Hoofdstuk 33 - De handlezer
By Chris Polanen
Het eerste halfuur in de auto zeggen we niets.
Judy belt, maar ik neem niet op.
Na een paar minuten stuurt ze een bericht.
‘Henri, waar ben je?
Ik voelde dat er iets gebeurd was en ik ben naar je huis gereden.
Je buurman zei dat je vanochtend bent vertrokken.
Met je broer. Naar Brazilië.
Maar er vertrekken vandaag geen vluchten naar Brazilië.
En je haat je broer. En je bent ziek. Bel me. Alsjeblieft.’
Ik zucht.
‘Slecht nieuws?’ vraagt Humphrey.
‘Nee. Een ex.’
‘Ga je haar bellen?’
‘Ik weet het niet.’
We zwijgen.
‘Ik ben niet alleen jou kwijtgeraakt,’ zegt Humphrey, ‘maar ook Ma en Pa. Ze hebben er nooit iets over gezegd, maar ik voelde het. Aan alles. Hebben ze er ooit met jou over gesproken?’
Ik schud mijn hoofd en kijk uit het raam.
‘Misschien voelden ze zich schuldig,’ zegt hij. ‘Dat ze zo’n zoon opgevoed hadden.’
Ik reageer niet.
‘En natuurlijk Mirna. Voor zover ik haar kon kwijtraken. We wilden beiden weg, maar we wisten niet hoe. Samen durfden we het aan. Maar in Nederland merkten we dat we niet bij elkaar pasten. In geen enkel opzicht.’
En dus was alles voor niets geweest. Verwacht geen begrip van mij.
Er valt een stilte.
‘Sorry. Dit is pijnlijk voor jou…’ zegt hij.
Ja, maar het is een pijn die ik zo goed ken dat ik ermee kan onderhandelen: steek maar, knijp maar, druk maar, ik hou mij stil en wacht tot je je weer terugtrekt.
‘Je wil er niet over praten, hè?’
Het maakt niet uit of we praten of zwijgen. Het verleden zit in ons, in onze zenuwen, in onze cellen, in ons DNA. We nemen het mee ons graf in. Wat we ook doen. ‘Nee. Niet nu.’
‘Oké.’
De weg is afgezet. Het asfalt is over een tiental meters opgebroken en er staan zware machines verspreid over de weg. Ze staan allemaal stil, de motoren zijn uit en een groepje arbeiders zit rond een geïmproviseerd tafeltje te eten.
Er is een omleiding die ons van de grote weg af leidt, een zandweg op. Het is zo’n weg die in de regentijd onder water komt te staan en daardoor vol diepe kuilen zit.
Humphrey probeert ze te omzeilen, maar dat lukt niet. De bodem schuift over het zand en er komt een gekraak uit de auto dat ik nog nooit heb gehoord. We worden heen en weer geschud.
‘Langzamer,’ zeg ik tegen Humphrey, maar ik realiseer me dat hij al heel langzaam rijdt.
Langs de weg staan nauwelijks huizen, aan de linkerzijde is een rivier met snelstromend donker water en rotsen die boven het oppervlak uitsteken.
We rijden al een halfuur bijna stapvoets over de zandweg en er is nog geen zicht op terugkeer naar de hoofdweg. In de verte zien we een winkel langs de weg.
‘Laten we daar even stoppen,’ zegt Humphrey.
Bij het uitstappen merk ik dat ik mijn been weer kan gebruiken. Het is nog stijf, maar ik kan het belasten en er voorzichtig mee lopen.
De winkel is zo vervallen dat het lijkt alsof het hout en de zinkplaten het elk moment kunnen begeven. WINKEL ROY staat op het bord dat minstens vijftig jaar oud moet zijn. Naast de ingang staat een fruitkraam met daarachter een oude vrouw op een stoel.
‘Goedemiddag, heren,’ zegt de vrouw. Ze is mager en draagt een verschoten jurk uit tijden dat ze zwaarder was, misschien zelfs dik. Haar hoofddoek is een angisa die creoolse vrouwen dragen, maar haar trekken zijn Aziatisch. ‘Ik heb lekkere bacove, lekkere manja’s, lekkere papaja’s.’ Haar ogen zijn dof, maar haar stem klinkt helder en energiek. De bacoven en papaja’s stellen niet veel voor, maar de manja’s, opgestapeld in hopen, zijn onwaarschijnlijk groot en glanzend.
‘Mooie manja’s, mevrouw,’ zegt Humphrey en hij strijkt over een van de vruchten.
‘Bent u op vakantie?’ vraagt de vrouw. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes in een poging om Humphrey beter te zien.
‘Ja,’ zegt Humphrey.
‘Dan moet u zeker wat fruit kopen. In Holland gaat u dit niet vinden.’
‘Dat is waar,’ zegt Humphrey. Hij knijpt in een manja. ‘Wat een grote golets.’
De vrouw knikt. ‘Ze zijn rijp.’
Elke Nederlandse Surinamer die op vakantie komt, heeft een manja-obsessie. In Nederland is het kennelijk onmogelijk om een goeie manja te vinden en voor een Euro-Suri zijn deze enorme golets een droom die uitkomt.
‘Ik neem ze allemaal,’ zegt Humphrey.
‘Allemaal? Mi gado…’ De vrouw lijkt niet te weten waar ze moet beginnen.
‘Dat krijg je nooit op,’ zeg ik.
De vrouw glimlacht. Haar tanden hebben op de een of andere manier decennia armoede doorstaan. ‘Uw broer heeft gelijk. U kunt ze niet lang bewaren.’
Broer? Ze ziet meer dan ik dacht.
‘Ik ga ze ook niet bewaren,’ zegt Humphrey. ‘Hoeveel is het?’ vraagt hij.
De vrouw sluit haar ogen en haar mond beweegt zonder geluid te produceren. Dan opent ze haar ogen en zegt: ‘Duizend SRD.’
‘Prima,’ zegt Humphrey en hij tast in zijn zak.
Ik glimlach en schud mijn hoofd. Hoeveel manja’s ga je per dag eten, Nederlander? Dit zijn twintig van de grootste golets die ik ooit heb gezien. Binnen een paar dagen moet je op het vliegtuig naar Brazilië zitten, dus zul je misschien wel zes van die biga’s per dag weg moeten werken. Weet je wat dat met je doet? Je schijt de hele dag. Denk maar niet dat ik mee-eet. Theo heeft een boom op zijn erf en overlaadt mij met die dingen. Ik kan geen golet meer zien.
Humphrey legt het geld vlak voor de vrouw neer. Ze beweegt haar hand zoekend over de kraam tot ze het geld tegenkomt, strijkt de biljetten glad en stopt ze in een lade onder de tafel. De manja’s verzamelt ze op de tast en terwijl ze ons met samengeknepen ogen aankijkt, stopt ze ze in plastic zakken. Vier manja’s in elke zak. Meer zou het dunne plastic niet houden.
‘Bent u misschien op weg naar Albina? Galibi?’ vraagt ze. ‘De schildpadden leggen al eieren. Ze zijn vroeg dit jaar.’
‘Schildpadden?’ Humphrey kijkt mij aan alsof hij wil zien hoe die idiote beesten ’s nachts op een verlaten strandje hun eieren eruit persen.
Ik maak een tyuri.
Humphrey schudt zijn hoofd. ‘Nee, we gaan naar Frans-Guyana.’
‘Naar Saint-Laurent? Daar gaan niet veel toeristen naartoe…’
‘We zijn eigenlijk op doorreis…’
‘Op doorreis?’
‘Naar Brazilië.’
Verbazing op haar gezicht. ‘San dati… Dat is een bijzondere reis…’ zegt ze. ‘Naar welke stad gaat u?’
‘São Paulo. We maken voor het eerst zo’n verre reis samen,’ zegt Humphrey.
Stop maar met die praatjes en begin je manja’s te eten, broer.
‘Dat is mooi,’ zegt ze. ‘Maar je hoeft niet altijd zo ver te gaan. Ons eigen land heeft ook mooie plekken. Bijvoorbeeld hier, bij de rivier. Gebruiken jullie wat op het terras. Of op de steiger. Laat de manja’s voorlopig hier.’
‘Dat doen we,’ zeg ik. ‘We gaan binnen wat drinken halen.’
De vrouw knikt. ‘Pim heeft lekkere belegde broodjes.’
‘Mooi,’ zegt Humphrey.
Achter de toonbank staat een man van rond de zeventig. Donkere huid, grijs kroeshaar, Chinese trekken. Hij bekijkt ons met milde spot in zijn blik. ‘Goedemiddag, heren.’
We groeten en bekijken de schaaltjes in de vitrine. Kouseband met garnalen, kerrie-ei, pom, sardien. Waarschijnlijk serveert Pim al vijftig jaar hetzelfde.
‘Ik heb lekkere verse broodjes,’ zegt hij.
Humphrey neemt een broodje pom en ik een broodje kerrie-ei. Met gemberbier.
‘Sinds de wegomleiding is mijn verkoop gestegen,’ zegt de man. Geroutineerd belegt hij de broodjes.
‘Hoelang heeft u deze winkel al?’ vraagt Humphrey.
Stop met de toerist uit te hangen en hou voor één keer je mond, brada.
De man glimlacht. ‘De winkel was van mijn vader. Ik heb hem twintig jaar geleden overgenomen. Veel mensen noemen mij Roy, omdat dat op het bord staat, maar Roy was mijn vader. Ik ben Pim.’
‘Heeft u nooit weg willen gaan? Naar de stad?’
‘Natuurlijk. Toen ik jong was ben ik in de stad naar de middelbare school gegaan, de AMS. Daarna kon ik naar Nederland om te studeren. Mijn vader had daarvoor gespaard. Zoals Chinezen doen… Maar ik ben niet gegaan.’
Ik pak mijn broodje. Dit verhaal is nog lang niet klaar en ik heb honger.
‘U bent hier gebleven?’ vraagt Humphrey.
‘Ik heb van alles gedaan. Goud gezocht, een winkeltje voor goudzoekers gehad. Maar het werd te gevaarlijk.’ Hij leunt over de toonbank, wrijft over zijn voorhoofd. ‘Veel meegemaakt…’
‘En u bent weer teruggekomen?’
‘Mijn vader werd ziek.’
Ik neem een hap. Echte Hindostaanse masala. Perfect.
‘Lekker?’ vraagt de man.
Ik knik.
‘Mijn vrouw maakt het. Ze is Hindostaans.’
‘Heeft u nooit spijt gehad dat u niet bent gaan studeren?’ vraagt Humphrey.
Ik was het even vergeten, maar ik haat je, broer. Wat geeft jou, een op alle manieren mislukte bruine Nederlander, het recht om vragen te stellen over onze gemiste kansen?
De man glimlacht zoals ouderen doen als de tijd spijt heeft veranderd in berusting. ‘Natuurlijk. Maar het is goed zo. Mijn kinderen hebben gestudeerd. Ze wonen in Nederland.’
‘Wilden ze niet terugkomen?’
Je graaft in andermans verdriet. Wat verwacht je te vinden?
De man zoekt naar woorden. ‘Eentje wel. Hij is komen kijken met zijn Hollandse vrouw en zijn kinderen. Witte kinderen. Een blonde zelfs. Schatjes.’
Laat me raden, Pim. Zijn vrouw en kinderen voelden zich verloren hier, omgeven door al dat oerwoud, waren doodsbang voor al het ongedierte dat ze tegenkwamen en werden opgevreten door muskieten. En Paramaribo, ach, daar zouden ze het misschien wat langer volhouden, maar ze werden gek bij de gedachte dat ze niet meer terug zouden kunnen naar hun levens in Nederland.
Pim schudt zijn hoofd. ‘Het werd een ramp. Ondanks alles wat we probeerden.’
Humphrey trekt een moeilijk gezicht. ‘O jee.’ Hij pakt zijn broodje.
Eet je broodje en hou in godsnaam je mond, broer. Dit is een normaal Surinaams verhaal. Maak er geen drama van.
‘Het leven doet wat het wil,’ zegt Pim.
Humphrey knikt vol medeleven en neemt een hap van zijn broodje.
‘Heerlijk,’ zegt hij.
‘Mijn nicht maakt de pom,’ zegt Pim. Hij pakt twee flesjes gemberbier uit de koeling en zet ze voor ons neer. ‘Gaan jullie even bij de rivier zitten. Ik heb speciaal voor bezoekers een steiger gemaakt. Daar kun je echt van de natuur genieten.’
We lopen naar buiten.
De vrouw achter de kraam lijkt in slaap gedommeld te zijn. De wind trekt aan de plastic zakken gevuld met Humphreys manja’s.
Bij de rivier staan een roestige metalen tafel en vier plastic stoelen. In het gras liggen blikjes, papieren wikkels en plastic cups. De steiger is kort en hangt vlak boven het water. Het hout is wit en oogt alsof het pas geverfd is. Aan een kant is een balustrade, de andere kant is open zodat je er van een boot direct op zou kunnen stappen, maar wie zou gek genoeg zijn om hier te gaan varen?
We lopen de steiger op. Van dichtbij is pas goed te zien hoe sterk de stroming is. Het donkere water raast voorbij. We leunen over de balustrade, eten onze broodjes en drinken het gemberbier dat meer brandt dan gebruikelijk.
Een meter of 20 verderop gaat de stroom over in een versnelling die tussen talloze rotsen door kolkt en dan in een waterval naar beneden stort.
‘Weet je wat ik zou willen?’ vraagt Humphrey.
‘Tegen de stroom in zwemmen,’ antwoord ik. Zijn oude obsessie. Als er ergens stroming was, zocht hij een manier om er tegenin te zwemmen en met al zijn kracht lukte het hem vaak ook nog, al betekende het dat hij niet vooruitkwam.
Het was een training in de Surinamerivier voor de marathon die er een paar weken later gehouden zou worden. De wind joeg over het water, het regende meedogenloos en de rivier golfde als een zee. Door de golven die tegen je aan beukten was met de stroming mee zwemmen al een beproeving. Ik zag niets meer, kreeg steeds meer van het rivierwater naar binnen en was al lang voor het einde van de training weer in de begeleidende boot geklommen. Steeds meer zwemmers gaven het op. Humphrey en Sergio bleven als enigen over. Plotseling draaide Humphrey zich om en begon een sprint tegen de stroom in. Zijn armen maaiden over het water, zijn voeten spatten het als een fontein omhoog. De zwemmers in de boot slaakten kreten van verbazing en vuurden hem aan. Natuurlijk sleurde het water hem achteruit en moest hij het al snel opgeven, maar het beeld van de zwemmer die de stroom trotseerde, zou iedereen in de boot de rest van zijn leven met zich mee dragen.
‘Denk je niet dat ik het nog kan?’
‘Hou op. Dertig jaar geleden misschien. Nu zou je tegen die rotsen te pletter slaan. En in de waterval verdwijnen.’
Hij lacht, maar ik zie aan zijn blik hoe het water hem trekt.
‘Weet je… een mens is instinctief bang voor snelstromend water,’ zegt hij. ‘Ik heb daar nooit aan toe willen geven. Ik heb het zelfs nooit angst genoemd. Ik wist gewoon dat ik de strijd moest aangaan.’
‘Ik dacht juist dat je nooit bang was.’
‘Dat dacht iedereen…’
Alleen Mirna niet.
‘Ik had een reputatie. Die moest ik hooghouden.’
Ik knik en kijk naar de waterval.
‘Het is een heerlijk gevoel…’ zegt hij. ‘Zelfs als je niet vooruitkomt, lijkt het alsof je de natuur hebt overwonnen.’
‘Ik was ook bang.’
Hij klopt op mijn rug. Ruim veertig jaar te laat.
‘Deze stroom is verschrikkelijk sterk,’ zegt hij. ‘Net als de Surinamerivier.’
‘Vergeet het, broer.’
‘En als ik… een veiligheidslijn om mij heen bind? Die we vastmaken aan de steiger?’
‘Ben je gek geworden?’
Hij grinnikt. ‘Misschien. Ik wil het nog een laatste keer voelen.’
Ik zie aan zijn blik dat hij vastbesloten is. Hoe goed ken je iemand die je vijfendertig jaar niet gezien hebt? Ik dacht dat het opzoeken van gevaar hoorde bij de jongen die hij was, maar nu besef ik dat hij het is blijven doen. Toen hij in Suriname arriveerde werd hij beheerst door de angst om geliquideerd te worden, maar nu, na T.J., na de tweelingbroers, boven deze rivier, is hij weer zichzelf. Hij staat kaarsrecht en tuurt naar het water dat tegen de rotsen slaat en explodeert in ontelbare druppels aan de horizon.
‘Ik kan je niet tegenhouden. Maar ik kan je ook niet helpen. Ik ben te zwak.’ Ik strijk over mijn been.
‘Dat hoeft ook niet. Ik ga in de winkel kijken of ze een geschikte lijn hebben.’
We lopen terug en ik zie een nieuw ritme in zijn pas.