Hoofdstuk 10: Huilend in vliegtuigen - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Ik klem mijn handen ineen op mijn schoot op stoel 32E op vlucht 987 van Italia Trasporto Aereo naar Milaan. Toen ik de luchtvaartmaatschappij belde om de vlucht te boeken, leverde ik oom Louies ticket in en gaf tante Lil de terugbetaling. Ik vroeg haar of ze mijn plan geheim wilde houden, en daar stemde ze mee in. Ik doe mijn best om dapper te zijn. Ik verman me, omdat ik weet dat oom Louie zou willen dat ik deze reis maakte.
In de toeristenklasse zijn aan weerszijden van het looppad drie stoelen. Ik zit op de middelste stoel van de achterste rij aan de rechterkant van het vliegtuig. Uit de pantry achter me komen de geuren van kantinestoofschotel en warme koffie gedreven. Het zijn vreemd troostende geuren, als een etentje waar de gasten zelf een gerecht meebrengen in het souterrain van de kerk. Boven ons hoofd zijn een paar leeslampjes aan, verspreid door de toeristenklasse als een streng met kapotte kerstverlichting.
Links van me, op de stoel naast het looppad, zit een zenuwachtige man en op de stoel bij het raampje zit een zweterige vrouw geperst, met aan haar voeten een grote handtas, een oversized reistas en een papieren zak volgepropt met alles wat niet in de andere twee tassen paste.
Nu ik plotseling alleen ben, met genoeg afstand tussen mijn woonplaats en mij, ben ik vrij. Ik voel tranen op mijn gezicht. Ze bevriezen als ze in contact komen met de koude cabine, waardoor mijn huid gaat jeuken, maar dat maakt niet uit, want ik huil eindelijk! Ik herinner me wat dokter Raymond zei toen ik met hem zoomde. ‘De reden waarom je niet kunt huilen is omdat je woest bent. Als je begrijpt hoe zwaar alles is wat je hebt verloren, waaronder ook je oom, dan kun je loslaten.’ De dokter had gelijk!
Ik wrijf in mijn ogen, maar de tranen blijven stromen. Door mijn glasachtige tranen kijk ik langs de rijen passagiers. Heeft iemand anders in de economyclass ook een zenuwinstorting? Een lange vlucht is net als de kerk, met name als je op een kerkbank vast komt te zitten tussen mensen die je nog nooit hebt gezien. Ik stort in te midden van een zee onbekenden met een gordel om. Ik heb zeven uur de tijd, bewegingloos op deze stoel, om mijn geweten te onderzoeken; het is niet alleen een vliegtuig, het is een biechthokje dat met de snelheid van het geluid vliegt.
Ik zoek in mijn zakken naar een papieren zakdoekje. Dat kan ik niet vinden, dus haal ik het stoffen slaapmasker uit het reissetje en huil erin. Morgen word ik vierendertig. Ik ben zo oud dat als ik een fossiel was, archeologen mijn leeftijd zouden moeten bepalen aan de hand van koolstofdatering. De tranen stromen terwijl ik naar adem hap om het verlies van mijn jeugd. Ik kan niet ademen, ik ben een antieke ruïne, en mijn leven ligt volledig in puin! Ik zit in een stijve houding, probeer zo min mogelijk ruimte in te nemen, gebruik de armsteunen niet, probeer niemand tot last te zijn, maar hoop juist dat ik in de middelste stoel zal verdwijnen. Ik tik op het schermpje op de rugleuning voor me om te zien hoelang de reis nog duurt. Nog uren te gaan. Ik huil om Groenland. Voordat ik in dit vliegtuig stapte, kon ik Groenland niet aanwijzen op de kaart. Ik ga met mijn vinger over de kaart op het schermpje, terwijl de tranen over mijn wangen biggelen, en dan voel ik een hand op mijn arm.
‘Kom eens mee,’ zegt de steward.
‘O nee, wat heb ik gedaan?’ Kan een passagier er boven de oceaan uitgezet worden? Vliegen ze terug?
‘Er is niks aan de hand,’ stelt hij me gerust. ‘Hebt u iets in het bagagevak boven uw hoofd gestopt?’
Ik schud mijn hoofd van nee. Ik schaam me ervoor dat ik niet kan ophouden met huilen.
‘Is dat uw tas?’ De steward wijst naar de donkerblauwe leren totebag die ik een week geleden bij T.J. Maxx heb gekocht en die onder de stoel voor me ligt.
Ik knik.
‘Neem die maar mee,’ zegt hij.
Ik maak mijn gordel los. De zenuwachtige passagier op de stoel naast het looppad staat op en leunt naar achteren, zodat ik erlangs kan. Ik loop achter de steward aan naar de pantry aan de voorkant. De stewardessen hebben de gordijntjes dichtgetrokken, hij schuift ze opzij om me naar binnen te laten en doet ze dan weer dicht. Hun werkplek is felverlicht, waardoor mijn gezwollen ogen prikken.
Hij vouwt een papieren servetje open en geeft het aan me om mijn tranen af te vegen. Op zijn koperen naamplaatje staat in glanzende letters: L. ANGELINI. Die hoort blijkbaar tot mijn stam.
‘Bent u ziek?’ vraagt hij.
‘Nee. Maar ik heb alles verloren.’
Hij glimlacht vriendelijk. ‘U moet naar een andere plek. Ik heb er maar één beschikbaar: in de first class.’
‘Dat kan ik niet betalen.’
Hij kijkt naar de stewardessen, die druk bezig zijn de maaltijdwagentjes voor te bereiden. Ze zeggen niets, maar uit hun gezichtsuitdrukking spreekt geamuseerdheid. ‘U vliegt zeker niet zoveel?’
‘Dit is mijn eerste reis naar het buitenland.’
‘Zodra het vliegtuig is vertrokken, nemen wij de beslissingen.’
‘Misschien wil iemand anders wel verhuizen?’ Ik huil in het servetje. Hij geeft me er nog een.
‘Ik heb nog nooit een passagier gehad die minder graag een stoel in het midden wilde opgeven,’ zegt meneer Angelini.
‘Voor alles is een eerste keer.’ Een blonde stewardess met een vriendelijke, helderwitte glimlach knipoogt naar me. ‘Neem het aanbod maar aan, liefje.’
‘Maar ik vind het niet erg om op de middelste stoel te zitten. Echt niet.’
‘Ik raad u aan om in de first class in te storten,’ zegt ze. ‘Daar kunt u huilen tot uw tranen op zijn.’
‘En de mensen hebben geklaagd,’ fluistert meneer Angelini. ‘Dus u begrijpt waarom ik u moet verplaatsen. Kom mee.’
Vernederd loop ik achter meneer Angelini aan door het tweede stel gordijntjes. Vooraan in het vliegtuig ruikt het, anders dan achterin, naar lelies en champagne. Hij brengt me naar de eerste rij, naar een first class-stoel. Het is een iets schuin geplaatste space age-stoel. Een wit donsdekbed en kussen liggen op de leren zitting. Ik schuif ze opzij en ga in de hightech cocon zitten. Ik rits mijn totebag open en pak er Een kamer met uitzicht uit. Meneer Angelini pakt mijn tas en legt hem in een compartiment in de cocon.
‘E.M. Forster? Wat? Geen Kristin Hannah?’ zegt hij grappend.
Meneer Angelini geeft een toelichting op de menukaart. Op het eerste gezicht zie ik lendenstuk, tortellini, caprese-salade en gepocheerde peertjes, en nog allerlei andere heerlijkheden. Hij laat me de filmlijst zien en hoe ik de headset moet gebruiken. Hij legt uit hoe ik met de afstandsbediening een bed kan maken van de zachte leren stoel. Hij rolt het privacyscherm op zijn plek.
‘Nu kunt u rusten,’ zegt hij vriendelijk.
Voor iemand die in toeval gelooft, dat is dit níét. Il destino. Ik leun achterover en druk op het knopje om de voetensteun omhoog te doen. Ik doe het rolgordijn open en kijk in het licht. Zo ver als ik kan zien alleen een oranje zon en roze wolken. Het lijkt wel het landschap van een fresco van Tiepolo. Er komt een kalmte over me. Is het mogelijk om zo ver van New Jersey weg te vliegen dat het verleden geen beslag meer op me kan leggen?
‘Weet u het zeker?’ Ik ben er niet aan gewend om in de watten gelegd te worden.
‘Graag gedaan.’ Hij leunt naar voren zodat alleen ik het kan horen. ‘Als u alles verloren hebt, kan het universum op zijn minst eerste klasse leveren.’ Hij draait zich om.
‘Meneer Angelini? Dank u wel.’ Ik ben deze vriendelijke onbekende heel erg dankbaar.
‘Noem me alstublieft Louie.’
Ik deins terug. ‘Niet te geloven.’
‘Laat me raden: zo heet uw vader?’
‘Nee. Mijn beste vriend.’
Louie Angelini glimlacht. ‘Iedereen kent een Louie. Is dit uw eerste reis naar Italië?’
‘Is het zo duidelijk?’
‘Er staat u een transformatie te wachten.’ Louie grinnikt en loopt weg.
Dat hoop ik dan maar. Heb ik te hoge verwachtingen gekweekt van Italië? Dat legt wel heel veel druk op een land dat het thuis moet worden van een vrouw zonder thuis. Maar ik herinner me mijn voorouders. De Caps en de Baratta’s redden het goed toen hun de ergste dingen overkwamen. Ze waren onverwoestbaar, en misschien ontdek ik wel dat ik dat ook ben.
De stewardess met de witte glimlach verschijnt en biedt me een glas champagne aan met de kleur van een zijden kous. Ik bedank haar, sla het dekbed om me heen en leun achterover.
‘Cent’anni.’ Ik hef mijn glas tegen niemand en neem een slokje. Ik heb een beschermengel, of misschien heten alle goedmoedige, imperfecte mannen op deze wereld toevallig Louie.