Hoofdstuk 2: Het familiebedrijf - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
De rode achterlichten van oom Louies geelgroene Impala knipperen als hij achteruit zijn garage uit rijdt om me van mijn werk op te halen. Hij woont met tante Lil in het laatste huis op het hoekperceel voor de kruising met Surf Avenue, die naar het strand leidt. Hun Cape Cod, het huis met de best onderhouden tuin van heel New Jersey, valt op tussen de mengeling van witte splitlevelwoningen en lichtblauwe karakteristieke huizen met schuin dak, met twee verdiepingen aan de voorkant en één achter, die als een snoer glimmende opalen langs de bochtige oever van Lake Como staan.
In de loop der jaren hebben tante Lil en oom Louie allerlei ornamenten en bouwwerken op hun perceel van tweeduizend vierkante meter gezet. Er is een koivijver, een marmeren fontein van drie verdiepingen en een pad van stenen met goudkleurige strepen erin dat kronkelend naar de voordeur leidt, net als het pad van gele klinkers in Oz. In de achtertuin staat een replica van het Parthenon gemaakt van Carrara-marmer, waar ze elke Onafhankelijkheidsdag de barbecue van de Columbus-ridders houden. ‘Mijn huis is reclame voor de zaak,’ zegt oom Louie. ‘Italiaans vakmanschap en Amerikaanse elegantie?’ vraagt hij, gevolgd door het antwoord: ‘Daarvoor moet je mij hebben.’
En anders mij. Oom Louie is mijn baas bij Capodimonte Marmer en Steen, ons familiebedrijf sinds 1924.
Mijn oom stopt bij de stoeprand. Ik adem de kille ochtendlucht in. Die prikkelt mijn neus en vult mijn longen, waardoor ik met mijn hele lichaam moet niezen. Ik zoek een papieren zakdoekje in mijn tas.
‘Jess. Meen je dat nou?’ zegt oom Louie door zijn open raampje, terwijl ik mijn neus afveeg.
Ik stap in en doe de gordel om. Hij maakt een draaibeweging. ‘Laat je raampje maar open, dan waaien de bacillen weg.’
‘Ik ben niet ziek. Het is de temperatuur.’
‘Ook nog wetenschapper? Als je geen kouvat, vat de kou jou ook niet. Wijze woorden van mijn moeder.’
‘Bij elk nieuw seizoen krijg je weer een aanval van hypochondrie.’
‘Dat is je dus opgevallen?’ Oom Louie glimlacht.
Mij valt alles op, maar het heeft geen zin om daarover op te scheppen. Als je in een klein stadje woont, heb je alleen iets aan een eigen kijk op de wereld als je een geldig paspoort hebt. In Lake Como bezitten de familie Capodimonte en Baratta heel North Boulevard. Opa en oma Cap woonden twee huizen verderop en opa en oma Baratta drie huizen verder de andere kant op. Ze zijn nu allemaal dood; het huis van de Baratta’s ging in 2019 naar onze neef Carmine, het Cap-huis staat er sinds oma’s overlijden in 2022 onaangeroerd bij. We noemen het het Lake Como-museum omdat het intact blijft, sinds haar overlijden is er nog geen theelepeltje verdwenen. In de rest van de huizen aan de bocht in het meer wonen familieleden.
Als we een straatfeest hadden, sloten we de straat af en leken we wel een Italiaans restaurant tijdens all-you-can-eat-avond. We waren een Italiaans-Amerikaanse nachtclub minus de striptease, gratis hors-d’oeuvres en het minimum van twee drankjes. Onze familie heeft niet alleen een gezamenlijk sociaal leven, maar ook de straat, een kano en de heilige maagd Maria. In elke tuin langs het meer staat een standbeeld van haar. Het lijkt misschien alsof het patriarchaat bloeit, maar Italiaanse Amerikanen weten dat de moeder alle macht heeft. Philomena Capodimonte Baratta, mijn eigen mamma mia Madonne, is daar het bewijs van.
‘Wat heb je nou voor jasje aan?’ Oom Louie neemt mijn outfit op.
‘Van Connie gekregen.’
‘Loop je nog steeds in de afdankertjes van je zus?’
‘Is het zo erg?’ Ik strijk het donkerblauwe linnen glad.
Ik voldoe niet aan oom Louies kledingcode. Nooit gedaan ook. Louie Cap is de laatste van een groep Italiaans-Amerikaanse mannen die opgroeide met de muziek van The Beatles maar die jazzmuzikant Louis Prima nooit vergat. Hij draagt suède loafers maat 41 zoals Frank Sinatra en driedelige pakken zoals Jerry Vale, die ingenomen zijn om zijn tengere lichaam te omsluiten. Hij draagt altijd een gilet onder zijn colbert omdat hij van het ingesnoerde gevoel houdt.
‘Kleren maken de vrouw,’ brengt oom Louie me in herinnering. ‘Wat is er met jou? Je bent een uithangbord voor depressie.’
‘Ik doe mijn best. Ik heb me ingeschreven bij Thera-Me. Dat is een therapieprogramma op internet. Ik kreeg er zo veel reclame voor op Instagram dat ik wel tot hun doelgroep moet horen.’
‘Wat dat ook moge betekenen,’ bromt Louie. ‘Mijn doel is in de armen van mijn Verlosser belanden zonder ooit nog een app te hoeven installeren.’
‘Ik had een afspraak met dokter Sharon via Zoom.’
‘Is ze een echte dokter?’ vraagt oom Louie.
‘Geregistreerd en al. Ik moest een zelfportret tekenen. En ze vroeg me dingen op te schrijven. Ze wil dat ik mijn herinneringen op papier zet, de gelukkige en de pijnlijke. Ze zei dat ervaringen uit het verleden de basis vormen van toekomstige geestelijke gezondheid.’ Ik laat oom Louie mijn zelfportret zien.
Hij werpt er tijdens het rijden een blik op. ‘Dat lijkt niet op jou.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik zou er nog eens naar kijken.’ Oom Louie trekt een gezicht.
‘Te laat. Ik heb het al ingeleverd.’
‘Is die therapie duur?’
‘Ongeveer even duur als de sportschool.’
‘Hm. Wat een oplichterij. Waarom heb je een therapeut nodig? Je hebt mij toch? Ik ben net een priester. Op mijn leeftijd schrik ik nergens meer van.’
‘Er zijn dingen die ik zelfs met jou niet kan bespreken.’
‘Ook al heb ik een heel gevoelige vrouwelijke kant?’
‘Dat is niet grappig, oom Louie.’
Oom Louies telefoon gaat. Hij tikt op de speaker. ‘Hé, Googs.’
‘Ik heb een paar platen zwart graniet. Kun je die gebruiken?’ Googs klinkt ver weg, alsof hij vanaf de maan belt.
‘Ik leg net een vloer in Basking Ridge. Hoeveel heb je?’
‘Twee bij drie meter. Zo te zien heb ik er zes in totaal. Voor een kleine hal?’
Oom Louie kijkt me aan. Ik bevestig dat we die voorraad wel kunnen gebruiken.
‘Maak maar een mooi prijsje,’ zegt oom Louie. ‘Zet me niet af, Googs. Ik ben niet in de stemming.’
‘App me het adres maar, dan bezorg ik het.’ Rolando ‘Googs’ Gugliotti hangt op. Hij is een van de oudste collega’s van oom Louie. Als oom Louie een Rat Pack had, de groep artiesten uit de jaren vijftig en zestig, zou hij Joey Bishop zijn. Hij komt opdagen, doet zijn werk en gaat dan in rook op, tot je hem weer nodig hebt, of hij iets van jou moet.
Ik kijk naar mijn telefoon. ‘Hoe weet hij wanneer hij precies moet bellen? Het is griezelig.’
‘Helemaal niet. Hij is een intuïtieve verkoper. Noteer dit even.’
Ik ga naar de notitie-app op mijn telefoon en wacht op instructies.
‘Verbouwing van Aldo en Rena Lovisone. Aflevering graniet. Regelen met de klant.’ Oom Louie dicteert terwijl hij op Sixteenth Avenue rechts afslaat, Main Street en de zakenwijk in.
Hij gaat langzamer rijden en bekijkt de gebouwen aan weerszijden van de straat.
‘De Italiaans-Amerikaanse Rivièra maakt een comeback.’ Louie fluit goedkeurend terwijl hij het nieuwe appartementencomplex bekijkt naast het verbouwde pakhuis, tussen de restaurants, de slijterij, het radiostation en andere appartementencomplexen op Main Street. Hij stopt voor de lege brandweerkazerne, leunt uit het raampje en knijpt zijn ogen half dicht. ‘Hier komt een barbecuerestaurant, dat ze Uitslaande Brand gaan noemen. Goed gekozen. Namen zijn belangrijk.’
Dat klopt. In 2004, ik was dertien, was South Belmar, in New Jersey, een sneue tussenstop geworden tussen Belmar en Spring Lake. Ons mooie arbeidersstadje was een dierentuin voor feestbeesten geworden. De huizenprijzen waren ingestort. Er werd besloten dat als we ons stadje wilden redden, we opnieuw moesten beginnen. We hadden een nieuwe naam nodig.
De bewoners wilden de naam South Belmar zo snel mogelijk in de vergetelheid laten raken. Ons stadje was honderd jaar geleden aan het meer dicht bij de oceaan gesticht door Ierse, Nederlands/Duitse en Italiaanse immigranten, en drie generaties later woonden ze er nog. De plaatselijke Italianen voerden campagne om de naam te veranderen van South Belmar in Lake Como. Eerst zagen de Ieren en Nederlanders/Duitsers het niet zitten om het stadje naar het meer te noemen, maar de Italianen voerden aan dat Como makkelijk te spellen was. Dat was een goed punt. En verder liep niemand warm voor de alternatieven: Fuerstenfeldbruck of Lake Nobbler.
Oom Louie voerde de campagne aan en onder zijn leiding won Lake Como met een overweldigende 167 stemmen! We waren niet langer South Belmar, New Jersey. De nieuwe naam bleek geluk te brengen. Een lyrische naam creëert een ruimte die met schoonheid gevuld kan worden, als een alt die in de cirkel goudkleurig licht op het podium van een schouwburg stapt.
Niemand weet beter dan ik dat namen belangrijk zijn, omdat ik gepest ben met de mijne. Toen ik geboren werd, noemden mijn ouders, vastbesloten om me in te bedden in de familiegeschiedenis en mijn moeders versie van Toscaanse stijl, me Giuseppina Capodimonte Baratta. Toen mijn broer dat niet kon uitspreken, zei hij kortweg Jess. Dat bleef hangen. Iedereen noemt me Jess, behalve mijn moeder, de purist.
Oom Louie en ik komen langzaam tot stilstand in het vastgelopen verkeer op East Street.
‘Slechte timing,’ bromt oom Louie.
‘De school begint net.’ Ik kijk naar een stel kletsende meisjes met een donkerblauwe trui aan dat het trapje oploopt. Hoe is het mogelijk dat de meisjes van de Saint Rose-school hetzelfde uniform dragen als ik vijfentwintig jaar geleden? Terwijl we wachten in het verkeer open ik de notitie-app op mijn telefoon. Ik volg de opdracht van dokter Sharon en verbind mijn gevoel aan de woorden over de herinnering dat ik op mijn moeder wacht. Ik schrijf.
Het was zo’n warme oktobermiddag die even heet voelde als de drukkendste, vochtigste dagen van augustus. Het zweet droop van me af terwijl ik tussen de rij auto’s doorliep die hitte uitstraalden. De moeders wachtten comfortabel in de auto met airco, aangedreven door een stationair draaiende motor, en veroorzaakten zo een permanent gat in de ozonlaag boven New Jersey. We hadden een goede reden om op de Dag van de Aarde met de hele school de rozenkrans te bidden: we wilden blijven leven.
Ik stapte in mijn moeders Plymouth MPV met plastic stoelhoezen die aan mijn benen kleefden toen ik ging zitten. Het was het jaar 2000, ik was negen jaar. Ik droeg een tweedehands schooltrui en loafers. Mijn zus Connie was elf. Ze droeg hetzelfde uniform, maar dan een maat groter. Ze zat op de achterbank achter mama. Ik had altijd op de achterbank gezeten totdat Connie ontdekte dat degene op de bijrijdersstoel de grootste kans heeft om tijdens een ongeluk te overlijden, en daarna werd dat mijn plek.
Mijn klasgenoten leken net een zwerm blauwe zangvogeltjes in hun trui, met het voorgeschreven gebreide vestje als een schort om hun middel geknoopt. Het was zo warm dat de meisjes hun witte kniekousen naar beneden rolden tot ze net kleine binnenbandjes om hun enkels waren. Zulke modetrends sloegen aan op Saint Rose en iedereen moest de rage volgen om geen langzame sociale dood te sterven. Ik zou mijn kniekousen pas oprollen als ik mijn benen mocht scheren.
‘Mama, wanneer mag ik mijn benen scheren?’
‘Jij moet nog wachten,’ zei Connie snel. ‘Ik mag het pas net.’
‘Ik vroeg het niet aan jou. Ik vroeg het aan mama.’ Als het haar op mijn benen nog drie jaar groeide, zou ik het twee keer per dag moeten scheren, net als neef Bear Baratta, die tegen het eind van de middag alweer een volle baard had.
‘Daar moet ik over nadenken, Giuseppina.’
‘Hé, Jess!’ riep Lisa Natalizio vanaf de stoep. Lisa’s blonde vlechten waren zo dik als hooi en waren pluizig van de vochtige lucht. Haar glimlach was even breed als haar ronde hoofd. Ze hield haar pindakaasreep in de lucht zoals zuster Jean haar aanwijsstok tijdens muziekles en riep: ‘Vergeet het melkpak niet!’
‘Ma, ik heb morgen een melkpak nodig voor school. Lisa en ik gaan een brievenbus maken. We gaan beterschapskaarten naar de paus sturen.’
‘Die nonnen met hun projecten ook. Prima. Ik laat er vanavond wel een luchten. Het is maar goed dat je broer een groeispurt heeft. Hij is een melkmonster. Doe je gordel om.’ Mama droeg een roze spandex jumpsuit met een geplooide rand om haar middel waardoor ze net een verpakte toffee leek. Ze kwam net van zumbales. Ze had sproetjes op haar borstkas en in haar decolleté lag aan een teer kettinkje een gouden kruisje genesteld. Ze gaf me een kusje op mijn wang en maakte de broodtrommel op mijn schoot open. ‘Je hebt je lunch opgegeten! Goed zo.’
‘Bobby Bilancia heeft hem gestolen.’
Mama fronste. ‘Heb je dat tegen zuster Teresa gezegd?’
‘Iedereen haat verklikkers,’ bracht ik haar in herinnering. ‘Bobby steelt ook van Lisa’s lunch en zij heeft het opgegeven. Nu stopt haar moeder er een extra pakje koeken in voor het geval hij op rooftocht gaat.’
‘Ik ga echt niet de hele klas te eten geven.’ De sigaret van mijn moeder ging bij de derde poging aan en ze stak hem zo ver mogelijk uit haar raampje om te voorkomen dat we kanker zouden krijgen. ‘Zodra we thuis zijn, bel ik de school.’ Ze zuchtte. ‘Giuseppina, je moet niet voor hem wijken.’
‘Dat lukt me niet, ma.’
‘Waarom niet?’
Connie gaf antwoord voor mij. ‘Omdat elk meisje uit haar klas en elke non op school verliefd is op Bobby Bilancia. En Jess vindt hem ook leuk, toch?’
‘Mogen we een ijsje?’ Waarom kreeg ik honger van de naam Bobby Bilancia?
‘We gaan straks lasagne eten.’
‘Zo lang kan ik niet wachten. Misschien val ik wel flauw.’ Ik leunde tegen het portier en steunde met mijn hoofd in mijn hand.
Mijn broer Joe, veertien jaar, stapte in de auto en deed het portier dicht. Hij droeg een gestreken honkbaluniform, in zijn zwarte haar zat een nette zijscheiding. Hij zette zijn rugzak op de bank. Er zat geen slijtplek op, hij zag er nog net zo nieuw uit als de dag waarop mama hem bij de Target had gekocht.
‘Hoe was het vandaag, Joe?’ vroeg mama vriendelijk.
‘Oké. Ma, kun je me bij het oefenveld afzetten?’
‘Jouw wens is mijn bevel.’ Ze glimlachte. ‘Hoe was het vandaag, Connie?’
‘Irritant. Ze lachten om Jess’ naam.’
Mijn moeders donkere ogen gingen heen en weer tussen die van Connie in de achteruitkijkspiegel en die van mij op de passagiersstoel. ‘Hoe bedoel je “ze lachten om”?’
‘Sommige meisjes plagen haar,’ zei Connie.
‘Ze noemen me Giuseppina-colada.’
‘Zoals de cocktail?’ Mama fronste.
‘En soms nog erger, ma,’ zei Connie. ‘Ze noemen haar Jozepiemel.’
‘Sukkels,’ mompelde Joe. Joe voelde zich al verheven boven de fratsen van de basisschool hoewel hij er strikt genomen nog steeds op zat. Hij was eerder een vader voor me dan een broer.
‘Wie plaagde je?’ wilde mama weten. Ze keek kwaad in de achteruitkijkspiegel naar mijn zus. ‘Connie, hoe heb je je zus verdedigd?’
‘Ik kan niet door de gangen van Saint Rose sluipen om de gemene meisjes die de pik hebben op Jess een lesje te leren.’
‘Waarom niet?’ schreeuwde mijn moeder. ‘Je hebt maar één zus!’ Ze draaide zich naar me toe. ‘Giuseppina, je moet harder worden!’
Ik voelde mijn keel verkrampen. Ik legde mijn handen op mijn hals en probeerde in te ademen, maar kreeg niet genoeg lucht. De paniekaanvallen werden doorgaans uitgelokt door uitdagingen die ik niet het hoofd kon bieden. Die dag was uitzonderlijk meedogenloos verlopen: ik kon niets goed doen en dan werd ik ook nog eens gepest. Het was te veel.
‘Connie! De papieren zak!’ gilde mijn moeder. Connie gaf mama kalmpjes een zak vanaf de achterbank. Mijn zus wist wat ze moest doen. Mama vouwde de zak open en gaf hem aan mij. ‘Adem in de zak, Giuseppina! In de zak!’
Mijn paniekaanvallen waren op de kleuterschool begonnen. Mijn kinderarts leerde me het trucje met de papieren zak. Wanneer ik niet kon ademen, hield ik een papieren zak over mijn mond, dwong mezelf uit te ademen en diezelfde lucht weer in te ademen. De zak liep leeg en ik vulde hem weer met mijn adem. Ik raakte gesteld op het geluid dat de krakende zak maakte als ik er lucht inblies. Al snel gingen mijn gedachten op het ritme van mijn ademhaling. Ik herhaalde Bobby Bilancia adem, Bobby Bilancia adem in mijn hoofd tot mijn hart stopte met bonken en mijn longen zich openden.
‘Wanneer groei ik hieroverheen?’ Ik keek naar mijn moeder en veegde een traan weg met mijn mouw.
‘De dokter zei dat het elk moment kan gebeuren. Je moet geduld hebben.’
Mama reed naar de kant van de weg en stopte om Joe bij het veld af te zetten. Hij kneep even in mijn hand voordat hij uit de auto sprong. Hij sloeg het portier met een klap dicht en rende naar zijn team toe. Hij werd al snel verzwolgen door een zee rood-wit gestreepte uniformen alsof hij in oma Caps snoepschaal vol gestreepte pepermuntkussentjes was gedoken.
Mama voegde weer in in het verkeer en zocht de iscowagen. Ik voelde me beter nadat ik de eerste hap van mijn hoorntje had genomen, door het harde laagje chocola tot in het koele vanille-ijs eronder.
* * *
In de verkeersopstopping kijkt oom Louie naar de schoolbus, waaruit leerlingen het plein op stromen. Ze vormen twee rijen, als blauwe rivieren die langs het standbeeld van de heilige Rosa van Lima de hal van de school in stromen. ‘Ongelooflijk dat je ooit zo klein was, hè?’
‘Ik was het kleinste meisje, met de langste naam.’ Ik sluit de notitie-app af.
‘Ik zei nog tegen mijn zus dat ze je een normale naam moest geven. Ze moest je naar die ongetrouwde tante van ons noemen omdat niemand anders zijn kinderen ermee wilde opzadelen. Zia Giuseppina was een rouwdouwer.’ Oom Louie steekt zijn wijsvinger op om zijn punt te onderstrepen. ‘Met haar een meter tachtig was ze de langste van de familie Capodimonte, man of vrouw.’
Ik heb mijn oudtante nooit ontmoet, ze overleed voor mijn geboorte, maar volgens iedereen was zia Giuseppina een natuurkracht aan North Boulevard.
‘Ze was gebouwd als een verhuiswagentje,’ legt oom Louie uit. ‘Haar stem was zo hard dat hij over het meer echode, als ze er de verf niet mee liet afbladderen. Ze bewoog niet echt, ze daverde rond.’
Ik had het postuur noch de plechtstatigheid voor een grote naam, die was van aanvang af al te veel. Het was alsof je een meisje van acht vroeg om in haar vaders schoenen naar school te gaan of een betonmolen te draaien. ‘Waarom was zij de ouwe vrijster van de familie?’
‘Ze heeft een poging tot romantiek gedaan, maar toen is ze overvallen en weggehaald.’
‘Door wie?’
‘Door mijn opa en zijn broers, de Caps uit Italië. Het verhaal gaat dat nonno Cap op een sneeuwige avond in 1949 met zijn broers een interventie deed, wat tegenwoordig een ontvoering zou worden genoemd.’
‘Waar was ze dan?’
‘In Motel 6 aan de Garden State Parkway. Laten we maar zeggen dat ik kamer nummer 7 in elk motel de Doppie-doppie-kamer noem.’
‘Was zia daar voor een pleziertje?’
‘Eigenlijk wel, ja. Maar nonno en zijn broers arriveerden net op tijd. Hij trok zijn dochter uit de armen van haar minnaar, Petey Palma, een begeerde vrijgezel uit Manasquan. Of er nou iets gebeurd is of niet, Petey keerde in zijn eentje terug naar Manasquan.’
‘Dat had ik nog nooit gehoord.’ Het verbaast me niet. Verhalen over seks zijn diep begraven in de achtertuin, net als het beeldje van de Heilige Jozef wanneer we een huis verkopen.
‘Daarna gaf zia de romantiek helemaal op, zo veel indruk had het hele gebeuren op haar gemaakt. Op die avond werd ze de ouwe vrijster en tot op de dag van haar dood is ze zich blijven schamen. Maar ze was ook een godvruchtig katholiek, dus veranderde ze haar zonde in gedienstigheid. Zia wijdde haar leven aan de armen en als ze daar niet druk mee bezig was, zorgden ze voor haar bejaarde ouders en paste op ons. Ze maakte elke week de zondagse maaltijd.’
‘Wat een leven.’
‘Ik zei toch niet dat ze gelukkig was?’
‘Geen wonder dat ze kwaad was.’ Ik leun naar achteren. ‘Haar leven was niet van haar.’
‘Niemand zegt dat je net als zij moet zijn,’ verzekert oom Louie me. ‘Je bent geen ouwe vrijster.’
Nog niet, nee, denk ik terwijl oom Louie langs de sportvelden het stadje uit rijdt. Ik kende zia Giuseppina niet en toch draag ik de naam van iemand die ik nooit heb gekend en leid ik een leven dat ik niet wilde leiden. Nog iets voor therapie.
Als we Spring Lake naderen, vernauwt de straat zich tot een doorgang van groen-wit gevlekte wilgenhagen. We laten de nonchalante bungalows en plastic klimrekken van Lake Como achter ons en rijden Spring Lake binnen, waar rijen statige herenhuizen staan met bronzen standbeelden op gladgeschoren gazons. Ik buig me door het raampje om de frisse geuren van de hoge ceders en sparren in te ademen, terwijl oom Louie snel naar onze afspraak rijdt.
We rijden de parkeerplaats van de kerk op. Als je een duomo, een Italiaanse kathedraal in beaux-artsstijl, en een meditatietuin die de familie De Medici waardig zou zijn vanuit Florence naar New Jersey kon verplaatsen, zou dat de Saint Catharine-kerk opleveren. Het gladde witte graniet, de rijk bewerkte torenspitsen en de klokkentoren, statig gelegen aan de oever van het meer, zijn een voorbeeld van de architectuur uit de Italiaanse renaissance op zijn goddelijkst. De Caps en Baratta’s worden al tientallen jaren in deze kerk gedoopt en getrouwd en vanuit deze kerk begraven.
Oom Louie parkeert de auto. Ik stap uit en doe wat rekoefeningen. Oom Louie doet mee en rolt zijn schouders.
‘Au.’
‘Je moet stoppen als het pijn doet,’ zeg ik tegen hem.
‘Wat nu geen pijn doet, doet het zo meteen wel. Ik ben drieënzeventig.’
‘Daar herinner je me elke ochtend aan.’
‘Omdat ik het niet kan geloven. Moet je me nou eens zien. Gisteren was ik nog jong en krachtig. Ik hoefde nergens een overhemd aan. Ik had kunnen rondlopen met alleen een luier om en dan zou iedereen mijn lichaamsbouw hebben geprezen.’
‘Wat een mazzel.’
‘Ik meen het. Ik had dezelfde bouw als het standbeeld van David, ik was alleen niet zo lang. Zie me nou eens. Ik ben aan het verschrompelen.’
‘Je bent niet oud.’
‘Wel. Je kunt de tijd die ik nog heb met een eierwekker timen en dan nog zou ik er niet op tijd bij zijn. Mijn potentieel is beperkt. En dat leidt tot een van de volgende dingen: verlammende wanhoop of de stuwkracht om dingen af te maken. Dus ik zat te denken: wat zal er gebeuren met dit familiebedrijf, dat honderd jaar oud is? Wat zal er met Cap Marmer en Steen gebeuren?’
Het wordt me zwaar te moede. Daar gaan we. Het enige in mijn leven waarnaar ik uitkijk is mijn baan. Als die verdwijnt, weet ik niet wat ik ga doen. ‘Ga je het bedrijf verkopen?’
‘Het bedrijf moet naar iemand gaan die er passie voor heeft. Ik ben niet van plan het te verkopen, ik hoop de toekomst ervan veilig te stellen. Daarom moet jij de teugels overnemen wanneer ik ze niet meer kan vasthouden.’
‘Ik?’
Oom Louie kijkt rond. ‘Staat er hier nog iemand? Ja, jij. Natuurlijk, jíj. Maar eerst moet je overzicht krijgen. Je moet de steengroeven in Italië zien. Volgens mij kun je dit bedrijf niet leiden als je het ontginnen in Carrara niet begrijpt. Dus laten we gaan. Lukt dat?’ Oom Louie nodigt me terloops uit om naar Italië te gaan, alsof we bespreken hoe we een gootsteen in Passaic gaan ophalen.
Ik kan niets uitbrengen. Dit gesprek zag ik niet aankomen toen oom Louie me vanochtend ophaalde. Anders had ik me netter aangekleed.
Plotseling, illuminata! De trap van de kerk baadt in koraalkleurig herfstzonlicht. Ben ik getuige van een echt wonder? Dat moet wel! Ik probeer al mijn hele leven naar Italië te gaan, maar er kwam altijd iets tussen. Tijdens mijn studie kon ik het uitwisselingsprogramma niet betalen, ook al studeerde ik Italiaanse cultuur en waren mijn cijfers goed genoeg. Ik wilde op huwelijksreis naar de Amalfikust, maar Bobby vond Las Vegas veel leuker. Ik had overwogen om met een groepsreis naar Italië te gaan, maar ik was niet geïnteresseerd in de toeristische uitjes. Ik wilde de dorpen van mijn voorvaders zien. Eerlijk gezegd was ik bang om alleen te gaan. Kijk wat er met Katharine Hepburn gebeurde in Summertime of met Daniel Craig in Casino Royale. Oom Louie ziet de angst op mijn gezicht.
‘Denk er eens over na, Jess. Je hoeft me nu geen antwoord te geven.’
Het enige waar ik me zorgen over maak is dat deze kans in rook zal opgaan. ‘Heel erg graag, oom Louie! Ja! Ja! Ja!’
‘Oké, oké. Mooi. Dus we plannen een reis, je dompelt je onder, werkt samen met de mannen daar en besluit dan hoe je verder wilt met het bedrijf. Misschien bidden we er een keertje over?’ Oom Louie maakt maar half een grapje terwijl hij de bronzen kerkdeur openhoudt.