Hoofdstuk 21: Primavera - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Ik zet de veiligheidshelm af en hang hem aan het bord buiten de groeve van Mauro LaFortezza. Ik trek een honkbalpetje uit mijn rugzak en zet dat op. De maartse zon schijnt brandend op de berg, maar het briesje is koel. Ik trek mijn jack uit en net als ik het om mijn middel bind, komt Farah bij me staan. Haar studenten stappen in het busje om de berg weer af te gaan. Ze hangt haar veiligheidshelm ook aan het bord.
‘Mauro heeft ons uitgenodigd om bij zijn moeder te gaan lunchen,’ zegt Farah. ‘Dat wil je niet missen. Die vrouw kan heel goed koken.’
Mauro zwaait naar ons vanaf de weg onder ons. ‘Kom maar naar mijn kantoor.’
De eerste drie maanden van het nieuwe jaar heb ik nieuwe projecten voor Mauro getekend. Ik grijp elk excuus aan om de berg op te gaan, naar de groeve. De helderwitte wanden van steen en het omringende terrein van de groeve, bedekt met steenstof, vormen een schone lei en daarom is het een goede plek om na te denken. Hoog op deze berg kan ik diep ademen en voel ik me dicht bij mijn levensdoel.
Een week geleden was ik in Bergamo bezig met een restauratie toen Angelo voor het eerst in het nieuwe jaar terugkwam naar Carrara, voor een bezoek aan zijn moeder. Signora Strazza vertelde me dat haar zoon thuis was toen ik terugkwam. Signora Strazza lijkt op Babe Bilancia. Ze zou graag willen dat ik iets met haar zoon kreeg – signora Strazza zet me niet onder druk, maar ze vertelt me wel waar hij is en wat hij doet. Maar wat signora Strazza ook denkt, het is duidelijk dat Angelo Strazza niet meer in me geïnteresseerd is.
Angelo heeft mijn berichtjes niet beantwoord. Ik heb hem willekeurige artikelen over exposities gestuurd, maar niets persoonlijks. Ik mis onze gesprekken. Het blijkt dat ik ook een mijnwerker ben: ik graaf graag diep, maar ik verwacht niet dat een man samen met mij mee gaat delven. Klaarblijkelijk is romantiek op dit moment in mijn leven niet aan de orde. Ik heb veel te doen. En ik moet alles rondom mijn familiebedrijf nog regelen. Rechercheur Campovilla heeft me gemaild dat ik hun definitieve rapport over de Elegante Gangster binnenkort krijg.
Ik loop achter Mauro en Farah aan over de hellingbaan naar de keet met daarop OFFICIO. In de keet zit het commandocentrum van de groeve. Achter Mauro’s bureau staat een smartboard met alle delfteams. Dossierkasten puilen uit van de papieren, op de vloer staan stapels boeken en op een tafeltje staan allemaal foto’s. Farah en ik gaan aan de vergadertafel zitten.
‘Ik moet even met de voorman overleggen voordat we gaan. Daarna neem ik jullie mee voor de lunch.’ Mauro vertrekt.
‘Mauro heeft een assistent nodig,’ zeg ik grappend als ik opsta en tussen alle stapels spullen op de vloer van de keet door loop. ‘Moet je die foto’s zien. Het is een geschiedenis van de groeve.’ Ik bekijk ze. Er zijn foto’s van een jonge Mauro die aan het werk is op de berg. Op een andere, nieuwere, is te zien dat hij een prijs ontvangt. Er is er ook een van hem als jongen, zittend op een schip aan de kade in Avenza. Er is een groepje foto’s met zijn vrouw en kinderen op vakantie aan het Gardameer. Een paar oude foto’s zijn naar achteren geduwd. Ik pak een zilveren lijstje op met een zwart-witfoto en bekijk hem. Mijn hart begint te bonken.
‘Gaat het?’ Farah staat op en komt bij me staan.
Ik geef haar de foto. ‘Ik ken hem,’ zeg ik tegen haar.
Farah pakt het lijstje aan en bekijkt hem. ‘Ik kan amper een gezicht herkennen.’
‘Het is mijn oom Louie,’ zeg ik tegen haar.
Farah geeft de foto aan me terug. ‘Is Mauro familie van je?’
‘Nee. Maar waarom zou hij een foto van mijn oom in zijn kantoor hebben?’ De foto in het lijstje lijkt op de verzameling foto’s die ik na de dood van oom Louie uit zijn kantoor heb meegenomen.
‘Je moet het hem vragen,’ zegt Farah. ‘Er is ongetwijfeld een verklaring voor.’
‘Misschien is hij niet mijn oom?’ Ik maak de achterkant van het lijstje los. Ik haal voorzichtig de fluwelen standaard los door hem onder de clipjes uit te trekken. Ik haal het kartonnen vierkantje dat de foto op zijn plek houdt eruit. Op de achterkant van de foto staat een stempel 4 Aprile 1971. Ik begin te zweten.
‘Maak er een foto van,’ stelt Farah voor.
Ik zoek mijn telefoon. Plotseling weet ik niet meer waar ik hem heb gestopt. Ik ben perplex.
‘Kom maar, ik zet hem wel in elkaar.’ Farah pakt de foto en het lijstje uit mijn hand.
Mauro komt binnen. Hij ziet dat Farah probeert de foto in het lijstje te krijgen.
‘Signora, wat doet u?’ Hij pakt de foto en het lijstje uit haar hand.
‘Ik was geïnteresseerd in de datum van de foto, voor een van mijn presentaties.’
‘Voorzichtig, Farah,’ zegt hij terwijl hij de foto weer achter glas doet.
‘Wie is die heer op de foto?’ vraagt Farah.
‘Mijn vader,’ zegt Mauro.
Farah gaat voor in Mauro’s SUV zitten, terwijl ik op de achterbank plaatsneem. Ze kletsen tijdens de rit de berg op, terwijl ik op de achterbank misselijk zit te zijn.
‘Je vader was een knappe jonge man,’ zegt Farah.
‘Ik heb hem nooit gekend. Hij is voor mijn geboorte overleden. Op de berg. Het werk in de groeve is gevaarlijk, en er gebeurde een ongeluk.’
‘Hoe heette hij?’
‘Luigi.’
Luigi is een veelvoorkomende Italiaanse naam, dus er is een kans dat dit een andere Louie is. Of misschien heeft oom Louie meer nagelaten dan geheime rekeningen op de Kaaimaneilanden. Zou het kunnen dat hij ook een zoon heeft achtergelaten?
Mauro heeft wel wat maniertjes van de Capodimontes en de Montini’s, wat een aanwijzing had moeten zijn, maar die had ik toegeschreven aan algemene Italiaanse trekken. Ik zou niet hebben aangenomen dat Mauro van de kant van mijn moeder is, omdat hij lang en potig is, terwijl de Caps klein en snel zijn. We belichamen elkaars kenmerken, die door de generaties heen lopen zoals de katroltouwen door de ankerkluizen. Als je op dezelfde plek bent geboren, hetzelfde voedsel eet en soortgelijk werk doet, krijg je een soortgelijk tipo di corpo.
‘We zijn er! Chez mama.’ Mauro rijdt de oprit op. Het huis in mediterrane stijl, beige gestuukt en met een dak vol rode dakpannen, ligt in de helling als een in leer gebonden boek in een boekenkast. ‘Ik hoop dat je het niet erg vindt, maar ik heb Angelo Strazza uitgenodigd voor de lunch,’ zegt Mauro. Hij kijkt me via de achteruitkijkspiegel in mijn ogen. Ik weet een flauwe glimlach tevoorschijn te toveren. Deze dag is zojuist nog slechter geworden.
Mauro’s moeder begroet ons bij de voordeur. Ze is een kleine blondine, met klassieke Toscaanse gelaatstrekken, een glad voorhoofd, rechte neus en een warme glimlach. Ze draagt een capribroek en een zijden blouse met daaroverheen een schort en ze heeft platte leren sandalen aan. We lopen achter haar aan naar de loggia, waar signora La-Fortezza de tafel heeft gedekt voor onze lunch.
‘Signora, grazie per avermi ospitato.’ Ik pak haar hand.
‘Per favore, chiamami Claudia.’
‘Heet je Claudia?’
Ze knikt, verrast door mijn reactie. ‘Hebben we elkaar al eens ontmoet?’
‘Che bella nome.’ Ik complimenteer haar met haar naam, maar nu weet ik het. Dit is oom Louies tomaatje, zijn Claudia. Ik heb de foto’s van haar als jonge vrouw bekeken en ze heeft dezelfde glimlach, dezelfde ogen. Het haar is niet meer donker, ze is blondine, maar de glimlach is van het meisje op de foto vijftig jaar geleden.
Ik probeer alles op een rijtje te zetten en dan komt Angelo Strazza het huis uit, naar de loggia toe. Hij ziet er knap uit in een gestoomd blauwgestreept overhemd en een spijkerbroek. Geen verfspatten op zijn schoenen. Hij haalt zijn hand door zijn haar en maakt zijn krullen door de war. We compenseren deze pijnlijke verrassingsreünie met uitbundige begroetingen, alsof we vrienden zijn die elkaar jaren niet meer hebben gezien. Angelo kust me op beide wangen alsof ik zijn zus ben. De geur van zijn huid is koel en fris, citroenachtig in de hitte. Ik wil van de berg springen.
‘Giuseppina, kom je me helpen?’
‘Natuurlijk.’ Ik loop achter Claudia aan naar de keuken om te helpen.
Claudia’s keuken is ordelijk en netjes, net als die van tante Lil. Ze pakt een vers brood uit de oven en geeft me een mes. Ook krijg ik een schone droogdoek om het brood vast te houden tijdens het snijden zodat ik mijn hand niet verbrand. Ik leg de sneden brood netjes op de schaal, Claudia sprenkelt olijfolie over het warme brood.
Ze tilt de deksel van de conca, een ronde witte marmeren bak, en haalt er de lardo di Colonnata uit. Ze heeft het varkensspek maandenlang in de marmeren bak laten rijpen, gedrenkt in witte azijn met kruiden en knoflook. Claudia snijdt de lardo in dunne repen, draait een sliert van de lekkernij op de achterkant van het mes in de vorm van een rozet en legt hem op een snee warm brood. Ze geeft me het mes en vraagt me of ik dit wil afmaken. Ze maakt een gemengde salade aan met een dressing van zout en vers geperst citroensap en sprenkelt er olijfolie overheen. Het ligt voor de hand om Claudia te vergelijken met tante Lil. Ze zijn allebei aardig en kunnen goed koken. Ik vraag me af hoe ze zouden reageren als ze van elkaar zouden weten. Ik ben duizelig, maar dat wijt ik aan de hitte, of misschien heb ik gewoon honger. Ik loop met de schaal vol vers brood met lardo achter haar aan naar de loggia.
Farah klapt in haar handen. ‘Bellissima.’
‘Heb je ooit lardo gegeten?’ vraagt Mauro me.
‘Ik herinner me dat oma Cap erover vertelde toen ze herinneringen ophaalde aan haar jeugd in Carrara.’ Wat ik niet vertel is dat elke keer dat oom Louie het over lardo had, het me afschuwelijk in de oren klonk.
‘Probeer maar,’ zegt Mauro, die me een bord geeft.
Ik neem een hap en sluit mijn ogen. De sliert van de met kruiden doortrokken lardo op het warme brood met boterachtige olijfolie smelt in mijn mond. De aardachtige smaak van de kruiden en de wrange azijn vormen een tegenstelling met de volle smaak van het varkensvet. De kruiden dartelen over mijn tong: rozemarijn, salie, nootmuskaat en kruidnagel, dan grof zout en zwarte peper, gevolgd door zachte noten tijm en anijs. Ik geniet van de hap omdat het een zeldzaam gerecht is, en omdat mijn familiegeschiedenis erin zit. Ik ben verbonden met het verleden en vooral met oom Louie. Hij vertelde me hoe de mijnwerkers voorkwamen dat ze afvielen in de hitte. Ze aten het machtigste voedsel dat ze konden vinden.
Lardo di Colonnata is een plaatselijke delicatesse, maar het is ook superfood. De mijnwerkers en steenhouwers hadden voedsel met veel calorieën nodig om de lange uren steenhouwen en het verplaatsen van de steen op de berg vol te houden, maar ze waren ook Italiaans, dus hun krachtvoedsel moest heerlijk zijn. Het rijpen van het spek is een familieonderneming, en de lardo ligt maanden te marineren in de concas, die zijn gemaakt van het marmer uit deze bergen. Dit gerecht komt van de boerderij, de aarde en de berg.
‘Dit is mijn laatste conca voor het nieuwe seizoen,’ zegt Claudia. ‘Ik bewaar het voor Mauro. Hij is mijn eerstgeborene en hij is dol op lardo. Ik maak het elk jaar voor hem. Mijn andere kinderen vinden het ook lekker, maar ze zijn er niet zo gek op als hij.’
‘Mijn moeder zou hetzelfde doen voor mijn broer,’ leg ik uit. ‘Maar zij zou haar dochters het werk laten doen.’
‘Dat is in Italië ook zo.’ Mauro lacht.
‘Ik zeg dit als bezoeker,’ begint Farah. ‘De Italiaanse man heeft het beste leven, tenzij hij het voor zichzelf verpest. Als hij het geluk heeft om zijn moeder zijn hele leven naast zich te hebben, kan hij niet mislukken.’
‘Mijn zoon is intelligent en een harde werker. Dat is niet mijn verdienste. Als moeder heb ik trouwens nergens beheersing over. Mauro è miracolo. Zijn verhaal heeft een verdrietig begin,’ zegt Claudia.
‘Niemand krijgt alles in dit leven,’ zegt Mauro.
‘Mauro’s vader was steenhouwer,’ begint Claudia.
Gaan ze dit echt doen? Gaan ze over oom Louie praten alsof hij een personage in een boek is? Of is dit een verhaal dat Claudia heeft verzonnen zodat haar zoon er een kon vertellen?
‘Luigi had een van de gevaarlijkste banen buiten de groeven. Tijdens een bepaalde zomer was hij op de berg aan het steenhouwen, maar toen haalden ze hem eraf om in te vallen als legnarolo. Dat is de man die voor het marmer uit rent als het van de berg wordt getransporteerd. Op een dag kwam mijn vader thuis en vertelde me dat de jongeman van wie ik hield tijdens het transport was gedood.’
‘Mijn vader,’ zegt Mauro zacht.
Farah geeft onder tafel een kneepje in mijn hand. Ik weet niet wat ik moet doen. Hoe vertel ik hun dat er geen tragisch ongeluk heeft plaatsgevonden? Het gevaarlijkste wat oom Louie ooit probeerde was tijdens het Festival de friteuse aansteken voor de zeppole, en zelfs toen stond de brandweer er voor de zekerheid naast.
‘Ik weet niets over mijn vaders familie.’ Mauro haalt zijn schouders op.
‘We weten dat hij een Amerikaan was,’ bevestigt Claudia.
Mauro gaat verder. ‘Je kunt je wel voorstellen hoe verbaasd ik was toen ik hoorde dat jouw bedrijf Capodimonte heet. Ik dacht dat we misschien familie waren. Maar jij bent een Baratta.’
‘Maar je bent ook een Capodimonte,’ zegt Angelo.
Natuurlijk heb ik niets aan Angelo en maakt hij het alleen maar erger.
‘Capodimonte is een populaire naam aan de Ligurische kust,’ zegt Claudia. ‘Hij komt heel vaak voor.’
‘Hoe heb je Luigi leren…’ Mijn stem breekt.
‘Kennen?’ Farah maakt mijn vraag af en probeert me te steunen.
Claudia is zich niet bewust van mijn ongemak en vertelt verder. ‘Mauro’s vader kwam in een zomer uit Amerika hiernaartoe om in de groeven te werken. We ontmoetten elkaar en werden verliefd. In die tijd vertelde je daar niets over. Het is een verhaal van een jonge liefde.’
‘En een dominante vader,’ voegt Mauro eraan toe. ‘Mijn opa.’
‘Ja, dat is zo. Mijn vader was streng; hij leidde zijn gezin als een leger. Dus toen ik Luigi Capodimonte uit Amerika ontmoette, stond mijn vader niet te springen.’
‘Mama. Vertel de waarheid. Hij had een hekel aan je vrijer.’
‘Als Luigi was blijven leven, denk ik dat ik mijn vaders mening over hem had kunnen veranderen. Luigi was heel vriendelijk en grappig. Maar mijn vader wilde niet dat zijn dochters zonder zijn toestemming verliefd werden op een jonge man. In mijn jeugd kozen de ouders de echtgenoot en speelden ze koppelaar. Als de ouders hun goedkeuring gaven, begon een nette verloving, ook al was die traditie vijftig jaar geleden al niet meer zo belangrijk. Dat wisten wij, maar onze ouders niet.’
‘Hoe kregen jullie het dan voor elkaar?’ vraagt Farah. ‘Hoe konden jullie met elkaar afspreken?’
‘Eerst dacht ik dat Luigi uit de buurt kwam, maar al snel merkte ik tijdens gesprekken dat zijn Italiaans niet fantastisch was en hij bevestigde dat hij Amerikaans was. Maar het lukte ons om te communiceren en ik vond hem charmant. Die zomer werden we verliefd en we waren van plan te gaan trouwen. Hij beloofde dat hij in Italië zou blijven, omdat hij wist dat we anders niet bij elkaar konden blijven.’
‘O, dus jullie hadden echt plannen gemaakt?’ Ik geloof mijn oren niet.
‘Natuurlijk.’ Claudia vervolgt: ‘Ik had het niet aan mijn ouders verteld. Toen Luigi op de berg overleed, kwam ik erachter dat ik zwanger was.’ Ze legt haar hand op die van Mauro. ‘Die ontdekking heelde me, ook al wist ik niet wat de toekomst zou brengen. We maakten van een verdrietig verhaal een gelukkig verhaal. Ik kreeg mijn zoon en twee jaar later trouwde ik met Alberto LaFortezza. Alberto adopteerde Mauro en hield van hem alsof het zijn eigen zoon was.’
‘Hij gaf me nooit het gevoel dat ik niet zijn echte zoon was. Mama verzweeg het verhaal ook niet voor mij. Ze vertelde me het verhaal over Luigi als ze me naar bed bracht. Het was net een sprookje. Een verre droom die iemand anders was overkomen.’
‘Wat geweldig dat Alberto’s familie je accepteerde.’ Farah kijkt me aan.
‘Dat deden ze zeker! Alberto was een geweldige man. We kregen samen nog drie kinderen en al snel werd zijn groeve succesvol. Toen hij overleed, was hij de eigenaar van een aantal groeven op de berg.’
‘Je bent er verdrietig van geworden.’ Claudia merkt dat de stemming onder de loggia veranderd is, vooral die van mij. Ze hakt in de lucht met haar hand. ‘Het is allemaal al heel lang geleden.’
‘Ik begrijp wel waarom.’ Farah bet haar ogen met een papieren zakdoekje. ‘Het is tragisch als een vader of moeder zijn of haar kind niet kent.’
‘Mijn vader wilde me niet vertellen dat Luigi omgekomen was,’ vertelt Claudia.
‘Het is afschuwelijk om zulk nieuws te moeten brengen,’ zegt Angelo. ‘Ik weet niet hoe het je vader is gelukt.’
‘Mijn vader vertelde dat hij van plan was om te liegen. Hij wilde me vertellen dat Luigi was teruggegaan naar Amerika, zodat ik niet zou gaan huilen. Maar ik ben blij dat hij me de waarheid heeft verteld. Daardoor kon ik omhoogkijken en tot mijn engel bidden.’
‘Mijn god,’ ontvalt me, en het klinkt niet als een gebed. De gasten om de tafel kijken me aan. ‘Ik bedoel: wauw. Wat een verhaal.’
‘Nogal,’ vindt Claudia ook. ‘Mauro had vanaf zijn geboorte een beschermengel.’
‘Excuseer.’ Ik sta op, maar onhandig en niet helemaal recht. De stoel schraapt over de leistenen en maakt het geluid van een roestig mes op steen.
Claudia vertelt waar het toilet is. Eenmaal in het huis ren ik de badkamer in, ik doe de deur achter me dicht en op slot. Ik zoek in de kastjes naar een papieren zak. Ik vind een klein zakje met wattenbolletjes onder de wastafel. Ik schud het zakje leeg op het badmeubel. Ik adem in de zak, in en uit, in en uit, tot mijn hartslag kalmeert. Ik stop de watten terug in het zakje en leg het onder de wastafel. Ik was mijn gezicht en handen. Als ik de deur opendoe, staat Angelo op me te wachten.
‘Wat gebeurde er nou?’
Ik stort me in Angelo’s armen. ‘Sorry. Ik heb het lastig met verdrietige verhalen.’ Ik trek me terug.
‘Waarom ga je niet even binnen zitten? Waar het koel is,’ zegt hij.
‘Nee, het gaat wel,’ zeg ik tegen hem. Ik ga me als een Amerikaan door deze nachtmerrie heen worstelen.
‘Gaat het?’ vraagt Claudia als we terugkomen bij de tafel.
‘Va bene,’ verzeker ik haar.
‘De eerste keer dat ik lardo at, raakte ik ook oververhit,’ geeft Farah toe. ‘Het is zo machtig. Maar ook zo lekker dat ik niet kan stoppen met eten!’
Angelo kijkt me bezorgd aan. ‘Dan eten we maar een klein beetje. In het dorp noemen we lardo di Colonnata “paté di povero uomo”, armeluispaté.’
‘Nou, die armeluispaté is te machtig voor het bloed van deze Amerikaanse,’ zeg ik tegen hem.
Farah proost op onze gastvrouw. We heffen ons glas op Claudia. Mijn hand is zo glad van het zweet dat ik het glas laat vallen zodra ik het hef. Het spat uiteen op de lijstenen vloer.
‘Sorry. Ik weet niet wat er met me aan de hand is.’
‘Maakt niet uit, signorina,’ zegt Claudia met een klopje op mijn hand.
‘Alleen bij de beste maaltijden breken we een glas,’ zegt Mauro.
‘Ik doe het wel.’ Angelo staat op om de bezem te halen. Hij veegt de scherven op een blik. ‘Dat brengt geluk, Giuseppina,’ verzekert Angelo me.
Echt, vraag ik me af.
* * *
Dokter Scott luistert aandachtig via Zoom terwijl ik vertel wat ik tijdens de lunch over oom Louie te weten ben gekomen. Thera-Me heeft gelukkig een functie voor noodgevallen om snel contact te krijgen met een therapeut als je een crisis hebt.
Dokter Scott luistert en vraagt dan: ‘Juffrouw B, waarom is iets wat je oom ruim vijftig jaar geleden is overkomen jouw zorg?’
‘Dit is mijn familie. We zorgen voor elkaar. Ik ben erachter gekomen dat ik een neef heb van wiens bestaan ik niet op de hoogte was, en mijn moeder heeft dus ook een neef. Ik ben de enige aan de Amerikaanse kant van de familie die van Mauro op de hoogte is.’
‘Je zegt dat het je tante zal kwetsen. Is dat de weduwe van wijlen je oom?’
‘Ik weet het niet zeker. Mauro is geboren voordat ze elkaar ontmoetten. Maar dit zou oude wonden openrijten.’
‘Dus maak je je zorgen over hoe ze zich zal voelen als deze waarheid naar buiten komt?’
‘Natuurlijk. Ze wilde kinderen, maar kon ze niet krijgen.’
‘Waarom voel je je dan gedwongen om je nieuwe neef überhaupt aan de familie voor te stellen?’
Als ik moest gokken, zou ik zeggen dat dokter Scott niet van Italiaanse afkomst is. Deze therapeut begint me te ergeren. Hij snapt het niet of ik leg mijn familiedynamiek niet erg goed uit. Heeft hij mijn dossier gelezen? Familie is het centrum van ons universum, het maakt niet uit of het centrum een rode zon is of een vergiftigde gehaktbal aan la tavola. Het is onze realiteit, onze waarheid, het zijn onze feiten, die aan de groep toebehoren. In de afgelopen maanden ben ik hard bezig geweest om een plan te bedenken om mijn familieleden, met al hun tekortkomingen, te kunnen omarmen zonder mijn dromen en hoop voor mijn eigen leven te vergeten. Deze therapeut doet net alsof dit niet allebei kan.
‘Dokter Scott. In deze situatie is de waarheid belangrijk. Ik geloof niet in toeval. Ik ben naar Italië gekomen om te ontdekken waarom ik ben wie ik ben. Mijn neef Mauro maakt nu deel uit van het verhaal. Hij is een familielid. We laten geen mensen op straat staan als we ontdekken dat we familie zijn. We vragen ze binnen om hun plek in het verhaal in te nemen.’
Misschien heb ik wel een therapiesessie nodig om deze sessie te ontrafelen. Smokey ligt op mijn schoot te slapen terwijl ik de serie foto’s van de jonge Claudia en Louie bekijk. Het is maf om te erkennen, maar ik denk dat Claudia en Lil bevriend zouden kunnen raken, hoewel ik niet weet of ik mijn tante dit wil aandoen. Misschien heeft dokter Scott wel een punt. Wat zou het voor goeds opleveren als ik dit verhaal op dit moment zou vertellen? Het is niet eens mijn verhaal. Het was van oom Louie, maar hij was er niet van op de hoogte. Wat gebeurt er met een geheim als degene van wie het was er niets van wist?
Mauro en zijn moeder zijn tevreden met het verhaal dat ze voor waar houden. Maar het is een verhaaltje, verzonnen door Claudia’s wanhopige vader, die bang was dat zijn dochter zichzelf iets zou aandoen als ze de waarheid wist, of erger nog, het was een leugen verzonnen door een overheersende vader die een Amerikaan niet goed genoeg voor zijn dochter vond.
Ik stuur Conor een berichtje.
JESS: Oom Louie heeft een zoon.
CONOR: Leidde hij een dubbelleven?
JESS: Louie wist er niets van.
CONOR: Onverwachte wending.
JESS: Het is Mauro.
CONOR: Dat meen je niet.
JESS: Mauro LaFortezza had een foto op zijn bureau. Ik heb de rest van de foto’s hier.
CONOR: Echt?
JESS: Zou Googs hier iets van weten? Hij kende oom Louie toen al.
* * *
Als oom Louie wist dat Claudia zwanger was, zou hij met haar getrouwd te zijn. Wat dat soort dingen betreft was hij heel principieel. Ik kan me niet voorstellen dat mijn moeder iets van Mauro wist, want als dat wel zo was, zou ze oom Louie ermee gechanteerd hebben of het als weer een reden hebben aangegrepen om hem naar het Eiland te sturen. Ik heb heftige ruzies meegemaakt tussen mama en Louie, waarbij mijn moeder haar broer alles wat hij ooit had gedaan voor de voeten wierp, en hoewel daar best wat sappige dingetjes tussen zaten, ging het nooit om een onwettige zoon van wie de dochter van een steenhouwer in Italië zwanger was geworden.
Ik trek een spijkerjack aan en loop de trap af. Ik moet nadenken. Ik heb het hek net achter me dichtgedaan als Angelo uit het appartement van zijn moeder komt.
‘Giuseppina? Hoe gaat het?’
‘Veel beter. Dank je. Ik dacht dat je weer naar Milaan was.’
‘Ik ga nog niet terug naar Milaan.’
‘Rij veilig voor wanneer je wel gaat.’ Ik loop snel bij hem vandaan en steek de piazza over. Ik ben bijna voorbij het standbeeld van Maria Beatrice als Angelo me inhaalt.
‘Wil je gezelschap?’
‘Niet echt.’
‘Je bent boos op me.’
‘Nee, ik ben in de war. Je hebt me geghost.’
‘Ik stuur geen berichtjes over mijn gevoelens.’
‘Je zou wel informatie kunnen sturen. “Het gaat wel,” “Het gaat slecht,” “Mij niet appen.”’
‘We kunnen toch proberen om vrienden te zijn?’ oppert Angelo. ‘Ik maak me zorgen om je. Je zou wel een vertrouweling kunnen gebruiken. Dat heeft mij ook geholpen toen ik een probleem had. Toen stond Conor me bij.’
‘Wat voor probleem?’
‘Jij en je ex-man. Je hebt nooit verteld dat hij zo knap is.’
‘Bobby Bilancia is zo’n beetje de gouden standaard aan de kust van Jersey. Hij trekt de aandacht. Wat moet ik erover zeggen?’
‘Hoe kan ik het goedmaken?’ vraagt Angelo.
* * *
De volgende ochtend haalt Angelo me op in een Amerikaanse legerjeep. Blijkbaar worden die auto’s in Italië gekoesterd, net als een Maserati of Ferrari in New Jersey. Voordat ik instap, rits ik het doorzichtige plastic raampje open om de bestuurder aan te spreken.
‘Moeten we dit echt doen?’ vraag ik hem.
‘Je kunt het geheim ook laten rusten,’ zegt Angelo. ‘Zo doen we het in mijn familie al eeuwen. Maar als je de waarheid wilt weten, stap dan in.’
Dat doe ik. De Canalgrande Alto zit nog steeds vol gaten, hoewel erover gesproken werd dat het stadsbestuur van plan was de weg te repareren. Misschien krijgen we wel een klapband of stopt de motor ermee, zodat ik mezelf uit deze situatie kan bevrijden voordat ik te veel ontdek. Maar het is al te laat. Ik heb Mauro geappt om een afspraak met hem en zijn moeder te maken. Ik weet niet of ik er goed aan doe, maar Angelo heeft me ervan overtuigd dat ik geen keus heb.
‘Claudia heeft een gelukkig leven geleid. Mauro is een goede man, uit een fijne familie. Waarom zou ik dit allemaal oprakelen?’ vraag ik. ‘Dit is een afschuwelijk idee.’
‘Laatste kans.’ Angelo wendt zich tot me terwijl we op het veld naast Claudia’s huis parkeren. ‘Neem je mijn advies aan? Of zet je het liever op een lopen?’ vraagt Angelo.
‘Hoe dan ook, ik ga jou de schuld geven. Dan weet je dat vast.’
Claudia en Mauro zitten onder de loggia waar we hebben geluncht. Mauro laat de bamboe zonwering op het lattenwerk zakken als bescherming tegen de ochtendzon. Claudia nodigt ons uit om te gaan zitten.
‘Ik vond het etentje bij je thuis heel gezellig.’
‘Ik hoop dat je je beter voelt.’
‘Ja. Daarom zijn we hier.’
‘Angelo zei dat je ons iets te vertellen hebt.’
‘Voordat we gisteren kwamen lunchen, liet je me een foto zien van je vader, Luigi Capodimonte. Ik heb hem gekend.’
‘Dat kan niet.’ Ze glimlacht. ‘Hij is lang voor je geboorte overleden.’ Claudia kijkt naar Mauro, en dan weer naar mij.
‘Ik weet niet waarom je vader je vertelde dat Luigi in 1971 is overleden, maar dat is niet waar. Hij is terug naar huis gegaan, naar New Jersey.’
‘Nee.’ De tranen springen Claudia in de ogen. ‘Dat kan niet. Leeft hij nog?’
‘Mama, laat haar uitpraten,’ zegt Mauro.
‘Je vader heeft hem teruggestuurd naar Amerika. Luigi Capodimonte was mijn oom. De enige broer van mijn moeder. Hij is afgelopen oktober overleden aan hartfalen. Ik was bij hem toen hij overleed.’
‘Ik snap het niet.’ Claudia pakt de hand van haar zoon.
‘Ik werkte voor oom Louie in ons familiebedrijf. We importeerden marmer en verwerkten het bij mensen thuis. Hij was grappig, vriendelijk en een goede echtgenoot. Een geweldige oom en mijn beste vriend. Hij heeft geen kinderen gekregen met zijn vrouw. Tante Lil leeft nog en ik heb nog niet besloten hoe ik haar over Mauro ga vertellen. Maar dat ga ik wel doen.’
‘Mijn vader heeft tegen me gelogen,’ zegt Claudia zacht.
‘Dat vind ik heel akelig. Anders zou het lot heel anders hebben uitgepakt.’
‘Ik geloof niet dat dit waar is. Het is idioot.’ Mauro staat op en ijsbeert door de kamer. ‘Waarom zou ik je geloven?’
‘Omdat ik bewijs heb. Maar eerst wil ik je over Luigi Capodimonte vertellen. Volgens mij wist oom Louie niets van jou. Als hij wel van je had geweten, had hij je moeder nooit verlaten. Hij was een ridder van de vierde graad bij de Columbus-ridders. Hij geloofde in regels en in het goede doen. Hij was een door de jezuïeten opgeleide katholieke jongen, die in God geloofde, met wie hij een persoonlijke relatie had.’
‘Ik kan het niet geloven.’ Mauro kijkt naar Angelo, die hem aanmoedigt om te blijven luisteren.
‘Toen ik die foto van hem in jouw kantoor zag, kon ik het ook niet geloven. Ik heb de negatieven bekeken; de ontbrekende foto uit de verzameling is de foto uit je kantoor. Hier is het negatief van die foto.’ Ik leg de foto’s voorzichtig op tafel, als een tarotlezeres met haar kaarten. Ik houd de foto van oom Louie en de jonge vrouw omhoog. ‘Ben jij dit, Claudia?’
Claudia’s handen trillen als ze de foto vasthoudt. ‘Dit ben ik.’
‘Signora, wie heeft de foto’s genomen?’
‘Mijn zus Rossella had een Leica-camera. Zij heeft deze foto genomen. Dat weet ik nog, want toen we thuiskwamen, was mijn vader boos dat we hele dag weg waren geweest. Dus toen het filmpje werd ontwikkeld, gaf ik de foto’s aan Luigi zodat hij ze veilig kon bewaren. Ik heb er eentje van de stapel gepakt omdat ik een foto van hem wilde. Later, toen mijn vader me vertelde dat Luigi dood was, ging ik naar zijn pension om zijn spullen in te pakken, omdat ik iets van hem wilde hebben als aandenken, maar ik was te laat. Zijn kleren waren weg. Alles. Het was alsof hij er nooit geweest was.’
‘Als hij nog leefde, waarom kwam hij dan niet terug voor jou?’ Mauro is kwaad.
‘Wie weet wat je opa tegen hem heeft gezegd,’ zeg ik.
‘Mauro, geef hem niet de schuld. Luigi wilde die zomer met me trouwen. Ik was piepjong. Net achttien. Ik beloofde dat ik met hem naar Amerika zou gaan als ik negentien werd. We waren plannen aan het maken toen hij dat ongeluk kreeg.’
‘Maar er is helemaal geen ongeluk gebeurd,’ breng ik haar in herinnering.
‘Mama, je bent met me naar de begraafplaats geweest. Daar ligt papà.’ Mauro is in de war.
‘Mijn vader heeft een gedenkplaat op een monument laten zetten voor alle arbeiders op de bergen die in de groeven zijn omgekomen. Mijn vader heeft die plaquette daar bevestigd in de hoop dat ik over mijn verdriet heen zou komen als ik ergens naartoe kon gaan om te huilen. En dat deed ik. Ongeveer een jaar lang, en ik ging pas weer terug toen je tien jaar was. En daarna ben ik nooit meer gegaan.’
‘Maar ik ga wel, mama. Elke zondag,’ geeft Mauro toe. ‘Ik wilde hem niet vergeten. Nu lijkt het alsof ik dat niet had hoeven doen,’ zegt hij. ‘Het is een tragedie. Twee keer.’
‘Ik was altijd de perfecte dochter, heel gehoorzaam. Zie je, Giuseppina, Luigi was niet het enige jonge mens dat werd opgevoed om de strenge regels van de kerk te volgen, maar toen ik verliefd werd op Luigi, veranderde ik. Ik vond mezelf. De liefde bevrijdde me en maakte me opstandig. Ik wilde kiezen hoe ik mijn leven zou leiden, terwijl mijn vader aan de oude manier vasthield omdat hij de nieuwe niet kon accepteren. Maar papà had het laatste woord. Tot de dag dat hij overleed.’
‘Het was moeilijk om je eigen keuzes te maken,’ zeg ik tegen haar.
‘Ik had geen keus. De wereld veranderde, maar Italië niet. En meisjes hadden een rol, en je ging niet over de grenzen heen die voor jou waren vastgesteld. Zo was het.’ Claudia bet haar ogen met haar zakdoek. Signora LaFortezza was net als mijn moeder het begin van het feminisme misgelopen, van de vrijheid. Ze waren de oude opvattingen ontgroeid, maar te jong om de voordelen van de nieuwe opvattingen te oogsten.
Mauro staat op. ‘Wat had ik mijn vader graag gekend. Het was mijn grootste droom om hem te kennen.’
‘Ik kan je alles vertellen wat ik weet,’ zeg ik tegen Mauro. ‘Wanneer je eraan toe bent.’
Ik voel me vreselijk voor Mauro en zou willen dat oom Louie ons allebei in zijn leven had kunnen hebben, maar het lot besliste anders. Ik had voordeel van Mauro’s verlies.
‘Giuseppina wilde het je niet vertellen, Mauro,’ zegt Angelo. ‘Ze was bang dat ze je pijn zou doen, dat je kwaad zou zijn.’
Mauro geeft Angelo geen antwoord. In plaats daarvan vraagt hij me: ‘Mag ik de foto’s hebben?’
‘Natuurlijk. Hier.’ Ik veeg de stapel foto’s bij elkaar en stop ze in de envelop. Die geef ik aan Mauro.
‘Ik moet weer naar mijn werk,’ zegt Mauro. Hij geeft zijn moeder een kus op haar wang en vertrekt zonder afscheid te nemen.
Als ik bewijs wilde hebben dat Mauro de zoon van Louis was, dan is het dit wel. Oom Louie vertrok ook uit elke situatie waarin hij zich onprettig voelde. Mama noemde dat ‘Louies verdwijntruc’.
‘Ik vind het heel naar voor jullie,’ zeg ik tegen Claudia.
‘De waarheid is erger dan Mauro het zich had voorgesteld. En het is ook verschrikkelijk voor mij. Ik dacht niet dat mijn zoon als volwassene in de buurt van de groeven zou willen komen. Maar in plaats van die te vermijden, gebruikte Mauro zijn verdriet over de vader die hij nooit had gekend als brandstof voor zijn ambitie. Hij wilde een legnarolo worden net als Luigi, en nu is hij de baas op de berg. Hij moest zichzelf altijd iets bewijzen.’
‘We hebben genoeg van je tijd in beslag genomen, Claudia.’ Angelo staat op.
‘Waar is de begraafplaats?’ vraag ik.
‘Langs de weg naar Avenzo.’
‘San Michele?’ vraagt Angelo.
Ze knikt.
Claudia loopt niet met ons mee, zoals gisteren. Haar gedachten zijn elders. In het verleden.
* * *
Angelo weet de weg bergafwaarts naar Avenza, een betoverend stadje dat zich als een slapende kat langs de voet van de Apuaanse Alpen krult. Puntige blauwe dennen groeien op de hellingen en beschermen de groepjes roze gestuukte huizen in de vallei. De lucht, die oranje gekleurd is, piept door een sluier van sliertige witte wolken heen. Ik leun uit het raam en maak een foto. Ik post: sinaasappelkleurige lucht.
Chiesa di San Michele is een barokke romaanse kerk op een veld bij de toegang naar Avenza. De felle zon van midden op de dag legt de glinsterende gouden aders in het marmer bloot, dat ironisch genoeg oom Louies favoriete steen was. Angelo parkeert bij de ingang van de begraafplaats. Imposante marmeren mausoleums geven de omtrek van de begraafplaats aan, met rijkversierde urnenmuren, altaren, stenen grafkelders en standbeelden. Witte marmeren engelen houden als bewakers wacht bij verschillende graven.
‘Als jij die kant neemt, neem ik deze,’ zegt Angelo wijzend.
We splitsen ons op. Ik ben geïntrigeerd door de altaren, die een soort hek om de begraafplaats vormen. Elk altaar heeft een andere persoonlijkheid. Ik vind er een ter ere van een ambachtelijk familiebedrijf, met vergulde reliëfs van beitels en hamers. De familie Rillo bestaat blijkbaar uit marmerdelvers.
‘Giuseppina!’ Angelo zwaait. ‘Ik heb hem gevonden.’
Ik klim over de grafstenen en door het moeras van marmeren gedenktekens naar de andere kant van de begraafplaats, waar Angelo staat. Op een muur zijn de namen vermeld van de mannen die hun leven op de berg hebben gegeven, uitgehakt in grijze marmeren blokken. Angelo strijkt over de naam van mijn oom.
LUIGI CAPODIMONTE
* * *
Ik zou willen dat Louie Cap dit eerbetoon aan zijn leven had kunnen zien, de getuigenis van het gestolen liefdesverhaal waardoor hij bij zijn zoon is weggehouden. Toen ik uit New Jersey vertrok, was het graf van oom Louie bedekt met de verwelkte bloemstukken uit het uitvaartcentrum en de kerk. Een grote stapel chrysanten, rozen en gladiolen, piepschuimen ringen, en aan de bloemstukken brede linten met gouden letters waarin hij werd omschreven: echtgenoot, oom, broer, Columbus-ridder. Hier in Avenza werd hij niet geëerd, maar ook niet vergeten. Mauro draagt de wond met zich mee dat hij hem nooit heeft gekend en Claudia heeft hem in het verleden achtergelaten omdat er in haar nieuwe familie geen plaats was voor Louie Cap. Alleen tante Lil, zijn zus, zijn familie en ik weten wat Mauro en Claudia hebben gemist. En ze hebben alles gemist.
‘Je oom is belangrijk voor je, hè?’
Ik knik. ‘Zelfs nu hij dood is.’
‘Waarom?’
‘Hij begreep me.’ Ik kijk Angelo aan. ‘Net zoals jij.’
Angelo neemt me in zijn armen en houdt me vast. ‘Ik probeer alles alleen maar beter te maken,’ zegt hij. ‘Niet dat je daarvoor iemand nodig hebt. Ik vermoed dat het mijn probleem is, Giuseppina. Je bent de eerste vrouw door wie ik me afvraag of ik goed genoeg ben. Verdien ik jou? Je hebt meer vreugde in je dan iedereen die ik ken. Daarom ben ik verliefd op je geworden.’
Je zou denken dat al het geld dat ik in Thera-Me heb gepompt me op zo’n moment iets zou opleveren. Ging dat hele circus niet over communicatie? En daar sta ik dan, ik krijg geen woord over mijn lippen.
Angelo vult de stilte op. ‘De eerste keer dat ik je zag, was ik in de tuin, maar de zon begon pas te schijnen toen je naar me glimlachte. Ik dacht: o nee, zíj is het. Ik wilde je niet leren kennen omdat ik al wist wat je met mijn leven zou doen. Ik wilde niet gelukkig zijn, omdat ik dacht dat ik geluk vond in mijn atelier en mijn telefoon, een bord spaghetti en een glas wijn, en mijn oordelen. Ik zou me nooit hoeven vast te leggen omdat ik niet wilde dat iemand me nodig had. Maar toen kwam jij opdagen, met je Amerikaanse plezier, je onschuld en je totale gebrek aan angst. Ik heb die baan in Milaan niet aangenomen omdat ik hem wilde, maar omdat jij me niet tegenhield. Ik kon de gedachte niet verdragen dat ik bij je in de buurt was zonder dat je van me hield, dus ging ik ervandoor. Toen je met Kerstmis naar Milaan kwam, was ik heel hoopvol en toen je een paar wanten voor Dalia en Alice bij me achterliet, dacht ik dat je daarmee wilde overbrengen dat je gewoon vrienden wilde zijn. Ik besloot naar het Comomeer te gaan om je te vertellen wat ik voelde, en toen ik daar kwam –’
‘Bobby Bilancia.’
‘Ja.’ Angelo’s gezicht betrekt.
‘Ik ben nog niet klaar voor –’
Angelo legt zijn vingertoppen tegen mijn lippen. ‘Ik weet het. Maar ik wel. Ik zal wachten.’
‘Hoe kun je daar zo zeker van zijn?’ vraag ik hem.
‘Omdat je me maar één keus laat… Van je houden.’
De zon is heet, maar de lucht is koel, perfect weer voor koorts.
‘Ik breng je naar huis,’ zegt hij. Angelo pakt mijn hand en leidt me door het verraad van de oude begraafplaats, de scherpe randen van het marmer, de klauwenpoten van de enorme urnen, de scheefgezakte grafstenen en de voorjaarsmodder die is gaan vastzitten tussen de stenen. Maar zolang ik me vasthoud, struikel of val ik niet.
* * *
Zodra ik weer in het appartement ben, bel ik tante Lil om te vragen hoe het met haar is. Haar telefoon gaat naar de voicemail. Het is tijd dat ik haar het verhaal vertel. Al die jaren General Hospital kijken vormen een goede training voor het verhaal dat ik haar ga vertellen. Ik spreek een bericht in.
Hoi, tante Lil. Ik denk aan je! Hoe gaat het? Met mij gaat het goed, ik heb je van alles te vertellen, maar is dat niet altijd zo? Ik hou van je.
* * *
Ik geef Smokey te eten en zet koffie. Mijn telefoon trilt. Het is mijn broer.
‘Sorry,’ zegt Joe. ‘Ik zou niet bellen als het niet dringend was.’
Golven schuldgevoel overspoelen me. ‘Wat is er? Mama? Papa?’ Ik ga zitten. Ik wist dat het Eiland dodelijk kon zijn. Een van hen is overleden toen ik niet met ze praatte en het is allemaal mijn schuld.
‘Nee, met papa en mama is alles goed.’
‘Godzijdank.’ Ik adem uit.
‘Maar ik heb wel verdrietig nieuws. Tante Lil is dood.’ Er gaan een paar tellen voorbij, en dan zegt Joe: ‘Ben je er nog, Jess?’
‘Wat akelig.’ Ik voel direct wroeging. ‘Ik heb net een bericht ingesproken.’ Ik was er niet. Dat zou oom Louie wel gewild hebben.
‘We hebben haar net nog bij de zondagse maaltijd gezien. Ze zag er goed uit. Je kunt het gewoon nooit weten.’
‘Ik zou moeten komen.’ Ik voel mijn hart breken.
‘Jess, ze had het vaak over jou. Ze bazuinde rond dat jij haar belde. Ze zei dat het heel veel voor haar betekende dat je contact met haar had. Daar heb je goed aan gedaan, Jess. Het is niet onopgemerkt gebleven.’
‘Dank je wel, Joe.’ Maar daardoor voel ik me niet beter.
‘Kom naar huis,’ zegt mijn broer. ‘Het is hoog tijd.’