Hoofdstuk 25 - De handlezer
By Chris Polanen
De volgende ochtend ontbijten Rowan en ik samen. Bij het afscheid omhelst hij mij stevig.
‘Wees voorzichtig,’ zeg ik.
‘Jij ook. Wat is gevaarlijker? Het bos of de stad?’
Ik lach. ‘Je wordt nog een echte Surinamer.’
Later die ochtend word ik gebeld door Martha, de vrouw van Ralph. Ralph heeft een hartaanval gehad, in zijn stoel op het balkon. Hij overleed direct na aankomst in het ziekenhuis. Ze klinkt verdoofd, alsof het nog niet helemaal tot haar doorgedrongen is.
Ik zoek naar woorden, maar verder dan ‘O god… nee,’ kom ik niet. Ik heb hem vorige week nog gezien bij de bank. Hij klaagde zoals altijd over de lange rijen, de mentaliteit van de Surinamers en de situatie in het land, maar hij was vol spot en levenslust.
Ik heb de afgelopen maanden niets tegen hem gezegd over mijn ziekte, omdat ik wist dat het onze vriendschap zou verstoren. Lange vriendschappen zijn, net als huwelijken, gebaseerd op een rolverdeling die door de jaren heen vorm krijgt en niet meer kan veranderen. Hij luisterde gretig als ik hem vertelde over mijn relatieproblemen en ik hoorde zijn adviezen aan, die nooit bruikbaar waren, omdat hij anders naar relaties keek dan ik. Hij twijfelde nooit aan zijn relatie met Martha, terwijl twijfel altijd een belangrijk onderdeel van mijn relaties was.
Hij vertelde mij over zijn kwalen die met de jaren toenamen; suikerziekte, hoge bloeddruk en chronische darmontstekingen. Het verbaasde mij dat een lichaam net zo oud als het mijne, het op zoveel gebieden liet afweten, maar ik verzekerde hem dat het goed zou komen als hij zijn medicatie innam en zich aan zijn dieet hield. De gedachte dat hij jong zou sterven kwam nooit bij me op. Hij had zijn hele leven gesport en zag er nog vitaal uit.
En nu is hij er niet meer, mijn enige en laatste vriend. Misschien zien we elkaar snel weer.
Martha vraagt of ik wat wil zeggen op zijn begrafenis.
‘Natuurlijk,’ antwoord ik, maar ik weet dat ik er spijt van zal krijgen.
De begrafenis is over drie dagen. Er hoeft geen familie uit Nederland te komen.
’s Middags krijg ik een bericht van Humphrey.
‘Ontmoet mij vanavond in Blauwgrond. Om 1800 bij Warung Felicia.’
Belachelijk. Alsof we in een film spelen.
Het liefst zou ik hem zijn jager-prooispel helemaal alleen uit laten spelen en slechts op de hoogte gesteld worden van zijn vermissing. Geen lichaam. Dat zou mij heel wat gedoe besparen. Dan hoef ik niet met gebogen hoofd voor in de kerk te zitten, geen huichelachtige speech te houden, niet achter een kist aan te lopen, niet toe te kijken hoe het graf dichtgegooid wordt en, God verhoede, niet omhelsd te worden door familieleden en kennissen die ik in geen jaren gezien heb, geen klamme handen te drukken en woorden van troost in mijn oor gepreveld te krijgen.
Ik zie nog meer op tegen dit gesprek dan tegen het gesprek met Mirna, maar ik weet ook dat het zinloos is ervoor op de vlucht te gaan.
Ik ken het tentje. Als ik er arriveer, is het nog leeg. Natuurlijk. Hij heeft het de afgelopen dagen geobserveerd en gezien wanneer de mensen komen.
‘Ik zit aan de zijkant rechts.’
Naast de eettent is een strook tussen het gebouw en de schutting van zinkplaten. Er staan lange smalle tafels.
Humphrey zit aan het hoofd van de laatste tafel, niet aan de zijkant zoals de bedoeling is, maar met zijn rug naar de hoge muur die de achtergrens van het erf vormt. Hij wenkt mij.
Dit is een plek waar hij volledig overzicht heeft. Links van hem de meterslange zinken schutting, rechts de zijkant van het eethuisje zonder deuren of ramen. Voor hem een smalle strook langs de tafels die elke bezoeker die dichterbij wil komen, moet bewandelen.
Nu ik hem zie zitten, met zijn buik, in zijn glimmende joggingpak, heb ik spijt, en met elke stap, voel ik mijn walging toenemen. Ik moet ook weer plassen, terwijl ik dat verdomme vlak voor ik van huis ging nog gedaan heb.
Hij kijkt mij strak aan. Als ik bij hem ben staat hij op en omhelst me.
Ik probeer te voorkomen dat onze lichamen elkaar raken, maar zijn buik drukt hard tegen de mijne.
‘Broer,’ zegt hij, ‘goed om je te zien.’ Het klinkt alsof hij zichzelf wil overtuigen.
De hele situatie maakt me misselijk. ‘Aai brada, je bent weer thuis,’ zeg ik en ik vraag me af hoe deze woorden dwars door alle haat en wraakzucht hun weg naar mijn mond gevonden hebben.
‘Ga zitten,’ zegt hij en hij wijst naar de stoel rechts van hem. ‘Hier is het veilig. Voor jou in ieder geval.’
Ik glimlach alsof het normaal is om een eetgelegenheid zo te beschrijven.
‘Ik hoop dat je het goed vindt om vroeg te eten? Ik heb al voor je besteld: saoto, teloh en bakabana. Met pindasaus natuurlijk.’
Ik knik en ga zitten. Hij heeft aangenomen dat mijn smaak niet veranderd is en dat klopt, maar ik bestel dat nooit meer allemaal tegelijk, zoals we vroeger deden. Dan zou ik net zo’n vet varken zijn als hij.
Hij kijkt me aan alsof hij me nu pas echt ziet. Doordat hij aan de kop van de tafel zit, zitten we dichter bij elkaar dan wanneer we aan weerszijden van de tafel hadden gezeten. ‘Je bent niet veranderd,’ zegt hij. ‘Je ziet er goed uit. Zwem je nog?’
‘Ja.’
‘Dat is te zien. Ik heb al jaren niet gezwommen. Ik ben 20 kilo te zwaar.’
Niemand is te zwaar om geliquideerd te worden, broer. Kogels gaan moeiteloos door vet heen, hoe dik de laag ook is. ‘Van al die wedstrijdzwemmers van vroeger zwemt bijna niemand meer.’
‘Goed dat jij het wel doet. Het houdt je jong.’
‘De tijd ziet niemand over het hoofd. En nu is Ralph er niet meer…’
Hij knikt. ‘Zijn vrouw belde me. Godverdomme, Henri. Niemand had het verwacht.’
Hij wil nog wat zeggen, maar zijn gezicht verstrakt.
Er komt een jonge vrouw aanlopen met een dienblad vol gerechten. Hij kijkt niet naar haar zoals ik verwachtte: nieuwsgierig, keurend, hongerig, maar staart naar haar alsof ze een geestverschijning is en observeert gespannen hoe ze alles op tafel zet. Hij kijkt haar na terwijl ze wegloopt en pas als ze uit het zicht is richt hij zijn blik op het eten.
Ieder pakken we ons eten van het dienblad. Snel beoordelen we welke portie we kiezen. Twee porties van hetzelfde gerecht zijn nooit helemaal hetzelfde. Broers bepalen in fracties van seconden wat ze elkaar gunnen.
Humphrey zucht. ‘Even ontspannen… anders krijg ik geen hap door mijn keel.’
Hoe is het om altijd op je hoede te zijn? Hoe kun je eten? Slapen? Gewoon niets doen?
‘Laten we eten, broer.’ Hij kijkt naar het eten en slikt. ‘Net als vroeger.’
We schuiven elk een saoto naar ons toe.
Ik roer het ei rond tussen de taugé en de minifrietjes en probeer mij de laatste keer te herinneren dat we samen gegeten hebben. Hoe vaak hebben we samen gezeten, samen gegeten, gezwegen of gepraat over dingen die er eigenlijk niet toe doen? Momenten die voorgoed verloren zijn. Dagen die het niet waard zijn om onthouden te worden vervagen en we herinneren ons alleen de hoogte- en dieptepunten. Zo ontstaat er een veel te dramatische samenvatting van een mensenleven.
Humphrey neemt snel achter elkaar grote happen van zijn saoto. Hij at altijd sneller dan ik, was eerder klaar en had de gewoonte om daarna eten van mijn bord te pakken en snel in zijn mond te stoppen. Een gewoonte die leidde tot vele ruzies aan tafel.
Nu kijkt hij niet naar zijn soep, maar naar de ingang van de warung en observeert de mensen die binnenkomen. ‘Ralph was niet helemaal gezond, maar dat hij zo jong zou sterven…’ Hij schuift de saoto van zich af. ‘Hij was de enige vriend die ik hier nog had.’
‘We gaan hem missen,’ zeg ik en ik meen het. Als er een goede vriend sterft, gaat er ook een stukje van jezelf dood. Op onze leeftijd ontstaan zulke vriendschappen niet meer.
‘We hielden van hem,’ zegt Humphrey en zucht.
Ja, ik hield van Ralph en ik haat jou, broer. Mijn onderlichaam is zwak en ik kan mijn plas nauwelijks ophouden, maar mijn armen zijn sterk genoeg om je hoofd te omklemmen en tegen de muur achter je te slaan. Voor je doorhad wat er gebeurde zou je je schedel voelen kraken. Je zou geen tijd hebben om te schreeuwen. Ik zou niet stoppen met beuken. Tot je niet meer bewoog. Bloed of geen bloed. We zitten zo uit het zicht dat niemand iets zou merken. Ik zou je gewoon op de vloer kunnen laten zakken en wegwandelen.
Humphrey laat zijn lepel rusten in de soep, sluit zijn ogen een paar seconden en haalt diep adem.
‘Hoe kan een broer doen… wat ik jou aangedaan heb?’
Ik zeg niets. Zoek jij maar naar woorden.
‘Er is geen excuus voor,’ zegt hij.
Het voelt goed om je te zien lijden, maar wat heb ik eraan? Het is te weinig en te laat. Niets wat je zegt kan ook maar iets goed maken.
Plotseling verstijft hij.
Er komen twee jonge mannen aanlopen. Ze kijken niet om zich heen, zoals mensen die een geschikte tafel zoeken, maar lopen met grote passen op ons af. Er gaat iets sombers van ze uit. Zo kijken mannen die net iets verloren hebben: een wedstrijd, geld, een baan, of een vrouw.
Mijn hart begint te bonken.
Humphrey reikt onder de tafel en ik hoor een metalen klik. ‘Sta langzaam op en ga tegen het huisje staan,’ zegt hij.
Godverdomme. Het laatste wat ik wil zijn kogels die voor jou bestemd zijn, fucker. Ik schuif mijn stoel naar achteren, sta op en druk mijn rug tegen de planken van het huis.
Humphreys beide handen zijn nu onder de tafel. Hij heeft een verbeten trek om zijn mond.
De mannen zijn nu een meter of 10 van ons verwijderd. Plotseling staan ze stil en een van hen zegt met luide stem iets tegen de andere. Met grote gebaren zet hij zijn woorden kracht bij. De ander schudt een paar keer zijn hoofd, maar plotseling lijkt hij zich te bedenken. Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht. Nu lacht zijn vriend ook en zijn gebaren veranderen. Ze worden zwieriger en hij maakt er een paar danspasjes bij. De ander barst in lachen uit en trekt een stoel naar zich toe. Ze gaan zitten.
Ik hoor Humphrey langzaam uitademen. Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd en frommelt met zijn linkerhand onder de tafel. ‘Sorry, vals alarm…’
‘Vals alarm… Jezus.’ Mijn hele lichaam trilt.
Ik ga weer zitten. Mijn hemd is nat van het zweet.
De jongemannen praten met een Nederlandse tongval. Vakantiegangers.
‘Hoe kun je zo leven?’ zeg ik. ‘Ik zou gek worden.’
‘Dat word ik ook.’ Hij kijkt me aan met een blik die ik nog nooit heb gezien.
‘Heb je een wapen?’
‘Ja. Vanuit Nederland besteld en vandaag opgehaald. Met een steun die je onder een tafel kunt bevestigen. Voor een stabiel schot.’
‘Holy shit.’ Vreemd genoeg voel ik mijn eetlust terugkomen. Ik schuif de teloh naar mij toe en neem een hap.
Humphrey lijkt even te twijfelen, maar volgt dan mijn voorbeeld. ‘Ik heb heel lang geen teloh gegeten… In Nederland vind je geen lekkere teloh. Het is óf droog en hard óf vet en zacht.’
We eten zwijgend. Hij nog steeds met veel grotere happen dan ik.
‘Tegen een professionele moordenaar heb ik geen schijn van kans,’ zegt hij. ‘Maar ze sturen vaak onervaren jongens.’
‘Is er geen plek waar ze je niet zouden kunnen vinden?’
‘Over een paar dagen vertrek ik naar Belém. Ik heb al maanden geld naar Paramaribo gesluisd. Om daar een nieuw leven te beginnen. Mijn vriendin is de enige die het weet. En nu jij…’
Belém. Dertig jaar geleden was het de eerste buitenlandse stad die ik zag en haar indruk op mij was verpletterend. Het enorme hotel dat wel een dorp leek, met talloze verdiepingen bevolkt door toeristen van over de hele wereld, de meisjes die zich er op elk moment van de dag aanboden, de overvloedige buffetten met zelfs het felbegeerde gebakken krabbenvlees dat in Suriname zo duur was dat je nooit meer dan een paar eetlepels geserveerd kreeg. Ik keek op straat naar de schoenenpoetsers, de bedelende kinderen en het oerwoud dat zelfs de grootste gebouwen terugeiste. Maar het bijzonderste was de levensvreugde van de mensen die zelfs door de ergste armoede niet aangetast leek te worden. ‘Volgens mij is dat een perfecte plek…’
‘De perfecte plek om te verdwijnen.’
‘Hoelang wil je daar blijven?’ In mijn hoofd zie ik hem door de straten dolen in zijn glimmende trainingspak. Zonder naam, zonder verleden, zonder toekomst. Los van de mensen, los van de stad, los van het land.
Hij haalt zijn schouders op. ‘Zo lang als nodig is… zo lang ik blijf leven.’
‘Dus je gaat nooit meer terug naar Nederland?’
‘Nee. Ik heb alles al verkocht.’
‘En je vriendin? Komt ze dan naar je toe?’ Op het moment dat ik de vraag stel, realiseer ik me dat degenen die achter hem aan zitten, haar in de gaten houden.
Hij schudt zijn hoofd.
We eten door. Hij heeft de teloh al op en is begonnen met zijn bakabana. ‘Ik was vergeten hoe lekker een bakabana kan zijn,’ zegt hij.
De bakabana is inderdaad precies goed. Rijp, zoet en zacht.
Humphrey kauwt, slikt en zucht.
Ik zie nu pas dat zijn ogen vochtig zijn.
Hij wrijft erin en vraagt: ‘Zouden we nog een keer kunnen zwemmen?’
Ik knik zonder na te denken.