Hoofdstuk 8 - De handlezer
By Chris Polanen
Rowan en ik treffen onder het huis de voorbereidingen voor zijn eerste handleesworkshop. Hij kijkt naar de begroeiing achter op het erf die bijna overal hoger dan twee meter reikt. Over de planten en bomen heeft zich een dek van slingerplanten gevormd, waardoor het volledig ondoordringbaar lijkt.
‘De handleesworkshop doen we onder het huis, maar het erf moet er wel netjes uitzien,’ zegt hij. Aan de manier waarop hij naar me kijkt, zie ik dat hij zich afvraagt hoe het zover heeft kunnen komen.
Het erf wieden en opruimen is een klus die ik een jaar of tien heb uitgesteld.
Vroeger wachtte ik tot de slangen, ratten, awari’s, wespen en bijen die in het onbewoonde krot op het erf huisden, zich te dicht bij het woonhuis begaven en de vrouw met wie ik samenwoonde dreigde te vertrekken of mij lichamelijk contact te onthouden als ik er niets aan deed.
Sinds ik alleen leef, heb ik het onkruid dat opnieuw het oerwoud probeert te vormen dat ooit plaatsmaakte voor de stad, geaccepteerd. De laatste jaren zie ik zelfs leguanen die onbeweeglijk in de bomen zitten of zich traag door het gras bewegen. Ralph en Glenn probeerden me over te halen de leguanen te verwerken in een stoofpot en met vuur en gif al het andere leven te verdelgen, maar ik heb het nooit overwogen.
Van kleins af aan wordt ons geleerd de natuur te lijf te gaan, maar ik heb me altijd afgevraagd waarom je zou vechten tegen iets wat sterker terugkomt en haar evenwicht weer vindt, als het niet tijdens onze korte levens is dan wel in de eeuwigheid daarna.
Ik haal diep adem en voel bij het uitademen de weerstand verdwijnen. ‘Oké, maar we doen alleen wat er voor en naast het huisje groeit. Het stuk achter het huis ziet niemand.’
‘Dat is al een enorme klus,’ zegt hij. ‘Dit is tropisch regenwoud, man.’
‘Je klinkt als een bakra, Ropi. Tropisch regenwoud… Het is gewoon onkruid.’
‘Ropi? Ropi! Veel Surinaamse mannen hebben een bijnaam, toch?’
‘Klopt. Hij kan gebaseerd zijn op je uiterlijk. Biga, langa, buru of dogla. Of iets wat je graag eet. Sardien of apra. Of een verbastering van je voor- of achternaam.’
‘Heb jij een bijnaam?’
Ik knik. ‘Gehad. Spari.’ Ik heb de naam die een jaar of tien aan mij is blijven kleven zo lang niet uitgesproken dat hij afkomstig lijkt uit een vreemde taal.
‘Spari?’
‘Dat betekent rog. Je vader had dat bedacht. Mijn schouders waren breed, maar mijn lichaam was zo plat als een plank, met dunne armen en benen… Steeds meer mensen gingen mij zo noemen. Uiteindelijk bijna iedereen.’
‘Wat vond jij daarvan?’
Aan zijn stem die zalvend klinkt en de manier waarop hij naar mij kijkt zie ik dat ik van oom veranderd ben in patiënt, probleemgeval, of hoe hij die stumperds ook noemt die door hem geanalyseerd willen worden. Ik hoop dat hij aan mijn gezicht ziet dat ik weiger mij aan welke therapie of theorie dan ook te onderwerpen.
Wat voor zin zou het hebben om te proberen trauma’s diep in mijn ziel te helen, als ze straks met dit lichaam vol kwaadaardige gezwellen mee het graf in gaan?
‘In het begin accepteerde ik het niet. Je wilt geen bijnaam die je grote broer voor je bedacht heeft en wie wil er nou rog genoemd worden? Maar na een poosje merk je dat boos worden averechts werkt. Men gaat je dan juist zo noemen om je uit te lokken. Ik begon erin te berusten. Zoals waarschijnlijk iedereen die een bijnaam krijgt. En toen gebeurde er iets wat alles veranderde. Alles.’
Rowans houding en blik veranderen. Hij buigt zich naar mij toe en in zijn blik zie ik de gretigheid van iemand die zijn geschiedenis niet kent. Als een verloren zoon was hij afgesneden van al de verhalen, de mythes, de mysteries, de koos- en bijnamen, de ruzies, de zonden, de schandalen, de ongelukken, de ziekten en de doden. Een gat in de basis van zijn leven dat onmogelijk opgevuld kan worden, al zou ik alles vertellen wat ik weet over iedereen die ook maar iets met onze familie te maken heeft gehad. Hij zal proberen het op te vullen, alle brokstukken, sporen, foto’s, brieven, uitspraken, leugens en verzinsels erin flikkeren en pas veel later ontdekken dat de holte alles verzwelgt en nooit minder diep wordt.
Het is misschien wel twintig jaar geleden dat ik hier met iemand over gesproken heb, maar ik voel nu dat het mijn taak is hem mijn verhaal te vertellen, zonder schaamte over wat ik dacht, wat ik beter had kunnen doen of beter niet had kunnen doen.
Het voelt alsof ik een halve eeuw terug in de tijd word gekatapulteerd. Ik begin te vertellen over die jaren van zwemmen tot je longen schreeuwden om lucht en je spieren dreigden te scheuren, over elke ochtend wakker worden met pijn tot diep in je botten en over dromen van roem die slechts voor een enkeling weggelegd bleek.
Toen ik vijftien was, mocht ik na jaren zwemtraining naar de uiterst linkse baan van het zwembad verhuizen. Die baan van kampioenen, de baan waarin ooit de legendarische Anthony Nesty en zijn onverslaanbare zus Pauline zwommen, de baan waarin het geweld van de zwemmers de golven over de kant van het bad heen joeg. Natuurlijk wist ik dat het jaren zou duren voor ik ook maar in de buurt zou komen van de oudere jongens. In het begin haalden ook de meisjes mij in en dat was mijn grootste ergernis.
De allersnelsten hoopten op een beurs voor de VS, zoals Nesty ooit kreeg. Hij was de ultieme inspiratie. Als het water te zwaar werd om te verplaatsen en het leek alsof er geen bloed meer door hun armen stroomde, was het die gedachte die hen voortdreef. Als het ooit een zwemmer van Dolfijn gelukt was om goud op de Olympische Spelen te halen, waarom zou het een andere dan niet ook kunnen lukken? Dat de eerste keer een statistisch wonder was en de tweede keer simpelweg onmogelijk, durfde geen trainer, ouder of zwemmer hardop te zeggen.
Door de inflatie was het voor de meeste van onze ouders onmogelijk geworden om een studie in het buitenland te betalen. De felbegeerde zwembeurs werd een van de laatste, maar ook een van de minst waarschijnlijke wegen naar een buitenlandse universiteit.
Gelukkig heb ik die verschrikkelijke, koortsachtige droom, die je dwong meer pijn te verdragen dan je aankon, nooit gedroomd. Ik streefde ernaar mee te kunnen zwemmen met de top, niet om een tweede Nesty te worden. Trainen met de toppers van Dolfijn gaf je een bepaalde status, of je nou won of niet en bovendien was er in het Suriname van begin jaren tachtig niet veel anders te doen.
Maar dat waren niet de enige redenen om mijn lichaam elke middag bloot te stellen aan die marteling. Zo lang ik mij kan herinneren was het vanzelfsprekend dat ik Humphreys voorbeeld zou volgen. Hij was de absolute heerser van de snelle baan, de kroonprins van Dolfijn, de snelste zwemmer sinds Nesty. Voor zijn massieve spieren moest het water wel wijken. Welke jongere broer zou niet zo willen worden? Niemand vroeg zich überhaupt af of ik geschikt was voor het wedstrijdzwemmen. Ik ook niet.
Terugkijkend was die linkerbaan de laatste fase van een proces waarin de onmenselijke training lichamen voortstuwde naar een volwassenheid die anders nog jaren op zich zou laten wachten. Jongens met mannentorso’s en stoppelbaarden gedroegen zich als kleine kinderen. Meisjes met de borsten en heupen van vrouwen giechelden om alles. Al die trainingsuren keek ik onder water hoe hun lichamen bewogen en hoe de druk van het water ze liet golven. Ik raakte geobsedeerd door het verlangen om ze aan te raken. Er gingen verhalen over oudere meisjes die jongens hun borsten lieten aanraken en soms wel meer. Met de andere jonge jongens fantaseerde ik over hoe stevig of hoe zacht alles aan zou voelen, maar we wisten dat onze tijd nog niet gekomen was en dat er nog jaren van hunkering zouden volgen voor we ook maar kans zouden maken op wat dan ook.
Volgens hardnekkige geruchten had Humphrey al meerdere meisjes van de club ontmaagd. Hij praatte nooit met mij over dat soort dingen, maar ik zag wel dat hij vaak een meisje onder water aanraakte, zijn grote hand even op hun buik of rug legde en in hun oren fluisterde. Tijdens een training konden het er meerdere zijn, afhankelijk van wie er tussen het baantjes trekken door met hem aan de kant hing. Ik kon niet altijd zien wat er onder water gebeurde, maar aan de manier waarop de meisjes lachten kon ik zien dat ze genoten van zijn aandacht.
Vaak fietste hij met een meisje naar huis om pas een paar uur later thuis te komen. Ik kon geen bepaald type ontdekken dat zijn voorkeur had. Lichaamsbouw, huidskleur, lengte. Het maakte kennelijk niets uit.
Soms was er ruzie tussen twee meisjes en moest de trainer ingrijpen om te voorkomen dat ze elkaar in de haren vlogen. Als je jong bent denk je dat alle trainers hetzelfde zijn, maar terugkijkend was onze trainer ‘T. Rex’, met zijn vooruitstekende onderkaak en houterige manier van bewegen, een kettingrokende narcist die er plezier in schepte om kinderen dag in, dag uit af te beulen. Hij nam de ruziënde meisjes mee naar de bar om ze toe te spreken. Dan zaten ze beteuterd te luisteren naar zijn preek, het water druipend van hun lichamen.
Nu vraag ik mij af wat T. Rex, drie keer gescheiden met overal kinderen die niets met hem te maken wilden hebben, in godsnaam voor zinnigs kon hebben gezegd. Wat voor onzin hij ook verkondigde, hij deed het met bulderende stem en de meisjes liepen daarna als zombies terug naar het zwembad om verder te trainen.
Ik wist toen al dat Humphrey altijd de oorzaak was, maar dat T. Rex hem daar niet op aan zou spreken. Humphrey leek te veel op hem en zijn succes bepaalde het aanzien van T. Rex.
Een jaar voordat T. Rex mij toestemming gaf, begon ik met gewichten te trainen. Ik kopieerde Humphreys trainingsschema met lichtere gewichten. Ik werd wel iets sterker, maar mijn schouders, borst en armen weigerden in omvang toe te nemen. Inmiddels was ik bijna even lang als Humphrey, maar het leek uitgesloten dat ik ooit zijn spieren en snelheid zou krijgen.
En juist toen kwam er, zomaar vanuit het niets, een Amerikaanse zwemtrainer Dolfijn binnenwandelen. Een oude man met een melkwitte huid vol ontelbare bruine vlekjes, een pet en een zonnebril, die hij slechts bij hoge uitzondering af zou doen.
Niemand wist precies waarom hij naar Suriname gekomen was, maar er gingen geruchten dat hij op de vlucht was voor justitie en wat was een betere plek om onder te duiken dan een Zuid-Amerikaans land aan de rand van de economische afgrond, bestuurd door militairen die de VS als een van hun grote vijanden zagen.
Hij stond naast T. Rex tijdens de trainingen, zijn magere gestalte licht voorovergebogen, onafgebroken observerend. In tegenstelling tot T. Rex was hij niet geobsedeerd door hard en lang zwemmen. Hij analyseerde in één oogopslag de techniek van elke zwemmer: beginner of kampioen. Een voor een haalde hij ons uit het water, draaide hoofden en lichamen, bewoog armen door de lucht, vouwde ellebogen, strekte handen en boog polsen. Het gaat om stroomlijn en efficiency, herhaalde hij als een mantra, niet om kracht.
Na de training vertelde hij aan de bar over de wereld van het Amerikaanse zwemmen waarvan velen van ons droomden. ‘Een droom die vaak een nachtmerrie wordt,’ zei hij, ‘de Amerikaanse maatschappij is hard en de zwemwereld is nog harder. Er is geen ruimte om te falen, alleen om te winnen. Maar zelfs de grootste kampioenen falen in het begin.’ Hij haalde zijn schouders op en dronk in één teug een half glas Parbo leeg. ‘Mijn schouders zijn verwoest nog voor ik twintig was. Ik kan mijn armen niet hoger optillen dan dit.’ Hij hief het glas tot zijn voorhoofd. ‘Vernietig je lichaam niet. Je gaat het nog veel langer nodig hebben. Wanneer dit zwemmen nog maar een vage herinnering is…’
Hij had een videorecorder meegenomen en liet ons een filmpje zien van de Amerikaanse rugslagzwemmer David Berkoff, die 35 meter onder water zwom met de zogenoemde dolphin kick.
Ik keek naar het lichaam dat onder water alle anderen voorbijschoot. Het leek niet menselijk. Hoe kon een mens zo lang zijn adem inhouden, zo snel onder water zijn en daarna genoeg adem over hebben om een race te winnen?
De Amerikaan verzekerde ons dat dit de toekomst was en dat de dolphin kick ook bij de vrije slag en de vlinderslag belangrijk zou worden. Als je het op de juiste manier deed, was je onder water sneller dan boven water.
Ik zag T. Rex en Humphrey blikken vol spot uitwisselen. Ze hielden hun lachen in, maar toen de Amerikaan weg was, barstten ze los. Ze zetten het onderwater zwemmen weg als iets voor freaks, zwemmers die boven water gefaald hadden en het onder water probeerden.
Ik durfde er niets tegen in te brengen.
De volgende dag zou de Amerikaan een laatste training geven waarin hij ons de onderwatertechniek zou leren. Het was beschamend hoe weinig zwemmers er kwamen opdagen. Humphrey en alle oudere jongens waren afwezig, T. Rex hing aan de bar en kletste met vrienden.
Het leek de Amerikaan niet te deren. ‘Verandering is niet makkelijk,’ zei hij. ‘Sommigen zullen het accepteren, anderen niet.’
Hij had het over core strength en spine flexibility, begrippen die we nooit eerder gehoord hadden. Het meeste zou ik pas veel later begrijpen, maar die dag deed ik mijn best om de golvende beweging onder water te maken en tot mijn verbazing was ik sneller dan de anderen.
Hij riep me bij zich en vroeg waarom iedereen mij Spari noemde. Toen ik het uitlegde, glimlachte hij en zei dat mijn lichaamsbouw perfect was voor de onderwatertechniek.
Sommige momenten in je leven vergeet je nooit. ‘Doe je zwembril af,’ zei hij. Met een snelle beweging deed hij zijn zonnebril af en boog zich naar mij toe. Ik keek in een linkeroog dofblauw als een dode vis en een rechteroog helderblauw als een edelsteen. ‘Blijf dit oefenen en je verandert van een stingray in een manta ray. Een heerser in het water. Geloof me.’
We denken altijd dat succes het gevolg is van aanleg en training, maar dat is niet voldoende. Je hebt iemand nodig die in je gelooft. Iemand die in je ogen kijkt en iets ziet wat de moeite waard is, al is het nog zo klein, al is het nog lang niet uitgekristalliseerd, al is het maar een flikkering, al is het maar schijn.
Misschien word ik sentimenteel nu ik weet dat mijn einde nadert. Dat laatste vertel ik niet aan jou, Rowan, maar wel dit: mijn hele zeventienjarige leven had nog nooit iemand mij het gevoel gegeven dat ik de moeite waard was en nu een buitenlander dit deed, een Amerikaanse zwemtrainer nog wel, was het alsof de god van het zwemmen had besloten dat mijn tijd gekomen was en een profeet stuurde om mij te helpen.
Ik sloot mij aan bij de meest ambitieuze zwemmers die niet alleen ’s middags, maar ook ’s ochtends voor school trainden. Als zombies kwamen ze aansjokken, rekten zich uit, wreven in hun ogen en doken met de slaap nog in hun lijf het koude water in. Ik deed geen poging ze bij te houden, mijn training vond onder water plaats.
Een vader van een zwemmer die trainde voor een beurs in de VS, vroeg mijn vader ooit of hij wist wat voor gekke dingen ik tijdens de ochtendtraining deed. Ik zou niet de eerste zwemmer zijn met psychische problemen. Een van onze meest veelbelovende zwemmers in de VS had zelfmoord gepleegd, een andere had zichzelf doodgereden.
Mijn vader antwoordde dat ik beter onder water kon zwemmen dan zuipen en drugs gebruiken. Ik denk niet dat het hem veel interesseerde wat ik deed, zolang hij er maar geen last van had.
Humphrey lachte smakelijk toen hij het hoorde. Hij zei dat ik een echte rog probeerde te worden, maar dat hij toch altijd sneller zou zijn.
Ik stoorde me niet meer aan mijn bijnaam, zelfs niet als Humphrey mij zo noemde, ik wilde een rog worden waarmee iedereen rekening moest houden.
Af en toe schreef ik de Amerikaan over mijn vorderingen en hij stuurde mij adviezen en extra oefeningen. Mijn start en keerpunten gaven mij een steeds groter voordeel, maar ik kwam nog niet in de buurt van de grote jongens. Niemand had door hoe snel mijn progressie was, iedereen focuste op Humphrey. De dolphin kick noemden ze Amerikaanse onzin.
Surinamers willen de dingen op hun eigen manier doen, ook als het duidelijk is dat de manier van de Nederlander of Amerikaan efficiënter is. Meer dan eens heb ik goed advies uit de VS en Nederland verworpen en nu pas besef ik waarom. Toegeven dat we fout bezig zijn is in feite onmogelijk, omdat de trots op onze eigen dingen het enige is wat we hebben. Als we dat kwijtraken, hebben we niets meer.
Na een jaar onder water trainen werd ik steevast tweede achter Humphrey. Hoe groot de voorsprong ook was die ik bij de start en de keerpunten onder water nam, hij haalde mij altijd in. Hij was inmiddels twintig, sterker en sneller dan ooit. Ik was tevreden met mijn tweede plaatsen. Ondanks de woorden van de Amerikaan, geloofde ik nooit dat ik Humphrey zou kunnen verslaan.
Sommige zwemmers probeerden mijn techniek te kopiëren, maar ze misten de kennis die ik had en hun trainers ontmoedigden het. Ze gaven het snel weer op.
En toen kwam die gewone zondagochtend in de droge tijd. De meeste bijzondere dagen beginnen als gewone dagen, toch? Je wordt wakker, je stapt uit je bed, kijkt naar buiten en hebt geen idee dat wanneer je er ’s avonds weer in stapt, alles anders zal zijn.
Wedstrijden in Oase, de club van die arrogante assholes van Zorg en Hoop. Als ik terugkijk, waren ze trouwens niet arroganter dan wij van Paramaribo-Noord, maar de huizen daar leken groter en luxueuzer. De hele omgeving ademde een klasse die wij leken te ontberen.
Ik was de jongste zwemmer die meedeed met de 100 meter vrij, open klasse. Ik startte in baan 4, Humphrey in baan 5 rechts van mij. Een vijfentwintigmeterbad, dus drie keerpunten, allemaal in mijn voordeel.
Op het startblok hoorde ik hem diep ademhalen, alsof hij niet voldoende lucht kreeg. Hij had niet lang daarvoor de 100 meter vlinder gezwommen. Hij zwom altijd beide nummers, hoe dicht ze ook op elkaar zaten, en hij won ze altijd.
De wedstrijd begon normaal. Ik schoot de eerste 10 meter onder water weg, Humphrey en de anderen zwoegend boven mij achterlatend en na het eerste keerpunt vergrootte ik mijn voorsprong.
In die tijd was er op de eerste 50 meter niemand meer in Suriname die mij bij kon houden. Ik was een rog geworden, gestroomlijnder dan de snelste zwemmers boorde ik mij door het water heen. In mijn leven is er later weinig geweest, misschien alleen heel goede seks, dat zo heerlijk voelde. Natuurlijk kwamen de spierbundels uiteindelijk dichterbij, boven water kwam ik nog kracht tekort. Tijdens de derde baan doken er een paar naast mij op, maar dat was ik gewend, ik wist ze altijd net voor te blijven. Humphrey was de enige die mij een meter of vijf voor de finish in een golf van overmacht voorbijschoot.
Maar die dag niet. We tikten tegelijk aan en terwijl het water tegen de kant aan klotste, keken we elkaar aan, verbaasd de ander op hetzelfde moment bij de finish te treffen. De minuten waarin de officials hun stopwatches vergeleken leken een eeuwigheid te duren.
‘Henri heeft gewonnen,’ hoorde ik. Welke Henri? schoot door mijn hoofd. Dat was nooit de bedoeling geweest. Ik wilde alleen maar even snel zijn, niet sneller.
Ik hoop dat wat nu volgt geen schok is voor je, Rowan. Misschien zie je je vader als de grote zwemkampioen en heeft hij je nooit verteld dat zijn jongere broer hem na die dag steeds vaker versloeg. Dat zou me eigenlijk niet verbazen.
Tijdens die race had ik de orde der dingen verstoord en we hadden allebei geen idee hoe we daarmee om moesten gaan.
Je vader rukte zijn zwembril af. Ik had hem nog nooit zo zien kijken en nu weet ik dat het angst was. Angst om alles kwijt te raken. Zijn reputatie, zijn toekomst, zijn mannelijkheid. Een angst die zich had opgebouwd in die jaren dat hij mij sneller had zien worden en die hij gevoeld moet hebben toen het hem steeds meer moeite kostte om me in te halen. Ik begrijp nu dat geen enkele jongen in zijn positie met die angst om zou kunnen gaan. Want ondanks alle kracht en machtsvertoon was je vader natuurlijk nog een jongen, een die er al zo lang in geslaagd was om dat te verbergen dat hij het zelf vergeten was.
En juist omdat ik mij niet kon voorstellen dat hij bang voor mij was, deed ik, naïeve stommeling die ik was, een poging om hem te omhelzen, zoals clubgenoten doen als de een de ander verslaat. Hij dook onder mijn armen door en zwom naar de trap.
Nu ik erover nadenk, realiseer ik me dat hij mij daarna nooit meer heeft aangeraakt, zelfs niet spelenderwijs.
Daar, in het nog naklotsende water van Oase, begon de strijd die alles zou vernietigen. Ik vraag me af wanneer de tijd rijp is om je daarover te vertellen, want jij bent uit die strijd ontstaan. Dat zou vreemd zijn om te horen, maar ja, een mens kan niets veranderen aan de omstandigheden waarin hij verwekt is.
Is de liefde niet altijd een strijd, worden er niet altijd regels overtreden en zijn er niet altijd verliezers? Wie weet welke beloftes zijn ouders deden, welke leugens ze vertelden en welke harten ze braken, voordat ze ouders werden? De slachtoffers verdwijnen stilletjes in de geschiedenis en vervagen snel. Contact met de kinderen van de hartenbrekers hebben ze niet. Ik ben zo’n slachtoffer en het is me niet meer gelukt om iets van mijn leven te maken. Met mijn einde in het vooruitzicht heeft het geen zin meer om mijzelf voor de gek te houden en als ik eerlijk ben, zo eerlijk dat het pijn doet, zie ik een leven dat klein en beperkt bleef.
‘Wat geweldig om dat allemaal te horen. Mijn vader heeft mij wel verteld dat hij een hele goede zwemmer was, maar nooit iets over jou. Nu begrijp ik waarom. Weet je, ik was trouwens ook zo plat, toen ik jong was. Daarom ben ik met gewichten gaan trainen.’
‘En dat heeft geholpen. Je lijkt op je vader toen: een en al spieren. Oké, Ropi. Aan de slag.’ Ik haal houwers, schoppen, een tjap en een zaag uit het rommelhok. Het is een verzameling oud roest, maar sommige snijvlakken ogen nog scherp.
Rowan sluit zijn hand om het heft van een houwer en zwaait ermee door de lucht.
Ik kan zien dat hij voor het eerst zo’n groot mes vasthoudt.
Er verschijnt een brede grijns op zijn gezicht. ‘Ja… laten we het doen! Jij begint links, ik rechts.’ Vol enthousiasme stort hij zich op de wirwar van planten.
Met tegenzin pak ik een andere houwer en doorklief een manshoge stengel die grote hartvormige bladeren draagt. De plant valt als een gevelde boom. De bladeren schuren langs de omringende begroeiing en blijven er verfomfaaid overheen liggen. Ik kijk naar het sap dat uit de stomp lekt. Dan haal ik weer uit en vel drie stengels tegelijk. Ik kap door de slingerplanten en wrik ze los, kleiner onkruid trek ik met wortel en al uit de grond.
Onder de begroeiing komt er van alles tevoorschijn. Zinkplaten, planken, softflessen, bierblikjes, plastic zakken, een slipper, resten van een T-shirt.
Tegen het huisje staat de fiets van de ouwe, volledig verroest. Op die fiets reed hij de laatste jaren van zijn leven. Zijn bromfiets had hij verkocht. Hij kwam niet meer verder dan de winkels en de eethuisjes een paar straten verderop. De fiets, piepend en rammelend, voldeed, tot zijn knieën het begaven.
Naast de fiets zie ik iets liggen wat ik niet direct thuis kan brengen en ik hurk neer om het beter te bekijken. Het is het karkas van een dier. Op sommige botten zitten restjes gemummificeerde huid, maar het grootste deel van het skelet ligt bloot. Het is groter dan een rat, maar met een ronde schedel, dus geen hond of een awari. Een kat. De poten zijn naar voren en naar achteren gestrekt, als in een laatste poging om weg te rennen. Aan het einde van de staart zit een knik in de wervels.
Mijn god. Tuna.
We hadden haar genomen om de muizen weg te krijgen. Ze was donkergrijs, slank en hoog op de poten. Van Judy, met wie ik samenwoonde, moest ze niets hebben, ze was gefixeerd op mij. Ik had nooit eerder een kat gehad en vond het in het begin een vreemd beest. Vaak staarde ze me van een afstand aan, maar geleidelijk kwam ze dichterbij en wenden we aan elkaar. Op de meest onverwachte momenten voelde ik haar langs mijn benen strijken.
Van de ene op de andere dag was ze verdwenen en toen merkte ik hoezeer ik aan haar aanwezigheid gehecht was geraakt. Zonder haar, al was het slapend, opgerold in een hoekje, voelde het huis leeg. Ik praatte er met niemand over, ook niet met Judy, wie de plotselinge verdwijning koud liet. Welke volwassen man raakte gehecht aan een kat? Aan een hond misschien, maar een kat, nee, daar durfde ik niet voor uit te komen. Ik ging ervan uit dat ze overleden was, maar ik kon het niet verdragen dat ik niet wist hoe. Suriname was gevaarlijk voor katten. Honden, auto’s, jachtgeweren.
Ik heb dagen gezocht, rond het huis, in de straat, in de naburige straten. Ook in onbewoonde huizen, overwoekerd door de natuur die dwars door vloeren, muren en plafonds groeide. Als mensen mij vroegen waar ik naar zocht, zei ik dat het om een jaguarundi ging, een zeldzaam exemplaar bestemd voor de handel. Als ze wisten dat het om een gewone kat ging zouden ze me uitlachen.
Uiteindelijk gaf ik het op. Toch heb ik nog jaren later gedacht dat ik haar zag als ik ergens een donkere kat weg zag schieten.
Hoelang heeft ze hier gelegen voor ze stierf? Heeft ze pijn geleden? Heeft ze nog gemauwd, in de hoop dat ik haar zou horen?
Al die jaren, terwijl het leven voorbijgleed, lag haar lichaam hier te vergaan op nog geen 10 meter van mijn huis. Terwijl Judy haar spullen pakte, vraten de maden zich een weg door het vlees. Terwijl mijn moeder op haar sterfbed lag, waste de regen de botten schoon.
Ik ga weer rechtop staan, knipper mijn tranen weg en sluit mijn vingers om het heft van de houwer. Met al mijn kracht doorklief ik alles wat groeit. Het voelt goed en ik kap door. Ik heb het laten groeien en ik eis het terug. Deze bladeren, dit vocht, deze wortels, dit alles neem ik mee de dood in.
‘Henri! Henri!’
De stem komt van ver. De stem van Humphrey. Komt hij afscheid van mij nemen voor ik doodga?
Nee, nee. Het is Rowan.
Ik sta stil en voel het zweet over mijn lichaam stromen. De lucht die ik inadem is te heet, ik krijg niet genoeg zuurstof. Hijgend buig ik voorover. Mijn rechterarm is verkrampt en de houwer valt uit mijn hand.
‘Jezus, Henri. Stop!’ Rowan slaat een arm om me heen en ondersteunt me naar de stoep voor het huisje. ‘Ga even zitten.’ Hij loopt haastig weg en komt terug met een glas water. Terwijl ik het leegdrink, kijkt hij naar wat ik gedaan heb. ‘Je ging als een razende tekeer. Het is helemaal kaal…’