Hoofdstuk 27 - De handlezer
By Chris Polanen
Ik heb een portie tjauw min met garnalen bij Bryan gehaald en gewacht met eten, maar het is inmiddels tien uur en ik sterf van de honger. Vanaf het balkon speur ik de straat af. Het is vrijdagavond, dus druk.
De Braziliaanse passeert weer met haar vriendinnen. Ze staat stil voor mijn balkon en gebaart dat de anderen zonder haar verder kunnen lopen. ‘Hoe gaat het met u, meneer?’
‘Het gaat wel, hoor.’
‘Ik heb u een poosje niet op het balkon gezien. Ik maakte me zorgen om u.’
Ze moest eens weten hoe weinig mensen dat doen. ‘Ik heb het erg druk gehad,’ zeg ik.
‘Gaat het wel goed met uw gezondheid?’
‘Naar omstandigheden wel.’ Voor een terminaal persoon heb ik een opwindend leven. ‘Hoe gaat het met je vriend?’
Haar gezicht betrekt. ‘Hij is weer naar Brazilië. Over drie maanden, als ik vakantie heb, ga ik naar hem toe.’
‘O, dat is wel moeilijk. Elkaar zo lang niet zien.’
Ze knikt.’ Heel moeilijk.’
Als je jong en verliefd bent is drie dagen al lang.
‘En je maakt je aldoor zorgen dat je elkaar kwijtraakt,’ zegt ze. ‘Dat er iemand anders…’
‘Ja, dat begrijp ik. Het is goed dat je wel met je vriendinnen uitgaat. Niet thuis blijven piekeren.’
‘Ja… En wat doet u deze dagen?’
‘Straks komt mijn broer op bezoek. Hij is op vakantie uit Nederland.’
‘O, wat leuk. Broers en zussen zijn belangrijk.’
‘Ja… Heb je zelf broers of zussen?’
‘Een broer en een zus. Ik ben de jongste.’
‘Hebben jullie een goede band?’
‘We houden van elkaar, maar we maken ook ruzie. Soms is het moeilijk om het weer goed te maken.’
‘Dat ken ik, ja.’
‘Maar ja, je doet je best. Het is familie…’ Ze kijkt naar haar vriendinnen die langzaam verder slenteren. ‘Ik moet verder. Ik wens u een fijne avond met uw broer.’
‘Dank je. Jij ook een fijne avond gewenst.’
‘Dank u. Ik ben blij dat het goed met u gaat.’
Terwijl ik haar nakijk, vraag ik me af hoeveel menselijk contact gebaseerd is op medeleven, zonder dat er iets voor terug verwacht wordt.
Om halftwaalf stopt er een oude Toyota voor het huis. Humphrey stapt haastig uit. Hij is in het zwart gekleed en heeft een zwarte pet op. Als een opgejaagd dier kijkt hij om zich heen en rent ineengedoken naar de poort.
Ik hoor hem naar boven stormen met een snelheid die je alleen kunt bereiken op de trap van je ouderlijk huis. Hij is net zo snel boven als ik bij de deur. Ik doe open en hij stapt naar binnen.
Hij glimlacht. Ontroerd.
‘Welkom thuis,’ zeg ik. Hoe krijg ik het over mijn lippen?
Hij heeft tranen in zijn ogen.
‘Je gaat niet huilen, hè?’ zeg ik en ik geef hem een klap tegen zijn schouder.
Hij schudt zijn hoofd en knippert zijn tranen weg, zoals ik verwachtte.
‘Kom, we gaan naar de eetkamer,’ zeg ik. We blijven zo ver mogelijk van het balkon en de straat. Niets is gemakkelijker dan vanuit een langzaam voorbijrijdende auto een huis doorzeven. Het hout is oud en dun, kogels zullen er dwars doorheen gaan.
‘Ik had nooit gedacht dat ik ooit nog thuis zou komen.’
‘Ik had nooit gedacht dat ik ooit zo’n gevaarlijke gast in huis zou hebben. Ik heb een tjauw min voor je gehaald. Heb je trek?’
‘Ik zeg geen nee tegen een tjauw min.’
Natuurlijk niet. Het kan je laatste zijn.
Humphrey loopt bedachtzaam door het huis, strijkt af en toe met zijn vingers langs de wanden. Hij kijkt uit het raam, staart naar het huisje achter op het erf en zegt: ‘Het staat er nog.’
Ik warm de tjauw min op in de magnetron, schep een flinke portie voor hem op en een kleinere voor mij.
We zitten tegenover elkaar op onze oude plekken. Zo zaten we onze hele jeugd. Pindasoep opslurpend, krabben krakend, het vlees uit pootjes en huisjes zuigend, stapels keiharde krobiya’s wegwerkend.
‘Mis je het eten van de ouwe nooit?’ vraagt hij plotseling.
‘Nee.’
Hij kijkt verbaasd en stopt met eten. ‘Niemand kon koken zoals hij. Hij heeft het ons geleerd, maar als je het zelf maakt, smaakt het nooit precies hetzelfde, toch?’
‘Nee, maar dat hoeft toch ook niet?’
‘Toch wel. Ik heb het mijn hele leven gemist. Zijn geroosterde varkensvlees uit het vat… Maak jij dat weleens?’
‘Nee, heb ik geen geduld voor.’
Hij knikt, kauwt en slikt en snuift. ‘Ik dacht even dat ik het rook.’
‘Zou kunnen,’ zeg ik.
‘Hoezo?’
‘Ik ruik het ook weleens.’
‘Wie maakt het dan?’
Als ik nu zeg: de Brazilianen, ben ik overal vanaf. Dan eet je rustig door, prik je bij elke hap tjauw min een stukje kip en varkensvlees op je vork, zoals je vroeger deed, gretiger, omdat je het zoveel jaren hebt gemist. Waarom zou jij moeten weten dat de ouwe over een paar uur voor het huisje kan zitten, monter en getergd, alsof hij niet op zijn achtenzestigste, uitgemergeld en zo goed als blind, zijn laatste adem uitblies.
‘Pa is de laatste tijd vaak op het erf. ’s Nachts. Voor het huisje.’
Humphreys mond valt open. ‘Serieus?’
Ik knik. ‘Ik maak nooit grappen over hem.’
‘Ben je naar hem toe gegaan? Praat hij?’
‘Ja.’
‘Mijn god, dat is geweldig. Toch? Wat zegt hij?’
‘Hij klaagt en moppert over de straat. Toen hij leefde heeft hij nooit iets zinnigs gezegd. Waarom zou hij dat nu wel doen?’
‘Daar gaat het niet om. Dat we weer met hem kunnen praten is toch fantastisch?’
Ik zie het in je ogen, broer. Jij hield van hem. Je houdt nog steeds van hem. Zo vreemd is dat niet. Hij was trots op jou, je leek op hem. ‘Ik wil niet meer met hem praten…’
En zo zitten we in het donker op de stenen stoep, onzichtbaar voor de wereld, te wachten op de geest van de overleden zuiplap die ons de helft van zijn genen gaf en ongetwijfeld een deel van zijn trauma’s.
Waarom heb ik, behalve Rowan misschien, maar die telt niet mee, geen kinderen? Waarom ben ik in tegenstelling tot zovelen van mijn generatie in Suriname gebleven, terwijl de vooruitzichten in Nederland zoveel beter waren? Waarom woon ik nog steeds in het huis waar ik geboren ben?
Er komt muziek van alle kanten. Surinaams, Braziliaans, Cubaans. De ritmes verdringen elkaar alsof ze vechten om het recht om de stilte te verstoren. De stemmen zijn indringend, de drums bonken onverstoorbaar en de geluiden van andere muziekinstrumenten versnipperen in de nacht. De wind draagt de geuren van geroosterd vlees en onbekende kruiden.
Ik heb na het eten een beetje rum voor ons ingeschonken.
Als de ouwe weg was, dronken we stiekem zijn rum of whisky en vulden we de fles aan met water. We namen minuscule slokjes, maar de alcohol steeg direct naar mijn hoofd en ik zag Humphreys blik waziger worden. Dan lachte hij naar mij, zonder de spot die ik van hem gewend was.
Ik heb Humphrey een glas gegeven waaruit de ouwe graag dronk. Een breed glas met een dikke bodem. Af en toe zet hij het glas aan zijn lippen, maar het niveau daalt nauwelijks.
Ik doe hetzelfde. In tegenstelling tot de ouwe die zich volgoot en pas na een paar volle glazen aangeschoten raakte, zou ik na een kwart glas rum nauwelijks meer kunnen praten of lopen. ‘Jullie zullen nooit echte mannen worden,’ zei de ouwe als het om alcohol ging.
‘Vreemd dat wij geen alcohol verdragen, toch?’ zegt Humphrey.
Ik haal mijn schouders op. ‘Je lijkt sprekend op de ouwe, maar die genen heb je niet.’
‘Ik lijk op hem, ja.’
In zijn stem hoor ik hoe belangrijk dat voor hem is.
Hij kijkt rond op het donkere erf, op zoek naar het voorbeeld dat hij nooit kon worden. ‘Hij nam mij mee naar de bar.’
Ze gingen op de bromfiets van de ouwe. Op de terugweg reed Humphrey, de ouwe in elkaar gezakt achterop. Ook toen ik ouder werd en een eigen bromfiets had, was het vanzelfsprekend dat ik thuisbleef. Ik vond het prima, het waren avonden zonder dreiging, de enige waarop ik me volledig kon ontspannen.
‘In de bar was hij anders dan thuis,’ zegt Humphrey. ‘Daar lachte hij en hij liet anderen lachen. Hij organiseerde het kaarten. Goudzoekers, hosselaars, drugsdealers, iedereen was welkom. Ze speelden om veel geld en sommigen konden slecht tegen hun verlies. Als er ruzie dreigde, suste hij het met humor. Valsspelen tolereerde hij niet. En als er gevochten werd, trok hij ze uit elkaar. De moeilijkste nam hij vanachter in een soort wurggreep en sleurde hij naar buiten. Meestal hadden ze dan niet genoeg lucht meer om te vechten.’
‘Jezus.’
‘Voor mij was hij een held. Hij wilde dat ik stoer was. Sterk. Net als hij.’
Ik zucht en neem een slok rum die zich een weg door mijn keel brandt. ‘Zijn laatste jaren was hij niet sterk.’
‘Ik zal mezelf nooit vergeven dat ik geen afscheid van hem heb genomen.’ Humphrey neemt een slok en houdt de rum een eeuwigheid in zijn mond voor ik hem zie slikken.
‘Hij hoopte tot het einde dat je zou komen.’
Humphey wrijft met de rug van zijn hand in zijn ogen.
Godverdomme. Gaat hij hier zitten huilen om die ouwe? Ik neem een grote slok die ik snel doorslik en sluit mijn ogen.
‘Denk je dat hij nog komt?’ vraagt Humphrey. Hij gaat rechtop zitten.
Ik kijk op mijn telefoon. Het is één uur. ‘Het kan zijn dat hij pas veel later komt.’
Humphrey neemt nog een slok. Weer zie ik hem niet slikken.
‘Rowan was de eerste die hem hier zag,’ zeg ik.
‘Had jij hem nooit gezien?’
Ik schud mijn hoofd. ‘Rowan was niet bang. Hij is gewoon naast hem gaan zitten. Hij heeft met hem gesproken.’
Humphrey knikt. ‘Hij is een bijzondere jongen. Ik ben nooit een vader voor hem geweest. Toch neemt hij me niets kwalijk.’
Ik weet niet of het de rum is of het feit dat hij de man die mijn jeugd tot een hel maakte een held noemde. Er ontsnapt iets uit het diepst van mijn ziel en ik zeg: ‘Hij kan ook mijn zoon zijn.’
Aaai, mijn broer-hond, je kijkt alsof je de duivel zelf hebt gezien. Ja, laat mij je duivel zijn, ik doe het met plezier. Dacht je nou echt dat je hier rustig kon komen huilen om onze vader, die gewelddadige ouwe gek? Dacht je dat een keer sorry zeggen en jezelf een hond noemen, dertig jaar pijn compenseerde?
En nu, na die eerste klap, zie ik aan het geknipper van je oogleden dat je rekent, je rekent als een gek en ja, je weet dat er een periode was waarin we het allebei met Mirna deden. Toen ik nog niet wist dat jullie het als twee honden achter mijn rug deden en we allebei dachten dat ze aan de pil was, terwijl ze dat niet was. Ik ben haar vergeten te vragen waarom en na al die jaren maakt het eigenlijk ook niets meer uit. Voor een ongeplande zwangerschap zijn altijd genoeg oorzaken te bedenken, allemaal even stom.
Aaai, dit doet pijn, hond-broer, dit gaat regelrecht je ziel in en draait daar rond als een op hol geslagen kettingzaag. Alles is al zo lang geleden dat de baby inmiddels een man is die op ons beiden lijkt en er is niets wat een mens kan doen om dat te veranderen.
Dit is de beste wraak. Sorry, Mirna en Rowan, dat ik jullie gebruik om de ultieme pijn toe te brengen, maar het is gebeurd en ik kan het niet meer terugnemen.
Humphrey buigt langzaam voorover en kreunt. Het lijkt alsof hij gaat vallen.
Val maar, broer. Het zand is koel.
Hij komt weer overeind, blaast alle lucht uit zijn longen en neemt een grote slok rum. Dan knijpt hij zijn ogen dicht en perst zijn lippen op elkaar. ‘Boooi… heeft Mirna dat gezegd? Ze had het mij moeten vertellen.’
‘Ze heeft het mij pas verteld. Ze heeft het nooit zeker geweten. We hebben het samen aan Rowan verteld, vlak voor ze terugging. De enige manier om erachter te komen is een test.’
Hij zucht. Knikt. Zucht. ‘Dat moet dan maar. Het zou beter zijn als jij het was. Dan heeft hij in ieder geval nog een vader. Ik zal hem niet meer zien. Of ik slaag erin om te verdwijnen of ik word vermoord.’
Ik heb het gevoel dat ik verschrikkelijk ga huilen. Kan een mens maar zo kort genieten van wraak of maakt de rum me week? Ik heb spijt. ‘Ik leef ook niet lang meer,’ zeg ik en slik.
Humphrey glimlacht. ‘Jij leeft nog heel lang, broer.’
‘Nee… Prostaatkanker.’
Humphreys gezicht vertrekt en hij draait zijn hoofd naar me toe.
‘Nee. Nee, toch?’
‘Ik maak geen grap.’
Humphrey zet zijn glas neer en slaat een arm om mij heen.
Ik zie weer tranen in zijn ogen.
We blijven even zo zitten.
Zijn arm is veel te zwaar en ik ben blij als hij hem weer van mijn schouders haalt.
‘Ik gunde je een lang leven,’ zegt hij en hij veegt zijn ogen droog met z’n shirt.
Ik wil niet huilen en ik wil niet dat hij mij gaat troosten.
‘Heb je al afscheid genomen?’ vraagt hij.
‘Waarvan?’
‘Van alles. Van een vrouw. Van je vrienden. Van dit huis. Van het leven.’
‘Ik heb een paar keer gevoeld hoe het is om te sterven en ik ben niet meer bang.’
Humphrey kijkt me aan met opgetrokken wenkbrauwen en daarboven rimpels die ik nog niet kende. ‘Hoe voelde dat dan?’
‘Heerlijk. Als thuiskomen. Eindelijk.’
Humphrey tuurt in de nacht. ‘Dat is prachtig…’
Ik herken zijn blik. ‘Je bent dronken.’
‘Jij ook.’ Hij heft zijn glas en zegt: ‘Laten we drinken op een goede aankomst, broer!’
‘En een goed vertrek.’
Ik tik met mijn glas veel te hard tegen het zijne. Het geluid echoot in de nacht. We drinken in één slok onze glazen leeg, schrapen onze keel en lachen als tieners.
‘Hij hield van jullie. Op zijn manier. Meer kun je niet van een vader vragen.’
Ben jij dat, Ma? Waarom kom jij niet? Waarom zit jij ’s nachts niet hier op de stoep? Zijn het alleen de ego’s die niet weten hoe ze moeten verdwijnen in het grote niets? Komen alleen zij terug? Wat hebben we aan hun verschijning? Aan hun blikken en hun woorden?
We zouden meer van jou kunnen leren, Ma. Maar ik weet zeker dat jij niet terugkomt.