Hoofdstuk 14: Verguldsel - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Conor biedt professoressa Adeel een lift terug naar Lucca aan, waar ze parttime bij de universiteit woont, en laat Angelo en mij alleen in het atelier.
Angelo laat me de broze velletjes goud zien waarmee hij de steen verguldt. De velletjes zijn net losse pagina’s uit een boek, ware het niet dat het patina van het goud mooier is dan alle woorden die er ooit op gedrukt zouden kunnen worden. ‘Siciliaans goud,’ licht hij toe.
‘Sicilië staat op mijn lijstje.’
‘Ik breng je er wel naartoe,’ zegt hij.
Flirt hij met me? Wil ik dat? Voordat ik antwoord kan geven, is hij weer zakelijk.
‘Laat me je werk eens zien.’ Hij veegt zijn hand af aan een lap.
Ik geef mijn schetsblok aan Angelo en heb er al spijt van op het moment dat hij het openslaat. Hij bekijkt een tekening van een van de fonteinen die ik voor Mauro aan het maken ben.
‘Hm,’ zegt hij goedkeurend en slaat dan de bladzij om. Hij houdt mijn zelfportret omhoog. ‘Wie is dit?’
‘Dat ben ik.’
‘Het lijkt niet op jou.’
‘Zo zie ik mezelf.’
‘Je bent veel knapper dan die ongelukkige vrouw,’ zegt hij terwijl hij de bladzij omslaat.
Ik weet niet of ik beledigd moet zijn omdat hij vindt dat ik niet genoeg artistiek talent heb of blij dat hij me aantrekkelijk vindt. ‘Het is maar gedoedel.’ Ik pak het schetsblok uit zijn hand en doe het dicht. ‘Daarom heet het ook een schetsblok.’ Ik stop het onder mijn arm. ‘Het zijn maar ideeën.’
‘Als het aan de muur van de kunstacademie zou hangen, zou je zelfportret niet accuraat zijn. Dat bedoel ik,’ zegt Angelo, die langzaam en weloverwogen praat.
Óf mijn Italiaans is naar zijn mening niet goed genoeg, of hij vindt het fijn om een andere taal te oefenen, maar in beide gevallen voel ik me een onnozele expat. Ik word overspoeld door zelftwijfel. Sinds Bobby Bilancia ben ik niet meer alleen geweest met een man, en dat blijkt. ‘Ik moet gaan,’ zeg ik tegen hem.
‘Als een man je een compliment geeft, is de juiste reactie “grazie”.’
‘Grazie.’
‘Dat meen je niet.’ Hij komt dichter naar me toe.
‘Ik bedoel: dank je.’ Als ik nerveus ben, overdrijf ik. Het klinkt belachelijk, zelfs in de prachtige Italiaanse taal. ‘Grazie. Grazie mille.’
‘Nu ga je wat te ver.’ Hij lacht.
Dit is de eerste keer dat ik Angelo Strazza hoor lachen, en verlangen overspoelt me. Ik zie nu voor het eerst wie hij is, en ik wil meer weten. ‘Ik heb een vraag.’
Angelo slaat zijn armen over elkaar. ‘Ga je gang.’
‘Waar woon je?’
‘Ik laat je zien,’ zegt hij. Ik wijs hem niet op zijn grammaticale fout. Ik loop gewoon achter hem aan door het atelier heen naar een deur die hij opendoet, waarachter een slaapkamer ligt. Ik kijk naar binnen. De netjes maar sober ingerichte kamer is wit, met eenvoudige meubels, als de cel van een monnik.
‘Waar wonen je vrouw en dochter?’
‘Ik ben niet getrouwd.’
Ik moet echt beter luisteren als mensen Italiaans spreken. Ik dacht dat signora Strazza zei dat Dalia zijn vrouw was en Alice zijn dochter.
Angelo gaat verder. ‘Dalia woont met haar ouders en haar dochter in Seravezza.’
‘Is dat hier ver vandaan?’
‘Niet erg dichtbij.’
‘Ik nam aan dat jullie getrouwd waren.’
‘Dat zijn we niet. Het is de grootste droom van haar moeder’ – hij glimlacht – ‘en van die van mij.’
‘Het is de droom van elke moeder.’ In elk geval van degenen die ik ken. De gelukkigste dag van Philly Baratta’s leven was mijn trouwdag. Dat weet ik omdat ze me vertelde dat de dag waarop mijn scheiding definitief was de verdrietigste was.
‘Ben je getrouwd?’ vraagt Angelo.
‘Dat was ik.’
‘Ah. Zo eentje. Je wilt dat iedereen gelukkig getrouwd is, maar voor jou is dat niet weggelegd.’
‘Je moeder heeft een prachtig huis. Er is genoeg ruimte voor jou, Dalia en haar dochter als jullie daar willen wonen. Getrouwd of niet.’
‘Zou jij bij je moeder willen wonen?’ vraagt hij.
Ik lach. ‘Je hebt gelijk. Dat zou ik niet willen. Wat zeg ik nou? Ik woonde bij mijn ouders. Na mijn scheiding.’
‘Heb je kinderen?’
‘Nog niet.’ Ik druk mijn hand tegen mijn lippen alsof het antwoord per ongeluk uit mijn mond viel. Een eenvoudig ‘nee’ was genoeg geweest.
‘Je zult kinderen krijgen. Je zult opnieuw trouwen,’ zegt Angelo.
‘Ben je een waarzegger?’
‘Gewoon een vergulder.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Ik woon alleen, omdat ik getrouwd ben met mijn werk. Ik moet weer aan de slag.’ Angelo pakt mijn jasje op en helpt me erin. ‘Waar woonde je in Amerika?’
‘In New Jersey.’
‘Waar is je ex-man?’
‘Hij woont in Lake Como. Dat is een plaats in New Jersey. Het is een prachtig stadje. Het heeft een meer en de zee. Dat is heel zeldzaam. We noemen het de Italiaans-Amerikaanse Rivièra.’
‘Waarom zou je zo’n belangrijke plek ooit verlaten?’
‘Ik weet niet of Lake Como belangrijk is, maar al mijn herinneringen zijn daar. Dus voor mij is het belangrijk.’
‘Waarom ben je vertrokken van een plek waarvan je houdt?’
‘Ik weet het niet.’ Ik ga een man die ik nauwelijks ken echt niet de details vertellen die ik deel met mijn leger aan Thera-Me-artsen, die ik nauwelijks ken.
‘Italië is óf een bestemming óf een vlucht. Dat is al zo sinds Hannibal met zijn leger over de Alpen trok,’ zegt Angelo.
‘Voor mij is Italië geen van beide. Toen ik tijdens mijn studie tekenlessen nam, moesten we tijdens de eerste les naar een lege bladzij van ons tekenboek kijken. We mochten geen potlood pakken. We moesten naar het papier kijken. Hij zei dat we pas konden tekenen als we wisten waar we naartoe gingen.’
‘Weet je waar je naartoe gaat?’ vraagt Angelo.
‘Ik ben begonnen in de rots te hakken, zoals de cavatori of de scarpellini; net als gravers en steenhouwers weet je pas wat je zult aantreffen als je diep graaft. Of je kunt ervoor kiezen bovengronds te blijven en geen gevaar te lopen. Ik denk dat ik een ander soort veiligheid zoek.’
‘Waarom liet je man je gaan?’
‘Ik weet niet zeker of hij dat heeft gedaan.’
‘Je bent grappig.’ Angelo doet de deur open. ‘Mag ik je naar huis brengen?’
‘Dat hoeft niet. Je weet waar ik woon. Aan de overkant van de piazza. Ik kan om de hoek mijn balkon zien.’
‘Dat weet ik,’ zegt hij terwijl hij tegen het kozijn van de oude deur leunt. ‘Ik heb je bij zonsopgang zien tekenen.’
Angelo steekt zijn hand uit en ik schud hem. Zijn hand omvat die van mij en hij pakt zachtjes mijn pols, alsof hij me naar zich toe wil trekken. Ik laat hem begaan. De opwinding van zijn aanraking laat me huiveren. Ik heb al heel lang niet meer zo’n fijn gevoel gehad. Ik doe een stap naar hem toe. Zijn huid ruikt naar cederhout, limoen en zout, als een warme Toscaanse middag.
‘Toen ik je voor het eerst ontmoette, nam je mijn hand niet aan. Waarom niet?’ vraag ik.
‘Ik weet het niet,’ zegt hij. ‘Misschien wilde ik niet weten of ik het fijn zou vinden.’
Angelo neemt me in zijn armen en trekt me tegen zich aan. Sinds ik bij Bobby weg ben mis ik het om vastgehouden te worden, maar gedachten aan zijn omhelzing zijn op dit moment zo ver bij me vandaan als Angelo dicht bij me is. Angelo beweegt zijn mond zoekend over mijn wang en zijn lippen vinden de mijne. Hij zoent me. Mijn knieën worden week.
Ik trek me terug. ‘Dit is geen goed idee.’ Mijn stem breekt.
‘Alleen als je me niet aardig vindt.’
‘Je hebt een vriendin. Ik moet weg.’ Ik ga snel naar de deur en loop de straat op.
De koele avondbries omhult me als ik terugloop naar de piazza met een vaart die van een afstandje kan overkomen als een sprint. Ik zou wel willen rennen, als dat niet zou lijken alsof ik wegvluchtte van een plaats delict, wat ik eigenlijk ook doe. Mijn hart slaat sneller bij de gedachte aan Angelo’s aanraking, zijn warrige bruine haar met de kleur van kastanjes, zijn ogen van donkerblauw fluweel en handen zo expressief en krachtig dat ze kunnen wedijveren met die van Michel-angelo’s Adam. Tijdens mijn studie heb ik in de les renaissancekunst die handen wel duizend keer getekend. Waarom heeft een man die met zijn handen werkt altijd mooie handen? Ik houd mezelf voor dat Angelo bezet is en dat er in het vagevuur een zweetkamer is voor vrouwen zoals ik die het aanleggen met de vrouw van een ander. Ik zou van mezelf moeten walgen, maar ik merk juist dat ik naar hem hunker.
Ik ga niet terug naar het appartement, maar neem een espresso en een boterkoekje (wie houd ik nou voor de gek, ik neem er twee) bij de Caffetteria Leon d’Oro. Signorina LeDonne ziet me binnenkomen en begint al aan mijn espresso. Echt? Ik ben een stamgast! Dit is een kleine maar belangrijke overwinning voor een vrouw in het buitenland. Dat ga ik vieren door de warme espresso in het keramische kopje rustig op te drinken in plaats van het achterover te slaan als een shotje. Beschaafd. Ik steek mijn hand op en maak het symbool voor vrede, wat in Italië betekent: twee koekjes erbij.
Een kitten met een pluizige grijze vacht komt het café binnen. Die is vast van een van de kinderen aan de piazza. Ze lijkt goedverzorgd en is op haar gemak bij mensen. Aan de voorkant van haar kopje heeft ze een verticale zwarte streep, waardoor het lijkt alsof ze een Venetiaans masker draagt. Misschien is ze op de vlucht voor een carnevale buiten het seizoen. Ze geeft kopjes aan de barstoelen en rent dan weg. Blijkbaar is zij ook een stamgast; zo te zien weet ze de weg.
‘Il gatto,’ zegt signorina LeDonne hoofdschuddend.
‘Is die van jou?’ vraag ik.
‘Nee. Ze kwam van de berg af. Er is haar moeder blijkbaar iets overkomen.’
‘Wat afschuwelijk.’
De signorina haalt haar schouders op. ‘Iedereen die naar mijn café komt is op zoek naar liefde.’
‘Ik niet!’ flap ik eruit.
‘Misschien heb je de liefde al gevonden?’ De signorina knipoogt naar me.
Ik loop onder de loggia naar mijn appartement terwijl ik aan koekje nummer twee knabbel. De zwerfkitten van Caffetteria Leon d’Oro springt achter het bassin aan de voet van Maria Beatrice vandaan en loopt achter me aan. Ik loop doelloos rond, omdat ik mijn eerste zoen met Angelo of mijn laatste zoen met Bobby niet van me kan afschudden. De laatste zoen van Bobby en mij was op de parkeerplaats van Thompson, Thompson & Thompson. Ik vermoed dat Bobby ons leven samen niet vervelend wilde afsluiten, of dat hij hoopte dat ik door een gepassioneerde zoen van gedachten zou veranderen. Dat gebeurde niet.
‘Je moet naar huis,’ zeg ik tegen de kitten. Ze geeft een kopje tegen mijn been. Ik kniel. ‘Ergens mist iemand je vreselijk,’ zeg ik tegen haar terwijl ze een kopje geeft tegen mijn hand. ‘Je hebt vast honger.’ Ik pak haar op en ze nestelt zich in mijn hals. ‘Heeft de boer je verteld dat ik melk heb gekocht?’
Ik loop langs signore Parolo, van de bakkerij. ‘Questo gattino di appartiene?’
‘No, no. Quel gattino giovaga qui fuori da una settimana.’
Ik kijk de piazza rond; de kitten lijkt van niemand te zijn.
Signore Parolo gaat verder: ‘La stavo portando nel bosco.’
‘U brengt deze kitten niet naar het bos!’ zeg ik tegen hem. Ik wil wat ik er zojuist uitflapte net in het Italiaans vertalen, maar dat hoeft niet. De signore snapt het al en gaat zijn winkel in. En trouwens, de kitten heeft haar klauwtje in de schouder van mijn trui gezet en klampt zich aan me vast alsof ze het gesprek begreep. ‘Het is al goed, kleintje. Je mag met mij mee naar huis.’
De beslissing om de zwerfkitten te adopteren mag dan onbelangrijk lijken, voor mij is het een enorme verandering in mijn leven. Ik wilde altijd al een kitten omdat ik op een of andere manier wist dat ik door een huisdier een beter mens zou worden, een liefhebbender mens. Bobby is allergisch, dus toen begon ik er niet eens over. Mijn moeder was vastbesloten om huisdiervrij te leven. Ik hoef haar leven niet te leiden; als ik dat deed, zou ik weer in Lake Como zijn, getrouwd met Bobby, en zou ik op het punt staan mijn derde kind te baren. Ik steek mijn neus in de vacht van de kitten. Ze ruikt naar talkpoeder.
Als de winkels aan de piazza sluiten, gaan de lichten op de begane grond uit en op de eerste verdieping aan. Ik zie signore Parolo de trap op lopen naar zijn appartement boven de bakkerij. Het is het heilige uur aan de piazza, waarin gezinnen samen gaan eten in hun huis boven de winkel waarmee ze hun geld verdienen.
Ik neem de kitten mee de trap op naar mijn appartement. Ik noem haar Smokey, vanwege haar grijze vacht. Ik maak een blikje tonno all’olio open en geef haar een beetje. Ze schrokt het op. Als ik mijn mail check, rolt ze zich naast me op. Dokter Albert heeft me een bericht gestuurd. ‘Wees aardig tegen jezelf wanneer je je aanpast aan een nieuwe omgeving. Het is een proces om vrienden te maken en te acclimatiseren. Zoek comfort en een gevoel van vertrouwdheid op, maar stel je ook ten doel om elke dag met een onbekende te praten. Zo kun je banden smeden en vrienden maken.’
Ik pak Smokey op. ‘Hallo, vriend van me.’
Ik google ‘kattenbak’ en lees dat krantensnippers een goede noodoplossing zijn voor kattengrit. Dus verscheur ik L’Eco di Bergamo boven een plastic bak en zet de kitten erin. Ze snapt het idee onmiddellijk. Ik ben helemaal gelukkig. Morgen zal ik de juiste spullen voor Smokey gaan kopen.
Opnieuw beginnen heeft zijn uitdagingen. De band die ik met Smokey heb is bevredigend omdat ze me nodig heeft. Ik vind het fijn om nodig te zijn en dankzij dokter Rhoda – of was het dokter Elaine? – zie ik dat niet meer als zwakte. Ik vraag me af of ik een nieuw leven opbouw met alle dingen die ik in mijn oude leven niet had. Of liggen de antwoorden in de erkenning van de pijn van bepaalde herinneringen?
Toen het Festival half augustus eindigde, vertrokken de toeristen al snel nadat de kermisattracties waren ontmanteld en op vrachtwagens waren geladen uit Lake Como. Het reuzenrad vertrok als laatste; de kermismensen brachten het als een enorme roze hoepel het stadje uit. Eind augustus in een kuststadje voelde altijd als een opheffingsuitverkoop – alles moet weg – dus ging alles weg, ik ook. Ik ging naar Rutgers voor mijn eerste jaar.
Mama stond in de woonkamer in de erker op me te wachten. ‘Ik wou dat je ’s avonds niet ging hardlopen.’
‘De zon is nog niet onder.’
‘Bijna wel. Iemand kan je zo van dat pad plukken en in de achterbak van zijn auto stoppen en dan zouden we je nooit meer zien. Ik ga koffiezetten.’
Mijn ouders waren bijna klaar met de verbouwing van onze keuken. Papa leek er jaren over gedaan te hebben, want hij deed alles zelf naast zijn fulltime baan, dus het meeste gebeurde in de weekends. Toen papa klaar was, was de keuken eindelijk zonnig en ruim, met heel veel werkruimte, witte kasten, een blauw marmeren kookeiland en een achterwand van blauwe metrotegeltjes. Mama maakte nieuwe overtrekken met een thema van Siciliaanse limoenen voor de bank en de stoelen van Italiaanse chintz: katoen met een felle print in wit, geel en blauw. Maar er zat nog plastic overheen omdat papa nog niet klaar was met verven.
‘Dit is voor jou gekomen.’ Mama gaf me een envelop.
‘Tante Lil en hij hadden ook hierheen kunnen lopen. Dat had een postzegel gescheeld.’ Ik maakte de envelop voorzichtig open. Ik liet de felicitatiekaart voor mijn eindexamen eruit glijden. Voor een bijzonder nichtje. Een klein meisje houdt de hand van haar oom en tante vast terwijl ze over het strand lopen.
‘Wat leuk,’ zei mijn moeder, maar de klank van haar stem verraadde dat ze dat niet meende.
‘Ma, het is een cheque van duizend dollar.’
‘Wat?’
Ik gaf mijn moeder de cheque. ‘Voor mijn studierekening.’
‘Hij probeert je om te kopen.’
‘Weet je, ma? Ik heb genoeg van dat stomme Eiland van je. Ik wil niet bij jouw vetes betrokken worden. Ik hou van tante Lil en oom Louie. Ze zijn lief voor mij. En ze hebben me een cheque gestuurd waarmee ik mijn boeken en een deel van mijn collegegeld kan betalen. Ik ben hen ontzettend dankbaar.’
‘Ik heb je geleerd om dankbaar te zijn. Ik heb je ook geleerd om na te gaan van wie je iets krijgt.’
Mijn vader kwam de keuken binnen. Zijn haar zat onder de gele stippen verf, die op hem gedruppeld waren tijdens het schilderen van het keukenplafond.
‘Goede god, Joe, ik zei toch dat je een douchemuts moest dragen tijdens het schilderen.’
‘Wat dacht je van: “Goed gedaan, Joe. Het plafond is perfect.” Want dat is het.’
Mama keek omhoog. ‘Dank je wel, Joe. Dat ziet er goed uit,’ zei ze afgemeten.
‘Nou, graag gedaan hoor.’ Papa haalde een flesje bier uit de koelkast.
‘Giuseppina, papa en ik moeten met je praten.’
‘Jullie hoeven me niet naar de universiteit te brengen. Dat wilde Joe al doen. Connie zei dat ze ook mee zou gaan.’
Mijn moeder keek naar mijn vader. ‘Liefje, we hebben een probleem,’ zei ze tegen me.
Mijn hart begon te bonken. ‘Wie heeft er kanker?’ Mijn blik vloog tussen hen op en neer.
‘Niemand, Jess. We hebben een probleempje,’ zei papa zacht. ‘Het geld dat we opzij hadden gezet voor je studie is er niet meer.’
‘Hoe bedoel je?’ Mijn stem brak. Mijn hart ging sneller slaan terwijl mijn lichaam verstrakte. ‘Wat is er met mijn geld gebeurd?’
‘De markt is ingestort en we hebben al je spaargeld verloren.’ Mama keek eerst naar papa en toen naar mij.
‘Jullie moeten het terughalen. Ik heb… ik heb alles al ingepakt. Ik ben er helemaal klaar voor.’
‘Het is allemaal weg, liefje.’ De tranen sprongen mijn moeder in de ogen. ‘Het was niet de bedoeling dat dit zou gebeuren, maar het is wel zo. We kunnen er niets aan doen.’
‘Ik snap het niet. Wat hebben jullie gedaan?’
Ze gaven geen antwoord.
‘Ik begin de eerste week van oktober met een nieuwe baan,’ legde papa uit. ‘Tot die tijd zijn we blut. Het is gewoon een slechte timing. Zou jij ons kunnen helpen?’ vroeg papa. ‘Zou je later kunnen verhuizen?’
Mijn vader had me nog nooit iets gevraagd, dus dit was serieus. ‘Hoe bedoel je, later?’ Ik had mijn kamergenoten al ontmoet. Gin, een liefelijk Koreaans meisje uit Seoel, en Isabella, een aardig Italiaans-Amerikaans meisje uit Queens. We hadden online bij Target bij elkaar passende spreien gekocht. Die van mij lag in een plastic verpakking boven.
Ik griste de cheque uit de handen van mijn moeder. ‘Oom Louie en tante Lil hebben me duizend dollar gestuurd. Ik zou bij hen een lening kunnen afsluiten!’
‘Absoluut niet,’ zei mijn moeder. ‘We kunnen niet elke keer als we iets nodig hebben bij hen aankloppen.’
‘Dit is niet iets! Ik ben geen platte band, gat in het dak, afgebroken kies of een of andere onverwachte uitgave! Ik had een plan!’ Ik stond als verstijfd als een onschuldige omstander die overrompeld was door de misdaad waarvan ze zojuist getuige was geweest. Ik was beroofd, maar de dieven waren geen onbekenden, ze waren familie. Ik kreeg een droge mond. ‘Dit is mijn toekomst!’
‘Wat dacht je hiervan?’ Papa zette zijn handen op de tafel.
Het was moeilijk mijn vader serieus te nemen met gele verf in zijn haar. Maar dit was niet grappig. Het voelde als doorgestoken kaart.
Papa vervolgde: ‘Je zou aan Montclair State kunnen gaan studeren en heen en weer reizen. Alleen het eerste jaar. Thuis blijven wonen. Al dat geld sparen. En na dat jaar hebben mama en ik wel een manier gevonden om je op Rutgers te krijgen.’
‘Ik zou nog een studentenlening kunnen aanvragen. De deadline is verstreken, maar misschien maken ze wel een uitzondering.’
‘Dat hebben we al uitgezocht, liefje. We hebben al onze limieten bereikt,’ zei papa verdrietig. ‘We zijn die lening voor Connies opleiding nog aan het afbetalen. Om jou te laten studeren hebben we negentienduizend dollar nodig. En een kamer in het studentenhuis kost al meer.’
‘Papa. Alsjeblieft. Er moet een manier zijn. Zorg dat mama haar onenigheid met oom Louie bijlegt. Hij zou me helpen. Dat weet ik zeker.’
Mijn vader veegde de tranen uit zijn ogen. ‘Ik kan dit niet doen.’ Hij ging zitten en steunde zijn hoofd in zijn handen. Die grote, lange man die kleding kocht bij de winkel voor grote, lange mannen was plotseling erg klein.
‘Ik ga een manier vinden om aan het geld te komen. Ik puzzel het zelf wel uit.’ Ik kauwde op mijn onderlip alsof het een hondensnoepje was. In werkelijkheid had ik geen idee wat ik moest doen, of wie ik om hulp kon vragen, terwijl de ernst van de situatie indaalde.
Ik schaamde me ervoor dat mijn ouders niet met geld konden omgaan. Mijn vader zat onder de verf omdat ze nooit genoeg geld hadden om een echte huisschilder, loodgieter of elektricien in te schakelen. Ons leven werd met ducttape en wanhoop bij elkaar gehouden. Ik was woest op mijn moeder dat ze de reddingslijn naar mijn toekomst doorsneed omdat ze niet door één deur kon met haar broer. Ik kon niemand om hulp vragen, en dat wisten ze!
Mama begon te praten. Deze keer kapte papa haar af.
‘Ik wil ook geen woord over je broer horen,’ zei mijn vader. ‘Louie Cap is altijd goed geweest voor mijn kinderen.’
‘Nu ben ik ineens de slechterik?’ Mijn moeder legde haar hoofd op de keukentafel en begon te huilen.
‘Niet doen, Philly. Ik zei het toch: als je de bron vergiftigt, kun je er niet uit drinken.’
Ik hoorde ze ruziën terwijl ik de trap op ging naar mijn slaapkamer; mijn benen leken wel van cement. Ik duwde de deur open, deed hem achter me dicht en draaide hem op slot. Ik keek naar alles wat ik had ingepakt om mee naar school te nemen. Ik had mijn vaders leren koffer met zijn initialen op het slotje geleend. Die had hij van zijn ouders gekregen voor zijn eindexamen. Er stonden grote plastic boodschappentassen vol beddengoed, een kleinere met toiletspullen, een elektrische stoofpot en een föhn. Ik had alle spullen die in de handleiding voor beginnende studenten stonden verzameld en ingepakt. Maar ik had het collegegeld niet; nou had ik ook niks aan noedels.
Ik redde het net tot mijn bed.
Ik huilde net zolang in mijn kussen totdat het doorweekt was, alsof het was aangespoeld aan het strand van Lake Como. Hoe kon me dit zijn overkomen? Ik was er aan toe om te gaan studeren. Ik werkte hard, had goede cijfers en ik had geld gespaard. En niets van dat alles was van belang. Geld was altijd al een probleem in mijn familie; er was nooit genoeg en het was precies op het juiste moment op om mijn leven te verpesten.