Hoofdstuk 31 - De handlezer
By Chris Polanen
Ik word wakker van de zon die mijn kamer binnen schijnt. Ik wil opstaan, maar voel een steek die van onder mijn ballen naar boven schiet.
Een pijn zonder genade. Alleen als ik stillig is het enigszins te verdragen.
‘Hum-phrey!’ Ik kan nog praten, roepen zelfs, maar het klinkt niet als mijn eigen stem.
Humphrey komt met een bezorgde blik de kamer binnen. Hij heeft een glimmend blauw trainingspak aan met het logo van de zwembroeken die we vroeger droegen. Eigenlijk waren ze te duur voor ons, maar wie dat merk niet op zijn zwembroek had, telde niet mee, ook al zwom je nog zo snel.
‘Wat is er?’
‘Pijn… Ik kan niet bewegen. Pak de tabletten op het nachtkastje voor me… drie…’
Terwijl hij de morfinetabletten uit de strip drukt, probeer ik te bedenken hoe ik die in ga nemen. Ik moet ook heel nodig plassen maar opstaan gaat het komende halfuur nooit lukken. Waarom moet het zo gaan? Waarom zo mensonterend? Er zijn geen antwoorden en er is niemand om te antwoorden.
Humphrey kijkt me vragend aan.
‘Ik kan niets,’ zeg ik. ‘Schuif het kussen onder mijn hoofd. Voorzichtig, alles doet pijn. Stop de tabletten in mijn mond, onder mijn tong.’
Hij schuift het kussen voorzichtig onder mijn hoofd, maar toch doet het pijn. Mijn gezicht vertrekt. ‘Sorry,’ zegt hij en hij legt de tabletten onder mijn tong.
‘Dank je. Maar… ik moet plassen. Ik kan het niet ophouden.’
Humphrey kijkt om zich heen. ‘Zou je het in iets kunnen doen. In een bakje of zoiets?’
Ik sluit mijn ogen. Dit is te erg.
Ik hoor hem de kamer uit lopen en de keukenkasten opentrekken.
Hij komt de kamer weer binnen met de blauwe vaas waarin Judy altijd fayalobi’s deed. Ik spotte met haar liefde voor de bloem, maar nu zou ik alles geven om jong te zijn, een vrouw te hebben die van mij houdt en fayalobi’s in een vaas op tafel.
We kijken elkaar aan. Ik weet niet voor wie van ons dit erger is. Hij slaat het laken open en zegt: ‘Ik ga je onderbroek naar beneden doen. Voorzichtig.’
‘Dit is verschrikkelijk.’
‘Je hebt geen keus. We zijn broers, je hoeft je niet te schamen.’
Ik heb me nog nooit zo geschaamd.
Hij trekt de voorkant van mijn onderbroek met een snelle beweging naar beneden.
Ik sluit mijn ogen weer.
Hij drukt mijn benen iets uit elkaar en ik probeer niet te kermen van de pijn. Ik voel het koude glas van de vaas tussen mijn benen drukken en hoe hij de opening om mijn toli schuift.
Net op tijd. Persend en kreunend leeg ik mijn blaas in de vaas en ik hoor de urine tegen het glas druppelen. Het duurt een eeuwigheid.
‘Ik ben klaar,’ zeg ik en ik kan wel huilen.
Hij schuift de vaas zorgvuldig naar beneden en ik hoor dat hij deze op de vloer zet. Daarna trekt hij mijn onderbroek weer omhoog.
Ik open mijn ogen en zie dat hij mij aankijkt met een blik vol medelijden. Ik kijk weg.
In de stilte hoor ik de papegaai van Theo iets roepen dat klinkt als ‘Dood! Dood! Doooood!’
‘Vervloekte papegaai…’ zeg ik. ‘O god, je hebt die ouwe gisteren gezien… Wat zei hij?’
‘Niets.’
‘Niets?’
‘Hij sprak niet, maar ik voelde wat hij dacht. Ik zag beelden van vroeger. Hoe hij ons sloeg. En ik voelde dat het hem pijn deed. Ik zag ook beelden van zijn reis hiernaartoe. Een reis door andere werelden. Te vreemd om te beschrijven. Hij is nu op weg terug. We zullen hem nooit meer zien. Niet zoals hij was.’
‘Niet zoals hij was?’
Hij kijkt naar buiten. ‘Ik kan het niet uitleggen.’
‘Ik droomde dat hij naast mijn bed zat. Rustig. Tevreden. Zo heb ik hem nooit gezien.’
Hij knikt. Slikt.
‘Wil je vandaag nog naar Albina rijden?’ vraag ik.
‘Ja. Na T.J. kan er snel een andere komen.’
‘Denk je dat hij nog leeft?’
‘Hij leeft nog. Ik heb het ziekenhuis gebeld. Ze denken dat hij het gaat redden. Godzijdank.’
‘Zijn woord is niets waard. Hij zal vertellen waar ik woon. Ze zullen achter mij aankomen om jou te pakken te krijgen.’
Humphrey kijkt verslagen. ‘We konden hem toch niet laten doodgaan?’
‘Nee… Maar wat nu?’
‘Je moet met mij mee.’ Hij kijkt alsof hij mij wil optillen en meenemen.
‘Met jou mee?’ Ik voel dat ik mijn armen en benen kan verplaatsen zonder pijn.
‘Waarom niet? Wat heb je hier nog?’
‘Ik wil hier sterven.’
‘Maar je wil niet vermoord worden, toch?’
‘Moet ik doodgaan in een vreemd land? Tussen vreemde mensen? Begraven worden op een Braziliaans kerkhof?’
‘Ik zal bij je zijn.’ Hij haalt diep adem. ‘En ik kan je hier laten begraven.’
Ik beweeg mijn benen voorzichtig over de rand van het bed. ‘Help me liever overeind… in plaats van mijn begrafenis te plannen.’
Met zijn hulp ga ik rechtop zitten. Alles in mij verzet zich tegen het idee. ‘Ik wil niet weg.’
‘Ik begrijp het. Maar je hebt geen keus.’
Ik sluit mijn ogen weer. Misschien maakt het helemaal niet uit wat ik kies. Misschien sterf ik lang voordat een nieuwe moordenaar hier binnensluipt. Misschien sterf ik in het vliegtuig op weg naar São Paulo en zullen de Braziliaanse stewardessen, mooi en ongerust, zich over mij heen buigen, mij in het gangpad neerleggen, hartmassage toepassen of zo’n apparaat op mijn borst zetten om mijn hart als een accu weer op te starten, niet wetend dat alles zinloos is. Misschien sterf ik in een achterafstraatje van São Paulo, in een huis dat al zo lang leegstaat dat zelfs de buurtbewoners niet vermoeden dat twee Surinaamse broers zich er schuilhouden voor de dood. ‘Ik kan niet helder denken. Ik moet eerst douchen en wat eten.’
Humphrey helpt me omhoog, legt mijn arm over zijn schouder en slaat zijn arm om m’n middel. Mijn benen zijn zo slap dat ik nauwelijks kan staan en terwijl ik op Humphrey steun, voel ik zijn kracht. Vergeleken met hem ben ik een zak botten, bij elkaar gehouden door een laatste sprankje leven.
In de badkamer moet ik me vasthouden aan de wasbak en zoek ik steun langs de muren. Het water van de douche spoelt over mij heen en ik probeer me voor te stellen dat dit de laatste keer is. De laatste keer dat ik de stenen richel boven mijn hoofd afspeur naar de voelsprieten van kakkerlakken, de laatste keer dat ik me afvraag of de metalen plaat de ratten buitenhoudt, de laatste keer dat ik de douchestraal op de muskieten richt.
Ik zeep me in met een nieuw blok Pearszeep, perfect ovaal en transparant. De geur van mijn jeugd. De enige zeep die mijn oma en mijn moeder verdroegen. De enige zeep die ik verdraag.
Het probleem met keuzes is dat je pas achteraf weet of je de juiste hebt gemaakt.
Humphrey rijdt. De ramen zijn open en er klinkt soulmuziek uit de radio.
De pijn is weg en ik voel me beter dan ik me in tijden gevoeld heb. De morfine heeft fantastisch werk gedaan. Alleen zo’n sterke drug kan je het huis waarin je je hele leven gewoond hebt, met andere ogen laten bekijken.
Ik heb nog een keer uit elk raam gekeken. Vanuit de slaapkamer naar het erfhuisje, de papajabomen erachter en het torentje van het Sint Vincentius. Vanuit de eetkamer naar de parkeerplaats van de notaris.
En natuurlijk vanaf het balkon naar de Julianastraat, waar de wereld altijd voorbijtrok: bekend, onbekend, buurtbewoners, passanten, razendsnel, tergend langzaam, opgewonden, teleurgesteld, jeugdig, mooi, krachtig, oud, zwak, afgetakeld, flanerend, voortsjokkend, verstomd, schreeuwend, uitdagend, geheimzinnig, verliefd, scheldend, deftig, verslonsd.
Ik heb afscheid genomen van alle kamers, van de foto’s aan de wanden, van de kasten, de tafels, de stoelen, mijn bed, de keuken, de badkamer, het toilet, de trap, het erf en de poort. Ik heb twee weekendtassen gevuld met kleren, sokken, onderbroeken, een paar schoenen en een paar slippers, mijn zwembril en zwembroek, mijn tandenborstel, Pearszeep, scheermesjes, scheerschuim, pijnstillers en twee fotoalbums. Meer kon ik niet bedenken.
Toen ik langs Rowans kamer liep verzwaarde een schuldgevoel mijn stappen. Ik ontnam een jongen die nooit een echte vader had gehad, zijn laatste kans om er een te vinden. Of een oom die zijn plaats kon innemen, hoe kort de tijd die ze nog zouden hebben ook was. Maar misschien zou hij naar Brazilië reizen om mij te zien voor ik stierf. En wat DNA af te nemen.
Het moeilijkste afscheid kwam onverwacht.
Theo stond voor mijn poort, zoals altijd gekleed in een onderhemd en versleten, tot korte broek geknipte jeans. En zoals altijd, een paar meter van zijn eigen poort al volledig verloren. Licht gebogen, zoals sommige mannen kunnen staan terwijl ze nog niet eens zestig zijn en een volledig gezond lijf hebben.
Hoe kon het leven zo onrechtvaardig zijn dat een sukkel als Theo, die nog nooit iets zinnigs had gedaan, wel door mocht gaan en ik niet?
‘Alles goed met je, Henri? Voor wie kwam die ambulance vannacht?’ vroeg hij. ‘Is dat je broer?’ wijzend naar Humphrey die de tassen in mijn auto laadde.
‘Ja, mijn broer Humphrey uit Nederland. Vannacht is er een jongen voor de poort neergeschoten. We hebben hem onder het huis verbonden.’
Theo’s mond viel open en ik zag voor het eerst wat de tijd voor een verwoesting in zijn mond had aangericht. Meerdere tanden ontbraken en de resterende waren bruin verkleurd. We waren lang niet zo dicht bij elkaar geweest.
‘Ik had een paar shots gedronken en dan slaap ik heel diep,’ zei hij. ‘Ik hoorde geluiden en stemmen in mijn droom. Toen ik wakker werd en naar het balkon liep, zag ik de ambulance wegrijden. Ik hoorde je met iemand praten.’
‘Het was verschrikkelijk. Een jonge jongen. Een drugsdealer, denk ik.’
‘Jezus. En dan juist voor je poort.’
‘Hij bloedde vreselijk, maar hij heeft het gered.’
Theo bekeek me met een blik die ik kende. Hij wist dat ik loog of cruciale informatie achterhield.
Ik moest van onderwerp veranderen, zijn focus verstoren. ‘We zijn aan het inladen. Ik ga met mijn broer naar Brazilië.’
‘San! Naar Belém?’ Nog steeds die blik.
‘Belém, São Paulo, Salvador de Bahia.’ Ik zag dat het opsommen van de steden zijn ongeloof niet verminderde.
‘Mooi… mooi,’ zei hij en hij knikte bedachtzaam.
‘Ik hoop dat je een oogje op het huis wilt houden.’
‘Natuurlijk. Natuurlijk. Kan ik je bereiken als er wat is?’
‘Je kunt me bellen. Mocht ik niet opnemen en niet terugbellen, kun je Rowan bellen. Ik geef je zijn nummer.’
‘Ik wou dat ik met jullie meekon,’ zei hij. ‘Ik zal doodgaan zonder iets van de wereld gezien te hebben.’ Hij hief zijn handen in een zwak, machteloos gebaar. ‘Maar het is ook wel een prettig idee dat ik zal sterven op de plek waar ik geboren ben. En waar ik heb geleefd. Toch?’
Ik vroeg me af of Theo niet veel meer wist over mijn leven dan ik me altijd had gerealiseerd. Hij leek de hele dag niet veel meer te doen dan mij en andere buren observeren en proberen onze gesprekken af te luisteren. ‘Dat is waar,’ zei ik. ‘Dat is zeker waar.’
‘Niemand wil op een vreemde plek sterven, toch? Misschien komt je geest dan terug en gaat hij ’s avonds op het erf zitten.’
Zijn glimlach bevroor en daarin zag ik alles. De ontelbare uren die hij mij en elke man, vrouw of geest die hier een voet op het erf zette, had bespied en afgeluisterd. Hij wist alles.
‘Hoelang blijf je weg?’ Hij probeerde de vraag luchtig te laten klinken, maar hij had er net zo goed aan toe kunnen voegen: als je te lang wegblijft ga je daar dood.
‘Ik denk een maand of drie.’
Hij keek zorgelijk. ‘Zo lang?’
Ik knikte. ‘Misschien langer. Brazilië is groot.’
‘Ja. Brazilië is groot…’ Hij wreef in zijn handen en keek om zich heen alsof hij, de grote bespieder, zich plotseling zelf bekeken voelde. ‘En dit is je laatste kans om zo’n grote reis te maken…’
‘Inderdaad… Als ik het nu niet doe, komt het er niet meer van.’
We zwegen en keken elkaar aan. Voor het eerst, na het grootste deel van onze levens naast elkaar gewoond te hebben, keek ik voorbij het haar dat, zowel steil als krullend, zwart als grijs, alle kanten opsprong, de Chinese ogen en jukbeenderen, de platte neus die ooit brak tijdens een taekwondotraining van de oude Lie, de mond die veel te breed leek voor zijn gezicht, en zag ik dat hij zich zorgen over mij maakte.
Hij stapte door de open poort en omhelsde me. Ik rook Old Spice en Chinese kruiden. We hadden elkaar in al die jaren nog nooit aangeraakt.
‘Hori yu srefi, Henri. Hou je goed.’
‘Ik kom met mooie verhalen terug, Theo.’
‘Ik hoop het, Henri. Ik hoop het echt.’ Hij had tranen in zijn ogen.
Misschien was het de morfine, maar ik voelde me schuldig, verschrikkelijk schuldig omdat ik altijd afstand gehouden had. Waarom had ik mij altijd beter en slimmer gevoeld? ‘Als ik terugkom, gaan we een Borgoe drinken, Theo, en vertel ik je alles.’
Hij knikte, leek nog iets te willen zeggen, maar schudde zijn hoofd en draaide zich om.