Hoofdstuk 18: Tartufo nero uncinato - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Signora Strazza doet de deur open. ‘Sono felice!’
‘Come sta, signora? Dit is voor u.’ Ik geef haar een fles wijn en de stoffen tas.
‘Tartufo!’ roept ze terwijl ze in de tas kijkt.
‘Ik heb hem zelf opgegraven.’
‘Grazie mille.’ Signora Strazza drukt de tas tegen haar hart.
‘Nee, nee. Het is een cadeau. Grazie mille voor u – omdat ik Smokey mag houden. Het is niet goed voor een vrouw om alleen te zijn. Dat staat in de Bijbel.’ Het dringt tot me door dat ik zojuist het woord ‘alleen’ heb gezegd tegen een weduwe die zich elke seconde van de dag eenzaam voelt. ‘U begrijpt wel wat ik bedoel, toch, signora?’
Signora Strazza knikt en steekt haar hand uit als een vrouw die een koelkast aanprijst tijdens een spelshow. ‘Ken je Dalia al?’
Angelo’s vriendin komt de hoek om met haar telefoon in haar hand. Haar lange zwarte haar hangt in een vlecht op haar rug. Ze draagt een wit T-shirt, een spijkerbroek en een kort rood jack. Zo’n kort jack zou mij niet staan, maar Dalia is een vrouw die de paardrijlook heel goed kan hebben, ook al heeft ze waarschijnlijk nog nooit op een paard gezeten. Bij de aanblik van deze prachtige vrouw schaam ik me. Ik denk aan die gestolen kus, die ik helemaal niet mocht geven of accepteren.
‘Leuk je te ontmoeten. Officiata,’ zeg ik tegen Dalia. Ik ben blij dat ze me niet aankijkt en me ziet blozen van schaamte.
Op de eettafel, die ik voor het laatst zag toen signora Strazza haar aanval had, ligt nu een kanten tafelkleed. De tafel is gedekt voor vier personen, met fijn lichtblauw servies en kristallen wijnglazen. Stoffen servetten passen bij het eierschaalwitte kleed. Ik zou net zo goed in New Jersey kunnen zijn voor een zondagse maaltijd van mijn moeder, hoewel mijn moeder kritiek zou hebben op de te lange verse bloemen midden op tafel. Ze zijn zelfs veel te lang. Blijkbaar blijf ik mijn moeders dochter. Ik maak een foto van de gedekte tafel. ‘Vindt u het erg als ik hem post?’ vraag ik signora Strazza.
‘Va bene,’ zegt ze.
Truffels eet je aan een elegante tafel, post ik. De foto doet me net denken aan @CasaDePerrin als @JerseySidePhil een berichtje stuurt.
Hoe gaat het met je, G? Mijn moeder, alias @JerseySidePhil, probeert contact met me te krijgen met een emoji met een traantje na haar opmerking.
‘Gaat het?’ vraagt signora Strazza.
‘Ja hoor.’ Ik stop de telefoon in mijn achterzak. ‘Ik rammel.’ Ik ga aan tafel zitten. Dalia gaat tegenover me zitten. Angelo schenkt een glas wijn voor haar in. Zonder op te kijken van haar telefoon geeft ze hem een klapje op zijn achterste, waarna hij om de tafel loopt en een glas voor mij inschenkt. Was dat klapje voor mij, voor hem of voor ons allebei? Lieve hemel, dit etentje kan niet snel genoeg voorbij zijn.
Angelo heeft zijn haar gekamd en zijn overhemd in zijn broek gestopt. Blijkbaar is douchen voor de avondmaaltijd de Strazza-versie van de Baratta-lippenstiftroutine. Dalia en hij hebben waarschijnlijk straks een date, denk ik, terwijl hij het glas wijn inschenkt. Hij is zo dichtbij dat ik de geur van zijn huid opvang: fris cederhout en bergamot.
‘Ga zitten,’ zegt signora Strazza tegen haar zoon. Ze gaat de keuken in en komt terug met een soepterrine. Ze schept de soep in onze kommen. Naar boter en citroen geurende damp stijgt op uit de gecanneleerde kommen. In de bouillon liggen met de hand gerolde verfijnde, maar compacte pastastrikjes. Signora Strazza schaaft flinterdunne plakjes van de tartufo boven mijn soep. Dat doet ze ook bij Dalia, Angelo en ten slotte bij zichzelf. De gronderige plakjes tartufo zijn een geurige aanvulling op de pasta in brodo. Ik proef de soep, de tartufo smelt als een sneeuwvlokje op mijn tong.
‘Un tartufo.’ Signora Strazza proeft de soep. ‘Delicioso?’
‘Sì, sì,’ zeg ik. ‘Wat vind jij, Dalia?’
‘Het is… difficile om dit jaar tartufo te vinden.’ Dalia spreekt net zo vastberaden Engels als ik vanmiddag truffels aan het zoeken was.
‘Het was mijn eerste truffeljacht, en je hebt gelijk. Pas na vijf uur en vijf kilometer lopen vond ik deze. Dus doe me allemaal een plezier en eet langzaam.’
Dalia’s telefoon trilt. Ze verontschuldigt zich en gaat van tafel om op te nemen.
‘Bent u in Carrara opgegroeid?’ vraag ik signora Strazza.
‘We woonden in Avenza, niet ver van hier. Aan de Ligurische Zee. Mijn vader werkte op de trein. Hij vervoerde marmer naar de haven.’
‘Ik reed die route vaak met hem mee,’ zegt Angelo.
Dalia komt terug uit de andere kamer. Ze buigt zich naar Angelo en zegt zachtjes iets in dialect, wat ik niet begrijp. Angelo schuift zijn stoel van de tafel. Dalia wendt zich tot signora Strazza en verontschuldigt zich dat ze moeten vertrekken. Ze kijkt naar mij en werpt me een half glimlachje toe. Angelo brengt haar naar de deur. Ze praten nog even met elkaar.
Angelo komt terug naar de tafel. ‘Dalia’s dochter, Alice, heeft haar nodig. Het spijt haar dat ze weg moest.’
‘Wat vind ik het toch mooi hoe jullie in Italië Alice zeggen. A-lie-tjse. Bella.’
‘Dat kind bepaalt alles,’ zegt signora Strazza binnensmonds.
‘Mama,’ zegt Angelo waarschuwend.
‘Ik mag ook niks zeggen!’ Signora Strazza staat op en gaat naar de keuken. Ik kijk Angelo niet aan. Als veteraan van familieruzies aan de eettafel wil ik deze niet stimuleren. Signora Strazza komt terug met het hoofdgerecht. ‘Ik hoop dat je van spaghetti met erwtjes en room houdt.’ Ze zet de kom naast Angelo, die het gerecht mag opdienen.
Ik draai een paar slierten om het uiteinde van mijn vork. De lichte roomsaus over de spaghetti is boterzacht en de kappertjes en erwtjes zijn wrang en knapperig. Conor had gelijk; signora Strazza kan goed koken. Ze zegt zachtjes iets tegen haar zoon in een lokaal dialect, dat ik nog niet zou kunnen vertalen als ik elke vertaalapp op Google mocht gebruiken. Het klinkt alsof het over Dalia en haar dochter gaat. Signora Strazza is net als mijn moeder: ze kan niks loslaten en wanneer ze het probeert, komt het er passief-agressief uit. Het gesprek van Angelo en haar is zo heftig dat ik ervan overtuigd ben dat er elk moment ruzie kan ontstaan. Ik blijf dus spaghetti ronddraaien en opeten. Eerlijk gezegd maakt het me niet uit wat ze doen, zolang ik maar een tweede portie van deze pasta mag.
‘Hoe maakt u dit?’ onderbreek ik hun gesprek.
‘Ik bak de erwtjes met knoflook en fruit de kappertjes voordat ik ze in de saus doe,’ legt signora Strazza uit.
Het oude Philly Baratta-trucje mislukt nooit. Als mijn moeder zichzelf helemaal had opgefokt, kon ik haar altijd kalmeren door haar af te leiden. Om een recept vragen werkt altijd.
‘Kook jij?’ vraagt signora Strazza.
‘Ik ben er dol op. Ik heb alles geleerd van mijn grootmoeders. Ik rol mijn eigen pasta. Dat heb ik van mijn oma B geleerd; haar familie kwam uit Puglia. Maar de rest heb ik van oma Cap geleerd. Zij was een Montini uit Carrara voordat ze emigreerden.’
Signora Strazza legt haar vork neer. ‘De Montini’s. Die woonden aan de rivier.’
‘Mijn oma vertelde ons over de rivier! Dat moeten míjn Montini’s zijn!’
Na het eten maakt Angelo espresso. Hij brengt drie bekertjes vanille-ijs naar de tafel en giet er de pittige, hete espresso overheen. ‘Affogato,’ zegt hij.
‘Die vind ik het lekkerst,’ zeg ik tegen hem. Ik proef het crèmige vanille-ijs met de espresso en geniet ervan. Soms, als ik na mijn werk thuiskwam, sloeg ik het avondeten over en namen papa en ik alleen dit dessert, de elegante versie van een Italiaanse milkshake. Italië en New Jersey liggen nooit ver uit elkaar, in elk geval niet wanneer het desserts betreft.
Angelo en ik ruimen de tafel af. Ik probeer signora Strazza te helpen met de afwas. Ze pakt me de mopeen af en hangt hem aan een haakje in de keuken.
‘Ga maar. Samen met Angelo. La passeggiata,’ zegt signora Strazza met wapperende handen. ‘Wegwezen!’
‘La passeggiata,’ oppert hij.
‘Ja, hoor.’
Ik ga achter Angelo aan naar buiten en we lopen onder de loggia de piazza rond.
Ik weet het niet zeker, maar signora Strazza deed aardig tegen mij en gereserveerd tegen Dalia. Er is iets aan de hand, dus ik vraag Angelo: ‘Heb je je moeder verteld dat we elkaar hebben gekust?’
‘Wie zou dat nou doen?’
‘Dezelfde man die zijn vriendin uitnodigt voor het eten en dat zijn huurster op zolder niet vertelt als hij haar voor diezelfde maaltijd uitnodigt.’
‘Denk je dat ik kwade bedoelingen heb?’
‘Heb je Dalia verteld dat je me hebt gekust?’
‘Nee.’
Ik blijf midden op de piazza staan. ‘Angelo, volgens mij ben je een player.’
‘Wat betekent dat?’
‘Je bent zo’n man voor wie één vrouw niet genoeg is.’
‘Mag ik je iets vragen? Jij hebt een einde aan je huwelijk gemaakt. Werd je op een dag wakker en besloot je dat de relatie voorbij was?’
‘Nee.’
‘Kostte het tijd?’ oppert hij.
‘Ja. Het was een proces.’
‘Aha. Ben jij de enige die iemand heeft liefgehad die recht heeft op een proces?’
Ik geef geen antwoord. Ik heb van dokter Veronika geleerd dat je nooit antwoord moet geven op een vraag waarop geen antwoord is.
Hij gaat verder: ‘Ik kreeg een baan aangeboden in Milaan. Een geweldige positie. Het is niet makkelijk met Dalia. Zij wil dat ik me vastleg, maar dan kan ik die baan niet aannemen. Eerlijk gezegd zou ik al weg zijn, als mama er niet was. Ik voel me schuldig om haar zo snel na de dood van mijn vader achter te laten.’
‘Als je op het juiste moment wacht om te beginnen met leven, komt het nooit.’ Onder het lopen stop ik mijn handen in mijn zakken.
We zeggen niet veel. We lopen door zijstraten en langs de kunstacademie, maar de frisse lucht voelt fijn en ik vind het prettig om de spaghetti met erwten en room eraf te kunnen lopen. Al snel lopen we de piazza over naar het huis. Angelo houdt het hek voor me open.
‘Dank je voor je gezelschap.’ Ik trek me snel terug om lichamelijk contact met Angelo te vermijden. Ik loop het trapje met twee treden tegelijk op als hij me roept.
‘Ik ben niet wat je denkt,’ zegt Angelo.
‘Dat is niemand,’ zeg ik tegen hem terwijl ik verder loop. Zodra ik weer in mijn appartement ben, loop ik naar het balkon en pak mijn telefoon. Ik ga zitten met mijn voeten omhoog en schrijf.
* * *
Mama zat al op me te wachten toen ik binnenkwam. Ik had de kelderingang niet gebruikt omdat ik dan alleen maar de trap weer op zou moeten als mama me riep voor een verslag van mijn avond. Dit deden we al sinds ik een kind was. Na een feestje of avondje uit met mijn vrienden maakte ze popcorn. Dan gingen we aan de keukentafel zitten en vertelde ik haar alles wat ik wist: wie een fles gin naar binnen had gesmokkeld naar het eindfeest, wie er in de kleedkamer een joint had gerookt en welke stellen er met elkaar naar bed gingen en erover opschepten. Mama kon goed luisteren, wat logisch was voor iemand met haar persoonlijkheid. Met alle informatie die ik haar gaf, breidde ze haar database uit en de rest zoog ze zelf op van de straten van Lake Como.
‘Ik ga koffiezetten.’ Mama glimlachte. Ze droeg haar ochtendjas, maar ze had nog steeds make-up op en gouden oorringen in. Dat betekende maar één ding.
‘Had je vanavond Sodaliteit?’ vroeg ik.
‘Wat denk je?’ Mama zette de suiker en room op de keukentafel. ‘Tootie Filingo is verkozen tot voorzitster.’
‘En jij?’
‘Notulist. Ik kreeg wat ik verdiende. De ergste taak van de club. Dat is mijn straf voor het ontduiken van mijn uren achter de pizze fritte-kraam op het Festival. In dit leven boet je voor alles.’
‘Heb je dan in elk geval wel koekjes gescoord?’
‘Ik heb een bordje gemaakt.’ Mama zette de koekjes midden op tafel. ‘Je wilt de zevenlagenkoekjes van Andreana Comensky niet mislopen.’
‘Geef maar.’ Ik trok het aluminium van het papieren bordje. Het water liep me in de mond bij de geur van chocola, pinda’s, karamel en kokosnoot. Mama serveerde ons allebei een kopje koffie.
Ik legde mijn handen op die van mijn moeder. Ze liet haar nagels altijd manicuren op de dag van haar Soladiteit-bijeenkomsten in de kerk. Haar handen waren zacht, de French manicure was smetteloos, met witte strepen op roze nagels. Aan het diamantje dat ze van papa had gekregen voor hun verloving was die van haar overleden oma toegevoegd. Mama droeg een nieuwe ring, gemaakt van twee ronde diamanten die als uilenogen in de ring waren gezet.
‘Als ik doodga, delen jullie de ring. Een diamant voor jou en eentje voor Connie. Fiftyfifty. Geen geruzie.’
‘Ma, laat die ring gewoon aan Connie na. We gaan jouw sieraden echt niet uit elkaar halen als je dood bent.’
‘Maar dit is mijn beste sieraad! De rest is mwah.’ Mama’s wenkbrauwen vormden een zwarte streep, als een steek die ze tijdens het haken had laten vallen. ‘Ik wil dat alles eerlijk is. Ik heb geen lievelingetje. Jullie hebben allemaal een even grote plek in mijn hart.’
‘Ik hou van je, ma.’
‘Ik weet het.’
‘Je bent gek, maar ik hou van je.’
‘Waarom zeg je dat soort dingen, Giuseppina? Ik ben niet gek. Ik ben een gepassioneerd mens, dat haar uiterste best doet.’
‘Je hebt hard gewerkt. Papa begon elke keer als hij naar een andere verzekeringsmaatschappij ging onderaan, dus moest jij al die rotbaantjes nemen om ons iets extra’s te geven. Je hebt onze baljurken voor ons eindexamen gekocht en had gespaard voor een auto voor Joe, die hij nooit aan Connie en mij wilde uitlenen.’
‘Hij had een auto nodig toen hij rechten studeerde. Maar we hebben hem niet voorgetrokken. Die auto was een vereiste. Daarom wil ik de diamanten ring in tweeën splitsen. Mijn dochters verdienen ook iets bijzonders. We hebben heel veel opgeofferd, maar de familietraditie van opoffering hoef je niet voort te zetten. En ik laat de goede diamanten niet na aan Katie. Zij kwam al volgeladen deze familie binnen. Haar oudtante werkte bij Tiffany’s, dat moet je niet vergeten.’
‘Dat weet ik nog.’
‘Dus zijn de diamanten voor jou en Connie. Ik geef Katie wel kandelaars of zo.’
‘Geef de ring maar aan Connie. Zij heeft drie dochters. Twee diamanten, dan hebben in elk geval twee meisjes iets.’
‘Ik heb nooit genoeg voor iedereen.’ Mama doopte een koekje in haar koffie. ‘Ik ben oma. Ik hou me aan de tradities. Het is mijn verantwoordelijkheid om de familiesieraden te verspreiden. Ik moet nog nadenken over Mackenzie. Wat moet ik dat kind geven? Ik moet iets bedenken.’
‘Wees creatief, ma. We houden ons aan tradities, of ze nou nuttig zijn of niet. Ik probeerde Bobby zijn verlovingsring terug te geven, maar die wilde hij niet aannemen.’
‘Waar is die ring?’
‘In mijn sokkenla in de kelder.’
‘Een anderhalf karaats diamant die je in de sokkenla bewaart?’
‘Eén en een kwart. En ja, hij ligt in mijn sokkenla. Wie gaat er nou in de kelder een diamanten ring zoeken?’
‘Daar heb je een punt.’ De groeven tussen haar ogen ontspanden. Ze genoot ervan dat ik mogelijke inbrekers te slim af kon zijn met een goede verstopplek.
‘Dus, zie je, ma? Je moet je ring niet verdelen. Ik ben niet te vertrouwen met diamanten. Of met de man die erbij hoort.’
‘Hou je de ring van Bobby wel?’
‘Ik denk het niet. Een diamanten ring van een man van wie je gescheiden bent is net een perceel verschroeide aarde waarop niets groeit.’
‘Je zou hem kunnen verkopen. Ik begrijp jullie jonkies niet. Jullie geven niets om mooie dingen, die ik zo graag wilde hebben toen ik jullie leeftijd had. Jullie willen ervaringen, reisjes, avonturen, in plaats van tafelzilver van Paul Revere en borden van Lady Carlyle. Wat is er mis met een verfijnd huis? Een zondagse maaltijd? De feestdagen?’
‘Niks.’
‘Als we stoppen met de zondagse maaltijd en de feestdagen, is alles voorbij. Dan worden we een roedel protestanten. Raken we onze Italiaanse aard kwijt. Beloof me dat je Bobby’s ring zult houden, net als dat je een kerstrekening bij de bank moet aanhouden.’
‘Jij en papa en die kerstrekeningen.’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Je krijgt geen rente en op 24 december heb je vijftien dollar gespaard om uit te geven.’
‘Lach er maar om, we probeerden jullie te leren sparen ook al hadden we zelf bijna nooit iets over om opzij te zetten. Moet je horen. Elke familie heeft problemen: iemand drinkt, iemand gokt, iemand gaat vreemd. Die specifieke kruisjes had ons huisje niet; wij hadden een cashflowprobleem. Maar ik klaag niet.’ Ze trekt een gezicht. ‘Trouwens, je hebt het geld niet direct nodig. Je woont bij ons.’
‘Ik heb mijn geld gespaard, ma. Ik heb een appeltje voor de dorst.’
‘Mooi zo. Want op een dag heb je het nodig, en je wil natuurlijk bewijs kunnen laten zien voor al die jaren dat je voor mijn broer werkte.’
‘Dat heb ik ook. Ik ben een goede ontwerper.’
‘Prima,’ zei ze. ‘Maar ik ken mijn broer. Mijn advies? Zorg dat je een plan hebt.’
* * *
In mijn sessie met dokter Rex begin ik over mijn moeder. Ik vertel hem alles. Ik wil leren hoe ik met mijn moeder kan communiceren en ik wil haar problemen loslaten, die op een of andere manier van mij zijn geworden. Mijn moeder heeft het gevoel dat ze nooit een eerlijke kans heeft gehad in de familie omdat ze een meisje was. Afgezien van mijn studiegeld, en dat sloeg natuurlijk alles, gold voor mij over het algemeen het tegendeel. Oom Louie gaf me een kans, waarvan ik een carrière als ontwerper heb gemaakt. Toen hij overleed, had hij het bedrijf aan mijn moeder kunnen nalaten of het gewoon aan een beursgenoteerd bedrijf kunnen verkopen, maar dat deed hij niet. Ik wist wat Louie van mijn moeder vond, en door zijn bedrijf aan mij na te laten, wist hij slim genoeg dat ze geen bezwaar zou maken, omdat ik haar dochter ben. Dokter Rex zegt dat ik mijn moeders mening omtrent religie, seks, gezondheid, geld en schoonheid zou moeten onderzoeken. Hij vraagt me volledig eerlijk te zijn, omdat ik mijn hele leven mijn moeder heb verdedigd. Dit was de moeilijkste opdracht van allemaal.
PHILLY BARATTA’S ZWARTE LIJST
Religie: het patriarchaat maakt haar boos. Mama stopte bij de Maria-Boodschap.
Seks: schuld en schaamte op een presenteerblaadje. Mama maakte het verhaal nooit af over haar vriendin van de middelbare school Monica Spadoni, die in het tweede semester van haar voorlaatste schooljaar werd weggestuurd omdat ze zwanger was, waarna niemand haar, de baby of haar familie ooit nog had gezien. Het verhaal van Monica, zoals verteld door mijn moeder, was net alsof je in slaap viel voor het eind van de Film van de Week. Als je wakker werd, wist je niet hoe hij was afgelopen, en je was bang dat jou hetzelfde lot zou overkomen.
Gezondheid: ga nooit naar de dokter en bid dat de symptomen verdwijnen. Zoek geen ziektes op internet op, want het internet is zelf een ziekte.
Geld: glibberig. Ongrijpbaar. Als je wat geld hebt, verstop het dan. Hou een extra rekening aan voor noodgevallen. Mama zei ooit: ‘Let maar eens op. Als je een kleine bonus krijgt, is het eerste wat gebeurt: je breekt een tand. Er zijn geen bonussen, zorg dat je altijd wat contant geld opzijlegt.’
Schoonheid: je moet uitgaan van wat je hebt, wat de basis ook is. Met een manicure, het waxen van je wenkbrauwen en een spray tan bouw je zelfvertrouwen op.
* * *
Na deze oefening heb ik zo veel medelijden met mezelf dat ik haar niet nakijk. Ik verstuur haar door op de toets te drukken alsof ik daarmee een bom zal laten afgaan. Daar komt-ie, dokter Rex. Ik moet tante Lil bellen. Ik mis haar, maar heb haar niet gebeld omdat mijn moeder gekwetst zou zijn als ze wist dat ik wel met tante Lil communiceerde en niet met haar. Maar het maakt me niet meer uit; ik mis mijn tante.
Het is twaalf uur ’s middags in New Jersey, een paar uur voordat General Hospital wordt uitgezonden, dus ik weet zeker dat tante Lil thuis is. Ze neemt op.
‘Tante Lil? Met Jess.’
‘Mijn hemel. Hoe gaat het met je, liefje?’
‘Ik ben nu Italiaanse.’
Ze lacht. ‘Wat fijn voor je.’
‘Hoe gaat het met jou?’
‘Nou, ik mis mijn schaduw. Mijn schaduw en ik, weet je. Mijn Louie. Ik heb ongelooflijk veel hartzeer, maar ik probeer erdoorheen te komen.’
‘Dat gaat ook lukken, tante.’
‘Ik blijf maar hopen dat Louie me zal bezoeken. Maar dat heeft hij nog niet gedaan, of misschien herinner ik me mijn dromen gewoon niet. Ik zou naar een medium gaan, maar ze werd gearresteerd, omdat ze op internet mensen had opgelicht of zoiets, dus ik dacht: als ze dát al niet zag aankomen, hoe moet ze dan weten wat er in mijn spirituele wereld omgaat?’
‘Luister maar naar je eigen gevoel, tante. Ik heb hier het gevoel alsof ik dicht bij oom Louie ben. Waarom kom jij niet hiernaartoe?’
‘Dank je wel, liefje, maar ik wil nooit meer op het vliegtuig stappen. Ik ben dol op mijn huis. Mijn zus wil dat ik deze winter naar Florida ga, maar dat wil ik gewoon niet. Zonder je oom is er niets aan.’
‘Ik begrijp wat je bedoelt.’
‘Vertel me eens wat over jou. Ik weet niet hoe je de moed hebt gevat om uit de kelder te vertrekken.’
‘Was daar moed voor nodig of had ik gewoon genoeg van al het vocht?’
‘Er wordt nog steeds gefluisterd in Lake Como. En in Bilancialand wordt veel gekletst. Maar ja, dat is altijd zo.’
‘Hoe gaat het met mijn ouders?’
‘Sinds je vertrek hebben we elke zondagse maaltijd samen genuttigd. Je moeder kookt en ik sleep me ernaartoe. Ik neem iets mee. Connie maakt een gerecht. Het is heel anders dan toen jij het deed en ik me alleen maar hoefde op te dossen en aan jouw viersterrenmaaltijd te gaan aanzitten. Het is nu alle hens aan dek.’ Ze grinnikt. ‘Ik mis je.’
‘Dank je wel, tante.’ Ik word verdrietig als ik over de etentjes hoor. Ik verfoeide ze misschien af en toe, maar ergens vond ik het ook prettig om nuttig te zijn.
‘Je moeder is me er eentje. Dat is ze altijd geweest en zal ze altijd zijn. De vlekken van een panter kun je niet veranderen. En waarom zouden we ook? In deze familie houden we wel van een dierenprintje.’
‘Een panterprintje. Het Italiaanse neutraal.’
‘Beter dan beige. De Amerigaanse basiskleur. Het gaat goed met je ouders. En eerlijk gezegd, ook als dat niet zo was, zou ik het je niet vertellen. Blijf jij maar lekker daar. Je hebt meer dan genoeg tijd in de Baratta-clan gestoken. Wat mij betreft staan ze bij jou in het krijt.’
‘Ik wil je bedanken voor alles wat je voor me hebt gedaan.’
‘Ach, ja, dat doet een tante nou eenmaal.’
‘Nee, het was meer dan dat. Je was mijn toevluchtsoord. Jij en al die criminelen en mafketels van Port Charles.’
‘Kijk je nog steeds? Ongelooflijk wat Sonny Corinthos van plan is. Ik kijk al vijftig jaar, en eerlijk gezegd weet ik niet hoe ze het allemaal bedenken.’
Mijn tante praat me bij over haar soap alsof ze familie is van de cast van General Hospital. ‘Gek hè? Een uur per dag kijk ik mijn soap en dat is het enige uurtje waarin ik je oom niet mis.’
‘Ik mis je, tante Lil.’
‘Iedereen mist jou, Jess. Maar je kunt beter niet thuiskomen. Blijf maar weg tot je een olifantshuid hebt. Je mag alleen terugkomen als je tegen iedereen kunt zeggen dat ze naar de hel kunnen lopen. Begrepen?’
We moeten lachen.
‘Het zijn goede mensen, anders hadden je oom en ik het nooit volgehouden. Maar ik weet dat ze me achter mijn rug een beetje uitlachten. Deels is dat het lot van de koude kant in Italiaanse families, en de rest was gewoon angst. Je moeder wist waarschijnlijk dat je oom aan mijn kant stond. Toch probeerde ze haar meningen door te drukken. Ik was Diamanten Lil. Maar het maakte me nooit uit omdat ik weet wie ik ben en wat belangrijk voor me is. Ik hield van mijn man en van jou en je broer en zus, en zelfs van mijn zus, Carmel, hoewel ik soms gek van haar word. Maar mijn nicht, Marina, is een schatje. Ik heb meer gekregen dan de meeste mensen. Ik heb mijn man te snel verloren; hoewel mensen zeggen dat vijftig jaar een lange tijd is, was het dat niet voor mij. Het was in een oogwenk voorbij. Op een dag, als je weer verliefd wordt, zul je je herinneren wat ik je vertel. De tijd staat stil wanneer je de liefde van je leven verliest, omdat die nergens meer naartoe kan. Je bént alleen maar en het ís alleen maar. Je leven wordt totaal anders zonder iemand om van te houden. Als je niets te doen hebt en je niet eens een horloge hoeft te dragen. En als je op mij lijkt, maal je er niet om of de klok ooit weer begint te tikken. Het leven is gewoon opgehouden en ik sta op pauze. Ik wacht.’
Tante Lil wil nog naar de winkel voordat General Hospital begint, dus we nemen afscheid en we zeggen ik hou van je, en ik beloof dat ik haar snel weer zal bellen. Ik veeg net mijn tranen af met mijn mouw als er wordt geklopt.
‘Ciao, signora.’
Signora Strazza kijkt bezorgd naar mijn bloeddoorlopen ogen en loopneus, maar ze stelt geen nieuwsgierige vragen.
‘Ik heb mijn tante in Sestri Levante gebeld,’ zegt ze. ‘Ze was heel blij dat er iemand geïnteresseerd was in de familie Montini. Ze wist alles over hen en herinnerde zich zelfs nog dat toen de Montini’s naar Amerika vertrokken, het kleine meisje een speelgoedwagentje achterliet en het aan een van de nichten van mijn tante gaf. Dat moeten jouw Montini’s zijn. Ze zei dat het een goed idee was om jou hun oude woning te laten zien; daardoor zou je een waarheidsgetrouw beeld van je familie krijgen. Ik kan je er wel naartoe brengen.’
SNEEUWDAG
* * *
Signora Strazza en ik wandelen onder de loggia van de Piazza Alberica. Ze heeft de zijden sjaal die ze om haar hals had over haar hoofd gedaan en onder haar kin vastgeknoopt. Een paar trage sneeuwvlokken dwarrelen door de lucht. We lopen langs de Caffetteria Leon d’Oro naar de straat achter de piazza.
‘Zo te zien krijgen we een dun laagje sneeuw,’ zeg ik tegen haar.
‘Mijn man zei altijd dat de sneeuw geluk bracht.’
‘Wat grappig. In New Jersey is het een vloek. We moeten ons altijd uitgraven.’
‘Deze kant op.’ Signora Strazza wijst naar de Via Sorgnano, die vanaf de piazza naar het platteland loopt. ‘Het is niet ver.’
Ik steek mijn arm door de hare. ‘Vertel eens over uw man.’
‘Hij was knap. Heel vriendelijk. Rustig. Angelo lijkt op hem.’
‘Het is vast moeilijk. Na zo veel jaar samen.’
‘Ik ben dankbaar, maar mijn leven zoals het was is voorbij. Er is geen plek voor een weduwe op de wereld.’
‘Dat is niet waar. U hebt vriendinnen. U hebt Angelo.’
‘Weduwen dragen geen zwart omdat we in de rouw zijn; we dragen het om te verdwijnen.’
Oom Louie vond het vreselijk als ik zwart droeg omdat ik niets anders aantrok. ‘Signora, in Amerika dragen we zwart omdat we dan dunner lijken.’
Ze lacht. ‘Jullie Amerikanen ook. Jullie maken van het ergste wat een vrouw als ik kan overkomen een modestatement.’
‘Niet expres. Geloof me. Amerikanen zijn alleen maar praktisch.’
Signora Strazza blijft staan en loopt dan een smal zijstraatje in. ‘Dit is de Santuario Madonna delle Grazie a Carrara.’ Ze neemt me mee naar de gevel van de kerk, een kathedraal in romaanse stijl, gebouwd van marmer uit de buurt. Ze wijst naar de Via Carriona, die voor de kerktrap langsloopt. ‘Deze weg is zo oud als het marmer zelf. Dit is het pad waarover ze het marmer naar zee transporteerden.’
We lopen verder tot het eind van de weg. Een verlaten boerderij van twee verdiepingen, gemaakt van veldsteen en hout, staat een eindje van de weg vandaan op de helling.
‘We zijn er,’ zegt ze als we onze bestemming bereiken. ‘De boerderij van de Montini’s.’
Het geraamte van de boerderij staat er nog, maar de boerderij zelf is ernstig aangetast door de tijd en het weer. We kunnen door de begane grond heen kijken, naar het veld erachter. Ik stel me mijn oma als jong meisje voor, spelend op het veld. Nu ik hier sta, waar zij ooit stond, mis ik haar nog meer. Ik maak foto’s van het oude huis. Ik post één foto met het onderschrift: simpelweg prachtig.
Signora Strazza wijst. ‘De familie Montini woonde boven. In het onderste deel van het huis hielden ze dieren. Toen mijn moeder nog een meisje was, hadden ze twee geiten, die elke familie in Carrara van melk voorzagen.’
‘Oma Cap vertelde me dat de dieren onder hen in het huis sliepen. Ze zeiden dat ze het huis warm hielden.’
Ik kijk naar binnen door de raamkozijnen, waar ooit glas in zat. Binnen zie ik een zandvloer waar plukjes bruin gras doorheen groeien, een kapotte trog en houten staanders die het huis omhooghouden, waaraan allerlei verroest gereedschap, haken, kettingen en prikstokken hangen. De houten deuren naar de stallen zijn vergaan, de scharnieren houden het restant van de planken die de dieren ooit veilig binnenhielden vast. Alleen de plafondbalken lijken onaangetast, hoewel het stuc ertussenin is verdwenen.
Signora Strazza en ik lopen eromheen. Een ruw uitgehakte houten trap leidt naar de eerste verdieping van de boerderij. Het hout laat los en is aan het versplinteren, roestige spijkers steken uit het hout op de plekken waar het vergaan is.
‘Ik zou niet naar boven gaan. Het staat al zo lang leeg. De trap houdt je misschien niet.’
‘Als ik val, is het niet zo heel hoog,’ stel ik signora Strazza gerust. Ze gaat achteruit en probeert me ervan af te brengen, maar ik loop voorzichtig de trap helemaal op. Op het portaal is de deur verdwenen. Ik kijk naar binnen. Het enige wat over is van de kamer is een stenen haard tegen de verste muur. De schoorsteenmantel is weggerot. De helft van het dak is weg, wat het plafond in de schuur hieronder verklaart. Er staan geen meubels. Er is niets achtergelaten, geen emmer, krukje of oude tinnen beker. Vanuit de deuropening kan ik door de vloerplanken naar de stallen eronder kijken. Ik loop de krakende trap weer af.
‘Tevreden?’ vraagt signora Strazza. ‘Je had erdoorheen kunnen vallen.’
‘Ik moest het zien, signora.’
Haar gezichtsuitdrukking verzacht. ‘Ik mis mijn oma ook.’
‘Dat komt omdat ze ons geleerd hebben hoe we vrouw moeten zijn. Dat is een kunst die we nooit meester zullen worden.’
‘Dat weet ik zo net nog niet,’ zegt ze. ‘Dat kost gewoon tijd.’
De sneeuw begint te vallen, met grote, zachte vlokken zo groot als muntstukken. Ik heb het koud, maar ik voel het niet erg omdat ik aan oma Cap denk, waardoor mijn ziel wordt verwarmd door mijn herinneringen. Hier is ze geboren en getogen. Het is een geschenk om aan de draad van haar leven in Carrara tot het nu te trekken. Naar deze plek heeft ze haar hele leven verlangd, hoewel ze haar huis in Lake Como warm en gezellig voor ons maakte. Nu begrijp ik waarom ze zo kritisch was. Als ze een taart wilde bakken, reden we helemaal naar de Eden Farm in het zuiden van Jersey om eieren te kopen. De Montini’s hadden kippen, dus als kind kende ze alleen verse eieren. Ze wilde dat alles wat ze bakte smaakte zoals in Italië. En nog belangrijker, ze wilde dat wij die smaak zouden ervaren, zodat we Italië van haar tafel ons leven in zouden brengen. Ze had een moestuin, want er was geen twijfel aan dat de familie te eten zou hebben zolang zij onze groente teelde. We zouden altijd marinarasaus hebben zolang we onze eigen tomaten teelden en ze zelf inmaakten. Ze bouwde haar leven op, het leven dat ik vanaf het begin had meegemaakt, van alles wat ze in Italië had geleerd. Dat was haar basis. De oude boerderij was dan wel een ruïne, maar voor mij is het een palazzo, omdat zij er woonde.
Signora Strazza geeft me een papieren zakdoekje.
Ik bet mijn ogen. ‘Het spijt me, signora.’
‘Ze ziet je. Ze weet dat je hier bent.’
‘Ik hoop het.’
‘We huilen omdat we het geluk hebben dat we ze hebben gekend.’
‘Ik had hier met haar naartoe moeten gaan. We hadden haar naar huis moeten brengen. Maar, zoals het in families gaat: we hadden het druk met opgroeien, naar school gaan en onszelf ontwikkelen, terwijl ik natuurlijk alles wat ik moest weten hier van haar zou hebben geleerd, waar het allemaal is begonnen.’
‘Kun je niet beide hebben?’
‘Dat zal ik nooit weten,’ zeg ik tegen haar.
‘Het verhaal van de Montini’s in Carrara is eenvoudig. Ze waren nederige mensen. Contadini.’
‘Boeren,’ zeg ik.
‘In Italië is dat geen scheldwoord. I contadini zorgden voor eten op tafel en in onze maag. Door hun harde werk deden wij kracht op. Elk jaar deden de Montini’s iets bijzonders. Tijdens de Goede Week maakten ze een bepaalde kaas die je alleen tijdens de paastijd kon krijgen. Het was verse mozzarella met vijgenpasta en andere zoete dingen erin gerold. Als je hem aansneed, werden het prachtige wraprolletjes. Mijn moeder maakte altijd een paasschotel met verse venkel en de Montini-wraps. Het zag er prachtig uit. Heerlijk ook.’
‘En toen gingen ze naar Amerika.’
‘Ik hoorde niets over ze, behalve de verhalen die mijn tante vertelde als ik haar belde. Dat was typerend. Er waren maar een paar families die ons stadje verlieten en dat was dan dat. Mijn ouders hielden nog een tijdje contact met ze, er gingen brieven heen en weer, maar in de loop der tijd werd de correspondentie steeds minder frequent en uiteindelijk hielden de brieven op. De oude wereld vervaagde. Amerika moet wel magnifico zijn, want toen onze buren daarheen gingen, vergaten ze Carrara.’
‘Ik verzeker u, ze vergaten Carrara niet.’
Ik pak signora Strazza’s arm voor de lange wandeling terug naar de piazza. Ik draai me om en kijk naar de Montini-boerderij in de sneeuw; door het waas van sneeuwvlokken heen zie ik dat de veldsteen en het gevlekte hout bedekt zijn met parels van ijs. Parels. Mijn rijkdom, mijn familie, mijn thuis.