Hoofdstuk 28 - De handlezer
By Chris Polanen
Vandaag is de begrafenis van Ralph.
Voor begrafenissen en andere officiële gelegenheden trek ik altijd hetzelfde aan. Een zwarte broek, mijn dieprode hemd, de glimmende zwarte riem en de schoenen die ik tijdens een vakantie in Nederland kocht. De schoenen waren veel te duur voor mij, maar de vrouw achter de kassa had de mooiste blauwe ogen die ik ooit had gezien, flirtte met me zoals verkoopsters doen die weten wat ze bij mannen losmaken en voor ik het wist had ik ze afgerekend.
In het begin had ik er spijt van, maar naarmate de jaren verstreken realiseerde ik me dat de kwaliteit zo goed was dat ze waarschijnlijk een heel leven mee zouden gaan. En nu weet ik dat ik ze zelfs na mijn dood nog zal dragen.
De kleren die je aantrekt om naar een begrafenis te gaan zijn dezelfde waarin je zelf begraven wilt worden. Door dat tijdens je leven vast te leggen kun je zelfs liggend in je kist een blijvende indruk maken. Natuurlijk is het leven uit je huid getrokken, zijn je aangezichtsspieren verstijfd en je lippen droog als leer, maar de Surinaamse afleggers doen wonderen met vet, poeder en make-up.
Ik weet precies welke laatste indruk ik wil maken: stijlvol, smaakvol, een man van de wereld, hoewel ik er maar bar weinig van heb gezien. Slechts het zwaar overschatte, in vakjes verdeelde Nederland, met de bakra’s die telkens als je ze denkt te begrijpen, toch van een andere planeet blijken te komen. Belém do Pará, waar de mensen zelfs als er geen hoop is blijven lachen, iets wat de hele wereld zou moeten leren, en natuurlijk Miami Beach, waar zowel arm als rijk, naast shoppen en eten, geen idee lijkt te hebben wat ze met het leven aan moeten.
Judy is de enige in Suriname die zich zou bekommeren om de aankleding van mijn lijk. Ik heb besloten haar niet meer te bellen. Hoewel Mirna een liefde was uit een ander tijdperk, uit een andere dimensie zelfs, en het voor mij niet als bedrog voelde, weet ik dat Judy daar niets van zou begrijpen. Als je als man je liefde voor een vrouw uitspreekt en haar bemint, word je niet geacht dat de week daarop met een andere vrouw te doen. Ook al is de liefde die je voor beiden voelt puur en diep. Ik kan Judy niet meer onder ogen komen. Trouwens, waarom zou ze na net een man verloren te hebben er weer een willen verliezen?
Met een zwaar hart kleed ik me aan. Tussendoor ga ik naar het toilet. Een paar druppels, maar ze moeten er wel uit.
Niet naar de uitvaart gaan is geen optie. Dit is een van de weinige gelegenheden waar mijn afwezigheid opgemerkt zou worden. Maar als het vandaag zo doorgaat weet ik niet hoe ik het ga redden zonder telkens naar het toilet te moeten. Ik drink vanaf nu in ieder geval niets meer. Liever uitdrogen op een uitvaartbankje, dan telkens op moeten staan en alle blikken trotseren.
Bericht van Humphrey.
‘Ik zal er ook zijn. Buiten. Niet ver van het graf.’
Godverdomme.
In feite zijn alle begrafenissen van zestigplussers min of meer hetzelfde. Geen wanhoop en verontwaardiging over de toekomst die er niet meer is. Die is voorbehouden aan de jeugd die zich doodrijdt, -spuit, -snuift, -vecht, tegen alle kansberekeningen in kanker krijgt of er zelf een eind aan maakt.
Een uitvaart begint al wanneer je in je auto stapt. Tijdens de rit naar de begraafplaats probeer je alles te visualiseren en je emoties onder controle te krijgen. Huilen mag, maar je wilt niet de controle verliezen en instorten. Dus probeer ik me in de auto de kist voor te stellen, de bloemstukken, Ralphs gezicht, zijn blauwe hemd met bloemen, de stilte, de gebeden, de liederen, de gebogen hoofden, de tranen, de gang naar het graf, de toespraken die betekenis proberen te geven aan het leven en een plek in het hiernamaals voorspiegelen. Dicht bij God.
Nadat ik de auto in de berm geparkeerd heb, loop ik met een groepje mensen mee de begraafplaats op. Ik zie wat bekende gezichten en knik, zwaarmoedig en solidair.
Het is veel drukker dan ik had verwacht. Ralph was geen bijzonder sociaal persoon, maar zijn hobby bracht hem in contact met veel mensen. Hij kon alles met een motor repareren, knutselde aan auto’s, motoren, boten, zelfs helikopters en kleine vliegtuigen. Andere monteurs zagen hem als een autoriteit en kwamen bij hem langs voor onderdelen en advies.
De dienst wordt gehouden in een gebouw voor op het terrein. Eric, een vriend van Ralph, een gezette grijze zestiger die net zo monter kijkt als altijd, ontvangt de mensen bij de deur en wijst ze hun plaats. Hij geeft mij een hand, klopt stevig op mijn schouder en zegt: ‘Henri, je zit vooraan bij de familie. Je gaat spreken na vader Ike.’
Ik loop naar voren, passeer de banken met gebogen hoofden.
De open kist van glanzend lichtbruin hout staat een paar meter voor de eerste rij. Het lijkt alsof je slaapt, oude vriend. Je gezicht is mat, je wangen ingevallen, maar je lippen glimmen en je hebt je blauwe hemd met bloemen aan. Daarin zwierde je met Martha over de dansvloer, een hand om haar middel, de andere met de hare geheven, tot het uiterste geconcentreerd. Dansen was voor jou een serieuze zaak. De juiste passen, het juiste ritme, de juiste draai, alleen dan genoot je ervan. Het lijkt alsof je elk moment op kunt staan, je kleren kunt gladstrijken, de armen spreiden en zeggen: ‘Jullie dachten toch niet dat ik echt dood was?’
Voor mij leef je nog Ralph en ik vrees het moment dat ik je van dichtbij zal zien.
Ik ga op de hoek van de bank zitten, naast Patrick, Ralphs oudste zoon, en leg een hand op zijn arm. Hij kijkt me aan met betraande ogen en knikt. De ogen van zijn vader.
De geestelijke, een jonge man in een zwart pak en een witte boord, loopt als eerste naar het podium. Ik weet niet of het een pater is of een dominee, maar dat maakt nu niets uit. Hij noemt Ralph een familieman, een liefhebbende echtgenoot, vader en grootvader, door God tot zich geroepen. Hij heeft een vreemd accent, worstelt met het Nederlands. Een Afrikaanse pater. Paters worden tegenwoordig uit het buitenland gehaald, want waar vind je in Suriname nog jonge mannen die hun leven aan God willen wijden, sober leven zonder ooit een rooie cent te bezitten en het allerergste: bereid zijn te zweren dat ze nooit een vrouw aan zullen raken.
Bericht van Humphrey.
‘Ik ben vlak bij het graf. Op een veilige plek.’
Jezus… Als jij ergens verschijnt is de plek per definitie niet veilig meer. Voor niemand. Blijf uit mijn buurt en probeer in godsnaam te voorkomen dat je tijdens een begrafenis neergeknald wordt.
Ik word direct na de geestelijke naar voren geroepen.
Een laatste blik op mijn telefoon:
‘Laat me weten of je een verdacht iemand ziet.’
Jezus, Humphrey, iedereen hier is netjes gekleed en zit met gebogen hoofd. Al waren er tien huurmoordenaars, ik zou ze niet herkennen.
Mijn benen voelen slap, door de spanning moet ik toch plassen en de brief met mijn toespraak is vochtig door het zweet van mijn handen. Ik ga achter de katheder staan.
De stilte is zwaar van verdriet.
Ik kijk naar de mensen op de eerste rij. Martha, geflankeerd door haar volwassen zonen, waarvan er eentje op Ralph lijkt en de andere op haar. Ze oogt fris en kalm, alsof ze op een willekeurige zondagmiddag een kerkdienst bijwoont, maar je weet nooit welke uitwerking een begrafenis op iemand heeft.
Misschien zal ze kalm blijven tot de kist bedekt is met aarde, mogelijk zelfs tot ze thuis dagenlang in alle rust Ralphs afwezigheid heeft kunnen voelen. Of ze duwt het verdriet zo diep naar binnen dat het nooit de kans krijgt om naar boven te komen. Maar waarschijnlijk valt verdriet niet iedereen even zwaar. Voor sommigen is het misschien niets meer dan het gemis van een aanwezigheid in huis, van een stem, van een eter aan tafel, van een lichaam in bed, van dagen die verlopen volgens een vast patroon en van het vooruitzicht om samen oud te worden.
De gedachte dat mijn uitvaart nog niet eens de voorste bank van deze zaal zal vullen, maakt mij verdrietiger dan Ralphs dood. Het is die gedachte die mijn stem breekt en mijn ogen doet tranen. Bij mij zullen er geen vrouw en kinderen op de voorste bank zitten en er is nu ook geen vriend meer die voor mij kan spreken. De geestelijke zal niets persoonlijks kunnen vinden wat de moeite waard is en zal zich beperken tot spreuken uit de Bijbel.
‘Ralph en ik leerden elkaar kennen op de AMS. We waren de jongsten, klein en mager. Dat schiep een band. We steunden elkaar om te overleven tussen de stoere jongens die ons baby’s noemden. En we zijn altijd vrienden gebleven. Ralph was mijn beste vriend.’
Het volgende zal ik niet zeggen want de mannen hier weten het al en de vrouwen zouden er onnodig van schrikken: hij was ziekelijk nieuwsgierig naar alles wat met vrouwen en seks te maken had, maar hij flirtte niet en ging zeker niet vreemd. Een vreemde combinatie van eigenschappen voor een Surinaamse man.
Ik staar naar mijn blaadje. Mijn zweet heeft de inkt laten uitlopen en veel woorden zijn niet leesbaar meer. Ik voel mijn lichaam zwaar worden en de aandrang om te plassen wordt sterker. ‘En nu is Ralph er niet meer. We zullen nooit meer een tori met hem praten. Of met hem aan een motor knutselen.’ Ik sluit mijn ogen en haal diep adem. ‘Maar wees niet bang voor de dood. Doodgaan is iets prachtigs. Iets machtigs. Het is mooier dan alles wat je hebt meegemaakt in het leven.’ Ik open mijn ogen.
Er komen hoofden omhoog, verbaasde en verraste gezichten. De pater zit op de eerste rij naast een van Ralphs zonen en kijkt bezorgd. Mensen buigen zich naar elkaar toe en fluisteren.
Begrijpelijk, dit hadden jullie niet verwacht, maar dit moet ik vertellen. Iedereen moet dit weten. ‘Ik ben de afgelopen tijd… een paar keer… even… dood geweest. Daarom weet ik het. Natuurlijk zijn we allemaal bang. Maar als je doodgaat ervaar je iets geweldigs. Een liefde die je in het leven nooit ervaren hebt. Een liefde die alles overstijgt. Je bent eindelijk thuis. Veilig.’ Ik voel de tranen over mijn wangen lopen, maar het kan me niets schelen. Ik ben de enige die dit kan vertellen. Mijn verhaal moet gehoord worden.
De priester is samen met Ralphs zonen opgestaan, ze staan naast de bank en overleggen.
Natuurlijk, alleen de stoffige verhalen uit de Bijbel mogen hier verteld worden. Voor iemand die teruggekeerd is uit de dood, is vreemd genoeg geen plaats. Stel je voor dat ik zou verkondigen dat er geen God is, geen hemel, alleen maar een zweven, nee, een zwemmen in de oneindigheid. Ik spreid mijn armen. Hoe beschrijf je het onbeschrijflijke aan mensen die hun hele leven verkeerde beelden voorgespiegeld hebben gekregen?
Martha buigt zich naar voren alsof ze naar een spannend toneelstuk kijkt en misschien vergis ik me, maar volgens mij zie ik haar mondhoeken iets omhoog krullen.
De geestelijke schudt zijn hoofd en Ralphs zonen bewegen onrustig.
Ik heb niet veel tijd meer. ‘Maar de dood is niet het einde!’ zeg ik met luide stem. ‘Wees niet bang. Mijn vader is al jaren geleden overleden, maar hij zit ’s nachts bij mij op het erf. Ik kan gewoon met hem praten.’
Er stijgt geroezemoes op uit de zaal en ik hoor mijn naam noemen. ‘Mi gado… mi gado,’ herhaalt een vrouw telkens.
De pater loopt met grote passen naar mij toe, legt zijn hand op mijn arm en fluistert: ‘Het is goed, Henri. Het is goed. Bedankt voor je bijdrage.’ Hij kijkt me aan met een zachte en begripvolle blik.
Ik zie nu pas hoe jong hij is. ‘Maar ik ben nog niet klaar…’
‘Het is goed zo. Kom maar mee.’
Hij pakt mijn arm, zijn greep is verrassend krachtig. Onder zijn zwarte hemd zijn de contouren van een gespierde torso te zien.
Met moeite kan ik mijn arm lostrekken.
Een lang moment, waarin we ons beiden realiseren dat iedereen naar ons kijkt, kijken we elkaar aan. Een stervende en een man van God. Beiden eisen we onze plek op dit podium op. Hij gaat recht voor mij staan zodat de mensen in de zaal niets meer kunnen zien van onze confrontatie.
‘Dit is het afscheid van je beste vriend. Je wil er toch geen… spektakel van maken?’ Hij praat nog steeds zo zacht dat niemand in de zaal hem kan horen.
‘Het hele leven is een spektakel, vader,’ antwoord ik.
Hij glimlacht alsof hij dat argument al vaak gehoord heeft. ‘Dat is waar. Juist daarom hoeft een uitvaart dat niet te zijn, broeder.’
‘Godsdienst bepaalt ons hele leven. En hoe we moeten doodgaan. Waarom mogen we niets zelf bepalen?’
‘Dit is niet de plek voor die discussie, broeder.’
‘Waarom niet, vader? Is dit niet de plek om te praten over ons einde?’
Hij schudt zijn hoofd, een glimlach in het gezicht gebeiteld. ‘Dit is een plek om te rouwen. Niet om nieuwe ideeën over de dood te verkondigen.’
Hij heeft gelijk, maar ik kan het niet uitstaan dat hij bepaalt wat ik mag zeggen op de begrafenis van mijn beste vriend. ‘Ik denk dat ik meer over de dood weet dan u, vader.’
‘Misschien, Henri. Ik wil er graag een keer met je over praten. Maar dan ook over het leven. Over hoe men in dit land met elkaar omgaat. Over de armen en de rijken. Over de mannen en de vrouwen. Over alle kinderen zonder vaders.’
Ik voel mijn energie wegvloeien. Deze Afrikaanse pater heeft mijn zwakke plek gevonden. Als je nooit armoede hebt gekend, als je een vader hebt gehad en kon studeren, is het makkelijk om niet over het leven, maar over de dood te praten.
Hij ziet dat zijn woorden effect hebben, wenkt de zonen van Ralph en doet een stap naar achteren.
Patrick, de zoon die op Ralph lijkt, legt een hand op mijn schouder. ‘Alstublieft, oom Henri, komt u mee.’
Ik buig mij naar de microfoon. ‘Het spijt me als ik te veel gezegd heb. Laten we Ralph een mooi afscheid geven.’
Martha glimlacht naar me en ik zie opluchting op de gezichten van de mensen.
Ik loop met Ralphs zoon mee, maar in plaats van te gaan zitten, loop ik door naar het toilet voor in de zaal, veeg mijn tranen weg en negeer de blikken.
Nadat ik met moeite geplast heb, voel ik mijn telefoon trillen. Bericht van Humphrey.
‘Hij is hier. Buiten. Bel de politie.’
Godverdomme. Waarom doet hij dat zelf niet?
Ik haal het kaartje van de politieman uit mijn portemonnee en bel.
Hij neemt op. ‘Busropan.’ Nu pas valt het me op dat hij, zoals veel Hindostaanse mannen, een stem heeft die veel hoger is dan je bij zo’n grote man zou verwachten.
Ik fluister. ‘Met Henri. Mijn broer en ik werden woensdag in Dolfijn beschoten.’
‘Natuurlijk! Henri! Hoe gaat het?’ Hij klinkt alsof hij verrast is dat ik nog leef.
‘Niet zo goed. Ik ben op de begrafenis van mijn beste vriend. Hodie Mihi… Dr. Sophie Redmondstraat. Binnen. De dienst is nog aan de gang. Mijn broer is buiten en zegt dat de man die op ons geschoten heeft, net gearriveerd is.’
Een diepe zucht aan de andere kant van de lijn. ‘Heb je hem gezien?’
‘Nee, maar mijn broer wel. Hij is buiten.’
In de stilte die valt hoor ik zijn tegenzin om energie te verspillen aan een zinloze klus.
‘Oké. We komen. Laat niemand naar buiten gaan, totdat wij zeggen dat het veilig is.’
‘Bedankt, maar…’
Hij hangt op.
Ik loop weer de zaal in.
Eric, de ceremoniemeester, is aan het woord en hij doet het met humor. Als hij vertelt over de keer dat Ralph tegen alle verwachtingen in een helikopter aan de praat kreeg, deze drie meter opsteeg, maar weer neerstortte, stijgt er zelfs een voorzichtig gelach op uit de zaal. Hij sluit af met de woorden: ‘Ralph, we gaan je missen en we zullen je nooit vergeten,’ en loopt weer naar zijn plaats.
God, wat had ik het graag zo gedaan. Zo onopvallend mogelijk loop ik naar hem toe en fluister in zijn oor: ‘Er is een gevaarlijk persoon op het terrein. De politie komt eraan. Pas als ze zeggen dat het veilig is, kunnen we naar buiten.’
Eric knikt als een soldaat die een order heeft gekregen en vraagt: ‘Hou jij contact met ze?’
‘Ja.’
‘Prima.’
Hij staat op en loopt naar voren. ‘Dames en heren… De politie is onderweg om een arrestatie op het terrein te verrichten. We vragen u nog even te blijven zitten totdat we het sein krijgen dat alles veilig is.’
Er gaat een schok door de zaal. Er wordt gepraat en onrustig bewogen, maar iedereen blijft zitten.
Ik loop naar de ingang en kijk uit over de begraafplaats. Het terrein is uitgestrekt met bomen tussen de graven en hoge begroeiing langs de randen. Het oerwoud rukt op, slingert over de muren en overwoekert de graven van doden die in geen enkel hart of hoofd meer leven. Het is doodstil en er is geen zuchtje wind. Er is niemand te zien.
Een, twee, drie, vier scherpe knallen verstoren de stilte.
Kreten vanuit de zaal.
Er komt iemand aanrennen op het centrale pad tussen de graven, voorovergebogen en struikelend.
Humphrey. Hij houdt zijn handen tegen z’n hoofd gedrukt.
Nog een serie schoten. Er spatten stukken van de grafstenen af aan weerszijden van het pad.
O God, niet zo. Alstublieft niet zo.
Nog 15 meter scheiden Humphrey van het gebouw, maar deze laatste meters zijn volledig open. Geen bomen, geen graven.
Dan klinken er sirenes en rijden er twee politieauto’s de begraafplaats op.
‘Liggen! Ga liggen!’ schreeuw ik naar Humphrey en ik gebaar met mijn handen naar de grond.
Hij laat zich direct in het zand ploffen en bedekt zijn hoofd weer met zijn handen.
Een politieauto scheert langs hem heen het pad tussen de graven op en de andere politieauto stopt voor het gebouw. Agenten met getrokken pistool springen uit de auto, hurken achter de geopende portieren. Er wordt weer geschoten, maar de schoten klinken verder weg.
Humphrey kruipt door het zand naar mij toe, maar hij komt nauwelijks vooruit. 10 meter van mij vandaan, zakt hij in elkaar, zijn gezicht in het zand. Misschien is hij toch geraakt. Als een dier op de vlucht.
Ik ren naar hem toe en laat me naast hem in het zand vallen.
Hij ademt.
Ik zie geen wond, geen bloed.
Hij kreunt.
Ik ga rechtop staan en pak zijn polsen beet. Met al mijn kracht trek ik hem in de richting van het gebouw. Zijn lichaam schuurt over het zand, zijn benen lijken krachteloos.
Er klinken geen schoten meer.
Dan komen er twee politiemannen te hulp. Eentje pakt Humphrey onder zijn oksels, de ander hijst hem bij zijn broekriem omhoog.
Gezamenlijk sleuren we hem de zaal binnen en leggen hem op zijn rug.
De mensen kijken vol afgrijzen toe.
Zijn gezicht zit onder het zand, maar zijn ogen zijn open. Hij kreunt en spuugt wat zand uit.
‘Het is mijn broer,’ zeg ik tegen de politieagenten.
Humphrey kijkt mij aan alsof hij daaraan twijfelt.
Ik hurk bij hem neer. ‘Ben je oké?’
Hij knikt, maar ik denk dat geen enkel deel van hem oké is.
Busropan komt binnenlopen met twee andere agenten. ‘De uitvaart kan voortgezet worden,’ zegt hij tegen de ceremoniemeester. Die spoedt zich met Ralphs zonen naar de kist en even later wordt deze door hen en nog drie anderen naar buiten gedragen.
Ik blijf met Humphrey en de politiemannen achter, terwijl de zaal leegstroomt. Veel mensen kijken naar ons, sommigen medelijdend, anderen afkeurend.
Humphrey gaat met veel moeite rechtop zitten.
Een politieagent reikt hem een groot glas water aan en hij drinkt het met gulzige slokken leeg.
Busropan kijkt naar ons en glimlacht: ‘Jullie leven nog… Ik ben oprecht blij voor jullie. Echt. Misschien wil iemand je alleen maar bang maken, Humphrey. Zou dat kunnen?’
Humphrey bijt op zijn onderlip en houdt zijn hoofd wat schuin.
Ik zie dat hij twijfelt tussen waarheid en leugen.
‘Zou ik u alleen kunnen spreken?’ vraagt hij.
Busropan knikt naar de agenten die zich direct omdraaien en weglopen.
We helpen Humphrey overeind en zetten hem op een bank die tegen de muur staat.
‘U had gelijk,’ zegt Humphrey. ‘Het gaat om drugs. Veel drugs en veel geld. Ik heb getuigd tegen een grote baas. Het was getuigen of zelf jaren de bak in gaan.’
Busropan knikt, plaatst zijn handen in zijn zij en duwt zijn buik vooruit. ‘Het is een wonder dat je nog leeft, dan.’
‘Ik ben heel voorzichtig,’ zegt Humphrey.
De politieman lacht en schudt zijn hoofd. ‘Dat heeft nog nooit een liquidatie voorkomen.’
Humphrey grinnikt alsof het niet om zijn eigen ondergang gaat. ‘Hebben uw mannen hem gezien?’
‘Ze hebben een zwarte Nissan Patrol weg zien rijden. Te ver weg om de nummerplaat te noteren. De volgende keer zal hij een andere auto gebruiken.’
We zwijgen. Ieder van ons met zijn eigen voorstelling van de volgende keer, die waarschijnlijk wel fataal zal zijn.
‘Waar zijn de drugs? En het geld?’ vraagt Busropan.
Soms kun je aan de toon van een vraag horen dat de steller al weet dat het antwoord hem nog onbevredigder achter zal laten.
‘In Nederland,’ zegt Humphrey, alsof dat een accurate locatie is.
‘Waarom ben je niet in Nederland gebleven? We kunnen je niet beschermen. Dat is ook niet onze taak. Je hebt toch een Nederlands paspoort? De Nederlandse justitie moet je beschermen.’
‘De bescherming in Nederland is waardeloos,’ zegt Humphrey mat. ‘Kroongetuigen, journalisten, zelfs advocaten worden gewoon neergeknald. Hoeveel bescherming denk je dat een Surinaamse drugsdealer zou krijgen?’
De politieman staart naar buiten. ‘Aaai…’
In dat ene woordje hoor ik het leedvermaak dat geen enkele Surinamer kan onderdrukken als een Euro-Suri ten onder gaat in het land van de oude kolonisator. Ongeacht of je cum laude afgestudeerd bent of rijk werd in de drugshandel, we zullen geen medelijden met je hebben als de grote witte stiefmoeder je uitspuugt.
Humphrey laat zijn hoofd zakken. ‘Ik ben een drugsdealer. Ik heb mensen bedreigd. Afgeperst. Ik deed zaken met moordenaars. Maar ik heb nooit iemand vermoord. Ik wist altijd dat er een einde aan kon komen. Een kogel of de gevangenis. Andere opties zijn er niet. En dat accepteer ik. Agent Busropan, ik ben u dankbaar. U hebt mijn leven gered. Maar het is niet uw taak om criminelen te beschermen.’ Hij glimlacht, kijkt van Busropan naar mij en knikt.
Busropan kijkt mij aan met een opgetrokken wenkbrauw.
Ja, meneer agent, hoe vaak zie je een mens die verantwoordelijkheid neemt, zonder uitvluchten, zonder excuses, zonder de belofte om te veranderen en te verbeteren? Nooit. Niemand doet dat. Hoe zou dit land eruitzien als we dat deden? Hoe zou de wereld eruitzien?
De agent kreunt alsof Humphreys woorden een roestig deksel ergens in zijn ziel opengewrikt hebben. ‘Ik doe dit werk al lang. Te lang… Luister, Humphrey. Dit is je laatste kans. Je moet Suriname uit. Nu. Je moordenaar is nog aan het bijkomen van deze… mislukking. Maar hij komt terug. Luister. Dit is wat je gaat doen: je gaat met een taxi naar Albina. Daar ga je met een bootje de Marowijne over. In Frans-Guyana met een taxi naar de luchthaven. Dan met de eerst mogelijke vlucht het land uit. Maakt niet uit waarnaartoe, als het maar niet Nederland is. En dan zo snel mogelijk naar Brazilië. Naar Belém, maar nog beter São Paulo. Je kunt er verdwijnen alsof je nooit bestaan hebt. Begrijp je?’ Hij zucht, lijkt plotseling uitgeput. ‘Ga. Verlies geen tijd.’
Humphrey staat moeizaam op en pakt de hand van Busropan met twee handen beet. ‘Dank u wel,’ zegt hij. ‘Voor alles.’
De agent knikt, trekt zijn gezicht strak en ademt diep in. Dan drukt hij beide handen op zijn buik, draait zich om en loopt naar de agenten die bij de deur staan te praten. Hij overlegt kort en wenkt ons.
Bij elke stap vertrekt Humphreys gezicht van de pijn.
‘Gaat het?’ vraag ik.
Hij wijst naar zijn rechterknie.
‘De kust is veilig,’ zegt Busropan. ‘De auto is richting de Gemenelandsweg verdwenen. Jullie gaan de andere kant op. Neem alleen het hoognodige mee van huis en vertrek. Ga. Ik wil jullie niet meer zien.’