Hoofdstuk 32 - De handlezer
By Chris Polanen
Inmiddels hebben we de stad achter ons gelaten en zal de rest van de reis voornamelijk bestaan uit een rechte weg, aanvankelijk door dunbevolkt gebied en uiteindelijk door oerwoud.
‘Het voelt zo goed om niet aldoor achterom te hoeven kijken,’ zegt Humphrey. Hij knikt mee met het ritme van de muziek. Anita Baker, ‘No One to Blame’.
Toen hij geen toekomst had, waren we gelijkwaardig, maar nu hoort hij weer bij de levenden en ik nog steeds bij de doden.
‘Sorry,’ zegt hij, alsof hij mijn gedachten kan lezen. ‘Jij zit nog steeds in dezelfde shit.’
Ik knik. ‘Ach.’ De morfine werkt nog en heeft naast pijn ook zorgen weggenomen.
‘Ik heb geld. In Brazilië kunnen ze meer voor je doen dan in Suriname.’
‘Ik denk het niet…’
‘Als je genoeg geld hebt, kun je tijd kopen. Dat is wat we gaan doen. We gaan tijd kopen.’ Zachter voegt hij eraan toe: ‘Het maakt niet uit hoeveel het kost, brada.’
‘Niet alles is te koop, brada,’ zeg ik, maar hoewel ik dat niet wil, hebben zijn woorden een vonkje doen ontspringen dat uit zou kunnen groeien tot hoop. ‘Soms zijn behandelingen verschrikkelijk duur en verlengen ze je leven maar een klein beetje. Wil je al je geld pompen in een stervend lichaam? Een slechtere investering is er niet.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Misschien kun je nog mooie jaren in Brazilië hebben.’
‘Jaren? Maanden zou al mooi zijn.’
‘Ik ga de beste artsen voor je zoeken.’ Hij klinkt vastberaden.
‘Dat klinkt goed, brada. Maar voorlopig moeten we regelmatig plas-stops maken. Ik moet alweer.’
Er is nauwelijks bebouwing meer. In de verte zie ik een grote Chinese winkel langs de weg. Als we dichterbij komen blijkt het een enorm blok beton, waarvan alleen de benedenverdieping afgebouwd is en volgestouwd met alle rommel die wij Surinamers kennelijk nodig hebben om te leven. Humphrey mindert vaart en parkeert voor de ingang.
Ik doe het portier open en wil uitstappen, maar ik kan mijn rechterbeen niet bewegen. Binnen een paar seconden maakt de schrik plaats voor berusting. Zolang de kanker geen pijn doet, zal ik een manier vinden om ermee om te gaan. Ik schuif naar de rand van mijn stoel, zet mijn linkervoet op de grond en trek met beide handen mijn rechterbeen naar buiten. Maar opstaan lukt niet. ‘Humphrey, ik kan er niet uit. Mijn been wil niet.’
Humphrey stapt uit en loopt voor de auto langs. ‘Steun op mij,’ zegt hij en hij schuift een arm achter mijn rug langs waarna hij me uit de auto hijst.
Mijn hele been tintelt en ik kan er nauwelijks op steunen. Ik kijk om me heen op zoek naar een geschikte plek om te plassen. De zijkant van de winkel. Ik wijs en Humphrey knikt. Langzaam schuifelen we naar de zijkant van het gebouw.
‘Laat mij maar even,’ zeg ik. ‘Plassen gaat wel lukken.’
‘Oké, ik kom zo terug.’
Plassen gaat moeizaam. Ik heb geen controle over de dunne straaltjes die alle kanten op gaan. Er vallen druppels op mijn broek en op mijn schoenen. Ik vloek, maar maan mijzelf direct tot kalmte. Hier moet ik mee leren omgaan, anders word ik gek voor ik sterf.
Humphrey is terug en zegt: ‘We gaan wat drinken halen.’ Hij ondersteunt me naar een houten bankje bij de ingang van de winkel en laat me er voorzichtig op zakken. ‘Wat wil je drinken?’
‘Een Cola Zero.’ Op het moment dat ik het zeg, besef ik hoe stom het klinkt.
‘Gezonde keus,’ zegt Humphrey en loopt naar binnen. Even later komt hij met twee blikjes naar buiten en gaat naast me zitten.
We drinken en kijken om ons heen.
Dit is een ander Suriname. Aan weerszijden van de asfaltweg rijst het oerwoud omhoog, zo dicht dat zelfs zonnestralen er niet eens lijken door te dringen. Er staan enkele huizen langs de weg, gebouwd door mensen die dachten hier een thuis te kunnen creëren.
Het is een plek waar je doorheen rijdt zonder er enige aandacht aan te schenken. Je moet een verdomd goede reden hebben om te stoppen, want hier wil je je tijd niet verdoen.
Er komt een auto aangereden, een Toyota van twee generaties importauto’s geleden, bedekt door een laag stof, vol deuken en krassen. Hij verlaat de weg en stopt naast mijn auto.
Er stappen twee jonge mannen uit. Broers. Lang, breedgeschouderd en gespierd, met korte dreadlocks die alle kanten op staan.
De ene praat snel, loopt met grote passen en gesticuleert onrustig. De andere zwijgt en beweegt traag. De armen van de prater zijn volgetatoeëerd. Ze lopen zonder aandacht aan ons te schenken de winkel in en komen terug met twee grote blikken Parbo Bier. Bij hun auto aangekomen trekken ze de blikken open en nemen een slok. Nu pas lijken ze ons op te merken. Na een paar slokken te hebben genomen, heft de prater zijn hand naar ons en loopt op ons af. De stille volgt.
‘Goedemiddag, heren,’ zegt de prater en hij blijft op een meter of twee afstand van ons staan.
Sommige mannen, het zijn vrijwel altijd mannen, vallen met hun groet je leven binnen en je hoort aan een of twee woorden al dat ze geen respect zullen hebben voor de grenzen die ze tegenkomen. Volgens mij is dit zo’n man, maar misschien ben ik paranoïde geworden door alles wat er de afgelopen dagen gebeurd is.
De stille knikt en wrijft over zijn mond, alsof hij zich voorneemt om voorlopig niets te zeggen.
Ik knik met tegenzin en besef dat wat er ook gebeurt, ik niet op eigen kracht weg zal kunnen lopen.
‘Goedemiddag,’ zegt Humphrey.
‘Komen jullie uit de stad?’ vraagt de prater en hij neemt een slok van zijn bier. De ander volgt zijn voorbeeld.
Ze lijken heel erg op elkaar. Het moet een tweeling zijn. Dezelfde diepliggende ogen, scherpe neus, gewelfde bovenlip en pluizige snor. Het zijn dogla’s, van wie ik de ingrediënten van de etnische cocktail niet kan ontwarren. Waarschijnlijk niet de combinatie Hindostaans en creools, maar iets ingewikkelders. Wat ze ook zijn, ze stralen een soort oerkracht uit.
‘Ja, we zijn op weg naar Albina,’ zegt Humphrey.
De prater trekt zijn wenkbrauwen op. Humphreys tongval heeft hem verraden. ‘U bent op vakantie?’
Humphrey knikt. ‘Na lange tijd.’
‘Aha. Mag ik vragen waar u woont in Nederland?’
‘Amsterdam. Bijlmer.’
‘Aaai Bemre…’ zegt de stille. Zijn stem is schor en zwaarder dan die van zijn broer.
‘We hebben familie daar,’ zegt de prater. ‘We hebben daar tijdens een vakantie gelogeerd. We hebben genoten! Ondanks de kou! Toch, Wendel?’
‘Bemre!’ zegt de stille. Hij kijkt omhoog en maakt een paar verrassend snelle danspassen in het zand.
‘Dat is de beste plek in Nederland voor een Surinamer…’ zegt de prater en hij geeft met zijn wijsvinger een snel ritme aan in de lucht. ‘Alles heb je daar. Gezelligheid. Oude vrienden. Lekker eten. Kwaku. Ketikoti. Feesten. En die Bijlmermeisjes, mi gado!’
‘Boooiii…’ De stille draait een pirouette waarbij er bier uit zijn blik spat. Hij heeft een rugzak om.
‘We hebben daarna nog een keer geprobeerd een visum voor Nederland te krijgen…’ zegt de prater. Zijn gezicht betrekt. ‘Maar we konden niemand meer vinden om garant voor ons te staan. Kaolo’s.’
De stille staat plotseling doodstil.
‘Hoelang woont u al in Nederland als ik vragen mag?’ vraagt de prater.
Humphrey aarzelt en schraapt zijn keel. ‘Vijfendertig jaar.’
‘San!’ De prater bekijkt ons van top tot teen. Zijn blik schiet tussen ons heen en weer zoals je ziet bij mensen die gewend zijn snel informatie te verwerken en beslissingen te nemen. Hij wijst naar mij. ‘Maar u bent in Suriname gebleven, toch?’
Aangezien ik nog niets gezegd heb, ziet hij dat aan mijn kleding of aan mijn lichaamstaal. Ik knik, nieuwsgierig naar wat hij nog meer voor conclusies zal trekken, maar ook op mijn hoede.
‘Maar jullie hebben elkaar wel gezien, toch? Op vakanties?’
Ik schud mijn hoofd. Dit wordt lastig.
‘Niet in Nederland en niet in Suriname? Hoor je dat, Wendel? Deze broers hebben elkaar vijfendertig jaar niet gezien. Dat is langer dan wij leven!’
De stille broer knikt, maar lijkt niet helemaal te begrijpen waar het over gaat.
Als dit een tweeling is, heeft de een in de baarmoeder misschien wel te veel voedingsstoffen onttrokken aan de ander, zoals je weleens hoort.
De ogen van de prater lichten op, als iemand die de oplossing voor een vraagstuk heeft gevonden en trots is op zichzelf. Hij legt een hand op de schouder van zijn broer. ‘Er zijn niet veel redenen waarom broers elkaar een heel leven ontwijken. Wij zijn een tweeling, de puurste vorm van broederschap. En juist daarom weet ik precies wat er fout kan gaan tussen broers.’
Humphrey en ik wisselen een snelle blik uit.
‘Jullie moeten het zeggen als ik het fout heb, maar volgens mij gaat het altijd om…’ Hij stopt, knijpt zijn ogen tot spleetjes, weet kennelijk dat wat hij nu gaat zeggen, alles zal veranderen. ‘Verraad. Of bedrog. Het woord maakt niet zoveel uit. Jullie weten wat ik bedoel.’
Ik hou mijn adem in. Dit is geen praatje meer om de tijd te doden.
De prater wijst met open hand naar zijn broer. ‘Maar waarom zou je je eigen broer, je beste vriend, met wie je opgegroeid bent… verraden?’
De stille kijkt ons aan met een lege blik.
Humphrey en ik zwijgen eensgezind.
‘Ik heb het vaker gezien en er veel over nagedacht. Het verraad komt voort uit iets willen wat de ander heeft. In de kerk zouden ze zeggen: hebzucht of begeerte! De dominee oordeelt makkelijk over deze dingen, vinden jullie niet? Terwijl het in ons allemaal zit… Toch?’
Humphrey zet zijn blikje naast zich neer en slaat zijn armen over elkaar heen, alsof hij zich afsluit voor wat komen gaat.
De prater houdt zijn wijsvinger voor zijn mond en glimlacht. ‘Ik hoop dat jullie het niet vervelend vinden, maar ik ben nog niet klaar. Ik kom ook niet zo vaak in contact met mensen die intelligent genoeg zijn om zo’n gesprek mee te voeren. Die begeerte, die wordt natuurlijk opgewekt door iets… En er zijn maar een paar dingen die zoveel begeerte opwekken.’ Hij kijkt ons aan met de valse, minachtende verwachting van prekers, leraren en politici die een vraag gesteld hebben waarvan de ander het antwoord niet wil horen. ‘Geld… populariteit of… een vrouw.’
Humphrey kreunt zacht, bijna onhoorbaar.
Jezus, Humphrey, een straatfilosoof kijkt dwars door ons heen.
De prater kijkt ons peinzend aan. ‘De meeste broers hebben geen vijfendertig jaar nodig om een conflict over geld of populariteit op te lossen. Zeker niet broers als jullie. Ontwikkeld, welgesteld. Dat zijn dingen die jullie met de jaren los zouden kunnen laten. Maar een vrouw… Boooiii.’
Het zal niet moeilijk voor hem zijn om van onze gezichten af te lezen dat hij gelijk heeft.
Ik schaam me. Niet omdat ik schuldig ben, deze gettofilosoof weet immers niet wie van ons de ander verraden heeft, maar het voelt alsof we betrapt zijn door iemand op wiens afkomst we altijd neerkeken, gewoon omdat we het beter getroffen hadden. Nu blijkt dat we net zo ordinair zijn. Misschien wel erger.
‘Allebei… dezelfde vrouw willen. Dat is… de beste manier… om broederschap… te vernietigen.’ Hij spreekt de woorden langzaam uit, wil kennelijk zo lang mogelijk genieten van de pijn die ze ons toebrengen.
Zijn broer kijkt hem aan met een mengeling van verbazing en bewondering.
Humphrey zucht en blaast daarbij zoveel lucht uit dat hij klinkt als een ballon die leegloopt. ‘Je bent slim…’ zegt hij, maar ik hoor de teleurstelling in zijn stem. Er zijn momenten waarop je veel liever domheid in de ogen kijkt dan intelligentie.
De prater glimlacht. ‘Als ik de kans had gehad zou ik gestudeerd hebben, maar…’ Hij neemt nog een slok van zijn bier en spuugt op de grond. ‘Als je in dit land arm geboren wordt, zul je arm sterven.’ Hij kijkt om zich heen, klaar om iedereen die het tegendeel durft te beweren, de mond te snoeren.
De stille laat zijn hoofd zakken en knikt een paar keer. ‘A libi tranga… bun tranga,’ zegt hij zonder op te kijken.
‘We hosselen,’ zegt de prater, alsof dat woord een heel leven verklaart.
‘Heb je kinderen?’ vraagt Humphrey.
Een hopeloze poging om van onderwerp te veranderen. Alleen een bakra op vakantie zou dat vragen, broer.
‘Vier,’ zegt de prater. Hij wrijft over zijn kin, lijkt niet zeker van zijn zaak.
‘Vier!’ zegt Humphrey. ‘Dan ben je vroeg begonnen.’
Ik vervloek je Humphrey, en alle Surinamers die zich gedragen als Hollanders, terwijl ze beter zouden moeten weten.
De stille broer grinnikt. Een hees, onheilspellend geluid.
‘Vroeg?’ De prater kijkt verbaasd. ‘No man. Je weet hoe het gaat, toch?’
Nee, dat weet hij niet. Hij is vanuit het comfortabele middenklassenleven in Paramaribo-Noord vertrokken naar Nederland en heeft zich opgewerkt in de internationale drugshandel. Hij weet niet dat er nog een heel ander Suriname is. Een Suriname waarin zovelen niet weten wat het is om een vader te hebben dat men denkt dat het normaal is. Jullie Suriname, broeders van de straat.
‘Vader zijn is een grote verantwoordelijkheid,’ zegt Humphrey.
De tweeling kijkt hem aan met een soort wellust in de ogen.
Godverdomme, Humphrey.
De prater haalt zijn schouders op. ‘De twee oudsten zie ik niet meer. Hun moeder en ik praten niet. En ik ben niet met de moeders van de andere twee. Ik zie ze af en toe. Ik hossel en soms geef ik ze wat.’
Humphrey, zeg alsjeblieft niets meer. Ik smeek het je.
Humphrey zucht, maar zwijgt.
De prater vraagt hem: ‘Mag ik vragen wat voor werk u in Holland doet?’
‘Ik heb een restaurant en een snackbar,’ antwoordt Humphrey.
Eentje noemen was genoeg geweest, brada.
‘Dat is een goede business,’ zegt de prater. ‘U hebt het gemaakt in Holland.’
‘Ach.’
De prater kijkt mij aan. ‘Maar waarom bent u niet weggegaan? Als ik vragen mag?’
Mijn hele leven hebben vele mensen mij deze vraag gesteld en ik heb nooit geweten wat ik moest antwoorden. Tot dit moment. ‘Ik wilde niet,’ zeg ik. Zo simpel is het. Er waren verschillende momenten waarop het kon, waarop het zelfs voor de hand lag om dit land, labiel, hopeloos en zonder toekomst, te verlaten zonder om te kijken, maar als het erop aankwam deed ik het niet.
Was ik inderdaad zo gehecht aan deze grond of was ik bang om door de mand te vallen? Bang om mijzelf te moeten bewijzen en te falen, uitgelachen of genegeerd te worden door de bakra’s, zoals ik met zovelen had zien gebeuren?
Het maakt allemaal niets meer uit. In Nederland was ik, met koophuis en ziektekostenverzekering, net zo goed doodgegaan.
‘U was tevreden hier? U had een goede baan?’
Ik kan zo snel geen passende leugen bedenken. Het maakt ook niets meer uit. Ik weet waar dit naartoe gaat. ‘Ja. Ingenieur.’
De prater lacht, slaat zijn broer op de schouder en zegt: ‘Zie je? Dat is geweldig, toch? Twee broers. De een succesvol in Nederland, de ander in Suriname.’
Zijn broer lacht schor en heft zijn biertje naar ons, maar zijn blik blijft leeg.
De prater wrijft over zijn achterhoofd. ‘Dat is uw wagen?’ vraagt hij aan mij en hij wijst naar mijn auto.
‘Ja.’ Angst roert zich in mijn buik.
De broers kijken ons zwijgend aan.
De stilte is moorddadig.
Langs de weg stopt een bus. Er stapt een vrouw uit. De mensen in de bus kijken naar ons met nieuwsgierige blikken. Niemand zou kunnen raden wat voor ontmoeting er plaatsvindt. De bus trekt met tegensputterende motor weer op. Een jonge vrouw draait haar hoofd om en blijft ons nakijken.
‘Het was heel… interessant… om met jullie te praten, maar we moeten weer verder,’ zegt Humphrey.
De prater schudt zijn hoofd. ‘Ik denk het niet,’ zegt hij.
Ik denk het ook niet, broer. Ik vind het knap dat je zo rustig blijft praten, want ik weet zeker dat je hart net zo bonkt als dat van mij. Was het stom om te denken dat we veilig waren nu het gevaar uit Nederland geweken was? Ons land heeft zijn eigen gevaren en Brazilië is nog ver weg.
‘Wat bedoel je?’ vraagt Humphrey.
‘Ik denk niet dat jullie weggaan,’ zegt de prater.
De stille schudt zijn hoofd.
‘Waarom niet?’ vraagt Humphrey.
‘Jullie hebben…’ de prater kijkt omhoog naar een punt hoog boven de Chinese winkel en zoekt naar woorden. ‘Veel meer dan jullie nodig hebben. Alles in dit land is ongelijk verdeeld.’
Ik zie Humphrey slikken.
De prater kijkt zijn broer aan die hem bemoedigend toeknikt.
‘Wij hebben ook recht op een deel. We hebben nooit een kans gehad.’
‘Dat spijt me,’ zegt Humphrey.
Je kunt beter niets meer zeggen, broer.
‘Hoor je dat?’ zegt de prater tegen zijn broer. ‘Het spijt hem! Oké, als het u zo spijt…’ De prater slaat zijn armen over elkaar en trekt zijn schouders op. ‘Is het dan geen idee om ons wat te schenken? Ter compensatie. Een soort ontwikkelingshulp. Uit Holland. En u ook, broer. Uit Paramaribo!’ Hij kijkt zijn broer aan en lacht. Een hikkend, angstaanjagend geluid.
Ik heb het gevoel dat ik flauw ga vallen.
Humphrey haalt diep adem. ‘Dat is moeilijk…’
Heb je niets slimmers meer te zeggen, broer? Wijsheid uit Holland of van waar dan ook? Iets ter verdediging van onze levenslange onverschilligheid tegenover de demonen van de armoede, waarvan we dachten dat we ze nooit onder ogen zouden hoeven te komen.
‘Moeilijk?’ De prater spreidt zijn armen. ‘Moeilijk?’
‘Ja…’ zegt Humphrey. ‘Sorry…’
‘Weet u wat moeilijk is, meneer de vakantieganger? Vraag het aan mijn broer. Hij komt net uit de gevangenis. Voor iets wat hij niet eens gedaan had. En onze moeder is overleden toen hij in de cel zat. Hij heeft geen afscheid van haar kunnen nemen.’
De lege glimlach van de broer verdwijnt.
Humphrey knikt.
‘Ik wil jullie niet lastigvallen met onze problemen, maar het lot heeft ons bij elkaar gebracht,’ zegt de prater, nu op de toon van een bemiddelaar die escalatie wil voorkomen, de verschillende standpunten verwoordt en een oplossing zoekt. ‘Wat was de kans dat we elkaar hier tegen zouden komen?’ vervolgt hij. ‘Het moet een bedoeling hebben, toch? Dit soort ontmoetingen gebeurt niet voor niets.’
‘Zo is het,’ zegt de broer. ‘Na so a de. Na so a de.’ Zijn stem is zwaar en de woorden klinken als een mantra.
Ik begin erin te geloven. Dit moest zo zijn.
De prater loopt met bedachtzame passen heen en weer. Het zand kraakt onder zijn sportschoenen die ooit een kapitaal gekost moeten hebben, maar nu volledig versleten zijn. ‘Het lot heeft ons bij elkaar gebracht en elk mens doet in een bepaalde situatie wat hij moet doen. Alles wat we meegemaakt hebben, bepaalt hoe we ons in deze situatie zullen gedragen.’
In een ander leven was je een briljante politicus of psycholoog geweest, gettoboy. En als ik niet zo bang voor je was, zou ik medelijden met je hebben. Al die intelligentie van je zal nooit voor iets anders gebruikt worden dan vrouwen versieren en mensen beroven.
‘Ik ga jullie een voorstel doen,’ vervolgt hij. ‘Een voorstel dat voor iedereen acceptabel is, denk ik. Onder deze omstandigheden, natuurlijk.’
‘Oké,’ zegt Humphrey.
Hou je kop, broer. Dit wordt geen multiple choice.
‘Jullie geven mij de sleutels van de auto, jullie contant geld, horloges, kettingen, ringen, telefoons. Jullie mogen je bankpasjes houden.’ Hij spreidt zijn armen weer, zijn handpalmen naar boven gekeerd, alsof hij alles voor ons heeft gedaan om de pijn te verzachten.
‘En als we dat niet doen?’ vraagt Humphrey.
Weer een stomme vraag, broer, maar je klinkt nog steeds cool, dat moet ik toegeven.
‘Dat zou echt vervelend zijn,’ zegt de prater. ‘Onredelijk ook. We kunnen ook alles nemen. Dat is wat we normaal doen.’
De stille reikt achter zijn rug en zijn hand komt tevoorschijn met een enorm mes. Het metaal glimt alsof het nog nooit gebruikt is. Zijn gezicht blijft onbewogen en zijn arm hangt langs zijn lichaam alsof hij zich niet bewust is van het mes.
‘Als mensen onredelijk zijn, kan hij zijn zelfbeheersing verliezen,’ zegt de prater met een bijna verontschuldigende glimlach.
De aanblik van het mes maakt me misselijk. Ik ben bang dat ik moet overgeven.
‘Ik begrijp het,’ zegt Humphrey.
‘Mooi,’ zegt de prater en hij doet een stap naar voren. ‘Dan begrijpen we elkaar.’
‘Niet dichterbij komen,’ zegt Humphrey.
De prater stopt en steekt zijn handen in de lucht. ‘Rustig aan, vakantieman,’ zegt hij.
Nu zie ik het pas. Humphrey heeft zijn pistool op hem gericht. Zijn hand rust op de leuning van het bankje.
De prater laat zijn handen zakken tot borsthoogte en glimlacht. ‘Dat is een mooi klein wapen. Heb je het al eens gebruikt?’
‘Ja,’ zegt Humphrey.
De prater laat zijn handen nog verder zakken en kijkt zijn broer aan. ‘Dat geloof ik niet. Ik denk dat het niet eens geladen is.’
De stille doet ook een stap naar voren en staat nu vlak voor mij. Zijn vingers bewegen onrustig langs het heft van het mes.
‘Het is geladen!’ zegt Humphrey. ‘Ik heb er gisteravond iemand mee neergeschoten. Hij ligt nu in het ziekenhuis.’
De prater kijkt eerst verbaasd, maar begint dan te lachen. Aanvankelijk aarzelend en zacht, maar steeds harder. ‘Geweldig. Geweldig. In welk ziekenhuis ligt hij? En hoe gaat het met hem?’
‘Hij ligt in het Sint Vincentius. Met een kogel in zijn borst.’
De prater klapt in zijn handen. Hij laat ze langzaam op elkaar vallen zodat ze een dof geluid produceren dat de spot drijft met Humphrey, zijn pistool, zijn woorden en zijn leven. ‘Een kogel in de borst en hij ligt in het Sint Vincentius? Niet in het mortuarium? Dat is vreemd. Toch, Wendel?’
Zijn broer schudt zijn hoofd alsof hij er niets van gelooft. De arm met het mes hangt nog steeds los langs zijn lichaam.
Ik kijk naar Humphrey die roerloos blijft zitten met het pistool op de prater gericht. In het Sint Vincentius? Idioot. Idioot. Idioot. Vertel hem ook nog dat wij hem verbonden hebben en de ambulance gebeld hebben. Zelfs al schiet je ze nu allebei neer is er een kans dat het mes toch in mijn vlees verdwijnt. Ik krijg niet genoeg lucht.
De prater legt zijn handen tegen elkaar en laat zijn kin op de vingertoppen rusten. ‘In het Sint Vincentius is gebrek aan alles, net als in de andere ziekenhuizen. Maar ze hebben geweldige artsen. Ze hebben ooit een vriend van ons gered. Weet je nog, Wendel? Biga. Die had wel zes kogels in dat dikke lijf van hem. Ze houden de man met de kogel in zijn borst misschien ook in leven.’
Hij sluit zijn ogen en even lijkt het alsof hij bidt. Dan opent hij zijn ogen weer en glimlacht. ‘Maar ik denk dat die man niet bestaat. Ik denk dat je nog nooit met dat kleine ding geschoten hebt. Ik denk zelfs dat er geen kogels in zitten. Ik denk dat ze in Holland tegen je gezegd hebben: Su is gevaarlijk, criminaliteit, blablabla, neem een wapen mee, je hoeft het niet te laden, blablabla, laat het gewoon zien en niemand durft je wat te doen.’
Humphrey haalt diep adem en zegt: ‘Durf je dat risico te nemen?’
De prater doet een uiterste poging om de waarheid te vinden, die nu geen gebeurtenis in het verleden meer is, maar een zaak van materie, om precies te zijn van lood en kruit. Hij bijt op zijn onderlip, zijn handen wijken en vormen een soort klauwen waarmee hij over zijn dijen schraapt. Zijn broer kijkt hem aan en wacht. Hij zal niet zelf beslissen of het mes gebruikt wordt.
Ik probeer niet naar het mes te kijken en mezelf voor te houden dat het pistool en het mes elkaar in evenwicht houden en geen van beide gebruikt zullen worden.
‘Als je echt zo slim bent, weet je dat ik niet bluf,’ zegt Humphrey. ‘En dan weet je ook dat je het van deze afstand niet overleeft. Ik richt op je hart. En daarna op dat van je broer. Nog een hart. Nog zo’n kogel. Als een van jullie de kogel overleeft, wat ik niet denk, zullen we rustig wachten tot je doodgebloed bent. Geen ambulance. Geen ziekenhuis. Gewoon het einde van jullie nutteloze levens. Het wordt een kort bericht in het nieuws. Een mislukte roofoverval. Lof voor de vakantieganger die zich verdedigde. Ik denk niet dat jullie familie een overlijdensadvertentie gaat betalen, laat staan een begrafenis. Wat doet lanti met zulke lichamen? Ik denk: de oven in en de as weggooien. Het enige wat er van jullie over zal blijven zijn sterke verhalen. Mensen houden ervan om verhalen over tweelingen te vertellen. Maar het zullen verhalen vol leugens zijn. En die leugens zullen je kinderen geloven.’
Ik moet toegeven, broer, dit doe je helemaal niet slecht. Je had allang kunnen schieten, maar dat wil je niet, want je weet hoeveel bloed er stroomt en dat jonge mannen niet direct dood hoeven te zijn. Je weet dat ze nog kunnen praten, kunnen smeken om hulp. En hoe dat voelt.
Het gezicht van de prater is nu verwrongen tot een masker. Het lijkt alsof hij elk moment kan ontploffen. ‘Jij bent het,’ zegt hij tegen Humphrey met een stem vol haat. ‘Jij bent het. Jij hebt je broers vrouw genaaid.’ Haat en voldoening komen samen in een grijns die niets minder dan duivels is.
Zijn broer spert zijn ogen open alsof hij nu pas begrijpt waar het over gaat.
De prater lijkt zichzelf weer enigszins onder controle te hebben. ‘En die punta was het enige ter wereld waar je niet aan mocht komen. Het enige wat je nooit meer goed kon maken. En was dat het waard? Was die poen zo lekker? Welke poen is dat waard?’
Humphrey zwijgt. Natuurlijk.
‘Waarom geef je geen antwoord? Je kon zo mooi praten over onze dood. Kaolo.’
Humphrey blijft roerloos zitten. Ik vermoed dat hij net als ik zijn adem inhoudt.
De prater begint weer voor ons te ijsberen. Hij wijst naar mij. ‘En jij. Wat heb jij toen gedaan?’
Ik heb nog net de kracht om mijn schouders op te trekken.
‘Niets! Natuurlijk. Want wat kon je doen? Je broer vermoorden? Allebei? Of alleen haar? Dat gebeurt vaker. Maar alleen mannen zonder verstand doen dat. Wraakzuchtige honden. Y b’o coti strafu, samen met al die andere domme honden. Dus heb je geprobeerd ermee te leven. Met die haat. En heb je geprobeerd mensen te vertrouwen. Maar niks is gelukt.’
Ik sluit mijn ogen, want ik kan het niet meer aanzien. Deze broers, deze demonen, gezonden om ons te vernietigen. En verdomd, ik bid. Ik smeek dat dit snel voorbij mag zijn.
De prater lijkt ook moe te worden van de hele situatie, misschien wel van zichzelf. ‘Net zoals jullie weten hoe wij zijn opgegroeid, weet ik hoe jullie zijn opgegroeid,’ zegt hij mat. ‘Jullie komen uit Noord of Zorg en Hoop. Jullie waren lid van sportclubs, jullie konden studeren, jullie konden naar Nederland gaan. Maar… jullie zijn nooit echte broers geweest.’ Hij legt zijn hand op de schouder van zijn broer die knikt, maar wiens blik weer even leeg is als aan het begin van het gesprek. ‘Echte broers die hun leven voor elkaar zouden geven. En dat zullen jullie nooit meer worden. Wat je ook probeert.’
Er valt een stilte.
De prater fluistert iets in het oor van zijn broer die knikt en het mes wegstopt.
‘Ben je klaar?’ vraagt Humphrey.
De prater knikt. ‘Ja, ik ben klaar, yo mapanpan yo. Ik heb geen medelijden met jullie. Net zoals jullie geen medelijden hebben met ons,’ zegt hij en hij draait zich om. Zijn broer volgt zijn voorbeeld en samen lopen ze naar hun auto. Licht gebogen, hun passen synchroon. Bijna identiek.
We blijven als verdoofd zitten.
‘Godverdomme,’ zegt Humphrey.
‘Zeg dat wel,’ zeg ik.