Hoofdstuk 6 - De handlezer
By Chris Polanen
Wat is er van jou geworden, Gladys?
Sommige mensen die naar Nederland gaan, lijken van de aardbol te verdwijnen. Ze komen niet op vakantie, vrienden en familie horen niets meer van hen, je ziet nooit meer een foto en zelfs online zijn ze onvindbaar. Het is alsof ze tijdens de eerste Nederlandse winter al bezweken en op een geheime plek onder de grond gestopt zijn, alle herinneringen aan de onfortuinlijke emigratie gewist.
En laten we eerlijk zijn, wij Surinamers die in Suriname bleven, die de barbaarse domheid van de militairen, de corruptie van de politici, de crises, de gehalveerde salarissen en lege winkelschappen hebben doorstaan, wensen hen dat eigenlijk ook toe. Zo blijft hun herinnering puur. We zullen het nooit hardop zeggen, maar we hebben het liefst dat ze voorgoed verdwijnen en niet terugkeren met hun Hollandse diploma’s, hun verhalen over vakanties, hun koophuis en hun succesvolle kinderen.
Het ergste is dat ze alles vertellen met een gedraaide tong, een Nederlands dat niet meer lijkt op dat van ons, maar ook anders klinkt dan dat van de Nederlanders. Vervloekt is de mens die niet beseft hoe hij praat.
Natuurlijk zijn er uitzonderingen, mensen die je toewenst dat ze in Nederland gelukkig zijn geworden.
Ik weet zeker dat jij die veertig winters overleefd hebt, Gladys. Je bent vrijwel zeker iemands vrouw, een moeder, waarschijnlijk zelfs een grootmoeder. Heb je het leven beter benut dan ik? Heb je beter liefgehad? Ben je erachter gekomen hoe dat moet, zonder jezelf te verliezen? Heb je meer kunnen betekenen voor je omgeving dan ik? Ben je erin geslaagd om te blijven lachen, ook als het leven je alle reden gaf om te huilen? Dan heb je, in tegenstelling tot mij, waarschijnlijk veel mensen die van je houden. Grote kans dat je twintig of dertig jaar langer zal leven dan ik en ik gun het je van harte. Je hebt anderen in die tijd vast meer te bieden.
Waarom moet ik nu pas aan je denken? Kun je je net als ik alle details nog herinneren? Ik denk het niet.
In het laatste jaar van de middelbare school zaten we naast elkaar. Je was in die jungle van hormonen, alcohol, sigaretten, feesten en gespijbel steeds mooier geworden, maar nog altijd immuun voor de avances van de dansers, de atleten en de versierders. We wisten allebei dat we met minimale inspanning zouden slagen en konden het ons veroorloven om niets meer serieus te nemen. We lachten om leraren, leerlingen, ouders, repetities, onvoldoendes en kansloze verliefdheden.
Alles veranderde toen we op een schoolfeest de hele avond dicht tegen elkaar dansten en ik mijn afscheidskus zogenaamd per ongeluk op je mondhoek liet belanden. Je lachte erom, maar na een paar dagen verzamelde ik de moed om een echte zoen te proberen. ‘Wat doe je? Je kunt helemaal niet zoenen, idioot!’ zei je, maar ik zag dat je verontwaardiging gespeeld was.
Zoenen, voelen en lachen, veel meer deden we niet, toch? En een tijdje was dat genoeg, tot het voelen steeds gretiger werd en het moment kwam dat we naakt in bed lagen. Twee maagden. Schaamte en onhandigheid in een klein bed. De eerste keer was voorbij voor ik het goed en wel besefte.
Ik leerde het steeds langer uitstellen, maar jij bleef gespannen en ik zag dat je er niet van genoot. Als ik terugdenk aan mijn knullige pogingen om je klaar te laten komen, kan ik wel huilen. Ik begon me steeds schuldiger te voelen. Omdat ik mijn lust niet kon beheersen, omdat ik je iets liet doen wat je ongemakkelijk, misschien zelfs vies vond en vooral omdat je steeds minder lachte. Het was te moeilijk om erover te praten. We stonden op, kleedden ons aan en zwegen.
Ik heb me heel vaak afgevraagd hoe onze liefde was verlopen als we elkaar later in onze levens hadden ontmoet. Hoe slecht ze ook eindigt, elke liefde leert je iets, en na afloop vraag je je af of je haar vast had kunnen houden als je die les eerder geleerd had.
Hadden we altijd kunnen blijven lachen, als we meer ervaring hadden gehad? Die vraag doet pijn, want ik heb daarna met geen enkele vrouw zo kunnen lachen als met jou.
Op de universiteit ontmoette ik jou, Mirna. We waren studenten met een hele wereld te ontdekken en tot mijn verbazing koos jij mij om dat mee te doen: een armoedzaaier die nog thuis woonde en alleen een oude bromfiets bezat. Er waren genoeg oudere mannen in je geïnteresseerd die veel meer te bieden hadden.
Je was serieus en zag overal dingen die anders konden en moesten. Er was altijd een onderwerp om over te praten, altijd weer een reden om te discussiëren. Het leek alsof je eindelijk iemand had gevonden met wie je alles kon bespreken. Ik genoot van je intelligentie en je passie om de wereld te verbeteren. Wanneer we praatten bestond de tijd niet meer en we praatten tot diep in de nacht.
Seks was geen probleem, jij was zo gulzig als ik en je genoot er net zo van.
Maar was dit ook voor jou een echte liefde? Ik heb later gezien dat wat voor de een een echte liefde is, voor de ander vermaak kan zijn, een redding of tijdverdrijf tussen twee echte liefdes in.
Na een tijdje veranderde er iets. Soms was het een blik, soms iets wat je zei, soms een beweging. Ik zag dat je je steeds meer stoorde aan mijn reactie op de problemen van ons land en aan mijn onverschilligheid. Ik ging met je mee naar studentenprotesten, maar je wist dat ik het alleen voor jou deed. Jij wilde strijden voor de armen, maar eigenlijk konden de armen mij niet veel schelen en betwijfelde ik of ze wel geholpen konden worden.
Steeds vaker zegde je een afspraak af en seks was niet meer vanzelfsprekend. Je wierp steeds nieuwe obstakels op, tot het er uiteindelijk niet meer van kwam.
Ik wist nog niet veel van de liefde, maar ik voelde dat ze me ontglipte. Je zei dat je tijd nodig had om na te denken en we zagen elkaar twee ellendig lange weken niet. Ik wist zeker dat een oudere man mijn plaats ingenomen had. Een echte man, iemand met een huis, een auto, een baan. Een van je docenten op de universiteit, een man van de wereld of juist een studentenleider met een grote bos haar, een baard en principes waarvoor alles moest wijken.
Eindelijk stemde je toe om af te spreken.
Je reed achter op mijn bromfiets mee naar Leonsberg en ik was nog nooit zo nerveus geweest. De rit leek veel langer dan normaal en ik zag huizen, bomen, gaten in de weg, zelfs zijstraten die me niet eerder waren opgevallen. Ik weet nog dat ik wenste dat ik voor altijd zo met je kon blijven rijden, je benen tegen de mijne en je lichaam tegen mijn rug als ik afremde. Ik wist dat op Leonsberg alles voorbij kon zijn.
Die steiger, verweerd en wankel, met zicht op de bocht vlak voor de monding van de rivier, was onze plek. Daar hadden we altijd gezeten en eindeloos gezoend.
Deze keer was er een halve meter afstand tussen ons. Twee planken, verweerd door zon, regen en wind. Onder ons zwommen de kutais met hun boven het wateroppervlak uitstekende ogen en kropen de krabben over de oever.
Ik rook je parfum en de rivier.
Je zei dat je in Suriname nooit zou kunnen worden wie je wilde zijn, dat de universiteit niets voorstelde en je hier geen leven op kon bouwen. Je keek me niet aan, maar hield je blik gericht op de plek waar de rivieroevers om de bocht verdwenen.
Ik wilde mijn hand uitsteken om je aan te raken, maar mijn arm leek verlamd. Het waren geen planken die ons scheidden, maar werelden.
Je woorden klonken steeds feller en hoe meer je praatte, hoe verder je van mij wegdreef. Je veegde telkens met kracht je haar uit je gezicht, alsof je vocht tegen de wind.
Alles in mij trilde en het kostte me steeds meer moeite om te luisteren naar je woorden.
Zelfs toen je zei dat het voorbij was, drong het niet tot mij door. Je was er nog, met je ogen, met je haar, met je glimlach, die ook treurig nog even mooi was. Schijnbaar moeiteloos overbrugde je de afstand tussen ons en je legde je hand op mijn arm.
Ik voelde de aanraking branden in mijn borst en wist nog niet dat ik jaren nodig zou hebben om ervan te herstellen.
Toen zei je het.
Ik kan mij vijfendertig jaar later niet alleen elk woord herinneren, maar ook de zucht die je woorden meevoerde, langs mij heen, over het water, naar de zee.
‘Ik ga met Humphrey naar Holland.’
Zes woorden kunnen een hart splijten. Zes woorden kunnen duizend vragen oproepen. De belangrijkste zouden een heel leven onbeantwoord blijven.
‘Ik voel me zo schuldig,’ zei je en ik vroeg me af of de tranen in je ogen voor mij waren of voor jezelf. Ik vraag het mij nog steeds af.
Praten kon ik niet. Ik had al mijn kracht nodig om mijn tranen tegen te houden, om op te staan en weg te lopen.
Ik reed alleen naar huis. Hoe jij thuis bent gekomen, weet ik niet. Nu pas, vijfendertig jaar later, vraag ik me dat af. Ik herinner me hoe ik mij die dag keer op keer naar de bodem van het zwembad liet zakken en besefte dat wat ik in mijn borst voelde, mensen tot moord en zelfmoord dreef. Ik wilde onder water blijven, mijn longen vol laten lopen en doodgaan. Maar een lichaam wil leven en telkens zwom het op eigen kracht weer naar het oppervlak.
Natuurlijk zouden er andere meisjes komen. Natuurlijk zou ik weer verliefd worden.
Maar Mirna, Mirna…