Hoofdstuk 34 - De handlezer
By Chris Polanen
Humphrey is de winkel binnengegaan en in een discussie verwikkeld met Pim. Ik ben buiten blijven staan.
De vrouw achter de kraam is weer wakker. ‘Hoe vonden jullie het bij de rivier?’ vraagt ze.
‘Heel mooi. Mijn broer wil nog even zwemmen,’ zeg ik.
Haar gezicht betrekt, ze knippert met haar ogen. ‘De stroming is te sterk. Het is levensgevaarlijk.’
‘Hij is een goede zwemmer,’ zeg ik. ‘Een heel goede zwemmer.’
‘De afgelopen zestig jaar zijn er hier drie mensen verdronken,’ zegt de vrouw, zonder enige dreiging in haar stem. ‘Ook goede zwemmers. Mijn verloofde…’
‘Mijn god.’
De vrouw glimlacht. ‘We zouden trouwen… Ik ben daarna nooit meer zo verliefd geweest. Baja…’
‘U bent hem nooit vergeten…’
‘De liefde blijft…’
Ik zie het in haar blik. Hoe moet het zijn om elke dag zo dicht bij het water te zijn dat je grote liefde verzwolg?
Ze kijkt naar de rivier. ‘U begrijpt dat ik iedereen waarschuw.’
‘Ja, maar maakt u zich geen zorgen. Mijn broer was een zwemkampioen. Hij heeft marathons gezwommen in de Surinamerivier. Hij was onverslaanbaar. En we gaan een veiligheidslijn gebruiken. Hij wil het heel graag… Ik kan het niet uit z’n hoofd praten.’
‘Maar u kunt hem wel helpen als het misgaat, toch?’
‘Nee… ik ben niet meer zo sterk als vroeger.’
‘Bent u erg ziek?’
‘Ja. Kunt u dat zien?’
‘Nee, mijn ogen zijn slecht. Ik zie bijna niets. Ik hoorde het. Aan uw stem.’
‘U hoorde ook dat we broers zijn.’
‘Dat klopt. Als je niet meer ziet, ga je beter luisteren.’
Ze sluit haar ogen en zit doodstil.
‘Doet u dit al lang? Fruit verkopen?’
Ze opent haar ogen weer, maar het lijkt alsof ze langs mij heen kijkt. ‘Nee. Ik heb altijd met mijn man op onze boerderij gewerkt. Hij is een jaar geleden overleden. De koeien, kippen, doksen, alles heb ik moeten verkopen. Alleen de fruitbomen heb ik nog. Mijn kinderen plukken het fruit voor me, zetten mij ’s ochtends hier af en halen mij ’s middags weer op. Veel mensen stoppen hier, kopen fruit bij me en maken een praatje.’
‘Vindt u het niet erg dat u nog zo weinig ziet?’
‘Het is geleidelijk gegaan. Ik ben eraan gewend geraakt.’
‘Het lijkt mij moeilijk.’
‘U hebt uw ziekte ook geaccepteerd, toch?’
‘Eh… ik denk er eigenlijk alleen aan als ik last heb.’
‘Precies. U gaat gewoon door.’
‘Voorlopig wel, ja.’
‘We zijn sterker dan we denken.’
Humphrey komt de winkel uit met een grote rol zwart materiaal en grijnst. ‘Rubber. Soepel, maar ijzersterk. Perfect.’
‘Dus hiermee gaan we je aan de steiger binden?’ Ik probeer alleen de afkeuring te laten horen en de bewondering te verbergen. Het blijft een idioot plan. Hij blijft een idioot.
‘Alleen als extra zekerheid. Het is waarschijnlijk niet eens nodig.’
‘Ik hoor net dat u een zwemkampioen bent,’ zegt de vrouw.
‘Ooit, ja…’ zegt Humphrey.
‘Dan bent u niet bang voor het water, toch?’
‘Nee, dat niet.’
‘Soms is het beter om vrede te sluiten met je angst dan ertegen te vechten,’ zegt ze. Ze glimlacht en kijkt naar de rivier.
Humphrey kijkt mij vragend aan.
Ik trek mijn schouders op.
‘Let u maar niet op mij,’ zegt de vrouw. ‘Ik ben een gekke oude vrouw.’
‘Ik ga mijn zwembroek en zwembril pakken,’ zegt Humphrey en loopt naar de auto.
De vrouw richt zich tot mij. ‘U bent toch ook een goede zwemmer?’
‘Ja…’
‘Maar heel anders dan uw broer.’
Ik knik.
‘U houdt ook van het water. Op een andere manier.’
‘Ja.’
‘Zonder strijd.’
‘Dat geloof ik wel, ja.’
Ze kijkt mij ernstig aan en knikt.
Op de steiger vraagt Humphrey: ‘Wat bedoelde ze? Met bang zijn?’
‘Geen idee. Ik heb haar niets verteld.’
‘Vreemd, toch?’
‘Ze ziet bijna niets, maar ze kan van alles horen aan iemands stem, zegt ze.’
‘Jezus…’ Humphrey draait zich om en trekt zijn broek naar beneden. De plek is zo verlaten dat hij zich niet druk maakt om toeschouwers.
Ik probeer niet te kijken, maar zoals gewoonlijk wint mijn nieuwsgierigheid het. Het is mijn broer, waarom zou ik zijn kont niet mogen zien? Ik heb direct spijt. Uitgezakte billen met veel haar.
Hij trekt zijn zwembroek aan, zijn T-shirt uit en draait zich weer om. ‘Let op, ik heb er goed over nagedacht.’ Hij legt de rubberband om zijn lichaam, knoopt hem voor zijn buik vast, trekt de lus tot onder zijn oksels en schuift de knoop met de rest van de band op zijn rug. ‘Kijk, het andere einde maak ik aan de steiger vast. Bij de trap. Zo heb ik een lijn van zes, zeven meter. Ik zal niet veel verder komen. De stroom zal mij op dezelfde plek houden.’
‘En als de stroom je meeneemt zul je aan de band blijven hangen.’
‘En dan trek ik mij langs de band weer naar de steiger.’ Hij maakt de band vast aan de paal op de hoek van de steiger, legt er een flink aantal dubbele knopen in en gaat er met al zijn gewicht aan hangen. Alles zit goed vast. ‘Je denkt zeker dat ik gek ben,’ zegt hij.
‘Nee, ik denk dat ik je niet zo goed ken als ik dacht.’
Hij glimlacht en omhelst mij. De band drukt tegen mijn borst. De geur van nieuw rubber.
Het voelt als een afscheid. ‘Ga maar,’ zeg ik. ‘Ik begrijp het.’ De angst dat je nooit meer deze kans krijgt is groter dan de angst om te sterven.
Hij duikt van de steiger. Het dikke lijf strekt zich in de lucht zoals het vroeger van het startblok vloog. Ik heb het gevoel dat ik naast hem meevlieg en vrees het moment dat hij, wij, het oppervlak doorklieven en de kracht zullen voelen die niets geeft om een mensenleven.
Hij verdwijnt onder water.
Ik sluit mijn ogen en hou mijn adem in.
Als ik ze open zie ik hem met langzame slagen tegen de stroom in zwemmen. Hij blijft op dezelfde plek in het water liggen.
Het enige geluid is van zijn armen die op het water vallen. Het is windstil. Geen enkele vogel roert zich. Dit is een van die perfecte momenten in het leven, die voorbij zijn voor je je het realiseert.
Plotseling stopt Humphrey met zwemmen en sleept het water hem mee. De lijn spant zich en hij blijft met een schok hangen.
De stroom lijkt sterker geworden. Het water raast naar de stroomversnelling, waar het kolkend tegen de rotsen slaat en in wolken van waterdamp in een waterval verandert.
Humphrey begint zich langs de lijn naar voren te trekken. Ik kan zien dat het hem al zijn kracht kost, maar hij komt nauwelijks dichterbij.
Ik pak de lijn beet, zet mij met mijn voet schrap tegen de steiger en trek. Een halve meter, meer niet. Er staat te veel spanning op.
‘Het gaat niet!’ roept hij.
‘Rust eerst uit! Probeer het dan weer!’ roep ik.
Hij gaat op zijn rug in het water liggen. Zijn lichaam hangt als verlamd aan de lijn.
Dan zie ik dat de knopen waarmee de band aan de steigerpaal zit beginnen te slippen. ‘De knopen gaan los!’ roep ik.
Hij draait zich om en probeert het weer. Er is angst in zijn blik.
Ik hang met mijn hele gewicht aan de rubberen band, maar hij komt niet dichterbij. Godverdomme. Was dit het waard, broer? Al die tijd dacht ik dat de dood achter je aan zat, maar het is andersom. Beviel het idee van nog vijftien, misschien wel twintig goede jaren je niet? Rijk en vrij in Brazilië, velen dromen ervan. Het rubber brandt in mijn handen en mijn armen beginnen te verkrampen. Het been waarmee ik me afzet, trilt.
Waarom moet ik je eigenlijk redden? Omdat je mijn broer bent? Als je een vriend was die mij zo verraden had, zou ik je met alle plezier aan het water geven. Omdat je mijn broer bent, heb ik geprobeerd het te vergeten. Maar het is niet gelukt. Juist omdat je mijn broer bent. Ik zie het verraad nog in de manier waarop je naar me kijkt en ik hoor het in je stem. Het zal altijd zo blijven.
Ik laat de lijn vieren. Centimeter voor centimeter geef ik je aan de dood. Je kijkt nu wel alsof je je met al je kracht vastklampt aan het leven, maar het was jouw plan, jouw rubber, jouw knopen.
Er bestaat geen toeval. Dit water wacht al je hele leven op je. Al die jaren dat je leefde als een drugsbaron, stroomde het op deze verlaten plek. Volgens de wetten van de natuur. Volgens de wetten van het leven en het lot. Geduldig, wachtend op het moment dat je de steiger zou betreden. Niemand kan zijn bestemming ontlopen, broer. Ik denk trouwens niet dat er veel betere manieren zijn om te sterven. Dit water is de hemel en de hel. Het klotst tegen je gezicht. Je wendt je hoofd af en spuugt het uit. Geef het op, broer. Het zal straks je lichaam binnendringen. Verzet is zinloos.
Hou ik dan niet van je, broer? Heb ik ooit van je gehouden? Ik weet het bij God niet. Is het vanzelfsprekend dat broers van elkaar houden? Ook al verschillen ze zoveel van elkaar dat ze elkaar wel pijn moeten doen? Gedeelde genen en jeugd zijn niet altijd bestand tegen een leven dat op broers inbeukt. Velen eindigen als vreemden. En mogen we elkaar dan niet laten gaan? Waarom vastklampen aan iets wat er niet meer is?
Het rubber schuurt mijn handen kapot en ik laat de lijn weer iets vieren. Het zijn slechts centimeters, maar ik denk dat je het voelt, broer. Ik zie de wanhoop in je ogen en ik zou je graag helpen, want je bent geen slecht mens, een sympathieke kerel zelfs, maar mijn kracht is weg. Ik heb het grootste deel van mijn leven geprobeerd je te laten gaan en juist nu ik je het leven gun, moet ik je loslaten. Misschien zien we elkaar ooit weer.
Ik voel een zware hand op mijn schouder en hap naar adem. O god. Je bent toch teruggekomen, ouwe. Ik durf niet om te kijken.
‘Hou vol. Probeer de spanning van de lijn te halen.’ Het is Pim. ‘Ik kom eraan,’ zegt hij.
Voor ik wat kan zeggen, is hij weg.
Mijn handen staan in brand, maar ik voel mijn kracht terugkomen en ik pak centimeters terug.
Er start een auto. Het gebulder van een zware motor.
Ik kijk om en zie een pick-up achteruitrijdend dichterbij komen. Vreemd genoeg heb ik genoeg kracht om te zorgen dat de knopen niet losschieten. De auto rijdt de steiger op en stopt achter mij. De winkelier springt eruit met een reddingsboei die aan een rol touw vastzit. Hij slaat het touw een paar keer om de trekhaak van de pick-up en gooit de boei naar Humphrey. Die grijpt hem direct vast.
‘Ik ga hem eruit trekken,’ zegt Pim. ‘Stuur jij hem naar de trap toe.’ Hij stapt in de auto en geeft voorzichtig gas.
Humphrey komt langzaam dichterbij. Hij heeft al zijn kracht nodig om zich vast te klampen aan de boei. De spanning verdwijnt van de rubberband en ik slaag erin Humphrey in de richting van de trap te leiden. Hij pakt de trap met beide handen vast en sluit zijn ogen.
Ik laat de lijn los en ga zitten. Mijn lichaam voelt gebroken.
Humphrey hangt nog aan de trap en hijgt zo erg dat ik bang ben dat zijn hart het alsnog begeeft.
Pim stapt uit de auto en glimlacht alsof hij dit dagelijks doet. Hij loopt naar de trap en reikt Humphrey de hand. Met veel moeite trekt hij hem omhoog. Op de steiger zakt Humphrey in elkaar en gaat languit op zijn rug liggen.
Het water lijkt nu rustiger te stromen.
En plotseling voel ik je aanwezigheid, ouwe.
In het water.
In de lucht.
Overal.
Ik voel je in mijn hoofd.
Door mijn hele lichaam.
Tot in mijn vingertoppen en in mijn tenen.
Voor het eerst voel ik geen angst.
Geen schuld.
Geen woede.
En dan, zo snel als je kwam, ben je weer verdwenen.
Pim loopt naar de auto en komt terug met twee blikjes. Hij biedt Humphrey er een aan, maar die houdt zijn ogen gesloten en verroert zich niet. Mij geeft hij het andere blikje en legt een hand op mijn schouder. Net zo groot en zwaar als die van de ouwe, maar zachter. ‘Ik had hem die rubberband nooit moeten verkopen,’ zegt hij. ‘Gelukkig zei Usha dat ik snel naar jullie toe moest gaan.’
‘Usha?’
‘De fruitverkoopster. Godzijdank. Als je broer was verdronken had ik me altijd schuldig gevoeld.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Ik had hem tegen moeten houden.’
Hij glimlacht, klopt op mijn schouder en loopt terug naar de auto.
Humphrey ligt nog op zijn rug. Zijn borstkas gaat snel op en neer. Hij heeft beide handen op zijn buik gelegd en staart naar de hemel.
We zitten op het terras en kijken naar de rivier.
Pim heeft mijn handpalmen ontsmet met Betadine en er grote pleisters op geplakt. Terwijl hij dat deed, zei hij dat ik degene was die Humphreys leven had gered. Als ik de spanning niet van de lijn had gehaald waren de knopen losgeraakt voor hij Humphrey eruit had kunnen trekken. Ik deed alsof ik niet doorhad dat hij mij een goed gevoel wilde geven over mijn rol in de redding.
Humphrey, opgedroogd en aangekleed, drinkt een blikje energiedrank. Een voorbijganger zou slechts een dikbuikige toerist uit Nederland in een veel te glimmend trainingspak zien genieten van het uitzicht. Ik kijk naar hem en vraag me af wat ik gevoeld had als de knopen losgeraakt waren.
Hij weet inmiddels welke rol de verkoopster bij zijn redding speelde. Na een laatste slok uit zijn blikje zegt hij: ‘Ik ga haar en Pim wat geven.’
De vrouw achter de kraam lijkt weer in slaap gedommeld.
‘Mevrouw,’ zegt Humphrey.
Ze schrikt wakker en gaat rechtop zitten.
‘Ik wil u bedanken,’ zegt hij.
‘Ach, ik maakte mij plotseling zorgen. Dus vroeg ik Pim om te kijken of alles goed ging.’
Humphrey staart haar enkele seconden aan en zegt: ‘Hij kwam precies op tijd. Ik ben u heel dankbaar. Ik leg een kleinigheid voor u hier onder de papaja’s.’
‘O, maar dat is niet nodig, hoor.’ Ze wuift met haar handen.
‘Een kleinigheid maar,’ zegt Humphrey en hij schuift een stapel honderdeurobiljetten onder het fruit.
‘A bun, ik zal er wat lekkers van kopen,’ zegt de vrouw.
Humphrey loopt de winkel in. Ik zie hem Pim een hand geven en biljetten op de toonbank leggen. De winkelier schudt zijn hoofd en maakt wat afwerende gebaren, maar pakt er uiteindelijk een biljet uit en schuift de rest terug.
‘Ik wens u een goede reis,’ zegt de vrouw tegen mij. ‘Het is mooi dat u en uw broer elkaar weer gevonden hebben. Het is nooit te laat, weet u.’
De woorden raken mij op een plek diep in mijn borst en ik voel pijn en vreugde versmelten tot iets wat beide overstijgt. Ik wil van alles zeggen, maar kan geen woorden vinden.
Ze glimlacht. Tanden die altijd mooi zullen blijven. ‘Zeg niets,’ zegt ze zacht. ‘Voel.’ Ze legt haar hand op de mijne.
Ik voel haar huid, haar warmte, ruik haar geur, het fruit, hoor de vogels, de rivier en de wind.
Humphrey is terug. ‘Gaan we?’ vraagt hij.
De vrouw trekt haar hand terug.
‘Dank u. Voor alles,’ is het enige wat ik kan uitbrengen.
‘Ik wens jullie een goede reis. Zonder problemen,’ zegt de vrouw.
‘Maakt u zich geen zorgen,’ zegt Humphrey.
‘Dat doe ik niet,’ zegt ze. ‘Tan bun.’
Het bos aan weerszijden van de weg is stil en onbeweeglijk.
Het afgelopen uur heb ik gereden. Daarvoor heb ik Rowan en Judy een bericht gestuurd om te zeggen dat ik veilig ben en binnenkort zal laten weten waar ik ben. Tegen Rowan heb ik ook gezegd dat hij zo snel mogelijk zijn spullen moet pakken en daarna niet meer terug moet gaan. Ik voel een rust die ik lang niet gevoeld heb en ik heb nergens pijn.
Humphreys heeft drie golets naar binnen gewerkt en een enorme rotzooi geproduceerd. Geen enkele Surinamer zou het in zijn hoofd halen om rijpe manja’s in een rijdende auto te eten. Ik probeerde de slurpende en zuigende geluiden die hij maakte, te negeren. Nu zit hij met een plastic bord vol schillen en sap op schoot. Oranje vlekken op zijn trainingsbroek. Hopeloos stuk vreten.
Eindelijk arriveren we in Albina, ooit een vakantieoord voor de welgestelden uit Paramaribo. Het lijkt op een buitenwijk van Paramaribo. Oprukkend oerwoud langs de randen, bedrijvigheid in de straten, enkele nieuwe huizen, maar vooral oude, die toerisme uit de hoofdstad, desinteresse, gewapende strijd, economische crises en de zoektocht naar goud hebben meegemaakt.
Net als in de hoofdstad is het verval overal, maar het is treuriger. In Paramaribo koesteren we de illusie dat de welvaart ooit zal komen en er zoveel geld in de stad gepompt wordt dat ze opnieuw zal verrijzen uit de puinhopen. Zonder die waan zouden we van de stad gaan walgen.
Ik kijk naar de mensen die lopen, praten, lachen, roepen en ik weet dat ze het verval hebben geaccepteerd. De hoofdstad zal altijd voorrang hebben en er zal nooit iets over zijn voor Albina. De jongeren kennen die tijd niet waarin de koloniale huizen eruitzagen alsof ze voor altijd hun waardigheid zouden behouden en de ouderen hebben de beelden verbannen naar hun dromen.
Al snel komen we aan bij de oever van de Marowijne. Langs het water liggen korjalen met daken in verschillende kleuren en lopen mensen met zakken, kratten en dozen.
We parkeren de auto bij een kleine markt waarvan de kramen dicht op elkaar staan. Groente, fruit, kleding en de meest uiteenlopende rommel. Vanuit de auto kijken we naar de Marowijne, breed en ruig als de Surinamerivier, met aan de overkant de witte huizen van Frans-Guyana, Europees grondgebied.
Humphrey bestudeert de rivier alsof hij overweegt nog een laatste keer zijn krachten te meten met de natuur.
Ik voel me verloren. ‘Ik weet niet of het kan, Humph.’ Het was eruit voor ik er erg in had. Zo noemde ik hem toen we nog klein waren.
Hij kijkt me aan, probeert mijn gemoedstoestand te peilen. ‘Er is geen keus.’
Ik kijk naar het water. Er is altijd een keus.
‘Zie je die stroming?’ vraagt hij. ‘Net zo sterk als de Surinamerivier.’
‘Ja. Wil je het proberen?’
Hij lacht. ‘Laten we wat te eten zoeken. Ik kan niet alleen manja’s eten.’
We lopen over de markt. De kramen, de stank van de vis, de rommel op de grond, alles is net even anders dan in de stad.
Na bij een Javaans kraampje een portie bami gegeten te hebben die volgens Humphrey heerlijk was, maar volgens mij toch echt te zoet, lopen we naar de oever.
We nemen een van de vele smalle trapjes die naar de strook zand langs het water leiden. Er ligt een tiental korjalen aangemeerd die er allemaal hetzelfde uitzien: smal en verweerd, nauwelijks bestand tegen zo’n rivier. Iemand roept de prijs van de overtocht naar ons en zegt dat we niet te lang moeten wachten, omdat de stroming straks te sterk wordt.
Humphrey gaat op de stenen trappen zitten en zegt: ‘Kijk hoe hoog die golven zijn.’
Ik knik. Het voelt alsof ik aan het verdwijnen ben. Ik denk aan Mirna, aan Judy en aan Rowan.
‘Een oude kennis van mij heeft hier een garage. Ik heb hem een bericht gestuurd. Hij wil je auto overnemen.’
Het idee dat ik mijn auto hier moet achterlaten, maakt mij misselijk. ‘Ik weet het niet.’
‘Er is niet veel tijd, Henri.’
Ik vond het nooit prettig als hij me bij mijn naam noemde. Dat voelde alsof hij te dichtbij kwam. Nu maakt het me niet meer uit. ‘Dat weet ik.’
‘Zullen we het water voelen?’
‘Wat?’
‘Gewoon, even erin staan. Niet zwemmen.’
‘Oké.’
Hij stroopt zijn joggingbroek op tot boven zijn knie en schopt zijn slippers uit. Ik doe hetzelfde en volg hem naar de waterlijn. We waden het water in. Het zand voelt glibberig. Het water is koel en ruikt anders dan dat van de Surinamerivier.
We staan stil en kijken naar het land aan de overzijde.
De golven slaan tegen mijn benen.
Humphrey pakt mijn hand en glimlacht.