit van een liquidatie heeft doorgaans geen stem in het verloop.
Rowan loopt op hem af en omhelst hem.
Die jongen slaagt er zelfs in een vader te troosten die nooit een vader is geweest en misschien niet eens een zal blijken te zijn.
‘Ik loop met je mee naar de taxi,’ zegt Rowan. Hij pakt Humphreys koffer en maakt aanstalten om er mee weg te lopen.
Hoe vaak was hij er om met jou mee te lopen, Rowan, toen jij hem nodig had? Omdat je nog te jong was, omdat je tas te zwaar was, omdat het verkeer te gevaarlijk was, omdat je het te eng vond, omdat het donker was? En nu loop jij met hem mee, terwijl er misschien een moordenaar zijn wapen richt, die een zoon als bijkomend slachtoffer mogelijk acceptabel vindt? Deze idioot in joggingpak verdient het niet om een zoon als jij te hebben.
Humphrey legt zijn hand op Rowans schouder. ‘Nee,’ zegt hij. ‘Ik ga alleen.’ Hij kijkt om zich heen en wijst naar een taxi die klaar staat.
‘Waar logeer je?’ vraag ik.
‘Het is beter als jullie dat niet weten,’ zegt hij. ‘Ik zal contact maken. Ik moet eerst checken of alles veilig is.’ Hij zwaait weer zoals een kampioen naar zijn fans.
We kijken hem na terwijl hij naar de taxi loopt. Hij draagt de koffer alsof die niets weegt. Na een paar passen draait hij zich om, zijn hoofd iets gebogen. ‘Mocht ik jullie niet meer zien: het spijt me. Ik heb jullie slecht behandeld.’ Dan kijkt hij om zich heen en loopt met haastige passen verder.
Ik weet dat ik te hard rij, maar ik wil de lange weg terug naar de stad zo snel mogelijk afleggen. Ik wil zwemmen, onder water verdwijnen, niet meer nadenken.
Rowan zit naast mij en lijkt diep in gedachten verzonken.
‘Ik vind dat je heel goed omgaat met… alles,’ zeg ik tegen hem.
‘Dat lijkt maar zo. Maar het voelt alsof ik toneelspeel… tegenover Humphrey.’
‘Dat heb ik ook. Ik weet niet hoelang ik dat volhou.’
‘Verzoening is altijd beter. Voor iedereen. Je bent er met mijn moeder uitgekomen. Misschien lukt dat ook met hem.’
‘Dat gaat nooit lukken. Ik haat hem. Sorry dat ik het zeg.’
‘Ik begrijp het. Maar dit is je laatste kans. Om het af te sluiten.’
Ik zucht. We razen langs de randen van het oerwoud en de enkele huizen die er verloren bij staan.
Rowan kijkt naar buiten en zegt: ‘Niemand zou met haat oud moeten worden.’
Je bent wijzer dan ik, neef-zoon. Ik heb genoeg woede en wraakzucht in mij om een atoombom te lanceren, maar omdat ik een waardige vader wil lijken, zeg ik: ‘Dat is waar.’
‘Misschien kunnen jullie toch nog iets… proberen.’ Hij glimlacht. ‘Ik ben de komende dagen trouwens weg. Ik ga naar het binnenland met Christina. We vertrekken morgenvroeg.’
‘Je gaat genieten,’ zeg ik.
‘Zeker.’
We passeren Lelydorp.
‘Heb je honger?’ vraag ik.
Hij knikt.
‘Wat lust je?’
‘Een tjauw min van dat restaurant in de Mahonylaan.’
‘Van Bryan? Maar daar zit vlees in.’
‘Iedereen heeft het over die tjauw min. Ik moet wat van dat vlees proeven voor ik wegga.’
‘Maar… je bent vegetariër.’
‘Soms proef ik een stukje vlees. Alleen voor de smaak. Om de ervaring van anderen te begrijpen.’
‘Okeee, meneer de vegetariër.’ Ik lach en geef gas. De auto schiet vooruit en stuitert over het asfalt dat zo vaak opgelapt is dat er een soort maanlandschap is ontstaan.
Rowan steunt met een hand op het dashboard en lacht.