Hoofdstuk 13: Aanwijzingen - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Ik moet niet vergeten de balkondeuren dicht te doen voordat ik vertrek, want het wordt winter in Carrara. Ik sluit de balkondeuren af en trek de gordijnen dicht. Voor het eerst van mijn leven woon ik alleen. Ik ging vanuit huis naar het appartement van mijn man en na mijn huwelijk weer naar de kelder van mijn ouders. Voordat ik oom Louie verloor, was ik van plan om naar Hoboken te verhuizen, maar na zijn dood zette ik mijn plan niet door en veranderde van koers. Niemand was zo geschokt als ik toen de wereld niet tot een einde kwam omdat ik een risico nam. Ik ben dankbaar dat oom Louie me het ticket naar mijn nieuwe leven heeft nagelaten.
Ik heb ontdekt dat mijn enorme angst voor alleen wonen totaal ongegrond was; alleen zijn is een geschenk en een onmisbaar element in een kunstzinnig leven. Michelangelo zei: ‘Genialiteit is eeuwig geduld.’ Misschien bedoelde hij daarmee de tijd die het kostte om een meesterwerk te creëren, voor mij had het betrekking op het geduld dat het vergde om in een huis te wonen met mensen die mijn behoefte om alleen te zijn niet deelden. Het grootste deel van mijn leven ging ik naar de wc of een kast om te werken. Diep vanbinnen wist ik dat ik alleen moest zijn om iets te kunnen creëren, maar ik had nooit het lef om te vragen om wat ik nodig had. Oom Louie was waarschijnlijk niet de enige die een gespleten leven leidde.
Ik trek een trui aan en huiver desondanks. Ik zet een pot koffie aan en ga aan tafel zitten. Terwijl ik wacht tot de koffie doorgelopen is, klik ik door de zwart-witfoto’s die ik in oom Louies bureau had gevonden en heb ingescand.
Ik vergroot de foto van oom Louie die bij de groeve op de berg staat. Zijn volle wenkbrauwen en de prominente neus, de glimlach met de sterke Capodimonte-tanden zijn bekend, maar niet zoals ik me hem herinner. Dit was mijn oom lang voordat ik werd geboren. Ik heb hem niet gekend met een grote bos krullen en een jeugdig air. Louie was de wereld aan het ontdekken en zijn hoge verwachtingen zijn gevangen in zijn warme glimlach en open armen.
Ik wou dat ik meer vragen had gesteld over zijn tijd in Italië. Misschien heeft hij wel geprobeerd over zijn ervaringen te vertellen en veranderde ik dan van onderwerp, omdat ik het wilde hebben over een boek dat we lazen, een probleem op het werk of mijn eigen angst, die ik de laatste jaren van het leven van mijn oom voortdurend voelde. Ik dacht dat we meer tijd hadden, veel meer.
Ik hoor het geluidje van een notificatie op mijn computer. Ik open de e-mail.
Geachte juffrouw Baratta,
We zijn in overleg met de belastingdienst over de achterstallige belastingen die de Elegante Gangster verschuldigd is aan de Amerikaanse overheid. We brengen u op de hoogte wanneer we meer informatie hebben. Geef alstublieft uw huidige buitenlandse adres aan ons door voor alle officiële correspondentie.
Hoogachtend,
Rechercheur Campovilla
Rechercheur Campovilla is net een familielid van me: hij is zowel belangstellend als irritant. Op sommige momenten ben ik razend op Louie Cap omdat hij me in deze positie heeft gebracht, maar dan herinner ik me weer dat het zijn idee was om samen naar Carrara te gaan. Zonder vergeving geen verlossing. Ik doe mijn best. Ik weet niet of ik dat heb geleerd van een van mijn wisselende artsen van Thera-Me of van zuster Theresa van de Saint Rose-school bij de voorbereiding op de biecht tijdens de vastentijd. Ik ben opgevoed in een familie waarin we problemen vaak negeerden, omdat we hoopten dat ze zouden verdwijnen of, beter nog, waarin we het bestaan ervan om te beginnen al ontkenden. Ontkenning heeft voor generaties van de families Cap en Baratta gewerkt. Maar ik heb ondervonden dat tijd de pijn niet heelt; dat kunnen alleen mensen.
In een leven waarin niemand dacht dat ik iets zelfstandig kon, waaronder ademen, waarin elke beslissing die ik nam in twijfel werd getrokken omdat ik de verkeerde zou hebben genomen, zette oom Louie zijn geld op mij. Nou ja, een deel van zijn geld. Hij geloofde dat ik het onmogelijke kon. En dat doe ik hier inderdaad. Alleen. Zonder hem.
ACCADEMIA DI BELLE ARTI DI CARRARA
* * *
Het Palazzo Cybo Malaspina is een twaalfde-eeuws kasteel van een rijke Toscaanse familie, die haar weelderige thuis vulde met kunst, muziek en kinderen. De tuinen zijn, wanneer ze niet braak liggen, onberispelijke stukken land met rode rozen, nachtjasmijn en gardenia’s. Stakige citroenbomen, met geurende witte knoppen, zullen de volgende zomer fruit dragen. Ik identificeer de planten door hun blaadjes te fotograferen en op mijn telefoon op te zoeken. Iedereen kan amateurhovenier worden, zelfs ik, en zelfs in Italië. Ik maak een filmpje van de uitgebloeide planten. In de lente staan hier rozen, post ik.
Ik loop onder een tuinboog door, een marmeren passage in. Studenten hangen op bankjes, een paar tekenen, anderen kijken op een telefoon. Zo bezien zou dit ook een kunstacademie in Amerika kunnen zijn. Een spinnenweb van loggia’s leidt naar het binnenste van het palazzo, met daarin een aula, een grootse balzaal en een kapel. Toen Italië afscheid nam van het vorstendom, waren de contadini spekkoper. Soms loont het om boer te zijn.
Ik klap mijn notitieboekje open en schets snel het ontwerp van de marmeren vloer in de hal. Marmeren driehoeken met goudkleurige adertjes laten donkerblauwe sterren goed uitkomen, in een patroon dat de bezoeker naar binnen haalt, alsof je op een sterrennacht door de wolken loopt. De dikke deuren zijn van hout uit het bos in de buurt gemaakt en ingelegd met verguldsel. Het wapen van de familie Malaspina, een gestileerde stamboom met verspringende doornen van rozen, hangt aan de muur. Het is een accurate weergave van elke gecompliceerde Italiaanse familie, waaronder die van mij. Mauro LaFortezza heeft me ingehuurd om een serie vloerontwerpen te maken voor een bedrijf in Rome. Ik ben officieel aan het werk, stile Italiana.
Binnen zijn de imposante gang en brede trap gemaakt van koraalkleurige en zwarte blokken Carrara-marmer. In het palazzo is het koel, gli e di accio marmaho, maar het gevoel van warmte, caldo come l’oro, komt door de kleuren van de antiquiteiten. De intense kleuren van het originele steen zijn vervaagd, met achterlating van een patina van geborsteld goud, alsof het palazzo in honing is gedoopt. De dreigende sfeer van de schilderijen van Ippolito Scarsella vormen een achtergrond voor de beelden van Bartolomé Ordóñez, die als kasteelwachten in alkoven staan.
De balzaal van de academie is klaar voor de lezing, er staan nette rijen witte klapstoelen naar een podium met een microfoon gericht, waarachter een diascherm hangt. Ik weet niet of een lezing me kan afleiden van de architectonische pracht van dit auditorium. Mauro opperde dat ik naar de lezing in de kunstacademie zou gaan om een overzicht te krijgen van de geschiedenis van de marmerbranche uit deze buurt. Ik krijg ook een les in Italiaanse kunstgeschiedenis. We zijn omringd door muurschilderingen die scènes uit de Griekse mythen en Romeinse veroveringen verbeelden. De gewelfde plafonds zijn van weerspiegelend goud, waardoor de ruimte twee keer zo groot lijkt. In de muren zijn nog meer spiegels aangebracht, die de rijke kleuren van de kunstwerken weerkaatsen.
De hortensiablauwe zijden gordijnen die met bijpassende satijnen koorden opzij worden gehouden, bewegen in een koele bries. Een tafel, met daarop een keurig wit tafelkleed, is gedekt met een zilveren koffieservies en een kan citroenwater. Ik schenk een kop koffie in.
‘Doe alsof je thuis bent,’ zegt Conor grappend als hij naast me komt staan.
‘Ik zou wel willen.’ Ik geef Conor de kop koffie en schenk er nog een in. ‘Wanneer gaan we de berg weer op? Ik ga Mauro’s deadline voor die fontein halen.’
‘Daar zal hij blij mee zijn. De volgende keer dat we naar de groeve gaan, nemen we professor Adeel mee. Ze weet meer over marmer in Massa-Carrara dan Michelangelo.’
‘Een vrouw naar mijn hart,’ zeg ik tegen hem terwijl we gaan zitten.
Conor wijst naar de tafel met verfrissingen, waar Angelo Strazza net een kop koffie inschenkt. ‘Moeten we hem uitnodigen om bij ons te komen zitten?’
‘Blegh.’ Het geluid ontsnapt me.
‘Zo te horen niet,’ zegt Conor.
Wat onbeschoft van me. ‘Katholiek met schuldgevoel op een missie.’ Ik geef Conor mijn koffiekopje, sta op, zwaai naar Angelo en wijs naar de lege stoel naast ons.
Angelo slaat de koffie achterover als een shotje, laat het kopje op tafel staan en komt naar ons toe. Zijn donkere, waakzame ogen zijn intens en missen niets. Als je Rochester, Darcy en Easy Rawlins uit mijn lievelingsboeken samenvoegde tot een brombeer van een meter tachtig, dan zou je Angelo Strazza krijgen.
Ik ga rechtop zitten omdat een goede houding aangeeft dat een genezende patiënt haar kracht terugkrijgt. Blijkbaar volgt je vastbeslotenheid je ruggengraat. Dokter Cynthia stelde voor dat ik zou proberen direct te zijn in mijn communicatie met anderen. Angelo bij ons uitnodigen is een goede eerste stap.
Een kunsthistoricus van de kunstacademie stelt professoressa Farah Adeel, de gastspreekster, voor. Ze is een werktuigbouwkundige uit Londen, die een expert is in marmerwinning van de Italiaanse renaissance tot nu. Haar lijst met prestaties is zo lang als de Via Grande. De professor is een aantrekkelijke vrouw van in de vijftig met een bruine plooirok en een maagdenpalmblauwe trui aan, waardoor haar donkere ogen en goudkleurige huid mooi uitkomen.
Professoressa Adeel neemt ons mee door de geschiedenis van ontginning in Massa-Carrara, waarbij ze foto’s op het scherm achter zich laat zien om haar punten te benadrukken en perspectief te geven.
Een zwart-witfoto vult het scherm. Het is een luchtopname van de marmergroeven boven Carrara. Arbeiders bungelen aan de bergwand, in harnassen die aan dikke hennep koorden zijn bevestigd.
‘De mannen zijn sterk, maar de berg heeft alle macht,’ zegt de professoressa. ‘Door de automatisering zijn de oude technieken veranderd, maar het proces blijft een samenspel van een man, een houweel en het steen van die berg. Steenhouwen heeft een persoonlijk aspect, dat nooit vervangen zal worden door een machine.’
Dan vertelt professoressa Adeel over de typische werkdag van de mannen op de berg. Mijn gedachten gaan naar oom Louie, terwijl afbeeldingen van jonge steenhouwers door de eeuwen heen op het scherm verschijnen.
Oom Louie kwam naar Italië op uitnodiging van de neef van zijn vader, die hem een baan op de berg beloofde. Zijn ouders vonden het wel fijn als hun feestbeest het familievak zou leren. Ik probeer me oom Louie voor te stellen, een broos, mager jochie van begin twintig, dat naast ervaren steenhouwers op de bergwand werkte met niets anders dan een harnas tussen die wand en een zekere dood. Geen wonder dat oom Louie na zijn terugkomst uit Italië onoverwinnelijk was. Hij had zijn leven op het spel gezet om marmer te winnen, misschien werd hij daarom wel de grootste verkoper van dat steen in New Jersey. Wat stelt een beetje creatief boekhouden nou voor vergeleken met sneller dan een blok marmer de berg afrennen?
La professoressa krijgt een waarderend applaus als ze haar praatje afrondt. Conor nodigt Angelo en mij uit om op het podium kennis met haar te maken.
‘Ah,’ zegt professoressa Adeel als ze me de hand schudt. ‘De drie mensen in het publiek die niet sliepen tijdens mijn lezing.’
‘Ik heb ervan genoten,’ zeg ik waarderend.
‘Bent u Amerikaanse?’
‘Ze is pas net in Carrara,’ zegt Conor. ‘Onze families zitten in het marmer.’
‘Geweldig.’ Professoressa Adeel glimlacht naar me. Dan wendt ze zich tot Angelo en omhelst hem. ‘Como stai, Angelo?’
‘Bene, bene.’
‘Kennen jullie elkaar?’ vraag ik.
‘Een beetje. Angelo en ik mailen over zijn werk. Hij is de beste vergulder van Toscane, heb ik gehoord.’
‘Ik heb ook interesse in vergulden.’ Ik kijk naar Angelo.
‘La professoressa wil mijn werk zien.’ Angelo haalt zijn schouders op. Hij kijkt eerst naar Conor en dan naar mij. ‘Jullie mogen wel met ons mee.’
ATELIER LA STRAZZA
* * *
Dit zou me in Lake Como nooit overkomen. Hoe groot zou daar de kans zijn dat een gerespecteerde hoogleraar en een kunstenaar me samen met een vriend zouden uitnodigen voor een avondje waarop we dingen over vergulden zouden leren? Ik ben verliefd aan het worden op mijn dolce vita. Op dit soort dagen is het meer dan een nieuw begin. Het is een Italiaanse herkansing.
De Via Regina is een smal zijstraatje van de piazza dat langs de ondiepe oevers van de rivier de Carrione loopt. In Jersey zou de Carrione nog geen beekje zijn, hij is zo ondiep dat je hem op bepaalde punten kunt oversteken zonder dat je schoenen nat worden.
Angelo’s atelier is een grote werkruimte op de begane grond van een verbouwde stal. Nadat hij de staldeuren heeft opengedaan, lopen we achter hem aan naar binnen. De geur van terpentijn en bijenwas dringt in onze neus, en dan doet Angelo het licht aan en zien we een betoverende werkplaats. Werkstukken. Gereedschap. Ontwerpen. Plannen. ‘Dit is mijn droom,’ zeg ik terwijl ik alles in me opneem. De muren zijn van veldsteen, aan de plafondbalken hangen haken uit de tijd dat hier nog dieren stonden. Er staan drie lange werktafels op schragen dicht bij kasten die uitpuilen van de boeken. Er staan penselen in open blikken. Op de tafels liggen netjes gesorteerde blokken marmer.
‘Brava.’ Professoressa Adeel kijkt rond. Conor neemt de boekentitels door, terwijl ik blokken Carrara-marmer bekijk waarin een Franse lelie in reliëf is aangebracht.
Angelo komt naast me staan. ‘Voor het museum in Florence,’ zegt hij. ‘Ik ben langzaam, en zij wachten.’
‘Je werk is prachtig.’ Professoressa Adeel buigt voorover om de architectonische ornamenten van dichtbij te bekijken.
Angelo veegt met een penseel over zijn wang en dan over de steen. Als hij voor de tweede keer over zijn wang veegt, vraag ik hem waarom.
‘We gebruiken primers en sealers vanwege de snelheid. Maar zelfs wanneer ik moderne technieken gebruik, veeg ik over mijn wang zodra ik de vloeistof heb aangebracht; ik wacht even voor een goede hechting en breng dan het goud aan. Het is iets persoonlijks. Mijn eigen mens-zijn verbindt het goud met de steen voordat ik eroverheen strijk om het te laten glanzen.’
‘Mag ik?’ Ik sla mijn schetsblok open.
Ik teken Angelo die goud aanbrengt op de steen. Hij tikt het dunne blaadje tegen de uitsnijding. Hij gebruikt een stuk gereedschap dat bestaat uit een hamertje aan de ene kant en een haak aan de andere. De punten van de Franse lelie glanzen. Terwijl Angelo met zijn penseel over het inlegsel gaat, vult het goud het reliëf op. Angelo doet een stap achteruit. ‘Dit is mijn techniek om het goud te sealen. Elke vergulder heeft zijn eigen stijl.’
‘Laat het alsjeblieft zien.’ Professoressa Adeel gaat naast de werktafel zitten.
Angelo tikt het goud met een mesje in de groeven van het ontwerp. Hij penseelt er vloeibare hars overheen. De kleurlagen in het marmer komen door de hars heen, terwijl het goud zich hecht aan de spleten en het ontwerp verlucht met touches goud. Elk onderdeel van het ontwerp wordt versterkt door de aanwezigheid van een ander onderdeel, wat de essentie is van simpatico. Ik kijk toe terwijl Angelo werkt, wat me doet denken aan de ervaren manier waarop oma B haar schilmesje hanteerde.
* * *
Ik hoorde oma B’s mes op de snijplank tikken toen ik door de kelderdeur haar keuken in het souterrain binnenkwam. Oma B’s kelder was koel zonder ventilator of airco, ook al was het buiten snikheet. Er hing de doordringende geur van vochtige aarde en meel. Een hoopje meel ter grootte van een leeggelopen basketbal lag op de snijplank op de zilverkleurige formica tafel.
Oma B was lang, haar witte haar zat in een lage paardenstaart. Ze droeg een mouwloze jurk met een schort eroverheen. Het schort was net een vest met zakken; het was met knoopjes aan de voorkant dichtgeknoopt. De zakken puilden uit van de wasknijpers. Soms zat er een pakje Juicy Fruit-kauwgum in haar zak en gaf ze me een stukje.
‘Waar zijn Connie en Joe?’ vroeg ze.
‘Die gingen naar het zwembad.’ Ik waste mijn handen in de gootsteen. De metalen kraan was zo oud dat er allemaal putjes in zaten, en er waren stukjes email weg uit de witte gootsteen. De inrichting was dan misschien oud, maar alles was netjes schoon. Ik droogde mijn handen aan een gestreken witte droogdoek. De stof was zo hard als karton en nam het water niet op. Ik veegde mijn handen af aan mijn T-shirt, waarna ik naast haar op een van de rode vinylstoelen met zilveren buizen ging zitten.
‘Waarom ben jij niet gaan zwemmen?’
‘Omdat ik je had beloofd dat ik de cavatelli zou rollen.’
‘Ik wou dat je was gaan afkoelen. Je had niet hoeven komen.’
‘Als ik niet was gekomen, hadden we niet genoeg gehad voor de zondagse maaltijd.’
Oma B glimlachte breed en schudde haar hoofd.
Ze sneed een hoekje af van de hoop deeg en rolde het dun uit. Toen legde ze de deegroller weg en pakte haar schilmesje, waarmee ze slierten deeg afsneed. Ze sneed de slierten heel precies in gelijke stukjes, alsof de punt van haar mes een penpunt was en ze een brief schreef. Ze strooide een handjevol maismeel op de snijplank.
Ik rolde de vierkantjes pasta met twee vingers en knipte de vormpjes van zacht deeg in de cirkel maismeel midden op de tafel. Oma B rolde de vierkantjes met haar mesje en voegde de schelpjes toe aan de stapel midden op tafel. Ik speelde een spelletje met mezelf en probeerde de schelpjes sneller te rollen dan oma B ze kon snijden. Al snel hadden we meer deeg nodig, dus sneed oma B nog een stuk af van de hoop en rolde hem uit tot een dunne lap. Ze sneed de stukjes en we rolden. Hoe meer ze van het deeg afsneed, hoe meer het leek te worden en hoe hoger de berg cavatelli werd. Ik had ook mijn eigen geheime doel. Ik wilde hiermee klaar zijn zodat we naar boven konden gaan, zoete thee met anijskoekjes konden nemen en TCM konden kijken.
De families van mijn vader en van mijn moeder woonden dicht bij elkaar, maar ze waren heel anders. Oma Cap en oma B leken niet veel gemeenschappelijk te hebben, maar ze hielden allebei van oude films en ze leerden me er ook waardering voor te hebben. Elke keer als Italië voorkwam in een film, spraken we af hem samen te bekijken. Roman Holiday, It Started in Naples en Houseboat zijn mijn lievelingsfilms, maar misschien zijn ze dat omdat mijn oma’s er het eerst van hielden.
Oma B keek me met een glimlach aan. Ze zag een meisje van elf aan de tafel, maar in mijn hoofd was ik al volwassen, omdat we in dit project van pastarollen echte partners waren. Die middag waren we elkaars gelijken, maar die dynamiek eindigde toen ze het laatste stukje deeg rolde. In mijn familie waren er grenzen en hoewel ik nog maar een kind was, wist ik al hoe ik geheimen moest bewaren en ik wist dat ik niet te veel vragen moest stellen.
Ik had mijn eigen ideeën over ons leven aan het meer, die ik niet met haar, oma Cap of wie dan ook deelde. Ik was de jongste en daarom wist ik misschien niet zoveel als mijn broer en zus, maar ik begreep wel dat ik goed moest opletten en niets moest vergeten, zodat ik later alles kon uitpuzzelen. Dat leerde ik van mijn moeder, die kleine details kan ophalen van iets wat jaren geleden was gebeurd en ze tijdens een ruzie met papa als granaten kon laten ontploffen. Ik zag het altijd aankomen en ik snapte niet waarom hij niet wegdook.
‘Je maakt je te veel zorgen, Giuseppina.’ Oma B bleef het deeg bedreven met haar mes rollen. Ze kon slapend chickadades maken. ‘Waarom maak je je zorgen?’
Ik glimlachte, ook al word je niet vrolijk van je zorgen maken. Ik gaf geen antwoord, want als ik dat deed, zou ik haar dingen moeten vertellen die ze niet wilde horen. De vraag had moeten zijn: waarom zou ik me géén zorgen maken? Mijn ouders ruzieden over geld. Dat kwamen ze altijd tekort. Mama werkte voor oom Louie, maar was daar niet blij mee. Papa kreeg slecht nieuws op zijn werk en daardoor kregen ze ruzie. Na het ruziemaken sloten ze altijd weer vrede en dan leek alles in orde, totdat er iets anders gebeurde en er niet genoeg geld was. Ik wou dat we rijk waren, zodat ze niet zouden ruziën. Als we heel veel geld hadden, zou er geen ruzie meer zijn. Daar was ik van overtuigd.
‘Je kunt me alles vertellen,’ zei oma B.
‘Ik maak me zorgen omdat papa’s bedrijf naar Buffalo is verhuisd.’ Wat kan er in de wijde omtrek beter zijn dan South Belmar, New Jersey? ‘Papa zegt dat we moeten verhuizen naar waar hij werk kan krijgen.’
‘Echt?’ Oma B was totaal niet van slag, wat me kalmeerde. ‘Er zijn heel veel verzekeringsmaatschappijen in New Jersey. Hij krijgt hier vast een betere baan.’ Oma B rolde de schelpjes zo snel dat ik het lemmet van het mesje amper zag bewegen. ‘Maak je maar geen zorgen. Niets aan de hand.’
‘Mag ik het mesje gebruiken?’
‘Op een dag. Op dit moment zijn je handen nog klein genoeg om het deeg te rollen. Wanneer je handen te groot zijn, zal ik je het mesje leren,’ beloofde ze. ‘Binnenkort.’
Cavatelli zijn buisjes deeg waarvan de uiteinden elkaar raken, maar niet aan elkaar geplakt zijn. Zodra ze gekookt zijn, passen er meerdere op een lepel, wat me altijd ergerde, omdat mensen ze in minder tijd opaten dan wij ze hadden gerold. Een hele middag hard werken was in tien minuten verdwenen.
‘Ik ben Zuid-Italiaans,’ zei oma B trots. Ze was in Amerika geboren, dus voor haar was Puglia een regio uit een droom, een ver weg gelegen plek zonder alle fijne dingen die we in Amerika hebben. Ze vertelde graag verhalen over haar afkomst, maar ze wilde niet terug naar Italië, hoewel ze haar Zuid-Italiaanse tradities in ere hield. ‘Mijn familie noemt deze pasta niet cavatelli. We noemen het chickadades.’
‘Waarom noemen de Capodimontes ze niet chickadades?’
‘Omdat de Caps ze cavatelli noemen,’ zei ze met een glimlach. ‘En het maakt me niet uit hoe wij ze noemen, zolang we maar samen een zondagse maaltijd nuttigen.’
‘En u wilt geen ruzie.’
‘Dat hoeft ook niet. We kunnen verschillend zijn en het toch prima met elkaar kunnen vinden. De Baratta’s en Cascioles zijn boeren en de Caps zijn arbeiders in steengroeven.’
‘Jullie verbouwen het voedsel en zij eten het op.’
Oma B lachte. ‘Baart dat je zorgen?’
‘Aan de kant van de Caps een beetje. Een marmeren vogelbadje kun je niet opeten,’ zei ik.
‘Nee. Maar je kunt wel op je veranda zitten en ernaar kijken. Je kunt de vogels erin zien badderen. Leven met schoonheid is net zo belangrijk als het voedsel dat je eet. Soms voedt schoonheid je meer dan brood.’
* * *
Angelo’s atelier doet me denken aan de kelder van oma B. Zijn stukken gereedschap zijn schoon en klaar om te gebruiken. Zijn materialen liggen georganiseerd in de kast. Er heerst orde. Conor en professoressa Adeel houden zich op de achtergrond, alsof ze een installatie in een museum bekijken, wanneer Angelo een schone doek pakt en daar voorzichtig mee over het verguldsel wrijft. Hij gaat achteruit zodat we zijn werk kunnen zien, de lagen goud in het reliëf in de steen.
‘Bella?’ vraagt Angelo.
‘Sì,’ zeg ik instemmend.
Schoonheid voedt Angelo Strazza.