Hoofdstuk 29 - De handlezer
By Chris Polanen
Ik rij met Humphrey richting Noord en zoals altijd voel ik me meer op mijn gemak als ik mijn buurt nader. Hoe ouder ik word, hoe meer ik de wereld buiten Paramaribo-Noord als vreemd, onvoorspelbaar en vijandig beschouw. Het is verontrustend, maar het liefst zou ik mijn straat niet meer uit rijden, hooguit het stukje naar Dolfijn om mijn baantjes te zwemmen en naar CY Coffee met de vijver vol koikarpers en wanden vol nepboeken.
Ik zoek op de radio naar soulmuziek, maar ik vind alleen reggae en kawina. Aan dat gebonk heb je niets als je net aan de dood ontsnapt bent en je land moet ontvluchten. Ik doe de radio uit.
Humphrey wrijft telkens over zijn knie. ‘Die knie is al jaren niet goed,’ zegt hij.
Ik voel de vreemde neiging om mee te wrijven. ‘Kan het zijn dat ze je alleen bang willen maken? Zodat je je getuigenis intrekt? Kan dat nog?’
‘Zo werkt het niet. Er is geen tweede kans. Nooit.’
‘Hij heeft al twee keer gemist.’
‘Het is niet als in de films. Het zijn geen scherpschutters met stalen zenuwen en jaren ervaring. Dan was ik allang dood. Het zijn jonge jongens zonder verstand. Zo labiel als de pest. Ze missen. Ze maken fouten. Ze schieten de verkeerde mensen dood.’ Humphrey knijpt zijn ogen samen.
Natuurlijk heeft hij in zijn hoofd allang een beeld gevormd van zijn moordenaar. Hij ziet hem in zijn dromen: een Surinaamse jongen, die hier zijn weg kan vinden zonder op te vallen, die Sranantongo praat met een niet al te Nederlandse tongval. Atletisch, sportkleding, tatoeages, goud, een zonnebril van honderden euro’s. Zonder vader opgegroeid in Amsterdam of Rotterdam, al vanaf zijn twaalfde in de criminaliteit. Het hoofd gebogen, altijd op zijn hoede, al zijn angsten weggedrukt om te overleven.
We vormen beelden van het onbekende, maar wanneer we eindelijk oog in oog staan met dat wat onze angst ontketende, blijkt het er altijd anders uit te zien.
We zijn in Noord aangekomen en na de zware bui van gisteren staat een groot deel van de straten blank. Het water reikt van de goten tot de erven en bedekt gaten in het asfalt, stoepranden en obstakels die banden kunnen doorboren. Auto’s minderen nauwelijks vaart en laten het water hoog opspatten.
Al dat water voelt vertrouwd, het hoort bij Noord. In de regentijd staat het grootste deel van de buurt onder water.
Wetenschappers hebben het over klimaatverandering en stijging van de zeespiegel. Volgens hen zou er niet meer gebouwd moeten worden in Noord, maar iedereen wil er wonen. Surinamers dromen van een grote witte villa in Mon Plaisir, Brazilianen van een huis in de Braziliaanse buurt, tussen hun eigen winkels, restaurants, kappers en met een kerk op loopafstand, maar ook de Venezolanen en Cubanen voelen zich er het meest thuis. Grafieken met millimeters stijgend water houden niemand tegen en doemscenario’s van een verzonken stad maken geen indruk, want het water trekt altijd weer weg.
Overal waar je kijkt wordt er gebouwd. Van eenvoudige huizen van baksteen, cement en zinkplaten tot megalomane projecten, waarvan de stalen skeletten jarenlang tegen de lucht afsteken.
Ik stop op de plek waar ik Humphrey een paar dagen geleden afzette.
De Brazilianen drinken hun blikjes bier voor de winkel, alsof ze al die tijd niet weggeweest zijn.
‘Moet ik je helpen met je spullen?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Het meeste is al ingepakt. Maar ik ga nog niet naar Albina. Ik ga vanavond op ons erf wachten. Tot pa komt.’
Het is alsof ik een klap in mijn gezicht heb gekregen.
‘Ben je gek geworden?’ roep ik. ‘Ben je helemaal gek geworden!’ Mijn stem slaat over.
De ramen van mijn auto staan open en de Brazilianen kijken naar ons.
‘Je hebt gehoord wat de agent zei,’ zeg ik. ‘Dit is je enige kans. Godverdomme…’
‘Ik heb er goed over nagedacht.’
‘Daar zijn hersens voor nodig. Wil je zo graag dood? Godverdomme.’
‘Ik wil niet doodgaan zonder afscheid van hem te nemen.’
Mijn lichaam trilt en ik voel de zweetdruppels op mijn voorhoofd.
We kijken elkaar aan, misschien voor het eerst in ons leven zonder de maskers waarachter we ons zo graag verbergen. Misschien juist daarom word ik overvallen door een vermoeidheid die mij volledig verlamt. Zelfs praten vergt te veel energie. ‘Je weet niet eens… of hij komt,’ is het enige wat ik nog uit kan brengen.
‘Hij komt.’ Er is geen enkele twijfel in zijn stem.
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik voel het.’
Dat jij van hem hield, wil nog niet zeggen dat hij van jou hield. Ik weet niet waarom hij ’s nachts op het erf zit, maar ik denk niet dat het hem ook maar ene moer kan schelen wie hij tegenkomt, Rowan, jou of mij. Hij heeft zijn hele leven alleen maar aan zichzelf gedacht, ik geloof niet dat wat er nog van hem over is, ons iets te bieden heeft. Toen hij leefde was er niets te geven, waarom zou dat er nu wel zijn? Als hij daar zit, is het voor zichzelf. Maar misschien kan hij je direct meenemen naar de andere zijde. Dat zou mooi zijn. En misschien moet ik ook maar meeliften. Omhoogschieten de kosmos in, naar andere dimensies. De buurman zou onze lichamen de volgende ochtend zien liggen. Vredig. Twee broers op het erf van hun ouderlijk huis.
‘Oké, pak je spullen. Ik wacht op je.’
Humphrey stapt voorzichtig uit en strompelt weg in de richting van de Brazilianen.
Ze kijken bezorgd, wijzen naar zijn been, stellen hem vragen. Hij tilt zijn been omhoog, pakt z’n knie vast en laat zijn voet heen en weer schommelen. De mannen overleggen, er wordt van alles geroepen.
Een van hen, een pezige zestiger met ontbloot bovenlijf en tatoeages die zijn armen bijna volledig bedekken, hurkt neer, betast de knie, springt weer rechtop en gebaart dat Humphrey moet blijven staan. De man loopt de winkel in, komt na een paar minuten terug en begeleidt Humphrey naar een hoopje stenen dat ze als tafeltje gebruiken. Daar moet hij zijn voet op zetten.
Humphrey gaat met zijn rug naar de winkel staan en plaatst zijn voet naast de bierblikjes op de stenen. Hij glimlacht naar mij en haalt zijn schouders op. Op aanwijzing van de Braziliaan stroopt hij de pijp van zijn joggingbroek omhoog tot boven zijn knie.
De Braziliaan haalt een potje tevoorschijn, steekt zijn vingers erin en begint Humphreys knie met een dikke witte zalf in te smeren.
De andere mannen kijken belangstellend toe, maken opmerkingen en drinken hun bier.
Humphrey speurt de straat af en lijkt zich niet druk te maken om wat er met zijn been gebeurt.
De Braziliaan smeert, gebaart en praat honderduit met zijn vrienden. Gebruikt hij Humphrey om zijn ervaring als heler te laten zien of als proefkonijn?
Hoe dan ook, deze waanzin duurt veel te lang en Humphrey is zo veel te kwetsbaar. Ik steek mijn hand uit het raam en maak een ‘wegwezen!’-gebaar naar hem. Je hebt niets aan een goede knie als je doorzeefd wordt, gek.
Humphrey trekt zijn been terug, haalt wat biljetten uit zijn zak en geeft ze aan de man. De Braziliaan kijkt ernstig, legt een hand op zijn eigen knie en beweegt zijn voet van voor naar achteren. Een laatste advies, een oefening.
Humphrey knikt, maar kijkt steeds gejaagder om zich heen. Hij loopt weg, nog steeds kreupel, maar sneller dan hiervoor.
Nadat hij uit het zicht is verdwenen, stap ik uit en loop naar de winkel. De Brazilianen knikken vriendelijk. Ik hoor ze tegen elkaar zeggen ‘irmão’ en ‘Humphrey’. Ze zien de gelijkenis.
De winkel is donker, de schappen zijn overvol en zoveel geuren vermengen zich dat ze niet meer afzonderlijk te onderscheiden zijn. Achter de balie staan een Braziliaanse en een Chinese jongeman, een combinatie die je steeds vaker ziet. De nieuwe Chinezen hebben de winkels overgenomen van de Surinaamse Chinezen die hier al generaties zijn, maar wier kinderen hun leven niet in een donkere winkel door willen brengen. De nieuwelingen praten nauwelijks Sranan en zeker geen Portugees, dus hebben ze Braziliaans personeel in dienst.
Ik passeer uitgestalde bacoven, manja’s en papaja’s, alles donker gevlekt en nauwelijks meer geschikt voor de verkoop. Een vriezer vol vissen die ik niet ken en garnalen van onwerkelijke grootte. Schappen koekjes, koffie en houdbare melk uit Nederland. Chocoladerepen en snoep uit Brazilië. Tennisrackets om muskieten te doden, parfum, rattengif, toiletpapier, ondergoed en sokken, allemaal uit China.
Na de hele zaak rondgelopen te hebben, eindig ik met twee blikjes Guaraná weer voorin en blijf ik staan voor een vitrine vol Braziliaans gebak. Taarten met felle kleuren, versierd met slagroom en gekleurde suikerbloemen. Ik wijs de Braziliaanse jongen de flan aan en hij vraagt in het Sranantongo hoeveel stukken ik wil. Vier neem ik er, twee voor mij, twee voor Humphrey.
Mocht die stumperd Brazilië nooit bereiken, dan heeft hij tenminste nog een Braziliaanse delicatesse geproefd.
In de auto eet ik een stuk flan en drink ik een blikje Guaraná leeg. Daarna voel ik mij een stuk beter.
Na een halfuur komt Humphrey terug met twee zware reistassen en een enorme rugzak, zoals Nederlanders meezeulen op lange trektochten. De Brazilianen nemen de tassen van hem over en brengen alles naar de auto. We schuiven de rugzak op de achterbank en gooien de reistassen erbovenop.
Humphrey schudt de mannen een voor een de hand. Sommigen trekken hem naar zich toe en omhelzen hem. Hij zwaait naar ze terwijl we wegrijden.
‘Ik wist niet dat je zo goed bevriend was met ze,’ zeg ik.
‘De dag dat ik aankwam, boden ze me al een biertje aan. De meesten praten maar een paar woorden Sranantongo maar João, die mijn knie insmeerde, vertaalde. Ze wilden alles weten over Nederland. Over de winter, over de steden, over de vrouwen. Ze lachten om alles en vroegen zich af of ze er zouden kunnen leven. Ik dronk elke middag een biertje met ze. Binnen natuurlijk, niet buiten. Ze vertelden over het goudzoeken, hoe ze maandenlang in de modder ploeteren en hopen op die ene grote vondst. Maar ze zijn altijd bang om beroofd te worden.’ Hij kijkt me aan alsof hij zich afvraagt of het tot mij doordringt. ‘João liet mij een litteken zien op zijn buik. Vorig jaar is hij in zijn buik gestoken door een vriend. Nou ja, geen echte vriend, dus. Hij heeft het maar net overleefd.’
Ik knik. Ik ken de verhalen. Er vallen steeds meer doden en de daders worden nooit gepakt.
‘Ze zijn bang om terug te gaan, maar ze moeten wel. In de stad is geen werk voor ze.’
Hij schudt zijn hoofd en ik zie aan zijn blik dat hij het zich aantrekt, maar dan glimlacht hij en zegt: ‘Ik ga ze missen. Door hen voelde ik mij thuis in mijn eigen stad. In mijn eigen land.’
‘Dat is mooi. Weet je wat gek is? Brazilianen lijken altijd vrolijk. Hoe kan dat? Hun geschiedenis is ongeveer hetzelfde als die van ons. Ze hebben dezelfde problemen.’
Humphrey haalt zijn schouders op en neemt een hap van zijn flan. Er vallen stukjes pudding vol karamelsiroop uit zijn mond. Terwijl hij kauwt kijkt hij vanonder zijn pet nog steeds alle kanten op.
Mijn vermoeidheid komt als een mokerslag terug en ik heb moeite om mijn ogen open te houden.
‘Wat gaan we vanavond eten?’ vraagt Humphrey, nadat hij het tweede stuk pudding op heeft.
‘Wat zou je willen, vreetzak? Jij mag het zeggen. Het is je laatste Surinaamse maaltijd.’ Je laatste avondmaal, wil ik eraan toevoegen, maar dat zou flauw zijn.
Hij denkt even na. ‘Pindasoep.’
‘Ik wist dat je dat zou zeggen. We gaan langs Souposo, in de Costerstraat. Hopelijk hebben ze nog.’ Ik bel en bestel twee porties.
Humphrey kijkt achterom. ’We worden niet gevolgd,’ zegt hij.
We staan stil voor een stoplicht naast een zwarte SUV. De zware bas van de muziek bonkt dwars door mijn auto heen. Het raam aan de bestuurderszijde is open. Een jonge man, kaalgeschoren, lichtbruine huid, zonnebril, kijkt door Humphreys raam, vangt zijn blik en grijnst alsof hij hem herkent en blij is om hem te zien.
Maar mannen die elkaar niet kennen lachen niet zomaar naar elkaar en zo’n brede lach, wat de reden ook is, betekent gevaar.
Ik zie Humphrey verstijven en geef gas, het rode stoplicht negerend. Pas als ik de straat uit ben minder ik weer vaart.
Humphrey zucht diep en kijkt naar buiten.
Ik bestudeer zijn profiel en vraag mij af hoeveel het eigenlijk van het mijne verschilt.
Bij Souposo aangekomen parkeer ik voor de deur en met twee grote stappen ben ik binnen. Een boomlange blonde jongen achter de balie pakt mijn bestelling. Hij ziet eruit als een model, klaar voor een fotoshoot. Tijden veranderen, ook in Suriname. Ik glimlach, betaal en spring weer de auto in.
Ook nadat ik voor mijn poort geparkeerd heb, blijft de straat verlaten. Het lijkt erop dat we niet gevolgd worden. We haasten ons naar boven, eten de pindasoep en nemen daarna een douche.