Hoofdstuk 12: Het uitzicht vanaf het hoofd van Maria Beatrice - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Ik stap uit het bad van mijn dromen en sla een handdoek om me heen.
Ik doe de kastdeur open. De nieuwe kleren die ik heb meegenomen naar Italië hebben elke kleur behalve zwart, onbewust bewijs dat ik een nieuwe start wil, de kelder uit en het licht in! Terwijl ik me aankleed denk ik terug aan die keer dat oom Louie en ik naar het audioboek Walden luisterden. Thoreau schreef: ‘Hoed je voor alle nieuwe ondernemingen waarvoor je nieuwe kleren nodig hebt.’ Oom Louie vond Thoreau een tikje cru (‘Wie is er nou niet dol op een knappe nieuwe outfit?’ zei hij), maar ik vond dat er wel iets in zat. Ik had alleen maar nieuwe kleren ingepakt, dus ik ben van plan om elke onderneming waarvoor ik ze nodig heb enthousiast aan te gaan, om te beginnen mijn eerste Italiaanse diner met Conor. Een nieuwe start betekent per slot van rekening dat alles nieuw moet zijn, niet alleen mijn houding.
Ik loop naar Conor, die op de piazza met Angelo staat te praten.
‘Je lijkt niet op de vrouw die ik hier een uur geleden afzette,’ zegt Conor, terwijl de zoon van signora Strazza naar me kijkt. Zijn gezichtsuitdrukking verzacht een beetje.
‘Ik moest de stank van de gratis first class van me afwassen.’
‘Nieuw jasje?’ vraagt Conor.
‘Hoe weet je dat?’
Conor pakt het kaartje dat nog aan de achterkant van mijn mouw zit en trekt eraan. Hij geeft het aan me en ik stop het in mijn zak. Ik heb geen modieuze allure. Nu weet Conor dat ik leef voor kortingen.
Ik steek mijn hand uit om me officieel aan Angelo voor te stellen.
‘Ciao,’ zegt Angelo zonder zijn handen uit zijn zakken te halen.
Opgelaten trek ik mijn afgewezen hand terug en omklem de riem van mijn schoudertas.
Angelo is lang, net als Conor. Hij heeft donkerbruin haar (dat net kortgeknipt is), een krachtige neus en een mooie mond. Ik weet niets van zijn tanden omdat zijn lippen in een rechte lijn op elkaar geperst zijn als een vastzittende rits. Hij draagt een hagelwit overhemd en een spijkerbroek met opgerolde zomen. Timberland-schoenen. De nationale schoen van Italiaanse mannen. Dat weet ik zeker omdat Googs en oom Louie een keer een lading naar Milaan hadden verstuurd, waar ze toen flinke winst op hebben gemaakt.
‘Het appartement dat je huurt is van mijn moeder.’ Zijn Engels is uitstekend, het zou fijn zijn als zijn houding dat ook was.
‘Je moeder heeft de sleutel voor me achtergelaten, en ik ben in de badkuip gedoopt, dus ik denk inderdaad dat we een deal hebben.’
‘Va bene,’ zegt Angelo, die me met een onderzoekende blik bekijkt.
Dat maakt me onrustig, dus ik probeer de opgelaten stilte op te vullen. ‘Je lijkt op je moeder.’
‘Tenzij je mijn papà ontmoet.’
‘O, die zal ik vast wel een keertje zien.’ Ik glimlach.
‘Hij is zeven weken geleden overleden.’
‘Gecondoleerd,’ zeg ik.
Angelo knikt en loopt weg.
‘Sorry,’ verontschuldigt Conor zich. ‘Ik was vergeten je over zijn vader te vertellen. Ik wist niet dat je verliefd zou worden op het eerste appartement dat je bekeek.’
‘Die vent heeft net mijn verjaardag verpest.’
‘Gefeliciteerd.’ Conor pakt mijn hand. ‘Waarom heb je dat niet eerder gezegd? We moeten deze avond een andere wending geven. Ik denk dat dat wel gaat lukken. Er is een geweldig restaurantje aan de Via Mafalda Spolti.’
Ik kijk achterom. ‘Ik hoop dat ik signora Strazza en haar zoon niet heb beledigd.’
‘Je hebt niets gedaan. Angelo wilde gewoon niet dat zijn moeder het appartement verhuurde.’
De moed zinkt me in de schoenen. Ik wist dat appartement 7 te mooi was om waar te zijn. Niemand heeft zo veel geluk. ‘Wil hij het voor zichzelf?’
‘Nee, hij woont hier niet. Signora Strazza en haar man hebben een paar jaar geleden appartementen in het huis gemaakt. Hij regelde de verhuur, en ze hebben problemen gehad met vorige huurders. Maar ik heb ze ervan verzekerd dat je een modelburger bent. En om dat te bewijzen, heb ik drie maanden huur vooruitbetaald. Intussen wachten we tot je werkvisum voor langere tijd wordt afgegeven. Als je besluit eerder naar huis te gaan, is dat geen probleem.’
‘En als ik verliefd word op Italië?’ vraag ik, terwijl ik nadenk over wat me thuis wacht.
‘Dan blijf je en vraag je de Italiaanse nationaliteit aan of je wordt verliefd op iemand van hier, trouwt met hem en gaat een perfect leven leiden.’
‘Laten we daar maar niet op rekenen. Ik moet werk hebben om mijn kamer met uitzicht te betalen. Ik maak het geld later aan je over.’
‘E.M. Forster. Geweldig boek.’ Conor grijnst. ‘De film is beter. Ben je klaar voor je eerste klus in Carrara?’
‘Ja, graag.’
‘Ik heb een klant in Bergamo die een tekening van de piazza wil. Vanaf jouw balkon heb je het beste uitzicht.’
‘Ik neem de klus aan. Dank je wel.’
‘Het is niet zo’n goed verjaardagscadeau.’
‘Hoe bedoel je? Dat is juist het beste cadeau. Zo maak ik een vliegende start.’ Ik haak mijn arm door die van Conor. ‘Wat doet Angelo Strazza voor werk?’
‘Hij is vergulder. Hij is gespecialiseerd in goud op marmer.’
Daarom vind ik hem zo aantrekkelijk, denk ik. Hij werkt met zijn handen. Hij is kunstenaar.
‘Ik heb met hem gewerkt,’ zegt Conor. ‘Hij is een perfectionist.’
‘En hij is zo’n man die gevaarlijk zou zijn als hij een goede persoonlijkheid had,’ zeg ik.
Ik heb mijn eerste Italiaanse man van de overkant ontmoet. Nu begrijp ik waarom oma Cap me voor hen waarschuwde.
De ochtendzon dekt de Piazza Alberica toe met een deken van feloranje fluweel. Sinds mijn aankomst had de lucht elke ochtend een andere kleur, of misschien bekijk ik de wereld gewoon anders. Ik ga aan het tafeltje op mijn balkon zitten en teken de piazza, terwijl Carrara tot leven komt.
Ik leg mijn potlood neer en pak de kop hete koffie op. Ik sluit mijn ogen en neem een slok. Waarom is mijn ochtendkoffie in Italië lekkerder? Italianen, of je ze nu net hebt ontmoet of ze al je hele leven kent, weten hoe belangrijk een goede kop koffie is. Ik heb een winkeltje aan de piazza gevonden waar ze fijngemalen bonen verkopen. De melk is vers, van een boerderij uit de buurt.
Er valt een bruin musje uit de lucht, dat op het tafeltje landt. Het kijkt me aan.
‘Sorry. Ik heb geen eten voor je.’
Het vogeltje houdt zijn kopje schreef en vliegt weg. Als je wilt dat een man blijft, moet je hem te eten geven, zei oma Cap altijd in het Italiaans. Ik herinner me de dag dat haar vogel Oscar Hammerstein wegvloog. Ik stop het potlood achter mijn oor en pak mijn telefoon. Ik schrijf.
* * *
‘Oma?’ riep ik. De geur van verse koffie kwam uit de keuken gedreven. ‘Ik heb de broodjes!’ Ik liep door de woonkamer naar de keuken. ‘Van de bakker.’
Op de keukentafel stond een volle kop koffie op een schoteltje. Hij was koud. Ik bracht hem naar de gootsteen. Er sputterde een minuscuul blauw vlammetje onder de koffiepot op het fornuis. Ik deed het fornuis uit en zette de pot op een koude pit. Toen ik in de pot keek, zag ik dat de koffie was ingekookt tot een dikke brij op de bodem. Die had al een tijdje staan pruttelen.
‘Oma?’ riep ik terwijl ik naar haar slaapkamer aan de achterkant van het huis liep. ‘Ik ben er.’
Oma Cap lag op haar bed te slapen, dat was opgemaakt met een roze chenille sprei. Ze was helemaal aangekleed en droeg een nette gestreken witte blouse met een blauwe pantalon en een rood lakleren riempje. Ze droeg donkerblauwe loafers, ook al lag ze op bed. De ramen stonden open, de witte vitrages dansten op de bries. Ik liep naar het raam en deed het dicht omdat ik niet wilde dat ze zou kouvatten.
Ze deed haar ogen open. ‘Jess?’
‘Ik heb de broodjes meegenomen.’ Ik ging naar de zijkant van het bed, trok de met roze bouclé beklede poef bij en ging zitten.
‘Grazie,’ zei ze.
Toen ik klein was, was de poef mijn lievelingsmeubel.
‘Oscar Hammerstein is uit zijn kooi ontsnapt,’ zei ze.
‘Hij zit waarschijnlijk in de gordijnen. Ik vind hem wel.’
‘Nee, hij is weg. Ik deed de voordeur open om te kijken of er post was en toen vloog hij naar buiten.’
‘Ik ga wel in de tuin kijken.’
‘Het is al te laat.’ Ze glimlachte. ‘Hij ging ervandoor alsof hij al sinds Louie hem mee naar huis bracht zat te wachten om te ontsnappen.’
Ik verbeterde mijn oma niet. De huidige Oscar Hammerstein was de vijfde (of zesde?) papegaai die ze in de loop der jaren in een kooi in haar keuken had gehad. De eerste papegaai had oom Louie gewonnen bij een ringgooispel op het Festival. De huidige Oscar had ze bij de dierenwinkel in Belmar gekocht. Ik pakte haar hand. ‘Oscar was hier gelukkig.’
‘Echt?’
‘Heel erg. We vinden hem wel, en dan kan hij met jou meeverhuizen. Papa is bijna klaar met het souterrain.’
Ze trok een gezicht. ‘Ik wil niet bij je ouders gaan wonen. Kelders zijn niet voor mensen.’
Ik had ruziegemaakt met mijn ouders omdat ik het belangrijk vond dat oma Cap in haar huis kon blijven, maar mama wilde haar dichterbij hebben, ook al woonde oma Cap maar een paar stappen bij hun voordeur vandaan. Ik had mijn moeder nog niet de helft verteld van wat ik bij oma Cap had aangetroffen toen ik bij haar kwam kijken. Ik vertelde haar niet dat oma Cap het fornuis had aangelaten. Ik liet het mijn vader weten, zodat hij het gas kon afkoppelen.
‘Hoe gaat het met Bobby?’ vroeg oma Cap.
‘Prima,’ loog ik.
‘Hij is een leuke jongeman,’ zei ze. ‘Maar niet voor jou.’
Hoe wist oma Cap dat ik wegging bij Bobby? Ik had het nog niemand verteld, zelfs mijn man niet.
Oma Cap glimlachte mild met haar tere roze lippen en sloot haar ogen. Ze haalde drie keer adem en zonder worsteling stopte ze. Ik zag haar van kleur veranderen toen haar ziel haar lichaam verliet. Ik raakte niet in paniek, ik was juist dankbaar dat ik bij haar was. Ze stierf zoals ik het me had voorgesteld, alleen wij tweetjes.
‘Moge God je zegenen, oma.’ Ik zei het weesgegroetje hardop zodat de Moeder van God haar misschien aan gene zijde tegemoet zou gaan. Het was geen toeval dat Oscar was weggevlogen, hij had gewoon zijn missie volbracht. Italianen geloven dat vogels verschijnen om onze ziel naar de hemel te begeleiden.
Buiten veranderde het licht. De sombere, regenachtige dag werd donker onder een zwaar gewelf van grijze wolken boven het meer. Het was zo donker dat ik het lampje op het nachtkastje aandeed. Ik hoorde dat mijn moeder ons voor in het huis riep; Oscar was hier niet de enige met intuïtie. Ik liet mijn oma’s hand los en legde die voorzichtig op haar middel.
Ik trof mijn moeder in de hal. Haar regenjas was nat. ‘Mama, ze is er niet meer.’
‘Hoe bedoel je?’ Mijn moeder was aangeslagen terwijl ze langs me heen keek naar de open slaapkamerdeur.
‘Ik hield haar hand vast.’
Mama duwde me opzij en rende de slaapkamer in. Ze liet zich op haar knieën vallen en sloeg haar armen om haar moeder heen. Ik rende het huis uit, de regen in, om mijn vader te zoeken.
* * *
Ik leg mijn telefoon neer en veeg mijn ogen af. Ik mis mijn oma’s. Op een of andere manier lijken ze in Carrara dichter bij me te zijn, zelfs in mijn geheugen. De therapeute zei dat ik mijn gevoelens moest uitzitten en in het moment moest blijven, maar het verleden is krachtig en heeft een stevige greep op me.
Een paar goedgeklede mensen steken de piazza over op weg naar hun werk. Al gauw sluit zich een jonge moeder bij hen aan, die nat haar heeft en achter een kinderwagen met een huilende baby loopt. Een verkoopster draait de luifel boven de ingang van haar winkel uit. Op een dag hoop ik al hun namen te kennen, net als ik de namen van de mensen in Lake Como ken. Een groepje schoolmeisjes rent samen onder de loggia, met stuiterende rugzakken op hun rug. Een bezorger trekt een kar vol dozen van Amazon (Et tu, Italia?) en passeert twee oudere mannen die een geanimeerd gesprek voeren onder het standbeeld van Maria Beatrice. Een winkelier veegt zijn portiek en luistert hun gesprek af. De geur van versgebakken brood zweeft omhoog naar mijn balkon. Ik zie een rij mensen voor de bakkerij staan. Mijn soort mensen. Ik ga mijn appartement weer in en kleed me aan.
Ik ga in de rij bij de bakker staan. Ik ben volslagen onbekend, en af en toe werpt iemand me een blik toe waarmee mijn status als una sconosciuta wordt bevestigd. Dit is de eerste keer dat ik ergens ter wereld een onbekende ben, en op een plek woon waar mensen mij niet kennen en ik hen niet ken. Zelfs als in de zomer de toeristen de kust van Jersey overspoelden, zag ik altijd mensen uit Lake Como in de menigte, en zij konden mij vinden. Omarm de anonimiteit, houd ik mezelf voor. Die wilde je altijd en nu heb je haar.
Ik bestel in het Italiaans bij de bakker, die mijn poging om de taal te spreken waardeert. Op school heb ik traditioneel Romaans Italiaans met Latijnse basis gehad, maar er zijn in dit land meer dan dertig dialecten. Al zou ik hier de rest van mijn leven wonen, dan nog zou ik ze niet allemaal kunnen leren.
Ik neem de cornetto, een soort croissant, nog warm van de oven mee naar mijn appartement. Alles in Italië is vers. Voor zover ik me kan herinneren heb ik nog nooit in frisse lucht geslapen, en de laatste keer dat ik wakker werd van de zon was op scoutingkamp in de Poconos, toen ik negen was.
LA CAVA DI MICHELANGELO (OF MICHELANGELO’S STEENGROEVE)
* * *
Ik begon op mijn achttiende voor oom Louie te werken. Mijn baan gaf me een gevoel van zingeving dat ik nog nooit had gehad. Dus Conor begrijpt dat hoe eerder ik een salaris verdien, hoe zonniger ik de toekomst zal inzien. Hij stuurde me een berichtje dat hij al ontwerpwerk voor me heeft geregeld, waarmee ik de huur kan betalen, maar ik moet alle salarisinformatie met de FBI delen totdat de zaak van oom Louies buitenlandse bankrekeningen geregeld is. Ik moet in Italië én in de Verenigde Staten belasting over mijn inkomen betalen. Oom Louie had gelijk over de meeste dingen, maar hij had het nooit over twee Caesars. Ik ben van het ene benauwende huwelijk in het andere gerold: eerst met Bobby Bilancia en daarna een verstandshuwelijk met de Amerikaanse regering en nu met de Italianen. Eén keer per week krijg ik bericht van rechercheur Campovilla, om me op de hoogte te houden van hun onderzoek.
‘Sorry,’ zegt Conor verontschuldigend, terwijl hij de metalen staaf achter op het bankje van het busje vastgrijpt als we de kronkelende Canalgrande Alto op rijden, van Carrara naar de groeven boven op de berg. We schuiven tegen elkaar aan als de weg een bocht maakt. Ik klem mijn kiezen op elkaar als we door een diep gat rijden. De hele mensheid overal ter wereld is verbonden door één waarheid, en daarover kunnen we het eens zijn: een comfortabel ritje in een busje bestaat niet.
‘Perdonatemi. Questa è una strada di merda.’ De chauffeur kijkt naar ons in de achteruitkijkspiegel.
‘Hij zegt dat het een slechte weg is,’ zegt Conor.
‘Ik kan nu niet praten. Ik wil geen tanden breken.’
‘Piove.’ De chauffeur wijt het aan de zware regenval.
‘LaFortezza moet die weg echt eens maken,’ kreunt Conor.
‘Wie is LaFortezza?’
‘Mauro. Hij is een van de laatste lokale eigenaren van een groeve op de berg. Als hij je ontmoet en je leert kennen, denk ik dat hij je zal aanbevelen voor projecten.’
Het busje knalt weer door een gat. De chauffeur gromt.
‘Dank je wel. Niet voor de rit, maar voor de aanbeveling,’ zeg ik tegen Conor.
‘Se vuoi morderen, morditi la lingua,’ zegt Conor.
‘Is er voor alles in het leven een Italiaans gezegde?’
Conor lacht. ‘Tutte le riposte si trovano nella saggezza della vera amicizia.’
Het busje helt ver over naar de rand van de steile rotswand als de chauffeur een bocht inrijdt. Ik houd een gil binnen, maar Conor schreeuwt het hard genoeg voor ons allebei uit van angst.
De chauffeur grinnikt. ‘Non sono mai andato oltre la montagna.’ De geruststelling van de chauffeur dat hij nog nooit over de rand is gegaan stelt ons niet erg gerust.
We bereiken een stuk verharde weg naar de top, eindelijk gaat het glad en soepel. De chauffeur drukt het gaspedaal helemaal in op het laatste stuk omhoog naar de groeve.
‘Links is nummer 35, waar mijn vader en Louie Cap in de jaren zeventig werkten. We gaan naar nummer 36, ernaast,’ zegt Conor.
‘Infine! Misschien overleef ik het wel en kan ik hier blijven wonen.’ Ik veeg mijn bezwete handpalmen af aan mijn broek.
Het hek van de officiële Massa-Carrara-onderneming zwaait open. We rijden de bouwplaats op, vol met semidiepladers en zware apparatuur. In de verte zit een groep steenhouwers op de rotswand te lunchen.
De kantoorkeet staat tegen de berg, een klein stukje van de ingang van de groeve. Voor de lol, zo lijkt het althans, rijdt onze chauffeur door elk gat in het met grind bedekte stuk grond voordat hij parkeert, van zijn stoel springt, om het busje heen loopt en het portier voor ons openschuift.
Conor en ik stappen uit.
‘Er moet hier toch een sjerpa zijn die ons aan touwen terug naar het dorp kan laten zakken. En als je die niet kunt vinden, gooi me dan maar van de berg,’ zeg ik grappend.
‘Kom, ik leid je even rond,’ zegt Conor, die me een blauwe helm geeft. ‘Het is gevaarlijk. Blijf alert.’
Er ligt dik wit stof op de grond, dat aan mijn schoenen blijft kleven. Enorme blokken bleekwit marmer vormen de buitenwanden van de berg. Platen Calacatta-marmer staan netjes in houten kisten te wachten tot ze van de berg naar de zee worden getransporteerd. Achter ons torent de majestueuze bergwand hoog op, glad uit ruwe witte steen gehouwen en zo massief dat hij de wolken met zijn scherpe randen doorboort. Ik merk dat ik mijn adem inhoud bij de aanblik.
Conor neemt me mee door de ingang van de groeve. Als we dieper de berg in lopen, besef ik dat het dak van de groeve een aantal verdiepingen hoog is. In de witte kathedraal laat ik mijn handen over de marmeren wand glijden. Het steen is koud en glad, net water. Ik ga met mijn vinger over de verbonden goudkleurige ader in het witte steen.
‘Is dit Michelangelo’s groeve?’ vraag ik Conor.
‘Ja. Door de aanbeveling van de meester verkoop ik vijf eeuwen later marmer in zes landen.’
Ik loop achter Conor aan terug naar buiten. Het uitzicht vanaf La-Fortezza’s groeve is even prachtig als de details binnen. Hij wijst naar de golvende karamelkleurige daken van Carrara, die wel van toffee lijken. We lopen langs de rand van de rotswand. Conor laat me de concurrentie zien, groeven tegenover de top van de bergkam. Gletsjers van wit steen vormen een grillige rand tot aan de horizon. Daaronder, op de grond, laten bulldozers een zwart zigzagspoor achter op de witte grond, terwijl de vorkheftrucks arabeske sleuven in het steenslag graven. De bergwand is glad uitgehakt, een wit schildersdoek van steen dat het licht zo fel weerkaatst dat de zon zelf veel zwakker lijkt. Een systeem van katrollen en koorden dat wordt gebruikt om het steen te houwen bungelt aan de marmeren wand, waarin haken en handgrepen zitten waarmee de steenhouwers aangeven waar in het steen gehakt kan worden. De hellingen van Carrara-marmer die zich over de berg uitstrekken in half glanzende krullen met bleekgouden adertjes lijken op Burano-kant.
‘Daar is de wand van Louie Cap.’ Conor wijst. ‘Vijftig jaar later houwen ze nog steeds marmer uit die wand. Over honderd jaar doen ze het nog steeds.’
De gedachte aan de eeuwigheid en de rol die oom Louie erin speelt ontroert me. Ik veeg een traan af met mijn mouw. Conor ziet niets en daar ben ik blij om. Hij mag dan wel geloven dat de berg voor altijd is, maar als je stukje bij beetje, dag na dag en jaar na jaar ergens op inhakt, of het nu een marmeren ader, een houten plaat of de eigenwaarde van een mens is, dan houdt het uiteindelijk op te bestaan, wat de experts ook zeggen.
‘De onderneming van LaFortezza is er een van ongeveer dertig,’ legt Conor uit. ‘Onder ons zijn er in de Apuaanse Alpen meer dan honderdvijftig diepe groeven.’
Ik loop achter Conor aan een trap van marmeren blokken op naar een uitkijkpunt naar het westen. In de blauwe heuvels liggen clusters van stadjes, waaronder de gombalkleurige daken van Porto Venere. De dorpjes van Cinque Terre liggen als confetti langs de kustlijn, terwijl de steile rotswanden langs de Golf van La Spezia als borstweringen hoog boven de kustlijn uittorenen. Het water van de ver weg gelegen Ligurische Zee is diep donkerblauw, met witte schuimkoppen die smaragdgroen worden als ze tegen de kust klotsen. Afgezien van de daken onder ons en de witte groeven erboven, is het van de lucht langs de berg tot aan de zee één blauwe penseelstreek.
‘Marmer is 65 miljoen jaar geleden in de oceaan gevormd. Onder zeeniveau,’ zegt Conor. ‘Denk je dat mensen dat willen weten als ze in een marmeren badkuip liggen?’
‘In New Jersey wel.’ Dat is iets wat oom Louie zou zeggen omdat hij het geloofde.
‘In groeve 36 winnen de LaFortezza’s vooral Carrara-marmer, dat in het Engels ook luna marble wordt genoemd. Zo is het door antieke Romeinse heidenen genoemd. Ze keken omhoog, zagen de maan en vonden dat die eruitzag alsof hij van steen was.’
‘Als meisje hield ik vaak bij mijn slaapkamerraam marmeren tegels tegen de lucht. Dan deed ik een oog dicht om te zien of de tegel dezelfde kleur had als de maan.’
‘Ciao, Kerrigan!’ klinkt een bulderende stem onder ons.
‘Zorg dat je een goede indruk maakt,’ zegt Conor zacht. ‘Als hij je aardig vindt, zit je gebakken.’
Mauro LaFortezza is een grote, stevig gebouwde man van rond de vijftig. In zijn zwarte haar zitten witte streepjes, net als bij mijn moeder als ze het grijs niet verft. Aan zijn brede schouders en grote handen is te zien dat hij zijn carrière niet achter een bureau heeft doorgebracht. Deze man was of steenhouwer of stopper bij de New York Giants.
‘Ik zou je wel willen uitnodigen, maar ik heb een bespreking in Carrara,’ legt Mauro uit. ‘Ik heb begrepen dat je ontwerpt?’
‘Ja, meneer.’
‘Ik zou je werken graag willen zien. Quando vedo il tuo lavoro capisco l’artista,’ zegt Mauro.
‘È vero.’ Ik ben het met de grote man eens. Het werk is de kunstenaar en daarom is de kunstenaar het werk.
‘Dit is de eerste keer dat mijn Amerikaanse vriend me voorstelt aan een andere Amerikaan in de marmerbranche,’ zegt Mauro.
‘Italiaanse Amerikaan,’ verduidelijk ik.
‘Beschouw je jezelf als een Italiaanse?’ vraagt Mauro met een glinstering in zijn blik.
‘Conosci i tuoi fiori dalle loro radici.’
‘Mijn nonna is twintig jaar geleden overleden, maar je kent haar toch.’ Mauro lacht.
‘Ze zijn allemaal hetzelfde,’ verzeker ik hem. We zijn het erover eens dat je bloemen herkent aan hun wortels. Een veelbelovend begin voor een vriendschap of, duimen maar, een opdracht.
‘Kunnen we met jou meerijden? Dan kunnen we op weg naar beneden de zaken bespreken,’ zegt Conor vrolijk.
‘Andiamo. Met de vrachtwagen rijdt het beter,’ zegt Mauro.
‘Dat hoop ik wel,’ zeg ik.
‘Hij heeft grotere wielen, dus betere schokdemping.’
‘Je zou natuurlijk ook de weg kunnen repareren,’ opper ik.
‘De weg is van de overheid. Laat die hem maar repareren,’ zegt Mauro, waarmee hij heel erg als oom Louie klinkt.
Als ik op de achterbank zit, maakt Mauro oogcontact met me in de achteruitkijkspiegel. ‘Vertel me eens wat over je bedrijf,’ zegt hij.
‘Het heet Capodimonte Marmer en Steen. Ik ben de derde generatie die marmer verkoopt en aanbrengt in huizen en gebouwen in New Jersey. En jij?’
‘Mijn stiefvader kocht de groeve ongeveer op hetzelfde moment waarop hij in 1974 met mijn moeder trouwde. Hij heeft me geleerd hoe ik de diamantsnijder moest gebruiken.’
‘Was jij een van die mannen die aan de rotswand hingen? Dat had ik kunnen weten. Forza!’ zeg ik tegen hem.
‘We stopten met het gebruik van explosieven en gingen het weer doen zoals de oude vakmannen. We maten en hieuwen; daarom ziet de berg eruit als een bruiloftstaart waarvan elke keer een dun plakje wordt afgesneden in plaats van een berg steenslag. Zonder explosieven ziet de groeve er nog net zo uit als tijdens de Italiaanse renaissance.’
‘Je bent met ontginnen teruggegaan naar de oorsprong.’
‘We moesten wel. We proberen de berg om milieutechnische redenen te behouden en toch te delven wat we moeten verkopen. We doen ons best. We hebben nu natuurlijk machines. Automatische takels, kranen, en de koorden zijn niet van hennep, maar van staal.’
‘Ik probeer me voor te stellen hoe het werk ging toen mijn oom hier in 1971 was.’
‘Toen was ik nog niet geboren. Maar op dat moment gebruikten ze nog explosieven. Bij elke ontginning was een team steenhouwers, la compagnia di lizza. Ze bliezen de steen op en hakten het uit de berg. De man die de leiding had wordt de capolizza genoemd.’ Mauro legt uit: ‘Hij leidt het team mannen die mollatori worden genoemd. Zij zijn de arbeiders die de kabeltouwen bedienen. Dat waren sterke mannen, ruig, behendig – zij moesten berekenen hoe ze de lading konden verplaatsen en hielden haar onder controle met de koorden. Per maand vervoeren we ongeveer vier ton steen van de berg af. Daar is enorme vakkundigheid voor nodig. Als je deel uitmaakt van de mollatori is dat een grote eer. Er wordt gezegd dat de mollatori de berg beter kennen dan God, die hem heeft gemaakt.’
‘Er was ook lef voor nodig. Coraggio,’ draag ik bij.
‘Sì. Het werk dat de meeste moed vereiste was dat van de legnarolo. Hij moest snel kunnen rennen. Hij moest voor het marmeren blok uit rennen dat de mollatori van de berg lieten glijden. De inwoners van Carrara verzamelden zich altijd op de via di lizza om naar dat transport te kijken.’
‘Hoe kan een man sneller zijn dan een blok marmer?’ vraag ik.
Mauro’s gezichtsuitdrukking verandert. ‘Soms kan hij dat niet. Je moet bidden dat de kabeltouwen niet knappen. Mijn vader is bij een ongeluk omgekomen, dus ik weet er wel iets van. Hij overleed voor mijn geboorte. Dus je snapt dat ik een haat-liefdeverhouding met de berg heb. Ik verdien er mijn brood mee, maar het heeft me ook wat gekost.’
Als Mauro ons afzet bij de piazzo, bedanken we hem en beloven nog een keer naar de groeve te komen.
‘Breng me die tekeningen, signorina!’ zegt Mauro als hij wegrijdt.
‘Dat zal ik doen!’ roep ik hem na. ‘Hoe ging het?’ vraag ik aan Conor als ik met hem meeloop naar zijn auto.
‘Hij vond je aardig.’
Conor geeft me een kusje op mijn wang. Hij stapt in zijn auto om naar huis te gaan, naar Lucca, en ik steek de piazza over terwijl de zon ondergaat. Als ik bij het huis van signora Strazza ben, ren ik de trap op naar mijn appartement.
Ik heb gezworen nooit een zonsondergang in Carrara te missen. Ik schenk een glas wijn in en loop mijn balkon op. Ik ga zitten en leg mijn voeten op de balustrade. Vandaag heb ik mijn blik verbreed door naar de bergtop te gaan.
Ik neem een slok van de aardse wijn, een volle rode wijn. Al snel, als het donker valt, verdwijnen de bergen in de schaduw, en de marmeren toppen rijzen op en vangen de laatste lichtstralen. De toppen worden de glinsterende punten van een kroon die op de horizon lijkt te zweven. Hier beneden leef ik op de plek waar Michelangelo, de hertogin en mijn voorouders ooit leefden. Omdat er heel veel verborgen is, valt er heel veel te leren. Ik wist niet dat de groeve zo’n emotionele reactie bij me zou oproepen. Mensen hebben geheimen, maar plekken ook.