Hoofdstuk 9 - De handlezer
By Chris Polanen
‘Regel één is de verwachtingen bijstellen,’ had Rowan vooraf gezegd. ‘Het handlezen strippen van de zigeunerverhalen en de spirituele bullshit. Het is niets anders dan een diagnose stellen met heel veel bouwstenen en om die te herkennen is jaren oefening nodig.’
Ik geloofde er niets van, maar ik knikte serieus. Dit was zijn grote passie. Te vaak had ik mensen uitgelachen om hun bezigheden. Als ik het over kon doen zou ik iedereen laten doen wat hen gelukkig maakte, ongeacht of het nou zinvol was of niet. Trouwens, bijna alles in het leven waarvan je ooit dacht dat het zinvol was, bleek het achteraf niet te zijn.
Rowan heeft tafels in rijen van twee opgesteld met daarop vergrootglazen, tekeningen van handvormen, lijnen in de handen en vingerafdrukken. Voor zichzelf heeft hij een tafel voorin geplaatst met dikke naslagwerken uit Nederland.
Hij loopt tussen de tafels door. Een laatste controle.
‘Ben je nerveus?’ vraag ik.
‘Nee, hoor. Ik heb dit al vaak gedaan.’
‘Kunnen er geen handen tussen zitten die je niet kunt lezen?’
Hij lacht. ‘Er zijn makkelijke en moeilijke. Maar nu beginnen we gewoon met de basis. Wil je meedoen?’
Ik twijfel.
‘Kom er gewoon bij zitten. Kijk maar wat je ervan vindt. Vind je het niks, kun je ertussenuit glippen.’
Ik zou liever op het balkon gaan zitten en de krant lezen, maar ik wil niet ongeïnteresseerd lijken. ‘Oké.’
De deelnemers zijn, op één jongeman na, allemaal vrouw. Van twintigers tot ver in de zeventig. Er zijn nog nooit zoveel mooie vrouwen onder het huis geweest, dat is zeker. Ook niet tijdens verjaardagen die gevierd werden toen ik nog dacht dat ik met Judy een gezamenlijke vriendenkring moest opbouwen. We ontvingen stellen waarvan we meestal slechts één persoon leuk vonden en we probeerden ons niet te ergeren aan de macho, flapdrol, roddeltante of feeks die mee was genomen.
Rowan verwelkomt de dames bij de poort en stelt zich voor.
Ik begeleid ze naar hun tafels. Vanaf het moment dat de eerste deelnemers arriveren zie ik Rowan veranderen. Hij lijkt langer, spreekt met een stem die zwaarder klinkt.
Zelf maak ik mij juist iets kleiner, ik spreek zacht en glimlach de dames geruststellend toe.
Als iemand mij een maand geleden deze situatie had voorspeld, zou ik in lachen uitgebarsten zijn en had ik er een paar scheldwoorden aan toegevoegd.
Rowan geeft de workshop met het charisma van een filmster. Hij laat regelmatig zijn eigen handen zien als voorbeeld en houdt handen van dames omhoog om onderlinge verschillen te laten zien. Je kunt zien dat hij het al vaak gedaan heeft.
Ik voel hoe ik meegevoerd word in een andere wereld. Misschien schuilt er toch iets van waarheid in dit alles, maar een diagnose stellen, een hele karakterschets, dat lijkt onmogelijk.
De informatie is te veel om in één keer te verwerken. De verschillende typen handen, vingerafdrukken, lijnen in de palm, de lengte van de vingers, de flexibiliteit.
‘De duim is de vinger van de wil. Is je duim lang en onbuigzaam, dan heb je een sterke wil die niet te beïnvloeden is. Maar het omgekeerde geldt voor een korte buigzame duim. Als je je duim naar achteren kunt buigen en bijna dubbel kunt vouwen, vraag jezelf dan af of je wel nee kunt zeggen als iemand wat van je verlangt.’
Kreten van verbazing onder deelnemers wiens duim geen millimeter naar achteren buigt of juist zo soepel als rubber is.
Ik kan mijn duim niet naar achteren buigen, hoe hard ik ook duw.
‘Niets is goed of slecht, vergeet dat niet,’ zegt Rowan en hij laat een stilte vallen.
‘Als je duim niet buigt, kun je door je sterke wil veel bereiken. Als hij wel buigt kun je juist door je flexibiliteit veel bereiken.’
Op sommige momenten lijkt het wel magie. ‘Kijk naar de lijn die verticaal onder je ringvinger loopt. Dat is de lijn van de zon of de gelukslijn. Die geeft aan of je je gewaardeerd voelt voor wat je doet. Dan is de lijn duidelijk en diep. Als hij zwak of afwezig is, heb je het gevoel dat je niet gewaardeerd wordt.’
Ik zie geen gelukslijn in mijn hand.
Geroezemoes onder de dames.
Rowan loopt glimlachend tussen de deelnemers door, geduldig alle gelukslijnen nalopend. Hij lijkt op een profeet of een goeroe. De dames luisteren gefascineerd en staren naar hun handen.
Eén vrouw blijft zitten, terwijl alle anderen afscheid nemen van Rowan en vertrekken. Ze is lang, slank en ze heeft een afro, een prachtige grote afro, zoals ik ze ken uit mijn tienerjaren, maar daarna nooit meer gezien heb. Ze zit gebogen over de stencils met tekeningen van handen en uitleg over de lijnen. Af en toe kijkt ze naar haar handpalmen alsof ze ze voor het eerst ziet.
Als de laatste deelnemer de poort uit is, loopt Rowan naar haar toe en gaat tegenover haar zitten.
Ze glimlacht verlegen, strijkt met een hand door haar haren en vraagt iets, maar ik kan niet horen wat.
Rowan knikt en pakt haar hand.
Ik zie hoe haar schouderspieren spannen.
Hij kijkt in haar palm en strijkt met zijn vinger over de lijnen. Dan kijkt hij haar aan met een blik die ik nog nooit gezien heb. Hij lijkt in haar te kijken.
Ze recht haar rug, lijkt de afstand tussen hen te willen vergroten.
Hij begint te praten, net niet hard genoeg voor mij om hem te verstaan. Terwijl hij haar hand nog vasthoudt, gebaart hij met zijn andere hand, wijst naar haar, zijn vinger afwisselend op haar hoofd en op haar borst gericht. Af en toe verheft hij zijn stem en dan hoor ik: ‘Jij kunt het. Jij moet het doen.’
Ik zie tranen in haar ogen verschijnen. Ze probeert ze weg te vegen voordat ze over haar wang kunnen rollen, maar het lukt niet.
Rowan glimlacht. De glimlach van zijn moeder. Eindelijk laat hij haar hand los en hij veegt met een vinger de tranen van haar gezicht. Zorgzaam, als een vader.
Ik hou mijn adem in.
Ze zucht. Knikt. Probeert te glimlachen.
Ze staan op, hij loopt om de tafel heen en omhelst haar.
Ze legt haar hoofd op zijn schouder en knijpt even haar ogen dicht.
Wanneer ze ze opent lijkt er een last van haar afgevallen. Ze laten elkaar los en ze wrijft over haar gezicht alsof ze het weer in de plooi wil krijgen. Dan pakt ze een pen van tafel, schrijft wat op een papiertje en geeft het aan Rowan.
Hij sluit zijn hand eromheen zonder ernaar te kijken en loopt met haar mee naar de poort.
Bij het afscheid legt ze haar hand even op zijn arm.
Hij glimlacht en lijkt ineens verlegen.
‘Dat was emotioneel,’ zeg ik.
‘Soms is dat niet te voorkomen.’
‘Ze leek erg opgelucht.’
‘Een handlezer, een goede handlezer, kan objectief analyseren en advies geven.’
‘Net als een psycholoog?’
‘Ja, maar ik hoef niet maanden te praten over iemands jeugd. Ik zie het direct in de hand. Dingen die iemand zelf niet ziet.’
‘Je leek zo zeker van je zaak. Twijfel je nooit?’
‘Soms. Sommige handen zijn moeilijk te lezen. Die van haar waren makkelijk.’ Hij kijkt vertederd.
‘Ga je haar bellen?’
‘Ik weet het niet.’
‘Het is een mooie vrouw… Ze vindt je leuk.’
‘Ze is heel aantrekkelijk…’
‘Maar?’
‘Het ligt gevoelig.’
‘Je begint geen relaties met… studenten, bedoel je?’
‘Zoiets ja, maar ja. Soms is de verleiding groot.’
‘Zoals bij haar?’
‘Ze is niet alleen mooi, maar ook grappig… slim.’
Ik lach. ‘Je hebt toch niet alleen maar problemen in haar hand gezien.’
‘Nee, ik zie alles. Ook seksualiteit.’
‘Jezus… Dat maakt de verleiding nog groter, toch?’
‘In dit geval, ja…’
‘Wie zegt dat een handlezer geen relatie mag beginnen met een student?’
‘Niemand. Maar…’
Ik knik. ‘Je maakt het wel erg zwaar. Je kunt rustig beginnen… elkaar leren kennen.’
‘En dan?’
‘En dan kijken hoe het loopt.’
‘Ik weet al hoe het zou lopen.’
‘Echt?’
‘Tussen types zoals wij.’
‘Ik denk dat jullie goed bij elkaar zouden passen.’
‘Misschien.’
‘Ik weet natuurlijk niet wat je zoekt in een vrouw.’
Hij grinnikt. ‘Denk je dat ik dat weet?’
‘Op jouw leeftijd wist ik dat nog niet, maar jij toch wel?’
Hij kijkt naar zijn handen. ‘Ik ken mijn valkuilen, maar ik trap er nog wel in.’
‘Dat je ze kent is al heel wat.’
‘Ach, ja… Weet je dat iedereen dacht dat je mijn vader was? “Wat lijk je op je vader,” zeiden ze.’
‘Een beetje gelijkenis is er natuurlijk.’
‘Het is meer dan een beetje, volgens mij.’
‘Ik zie je vader en je moeder in je.’
‘Natuurlijk, maar jij lijkt op mijn vader.’
‘Dat valt wel mee.’
Broers zien alleen maar hoe ze van elkaar verschillen. In het ergste geval versterken en vergroten ze de verschillen tot een natuurlijke kameraadschap vervangen is door een strijd op leven en dood.
Weten ouders wel hoe gevaarlijk rivaliteit tussen broers is? Jij wist het volgens mij wel, Ma. ‘Zwemmen is niet het belangrijkste,’ zei je. ‘Jullie moeten elkaar steunen in het leven.’ Jij wist het niet, Pa. Je zei dat Humphrey zich moest schamen als ik van hem won. Big for nothing, noemde je hem en dan zag ik hem ineenkrimpen. En zoals altijd woog jouw mening zwaarder, Pa.
We dachten dat we van jou moesten leren hoe we sterke mannen moesten worden.