Hoofdstuk 26 - De handlezer
By Chris Polanen
Ik slofte voor de zoveelste keer in de nacht naar het toilet, keek uit het raam en zag de ouwe zitten op de stoep voor het huisje. Hij keek omhoog en wenkte mij. Een kort, geruststellend gebaar. Onmogelijk te weigeren.
Ik probeerde mezelf onder controle te krijgen, niet te gaan trillen, een man te zijn. Een man moest de geest van zijn vader toch onder ogen durven komen? Als ik niet ging zou hij bij mijn bed kunnen verschijnen en mij vragen waar ik de moed vandaan haalde om hem te negeren. Grote kans dat hij me in mijn nek zou grijpen, zoals hij vroeger zo graag deed, en ik durfde er niet eens aan te denken hoeveel pijn dat zou doen. Zou hij me mee kunnen sleuren naar de hel? Waarschijnlijk wel.
Als in trance liep ik door het huis en daalde de trap af. De nacht was koel, maar ik was klam van het zweet. Het enige geluid was zijn deuntje. Op de schaarse momenten dat hij goedgehumeurd was, floot hij Frans Caraïbische muziek waarop hij dan een paar danspasjes maakte, zijn kreupele poot meeslepend.
Hij knikte mij bemoedigend toe, maar het was te donker om zijn ogen te zien.
Mijn voeten zakten diep weg in het zand. De 20 meter erf die ons scheidde voelde als een tocht door een nachtelijk oerwoud. Bij hem aangekomen was ik uitgeput.
Hij gebaarde dat ik naast hem moest gaan zitten.
Voorzichtig ging ik zitten, slechts een halve meter tussen ons. Tijdens zijn leven was ik nooit vrijwillig zo dichtbij gekomen. Eindelijk zag ik een glimp van de ogen die mij meer angst hadden aangejaagd dan wat ook ter wereld.
‘Ik ben bang voor je, Pa.’ Toen hij leefde was ik te bang om dat te zeggen, maar nu, na een heel leven van bang zijn, nu het geen enkele zin meer had, zei ik het.
Hij stak zijn hand naar me uit, maar ik deinsde achteruit. ‘Ik ga je alles vertellen,’ zei hij en het klonk alsof hij terug was gekomen om mij alle geheimen van het leven te vertellen, maar ik kan mij niets herinneren van wat hij daarna zei.
De rest van de nacht hoefde ik niet meer te plassen.
’s Ochtends word ik wakker zonder pijn, de ontmoeting glashelder in mijn geheugen.
Bericht van Judy.
‘Hoe gaat het Henri? Ik wil je niet het gevoel geven dat ik je claim, ik weet dat dat je alleen maar af zal stoten. Vergeef mij dat ik het zeg, maar ik begrijp momenteel beter dan jij wat je voelt. We zijn heel dicht bij elkaar gekomen en dat maakt je bang. Instinctief trek je je terug. Dat heb je nu nodig. Dan zal de angst weer verdwijnen en dan pas kun je weer terugkomen. Ik hou van je, maar ik ga daar niet op wachten. Het heeft geen zin.’
Ik probeer woorden te vinden voor alles wat ik voel, maar dat lukt niet, dus stuur ik het bericht: ‘Ik hou ook van jou.’
Om tien uur krijg ik een berichtje van Humphrey.
‘Laten we nu gaan. Ik zie je bij Dolfijn.’
Fuck. Het liefst zou ik de hele dag niemand zien, zeker niet die gevaarlijke idioot, maar ik pak mijn zwemspullen en stap in de auto. Onderweg moet ik me inhouden om geen zijweg in te slaan en terug naar huis te rijden.
Hij wacht me op naast de ingang. In de schaduw, met zijn rug tegen de muur, verdekt opgesteld achter een rij geparkeerde auto’s, is hij nauwelijks zichtbaar. Pas als ik parkeer, maakt hij zich los uit de schaduw: zonnebril, pet, T-shirt, zo’n belachelijke broek tot net boven zijn knieën die alleen toeristen dragen.
‘Laten we zwemmen, broer,’ zegt hij op een toon die mij absoluut niet bevalt. Alsof het niet dertig jaar geleden is, maar gisteren dat we voor het laatst zwommen. Alsof het vanzelfsprekend is dat ik dat ook wil en alsof het leuk gaat zijn.
Als hij maar niet hoopt dat het een soort helend ritueel wordt. Euro-Surinamers hebben de onhebbelijke gewoonte om oude rituelen te vervangen door nieuwe die ze samen met hun therapeuten bedacht hebben, omdat die effectiever zouden zijn.
Voor mij zou het helend zijn als hij niet meer boven water komt. In een flits zie ik dat dikke lijf levenloos op de bodem en ik glimlach.
Hij klopt me op mijn schouder en lacht.
We lopen samen naar de ingang.
Ik groet de portier, een dame van middelbare leeftijd in uniform die ons met een professioneel argwanende blik bekijkt. ‘Ik ben lid en ik heb een introducé bij me,’ zeg ik.
Ze knikt vermoeid en wijst naar de administratie.
We lopen het terrein op. Ik heb geen zin om Humphrey uit te leggen dat de leden van vroeger grotendeels vervangen zijn door nieuwe, die elkaar nauwelijks kennen en alleen naar hun telefoons of laptops staren. Hij gaat over twee dagen weg. Wat heeft hij eraan om te weten dat de club die hij kende allang niet meer bestaat. Onze namen op een formulier invullen, dat is het enige wat ik moet doen.
De administratiekamer is koel en de meisjes achter de bureaus, glimmende gezichten en glimmende haren, kijken verstoord op als we binnenkomen. Ik krijg het papier aangereikt en vul alles in.
Aan de ongeïnteresseerde blik van het meisje zie ik dat ze onze namen niet herkent. Stom dat ik daar nog altijd op hoop. Toen wij kampioenschappen voor Dolfijn wonnen, was zij nog niet geboren, hadden haar ouders elkaar misschien nog niet eens ontmoet. Toch zou het heel goed kunnen dat wij samen met haar vader zwommen of dat Humphrey haar moeder versierde. Ach, het maakt allemaal niets meer uit. Voor haar zijn we gewoon twee oude mannen die haar rust op de dinsdagochtend verstoren.
‘Uw introducé mag ook gebruikmaken van de gym,’ zegt ze. Met zo’n pens is alleen baantjes trekken niet genoeg, lees ik in de blik die ze Humphrey toewerpt.
Hij glimlacht naar haar zoals oude mannen doen die denken dat ze nog een kans maken bij jonge meiden.
‘Introductie voor een hele week is goedkoper dan per dag,’ zegt ze, zonder op te kijken.
We weten niet of hij nog een week leeft, jongedame. Hij kan elk moment neergeknald worden en dat is niet zo erg als het klinkt. Hij heeft het verdiend. ‘Alleen voor vandaag,’ zeg ik. ‘We weten nog niet wat de plannen voor de rest van de week zijn.’
Ze knikt en glimlacht naar Humphrey.
Humphrey knipoogt naar haar en ik hoop met alles wat ik in mij heb dat ergens, vlakbij, een man zonder geweten zijn wapen klaarmaakt en tegen zichzelf zegt: ‘Mooi geweest, vetzak. Je tijd is gekomen.’
Nadat we ons omgekleed hebben, komen we tegelijkertijd het kleedhok uit. Zonder gêne bekijken we elkaar met de gretigheid van broers die zichzelf altijd vergeleken hebben en zich afvragen wat drie decennia gedaan hebben met de eens zo krachtige lichamen.
Humphreys huid is die van een Nederlandse Surinamer. Jaren nauwelijks zon gehad en daardoor een paar tinten lichter dan vroeger, met puistjes en vlekjes. Onbedekt lijkt zijn buik nog groter en bulkt over de veel te strakke zwembroek die tot zijn knieën reikt. In tegenstelling tot mij heeft hij flink wat borsthaar, grijs en krullend.
Tevreden stel ik vast dat hij wel vijftien jaar ouder oogt dan ik.
Hij bekijkt ook mij van top tot teen en ik zie dat hij zich afvraagt waarom ik er nog zo goed uitzie.
We lopen naar het water. Twee vergeten kampioenen. In dit water zijn we volwassen geworden, hoe onvolwassen dat later ook zou blijken te zijn.
‘Aaai boi… aaai boi,’ zegt Humphrey en hij begint net als vroeger zijn armen rond te zwaaien. Zijn schouders kraken alsof er losse stukjes bot in de gewrichten zitten en hij loopt steeds haastiger naar het water toe.
Als vanzelfsprekend verhoog ik ook mijn tempo en we duiken vrijwel tegelijk het water in.
Zijn lichaam stijgt al snel naar het oppervlak.
Ik glij onder water door en kijk naar hem.
Ondanks zijn buik schiet hij door het water, zijn techniek nog steeds die van een kampioen. Lange armslagen met een enorme trek- en stuwkracht. Een beenslag als de motor van een boot. Ik ken nog al zijn bewegingen en nu zie ik goed hoeveel onze slagen op elkaar lijken. Pas voorbij het midden van de baan begint zijn slag onregelmatiger te worden en zakken zijn benen iets naar beneden.
Ik glij schuin onder hem verder. Juist vandaag voel ik me sterk.
De 20 kilo extra eisen de laatste meters hun tol van dit wezen waarvan ik precies weet hoe het beweegt, maar niet wat het denkt en voelt. Zijn bewegingen vertragen, hij heeft zijn kracht nu ook nodig om niet te zinken.
Ik kom boven en zwem hem met een paar slagen voorbij. Het is verontrustend hoe goed dat nog steeds voelt.
Hij pakt de kant vast en opent zijn mond om wat te zeggen, maar dat lukt niet. Na een paar keer diep ademhalen zegt hij: ‘Je kunt het nog…’
‘Ja…’
Hij ademt een lucht uit die mij achteruit doet deinzen. Alle gifstoffen komen nu uit dat dikke lijf. Hij trekt zijn zwembril omhoog. ‘Ik zag je elke wedstrijd dichterbij komen. Maar ik zei dat het je nooit zou lukken. Wat kon ik anders?’
‘Was je bang? Voor mij?’
Hij knikt, trekt zijn mond op een vreemde manier scheef. ‘Doodsbang.’
In Suriname zal een oudere broer nooit zeggen dat hij bang is voor zijn broertje. Hij zou er niet eens woorden voor kunnen vinden. Ik had nooit gedacht dat ik het hem zou horen zeggen.
‘Toen je van mij won, kon ik niet anders dan je haten.’
Hond. Dat is het enige woord dat in mij opkomt. Het dreunt door mijn hoofd.
‘Ik denk de hele tijd aan Ralph,’ zegt hij. ‘Ik kan niet geloven dat hij dood is. Het is alsof hij elk moment kan bellen. Of ik hem tegen kan komen.’
‘Dat is zo met vrienden. Het duurt jaren voor je gewend bent aan het idee.’
‘Herinner je je Sergio nog?’
Is dit een afleidingsmanoeuvre? Natuurlijk herinner ik me hem. Hij was je beste vriend. Ik zie hem weer voor me met zijn grijze ogen, aders op zijn armen en een glimlachje om zijn mond, waarvan ik wist hoe gevaarlijk het was. Hij was oersterk, hield van vechten en was voor niemand bang. Een school- en rugslagspecialist. Jij was de vrije- en vlinderslagkampioen, dus jullie verdeelden alle medailles en records onderling. Niemand kwam ertussen, jullie waren de goden van de zwemsport.
Wat een klootzak was dat. Nooit een felicitatie als je won, maar wel een trap na wanneer je verloor. Achteraf realiseer ik me dat hij behoorde tot die mensen die zwijgen wanneer ze moeten spreken en spreken wanneer ze moeten zwijgen.
Aangezien ik met de dolphin kick ook op mijn rug steeds sneller werd, zwom ik geregeld tegen hem. Ik zwom vaak in een baan naast hem, voelde de deining van zijn golven en het water dat hij omhoog spatte. Nooit kon ik van hem winnen. Zijn grijns was het eerste wat ik zag nadat ik aangetikt had. Dan reikte hij over de lijn en wreef even over mijn achterhoofd, zogenaamd een broederlijk gebaar, maar in feite een vernedering waarvan hij intens genoot.
Wat een verademing toen hij rond dezelfde tijd als jij naar Nederland vertrok. De eerste jaren werd zijn naam in zwemkringen nog wel genoemd, maar nadat zijn laatste record gebroken werd, was het alsof hij nooit had bestaan. Zo gaat het, elke zwemmer weet dat.
De enige manier om niet vergeten te worden is je records combineren met iets anders, iets bijzonders, iets heel goeds of iets heel slechts. Iets heel slechts is denk ik nog het beste, zodat mensen zich kunnen verbazen over de enorme tegenstelling binnen een mens. Zoals die Surinaamse zwemkampioen uit de jaren zeventig die in de gevangenis iemand neerstak en toen hij vrijkwam zijn eigen zuster vermoordde.
Ik heb de laatste dertig jaar niet meer aan die kaolo van een Sergio gedacht. ‘Ja. Wat is er van hem geworden?’ Als hij succesvol en rijk is, wil ik het niet weten, maar ellende wil ik tot in alle details horen.
‘Het is niet goed gegaan.’ Hij kijkt alsof het hem fysiek pijn doet.
Gelukkig.
‘We gingen naar Nederland met een droom. De top bereiken.’
Fucking arrogante idioten waren jullie, maar goed, ga verder. Ik knik.
‘We zwommen in Amsterdam bij een club die gek genoeg De Dolfijn heette. Maar behalve de naam was alles anders. Een donker bad, de stank van chloor, koud water en natuurlijk alleen maar witte zwemmers, de meesten groetten ons niet eens. Twee bruine zwemmers zonder toekomst, overblijfselen uit een oude kolonie. De coaches praatten tegen ons alsof we hun tijd niet waard waren. Maar weet je wat het ergste was? De Surinaamse lucht niet meer kunnen zien tijdens het zwemmen.’ Hij kijkt naar boven.
Dramatisch, broer, heel dramatisch. Ga door.
‘Ik sleepte mij elke dag naar het zwembad. Telkens weer de blikken, de opmerkingen, de schouderblessures die maar niet overgingen. Op het startblok staan en weten dat je kansloos bent. Het moment dat ik tegen de trainer zei dat ik zou stoppen, zal ik nooit vergeten. Terwijl ik de woorden uitsprak, voelde ik de tranen in mijn ogen. Het leek alsof de trainer mij voor het eerst echt zag. “Dat is een goede beslissing,” zei hij. “Ik weet dat het pijn doet, maar blijven vechten heeft geen zin. Er is meer in het leven dan zwemmen.” En dat deed mij nog meer pijn, want daar, negen uur vliegen van huis, in die wereld van steen en kou, had ik niets anders om voor te leven.
Maar Sergio ging door. Zijn lichaam was altijd soepeler geweest dan dat van mij, ook in Nederland kreeg hij geen blessures. En hij kon Suriname wel achter zich laten. “We hebben geen toekomst daar,” zei hij tegen mij. “Hier wel. Dit is mijn enige kans.” Hij veranderde zijn techniek, tilde zware gewichten, vroeg hulp aan die vervloekte coaches en trainde met de arrogantste zwemmers. Langzaam maar zeker vond hij toch aansluiting bij de Nederlandse top. Maar zoveel uur trainen en een gewone baan, houdt niemand vol. Je moet een sponsor hebben.’
Ga door. Vertel mij alles, elk detail.
‘Na jaren trainen stopte zijn progressie. Niemand wilde hem sponsoren en het lukte hem niet om de Nederlandse nationaliteit te krijgen. Hij werd depressief.’
Ik probeer medelevend te kijken en niet te laten merken dat ik geniet. Een duivelse Surinaamse zwemgod die ondanks jaren ploeteren en vernederingen slikken, ten onder gaat in Nederland. Prachtig.
‘Ik was zijn enige vriend. Ik probeerde hem moed in te spreken, maar ik zag hem steeds minder.’
Jij? Hoe zou jij iemand moed kunnen inspreken? Je mist alle eigenschappen die daarvoor nodig zijn.
‘Hij heeft er zelf een einde aan gemaakt. Twintig jaar geleden.’
‘Fuck… Hoe?’
‘Voor een trein gesprongen.’ Humphrey slikt.
Jezus, ik genoot van zijn mislukking, maar dit doet het teniet. Het eindresultaat is een verdoofd gevoel. Ik zie hem van het perron duiken, zijn lichaam gestrekt voor de neus van de trein. In een fractie van een seconde de moed verzamelen, afzetten, loskomen en vliegen, zonder weg terug. Voortrazend metaal tegen een zwevend lichaam. Botten die breken, organen die uit elkaar spatten. Wat voor persoon verkiest een klap die alles vernietigt boven een overdosis drugs en een langzaam hallucinerend verdwijnen? Daar is net zoveel moed als wanhoop voor nodig.
‘Fuck,’ fluister ik. ‘Fuck…’
Humphrey bijt op zijn lip en doet zijn zwembril weer op.
Moet ik nu medelijden met jou hebben, omdat die klootzak van een vriend van je niet de kracht had om het zwembad achter zich te laten en iets van zijn leven te maken? Omdat hij weigerde het leven te leiden van een gewoon mens? Hij was verwend en arrogant. Net als jij.
‘Laten we zwemmen,’ zeg ik. In godsnaam.
Hij haalt zijn neus op, duikt onder en zet hard af. Zelfs nu, oud, dik en huilend, wil hij niet dat ik sneller ben.
Ik zwem een halve baan onder water naast hem en wanneer ik bovenkom, merk ik dat hij vastberaden is om mij voor te blijven. We zwemmen zij aan zij, geen van beiden in staat om de ander achter zich te laten. Dan vind ik een laatste beetje lucht in mijn longen en kracht in mijn spieren, zet mijn benen aan en zwem hem voorbij. Bij de muur aangekomen zuig ik zoveel mogelijk lucht naar binnen. Hij mag niet merken dat ik kapot ben.
Hij komt een paar slagen later aan en hijgt alsof hij elk moment bewusteloos kan raken. ‘Jeeezus…’ is het enige wat hij kan uitbrengen.
Je had mij ook gewoon kunnen laten passeren, idioot. Dit is de laatste keer dat we samen zwemmen. Dacht je dat ik je zou laten winnen? Neem dit verlies mee je graf in. Een laatste gift van je broer.
Zwijgend komen we op adem.
Dan klinkt er een scherp geluid. Tussen ons in spat er een tegel uit elkaar. Stukjes steen schieten tegen mijn huid. Een venijnige pijn. Nog voordat ik me realiseer wat er gebeurt, hoor ik het geluid weer. Nu is het een tegel naast Humphrey. Hij slaakt een kreet.
Tegelijkertijd duiken we onder water. We zetten af en laten ons in het ondiepe water naar de bodem zakken. Daar kijken we elkaar aan. Twee waterwezens, opgejaagd door een roofdier. Wie boven water komt, kan een kogel verwachten. De schutter zal niet eerst kijken wiens hoofd het is en omdat we op elkaar lijken zal hij de volgende die opduikt ook meepakken. De kans is groot dat hij nu dichterbij komt voor een gemakkelijker schot. Het personeel heeft allang dekking gezocht. Waarschijnlijk bellen ze nu de politie, maar ook al is het politiebureau om de hoek, wanneer ze arriveren zijn we al dood.
Waarom was ik zo stom om te denken dat ik kon kiezen hoe, waar en wanneer ik doodging? Fedi komt wanneer hij wil. Straks zijn we bij Sergio en Ralph.
Humphrey hangt boven de bodem als een zeekoe, water naar boven duwend om te voorkomen dat hij stijgt. Hij probeert energie te sparen, maar hij zal zo naar boven moeten.
We moeten niet bij elkaar blijven. Hoe verder we uit elkaar zijn, hoe moeilijker het zal zijn om ons achter elkaar dood te schieten. Ik gebaar naar Humphrey dat hij moet blijven waar hij is.
Hij knikt.
Ik zwem langzaam weg, naar het midden van het bad. Waarom dachten we dat een zwemclub een moordenaar buiten haar muren zou houden? Ik ben bang, maar ik weet van vrienden die jagen, hoe moeilijk het is om iets te raken dat zich onder water voortbeweegt. Ik moet iets doen om de man die op ons richt te verwarren, maar ik weet niet wat. Ik reik naar boven, spat wat water omhoog en duik weer naar beneden. Er gebeurt niets.
Ik zwem terug naar Humphrey die nog steeds boven de bodem hangt. Er ontsnappen luchtbellen uit zijn mond. Het is een wonder dat hij het al zo lang volhoudt. Ik schat nog maar een paar seconden.
Mijn lucht is bijna op.
Wacht. Humphrey gebaart dat hij eerst gaat.
Ga. Het is jouw moordenaar.
Ga. Die kogels zijn voor jou.
Ga, vervloekt beest.
Je hoofd is nu boven water en je staat rechtop, je voeten stevig op de bodem. Misschien is het schot al gevallen, onder water kan ik het niet horen. Dan zul je nu in elkaar zakken en je bloed zal zich in het water verspreiden.
Je loopt langzaam naar de kant. Misschien ben je al geraakt, misschien meerdere keren, maar je loopt in hetzelfde ritme door. Misschien stroomt het bloed nu langs je lichaam naar beneden. Maar ik zie nog niets.
Ik hou het niet meer vol.
Hoe voelt een kogel die je hoofd raakt?
God, help mij.
Lucht.
Adem.
Zonlicht.
Adem.
Nu komt de kogel.
Adem.
Ik hoor mensen roepen en ik zie beweging.
Ik doe mijn zwembril omhoog en kijk om me heen.
Twee politieagenten die naar mij gebaren en roepen.
Ik versta ze niet.
Ik ga rechtop staan.
Ik wankel.
Humphrey komt naar me toe en pakt mij vast.
Ik steun op hem.
Het enige wat we doen is ademhalen, zo diep mogelijk.
Dankbaar voor elke teug lucht.
We zitten, nog in zwembroek, tegenover twee politiemannen aan een tafel bij de bar. De barman heeft vier glazen cola voor ons neergezet. ‘On the house!’ zei hij met een volkomen ongepaste vrolijkheid. Nou ja, het is niet elke dag dat er onder je neus een poging tot liquidatie plaatsvindt en daar kun je je hele leven mooie verhalen over vertellen.
Een van de agenten, een forse zestiger met een grijs ringbaardje en een buik die zijn hemd onder hoogspanning zet, voert het woord. Tussen de zinnen door ademt hij zwaar en luidruchtig. De andere, een lange jongeman met grote onrustige ogen schrijft alles op in een notitieboekje.
Er zijn kennelijk slechts twee schoten gelost. De paniek onder het personeel en bezoekers moet de schutter afgeschrikt hebben. Niemand heeft hem gezien en niemand weet hoe hij binnen of buiten is gekomen.
‘Dus u heeft niemand gezien toen u uw auto parkeerde? Niets verdachts toen u het terrein op liep? Niemand die zich vreemd gedroeg?’ De stem van de politieman klinkt vlak.
Agenten komen niet uit de ‘bovenlaag’ die lid is van Dolfijn. Ik kan me voorstellen dat ze niet erg gemotiveerd zijn om problemen op te lossen op een plek die niet toegankelijk is voor henzelf en hun families.
We schudden ons hoofd.
‘Is er iemand, of zijn er mensen die u kwaad zouden willen doen?’ Hij kijkt met een serieuze, maar welwillende blik van mij naar Humphrey. Dit moet een van de mooiste vragen zijn die je als politieagent kunt stellen. Zo open je de beerput van het leven.
Ik schud mijn hoofd en kijk naar Humphrey. Vertel het maar, vertel maar hoe je jezelf en nog erger, mij, in deze situatie hebt gebracht. Door domheid, hebzucht en verraad, een combinatie die in jouw branche altijd tot de dood leidt. Is het niet op een parkeerplaats in Amsterdam, dan wel in een zwembad in Paramaribo. Vertel het, maar hou het kort en zakelijk. Geen zielig gedoe, alsjeblieft.
Humphrey trekt zijn mondhoeken naar beneden en spant zijn nekspieren. Het is alsof hij heel veel wil zeggen, maar zijn lichaam alles op slot zet, omdat het weet dat het zinloos, gênant en zonde van al die energie is. Het ziet er vreemd uit.
De wenkbrauwen van de oude agent gaan heel even iets omhoog. Hij heeft al veel mensen zien liegen.
‘Nee…’ zegt Humphrey zacht, maar hij weet dat hij zichzelf al verraden heeft.
De jonge agent kijkt afwachtend naar de oudere. Die fronst, tuit zijn lippen en knikt langzaam. ‘U bent op vakantie,’ zegt hij tegen Humphrey, ‘en u woont hier,’ zegt hij tegen mij. ‘En geen van beiden kunt u een reden bedenken waarom iemand op u zou schieten?’
We schudden allebei ons hoofd. Het moet er lachwekkend uitzien.
De politieman buigt zich over tafel naar ons toe. ‘Luister, we zijn allemaal mannen van de wereld.’ Zijn toon is nu vertrouwelijk. ‘Er is maar één reden waarom zoiets gebeurt. Dat weten jullie net zo goed als ik. Drugs. Cocaïne om precies te zijn. Dat is gevoelige informatie. Het is ook niet dat ik graag wil weten wie geschoten heeft. De opdrachtgevers blijven toch altijd buiten schot.’ Hij glimlacht om zijn woordspeling, leunt weer achterover en kijkt met toegeknepen ogen om zich heen.
Ik denk dat hij deze plek zou beschrijven als een vervloekte elitezooi en het niet heel erg zou vinden als er af en toe iemand uit de weg geruimd wordt.
Humphrey wiebelt nerveus met een voet en trommelt op de leuning van zijn stoel.
Stop daarmee, idioot.
De politieman wisselt een snelle blik met zijn jongere collega. ‘De schutter heeft geen enkel spoor achtergelaten, behalve de kogels, maar daar kunnen we nu nog niets mee.’ Hij laat een stilte vallen. ‘Jullie hoeven verder niets te zeggen. We kunnen het hierbij laten.’ Hij kijkt weer om zich heen en gaat op zachtere toon verder. ‘Maar de volgende keer zal hij niet missen. De volgende keer dat ik jullie zie, kunnen jullie misschien geen vragen meer beantwoorden. Zou ik jammer vinden.’
Hij glimlacht, maakt een handgebaar dat machteloosheid uit moet drukken en neemt een slok van zijn cola.
De jonge agent perst zijn lippen op elkaar en schrijft ijverig verder.
De ondervrager kijkt van Humphrey naar mij, geeft ons een laatste kans om te praten.
De schutter kan hem geen reet schelen, de opdrachtgever ook niet. Hij wil de locatie van een gigantische partij drugs of een koffer met miljoenen gestolen drugsgeld. Zo’n vangst kan hem een promotie opleveren en over een paar jaar een hoger pensioen.
Na een korte stilte slaat hij met beide handen op zijn dijen en hijst zichzelf overeind. ‘Voorlopig weten we genoeg. Mochten we u nog nodig hebben, weten we u te vinden. Let goed op uzelf, heren.’ Hij overhandigt mij zijn kaartje en geeft ons een hand.
Zijn collega zet nog een laatste krabbel en staat dan ook op.
‘Dank u wel,’ zeg ik.
Ze werpen een laatste blik op de muur die om het terrein staat en lopen naar de poort. Daar praten ze nog even met de portier en lachen luid.
‘Het zou zinloos zijn om het ze te vertellen,’ zegt Humphrey. ‘Denk je dat ze moeite zouden doen om hem te vinden? Of om mij te beschermen?’
‘Nee. Maar wat nu? Misschien wacht hij buiten op je. Hij kan je neerschieten zodra je de poort uit loopt. En mij erbij, natuurlijk.’
‘Hij is allang weg. Maar die agent had gelijk. Hij komt terug.’
‘En dan zal hij niet missen, broer.’
‘Dat zou zijn opdrachtgever niet accepteren.’
‘Die stuurt dan weer iemand op hem af.’
We lachen onze zenuwen weg. Het maakt niet uit hoelang we nog hebben. We zijn er nog. We ademen en drinken cola.
Mijn hele lichaam tintelt. Ik hoor de gesprekken bij de bar. Jong en oud praten door elkaar. Luid, spottend, bluffend, lachend. Waarom praten we zoveel en luisteren we zo slecht? Waarom horen we alleen de woorden en niet het verhaal dat de ogen vertellen?
Uit de keuken komt de geur van gebakken kip en patat. Een groepje piepjonge zwemmers wacht ongeduldig bewegend op de barkrukken, hun voeten hoog boven de vloer.
Eet en geniet, jullie zullen je deze momenten niet herinneren, maar het zijn de mooiste van je leven.
Twee boomlange jongens slenteren naar de kleedkamers, tassen met zwemspullen over de brede schouders. Hun lichamen bewegen soepel mee met hun lach.
Even voel ik hoe het is om nog een heel leven voor je te hebben.
Voordat ik Humphrey op zijn logeeradres afzet, rijden we eerst een rondje door Noord om er zeker van te zijn dat we niet gevolgd worden. Op de radio zingt Luther Vandross ‘For You to Love’. Sommige zangers sterven nooit.
Humphrey heeft zijn zonnebril op en de klep van zijn pet voorover getrokken. Hij zit ineengedoken in zijn stoel, bekijkt alles voor, links en rechts van de auto en loert telkens in de spiegels. Af en toe kijkt hij naar mij, glimlacht en zucht.
Vreemd genoeg voel ik geen haat meer. Ik weet niet hoe het kan, maar ik zou het gevoel het liefst weer opdiepen en laten ontvlammen, anders weet ik niet wat ik met die dikzak aan moet. Misschien ben ik gewoon te moe.
‘Ik wil nog een laatste keer… bij je langskomen,’ zegt hij. ‘Maar ik wil je niet in gevaar brengen. Vanavond misschien? Het is veel gevraagd, dat weet ik…’
‘Ja.’
‘Ik kan het niet verdragen dat ik doodga… en nooit meer thuis geweest ben.’ Het klinkt alsof hij elk moment in huilen kan uitbarsten. Hij haalt diep adem, doet zijn zonnebril af en draait zich naar me toe. ‘Het spijt me, Henri. Van toen, met Mirna. Ik heb me gedragen als een hond. Ik dacht alleen aan mezelf. En dat doe ik nu weer.’
Ik knik, maar blijf voor me kijken. Gelukkig weet je wat je bent, dat is in ieder geval iets, maar ik heb geen kracht meer om te praten. Niet over vroeger, niet over nu.
Hij zet zijn zonnebril weer op en geeft me aanwijzingen om naar zijn appartement te rijden. De Tourtonnelaan uit, steeds verder de Braziliaanse buurt in. Winkels, restaurants, hotels, schoonheidssalons, goudopkoopbedrijven, garages, een dorp op zich. Het is er druk, een komen en gaan van mensen, allen Braziliaans.
We staan in een file. ‘Stop hier maar,’ zegt hij. ‘We zijn er bijna.’ Hij probeert mij vanuit zijn stoel te omhelzen, maar zijn buik zit in de weg. Gelukkig maar, hij stinkt naar zweet. ‘Bedankt voor vandaag, brada,’ zegt hij. ‘Bedankt voor alles.’
‘Kom vanavond maar,’ zeg ik. Ik ben een idioot.
Hij kijkt verrast, knikt, kijkt nog een keer goed om zich heen en springt dan de auto uit. Met gebogen hoofd loopt hij in de richting van een Braziliaanse winkel. Hij passeert een groepje Brazilianen die voor de ingang bier drinken en steekt zijn hand naar ze op. Ze groeten terug. Hij duikt naast de winkel een paadje tussen de huizen in.