Hoofdstuk 22: Naar huis in Lake Como - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
De taxi zet me af bij het huis van mijn ouders. Als ik uitstap, gaan er twee even krachtige gevoelens door me heen, hoop en angst. Ik breng mezelf in herinnering hoe ver ik al ben gekomen. Ik ben hier niet om oude rekeningen te vereffenen of om absolutie of vergeving te vragen, ik ben hier om tante Lil de laatste eer te bewijzen.
Ik heb weinig ingepakt, dus ik rol mijn koffertje makkelijk over het pad naar de voordeur, de poort naar mijn oude leven. Door deze deur werd ik (uiteindelijk) naar binnen gebracht op de dag dat ik thuiskwam uit het ziekenhuis, zeven weken na mijn geboorte. Door deze deur liep ik elke dag op weg naar school. Dit is ook de deur waarachter ik, toen die op mijn trouwdag openging, in mijn trouwjurk stond, in de video die mijn moeder nog steeds af en toe bekijkt.
De erker is verlicht als de etalage van een winkel die kristal verkoopt. De bollen van geslepen glas en de verzameling kristallen kommen en vazen glinsteren in het licht. Elke keer dat iemand overlijdt, belandt een ander stuk van hun kristal achter het raam, een fonkelende herinnering aan hoe prachtig vererving is. Aan de koperen deurklopper hangt een rouwkrans van verse groene takken die met een groot zwartfluwelen lint bijeengebonden zijn, een teken voor iedereen die aan het meer woont dat we een geliefde hebben verloren.
Dit huis en de tuin waren alles voor me als kind, ze betekenden dat we een aandeel hadden in het land aan het meer waarvan we hielden, dat we deel uitmaakten van de Cap- en Baratta-clan, dat we deel uitmaakten van iets groters dan ons kleine stukje van de lus om het meer heen. Elke keer als ik de straat door keek, voelde ik me er thuis en veilig omdat er familie woonde.
Ik kijk naar het huis van tante Lil. De lampen langs het tuinpad zijn donker, het huis ligt in de schaduw. Achter het raam aan de voorkant is een lampje aan, ongetwijfeld een strategische beslissing om te doen alsof er iemand binnen is, al was het maar om ramptoeristen en inbrekers af te weren. De bries vanaf het meer is koud voor de lente in Lake Como, of misschien voelt het zo aan vanwege mijn verdriet over het verlies van tante Lil.
De voordeur vliegt open. Mijn moeder komt op de veranda staan. Ze draagt een zwarte jurk en sloffen. Ze houdt haar hand boven haar ogen en kijkt met half dichtgeknepen ogen naar me. ‘Giuseppina? Ben jij het?’
‘Ja, ma, ik ben het.’
‘Joe? Joe? Kom hier. Ze is er weer!’
Al snel staat de deuropening vol met familie: mijn vader, mijn broer, zijn vrouw, mijn zus, haar man, hun kinderen. Ze springen op en neer en roepen mijn naam. Cleopatra werd in Rome minder enthousiast onthaald, maar ik durf te wedden dat zij niet hoefde te huilen. Voordat ik mijn koffertje naar het verandatrapje kan rollen, rent mijn familie het pad af en omringt me om me welkom thuis te heten.
OP DE VLEUGELS VAN EEN ADELAAR
Het altaar van de Saint Catharine-kerk is versierd met manden vol roze en witte lelies. Familie is overal vandaan gekomen om tante Lil de laatste eer te bewijzen bij haar requiemmis. Ik bid de rozenkrans van witte parels, die ik bij mijn vormsel van tante Lil en oom Louie heb gekregen. Ik heb hem in het nachtkastje van mijn oude kamer gevonden, waar ik hem had laten liggen. De herhaling van de gebeden leidt mijn aandacht af van het theatrale gedoe om me heen. Naarmate we meer geliefde familieleden uit de generatie van mijn vader en moeder verliezen, escaleert ons verdriet tot opera-achtige proporties. We worden in de loop der tijd niet beter in het verliezen van mensen, alleen luidruchtiger.
Ik pluk een stofje van het zwarte jurkje van Lisa Natalizio. Bijna een half jaar later was het er nog, het hing in de cederhouten kast in mijn oude slaapkamer. Ma heeft het in elk geval uit de kelder gehaald, hoewel ze het eigenlijk had moeten terugbrengen naar Lisa’s salon. Het goede nieuws? Het jurkje past nu zonder dat ik me erin hoef te persen. Dat komt vast door de truffeljachten, de trektochten in de Valle di Scalve en de lange wandelingen in Carrara. Het leven is beter zonder auto. Zo is het gewoon.
Ik ga ontspannen mee in het ritueel van de mis voor een katholieke begrafenis alsof het een warm bad is. Op mijn geloof kan ik rekenen, ook als ik vergeet dat ik dat kan. De pastoor zegent de kist van tante Lil, waar een wit kleed overheen is gedrapeerd, met gewijde rook. Ik sla een kruisje als de wierookgeur mijn kant op zweeft.
Ik kijk de rij langs naar mijn familieleden, die rechtop zitten in hun zwarte pak of jurk, als een zwerm kraaien op een elektriciteitsdraad. Onze begrafenissen zijn net zo belangrijk als onze bruiloften, dopen en vormsels. Misschien nog wel belangrijker. Onze familie kan niet loslaten; we zijn bang dat als we dat wel doen, we van de draad af zullen vallen. Vanochtend klampen we ons vast aan ons sacrament en aan elkaar.
Toen oom Louie afgelopen najaar overleed, stortte ik helemaal in. Ik wilde opstaan om iets over hem te zeggen, maar ik kon het niet. Maar vandaag heb ik een missie. Ik zal mijn tante eer bewijzen en daardoor ook mijn oom. Ik heb geleerd voor mezelf op te komen, maar echte kracht uit zich in het opkomen voor anderen. Tante Lil was net als ik een ander in de familie. Vandaag zal ik de mensen laten weten wie Lil echt was, niet alleen een dame met mooie sieraden en het gladde gezicht van een vrouw die geen kinderen had opgevoed.
De pastoor knikt naar me en gaat in de buurt van het altaar zitten. Ik loop langzaam naar de katheder. Mijn hakken tikken op het Carrara-marmer, wat me doet denken aan de basis van mijn gezinsleven, onverwoestbaar bouwsteen. Het verbaast me dat ik niet meer zenuwachtig ben; ik ben juist vastbesloten om Lils verhaal te vertellen. Met mijn zwarte suède stilettohakken van acht centimeter ben ik lang. Ik leg mijn telefoon, met de toespraak die ik heb geschreven, op de kansel en kijk uit over de treurende mensen. Hun verdrietige gezichten sporen me aan tot actie. Ik lees voor.
Tante Lil was de indrukwekkendste vrouw van onze familie en een van de meest glamoureuze vrouwen die ik ooit heb ontmoet. Ze was niet langer dan een meter vijftig maar ging als een komeet door het leven: in een kalme gloed van wit licht verlichtte ze de nachtelijke hemel als een van haar geliefde diamanten.
Liliana Filippelli Capodimonte werd op 15 augustus 1948 in Hoboken, New Jersey geboren. Haar vader, Sal, was bloemist en haar moeder, Tess, zorgde voor alles thuis. Haar moeder was van Siciliaanse afkomst en haar vader kwam uit Puglia. Ze heeft een geliefde zus, Carmel, en een nicht, Marina, op wie ze dol was. Ze had een fantastische jeugd. Omdat haar vader de bloemist van de buurt was, stond er altijd een vers boeket bloemen op tafel. De lievelingscombinatie van tante Lil bestond uit robijnrode rozen en blauwe ridderspoor. Ze hield ook van felroze lelies in het seizoen, zoals jullie vandaag kunnen zien aan de altaarstukken. Groene takken in een arrangement vond ze mooi, maar gipskruid niet. Lil en Carmel werkten in hun jeugd samen in de winkel en ze weefden met de hand de rozenkroon voor de maagd Maria voor de viering van Sint Jozef Arbeider. Lil vatte deze taak serieus op, aangezien haar verjaardag viel op Maria-Tenhemelopneming. Dat zag ze als een teken en ze was haar hele leven toegewijd aan de maagd Maria. Ik geloof dat ze na haar overlijden welkom thuis werd geheten en ze, zodra ze daar was, in de blauwe mantel van de maagd Maria werd gehuld.
Oom Louie zei altijd dat elke stad een vrouw was. Als ik de vrouw zou mogen kiezen die Lake Como is, dan zou het tante Lil zijn. Een klassieke schoonheid met een Italiaans-Amerikaanse twist. Ze droeg wit na 1 september, diamanten bij een joggingpak en lovertjes als ze in de stemming was om te sprankelen. Hoe modieus ze ook was, tante Lil was niet oppervlakkig. Ze gaf om anderen. Ze zei vaak niets, wat in de meeste omstandigheden alles zegt en heel wijs is.
Tante Lil hield van New Jersey. Begin jaren negentig ging ze naar de bruiloft van een zakenrelatie van oom Louie in het noorden van de staat New York. Toen ze terugkwamen van hun weekendje ‘in het buitenland’, vroeg ik tante Lil hoe de bruiloft was verlopen. Ze zei: ‘Ze hadden kosten en moeite gespaard.’
* * *
De aanwezigen lachen. Ik haal diep adem en praat verder.
Tante Lil kende me vanaf de dag dat ik werd geboren. Zij en oom Louie hadden geen kinderen, maar in zekere zin hadden ze er zestien, het totaal van alle neven en nichten die aan de North Boulevard woonden in wat toen South Belmar heette. We waren altijd welkom bij haar thuis, dag of nacht, zonder uitnodiging. Ze kon beter bakken dan koken (volgens haarzelf) en of ze nou op kerstavond voor een Venetiaanse tafel zorgde of een kunstwerk van onze verjaardagstaart maakte, ze begreep hoe belangrijk het was om iedereen die ze kende het gevoel te geven dat hij of zij bijzonder was. Mijn zus, Connie, en ik kregen altijd een Barbietaart, met een mooie glazuurlaag. Barbie had dan haar armen in de lucht geheven, in een V-overwinningsteken, met onze naam op een klein goudkleurig spandoek. Voor Joes verjaardag bakte ze een G.I. Joe-taart met junglemotief.
Wie kan haar zeppole ooit vergeten? Die waren licht en zoet, nooit zwaar. We hebben ter ere van haar haar recept geprint om vandaag met jullie te delen. Dit recept heeft ze haar hele leven geheimgehouden, en nu is het van jullie. Mijn nichten en neven zullen dit begeerde recept nu uitdelen.
* * *
De kinderen staan op en verspreiden zich, net als bij een proefwerk, over de gangpaden met kopieën van tante Lils recept. Ze gaan aan het eind van elke rij staan om de stapels recepten door te geven. Er wordt gekletst en gelachen terwijl de kaarten doorgegeven worden door de kerkbanken en de gasten het recept lezen, dat in tante Lils perfecte schuinschrift is opgeschreven.
Lils zeppole
Voor 30-35 stuks
* * *
INGREDIËNTEN
Voor het beslag:
240 ml volle melk
15 gram kristalsuiker
2 theelepels gedroogde gist
240 gram bloem
1 theelepel zout
1 groot ei, geklopt
Scheutje koud water
Voor het bakken:
1 liter plantaardige olie
Als versiering:
400 gram kristalsuiker, om over de warme zeps te strooien zodra ze uit de friteuse komen
HET FRITUREN VAN DE ZEPS
Verwarm de melk in een pan, klop de suiker en het gist erdoorheen en zet opzij. Zeef de bloem en het zout in een grote kom. Maak een kuiltje, giet het ei erin met een scheutje koud water en klop dit door tot het goed gemengd is. Voeg de melk, suiker en gist toe totdat er een klonterig deeg ontstaat. Houd dan op met kloppen. Een glad deeg geeft loodzware zeps. Leg een grote mopeen over de kom en zet hem achter een zonnig raam om in de warmte te rijzen. Het deeg moet zoveel rijzen dat de kom helemaal gevuld is en het deeg net niet over de rand komt (ongeveer een uur).
Verwarm de olie in een grote pan op 190 graden tot hij borrelt. Zorg dat je een met keukenpapier bedekte bakplaat bij de hand hebt. Maak met twee lepels een balletje deeg ongeveer zo groot als een tennisbal en laat hem in de hete olie vallen. Ga door tot er zes deegballen in de olie liggen. Draai de zeps voorzichtig met een tang tot ze goudbruin zijn. Haal de zeps met een schuimspaan uit de olie en leg ze op de bakplaat. Herhaal dit tot al het deeg gefrituurd is. Haal de warme zeps door de kristalsuiker. Opmerking van Lil: ten zuiden van Napels gebruiken ze liever poedersuiker, maar dat vond ik nooit lekker. De kristalsuiker lijkt op diamantstof, en je weet dat ik van diamanten hou.
* * *
De kinderen lopen terug naar de voorste bank en gaan zitten.
Tante Lil hield het huis onberispelijk schoon. Ze vertelde me dat ze niet hoefde te reizen omdat ze in haar palazzo de wereld onder handbereik had. Maar ze genoot wel van haar jaarlijkse vakantie naar Florida en haar busreisjes naar New York City om naar een voorstelling op Broadway te gaan. Als Bernadette Peters in een voorstelling speelde, ging ze ernaartoe, want ze was een achternicht van Bernadette en haar zus Donna DeSeta. Tante Lil was heel trots op hen en op haar connecties in de theaterwereld.
Tante Lil was absoluut knap genoeg om in de showbizz te werken, maar ze vertelde me dat ze te verlegen was om in het openbaar te zingen. Ze had een prachtige zangstem, zoals de mensen van deze parochie weten. Ze heeft zesendertig jaar in het kerkkoor gezongen. Ze zei dat ze het bevrijdend vond om op de zangerstribune te zingen omdat ze wist dat niemand dan naar haar keek. Hoog boven ons zondaren kon ze uithalen. Niemand kon haar solo van ‘On Eagle’s Wings’ evenaren. Met die hymne hielp ze menig parochielid door zijn of haar verdriet heen. Ze konden haar niet zien, maar ze hoorden haar en werden opgevrolijkt door haar stem.
Tante Lil was in 1977 de topverkoopster van Avon in New Jersey. Ze heeft tot 2005 voor Avon gewerkt. Wij profiteerden van haar verkoopmonsters. Connie en ik maakten ruzie over de eau de toilette Pearls and Lace en over de Sweet Honesty-zeepjes. Jaren later, toen tante Lil toegaf dat ze White Diamonds van Elizabeth Taylor droeg, verklaarde ze dat zo: ‘Ik ben al mijn hele leven fan van Liz Taylor. Als Avon een overeenkomst had gesloten met Liz, zou ik alles met haar naam erop hebben gedragen. Tot dan? Absoluut White Diamonds.’
Tante Lil was een trotse Italiaans-Amerikaanse, en ze herinnerde ons elke keer als het onderwerp ter tafel kwam aan haar afkomst. Ze nam Connie en mij mee naar de revival van de musical Nine, die gebaseerd is op de film 8½ van Fellini. Elke Pasen moesten we van haar de film The Agony and the Ecstacy kijken, waarin Charlton Heston Michelangelo speelde. Ze vond Heston een ‘snoepje’, dus dat had misschien wel iets te maken met haar fanatisme. Haar liefde voor Michelangelo is in ons DNA gaan zitten. Hoewel ze fan was van The Beatles, Steely Dan, de Doobie Brothers en Bruce Springsteen and the E Street Band, had tante Lil de afgelopen jaren de platen van Frank Sinatra onafgebroken opstaan. Ze vertelde me dat dit de beste manier was om aan haar ouders te denken, die ze vreselijk miste.
Haar lievelingsnummer was ‘Fly Me to the Moon’ en dat heeft ze nu gedaan.
Wat hadden we een geluk dat oom Louie met tante Lil is getrouwd. Hij trouwde een betere partij en de Capodimontes en Baratta’s van North Boulevard waren zich daar allemaal van bewust. Deze dag zou ondraaglijk verdrietig zijn als ik niet geloofde dat oom Louie aan gene zijde op haar wachtte. Zij hadden het echte werk: een levenslange liefdesrelatie. Niet perfect, wel heel trouw. Toen ik haar naar het geheim van haar gelukkige huwelijk vroeg, zei ze: ‘Geen vragen stellen.’
Ter ere van haar zou ik graag willen dat jullie vandaag om drie uur de televisie aanzetten op kanaal 7 voor General Hospital. Jullie hoeven er niet naar te kijken, want dat zal tante Lil wel doen; laat de televisie gewoon aanstaan en ga verder met waar je mee bezig was. Zij geloofde namelijk dat de hemel de plek was waar je eindelijk alles krijgt wat je wilt. Ik zie haar daar opgekruld op een hemelse bank zitten met oom Louie. Ze kijken onafgebroken haar lievelingssoap zonder reclame. Naast hen staat een schaal gezouten cashewnoten, een groot koud glas cola met een schijfje citroen en een schaal barbecuechips. De sleutel tot geluk is weten waarmee je gezegend bent. Tante Lil wist dat en nu heeft ze het tot in de eeuwigheid.
* * *
Ik loop terug naar de kerkbank. Mijn moeder buigt zich naar me toe en geeft een klopje op mijn hand terwijl mijn vader goedkeurend knikt. Ik was dan misschien niet bij tante Lil toen ze overleed, maar ik hoop dat ze weet wat ik van haar vond. Ze moet het wel weten. Dat is de belofte van eeuwigheid. Haar leven is onderdeel van onze familiegeschiedenis, net als de diamanten, net als de zeppole, net als marmer.
SANDWICHES EN CONDOLEANCES
* * *
Tante Lil was populair. De meerkant van de boulevard staat vol geparkeerde auto’s van begrafenisgasten. Het bruine gras van het gazon aan de voorkant maakt plaats voor plukjes groen. De knoppen aan de bomen zijn heel lichtgroen, door kleine scheuten die aan de kale grijze takken ontspringen. De lucht prikt nog van de koude winter, de wolken lijken van matzilver.
Mijn ouderlijk huis loopt snel vol met de familie, vrienden en alle leden van de Sodaliteit van de kerk. De dames hebben het feestmaal van stoofschotels, sandwiches, taarten en torens koekjes gemaakt, die op de eetkamertafel uitgestald liggen op mijn moeders glimmende zilveren dienschalen, die mijn moeder, Connie en ik gisteravond hebben opgepoetst.
De ijsemmers op de veranda zitten vol ijsblokjes en blikjes drinken, waaronder berkenbier en Red Bull. Het overlijden van tante Lil markeert het einde van een tijdperk, zelfs uit Pennsylvania en Connecticut zijn neven en nichten komen rijden om haar de laatste eer te bewijzen. Over een paar weken is het Pasen. We hebben tijdens de vastentijd afscheid genomen van tante Lil, een offer dat we de rest van ons leven zullen voelen. In een paar maanden tijd hebben we oom Louie en tante Lil verloren, die vorig jaar nog bij ons aan tafel zaten voor het paasdiner.
Pastoor Belaynesh heeft nog een begrafenis, in Bradley Beach. Op weg naar buiten brengt hij voor de laatste keer zijn condoleances over aan mijn vader en moeder. Hij schudt elke gast de hand op weg naar de voordeur. De Katholieke Kerk blijft gericht op mensen, wat me hoop geeft op deze kille lentedag. De dames van de Sodaliteit zorgen ervoor dat de pastoor vertrekt met een tupperwarebakje vol driekleurige koekjes (zijn lievelingskoekjes) voor de rit.
Ik ben weer verantwoordelijk voor het dessert en de koffie, alsof ik nooit ben weggeweest uit Lake Como, maar deze keer is het anders, of misschien ben ik wel veranderd. Het zijn kleine dingetjes. Ik loop zonder angst door de kamers. Ik blijf in het moment en hengel niet naar bevestiging. (Ik breng mezelf in herinnering: waarvoor precies?) Ik trek me willekeurige opmerkingen niet aan. Ik luister. Maar ik ben wel een beetje rusteloos. Hoe fijn ik het ook vind om familie en vrienden te zien, ik verlang naar de Piazza Alberica en de Italiaanse zonsopkomsten die mijn tijd daar markeerden. Misschien is dat wel het grootste verschil, de meest dramatische verandering: ik heb een nieuw landschap voor mijn hoopvolle verwachtingen en dromen.
‘Jess, wat fijn om je te zien. Ik zou willen dat het onder fijnere omstandigheden was.’ Carmel, de zus van tante Lil, lijkt heel veel op haar, alleen met kleinere stenen in haar sieraden.
‘Gecondoleerd. We hielden van tante Lil.’ Ik omhels haar.
‘Ze kreeg een kick van de Capodimontes. Je moeder zei dat jij alles regelt.’
Ik knik. ‘Ik heb de kans nog niet gehad om naar haar huis te gaan, maar ik wil dat je weet dat de sieraden naar jou en naar Marina gaan. Dat wilde tante Lil.’
‘Dat is te veel.’ Carmel legt haar hand op haar borst.
‘Absoluut niet. Ik heb van tante Lil geleerd dat je nooit te veel diamanten kunt hebben.’
‘Ik hield van haar.’ Carmel huilt. ‘Ze was een geweldige zus. Natuurlijk kibbelden we met elkaar, zoals zussen doen, maar ik heb altijd van Lil gehouden. Wat heb ik veel herinneringen.’
‘Mama, wil je iets hebben?’ Haar dochter Marina komt bij ons staan. Ze is begin veertig, verlegen en breekbaar, het lijkt wel alsof ze van hetzelfde porselein is gemaakt als mama’s Madonnabeeldje van Lladró.
‘Mijn zus heeft ons al haar sieraden nagelaten,’ zegt Carmel zachtjes tegen haar dochter. ‘Ongelooflijk, hè?’
‘Ik ga nergens naartoe waar ik ze kan dragen,’ zegt Marina verdrietig.
‘Draag ze dan lekker thuis en laat je erdoor inspireren om op reis te gaan over de hele wereld en interessante mensen te ontmoeten,’ zeg ik tegen haar.
Marina staat op het punt me iets te vertellen als Lisa Natalizio naar ons toe komt, met haar ene hand steunend tegen de muur en in haar andere een drankje. Lisa heeft haar tweede grote bekerglas rum-cola voor driekwart op. Ze laat de muur los en slaat haar armen om me heen om in evenwicht te blijven. Ik hou haar omhoog. Over een half uur verandert tante Lils begrafenisreceptie in een met drank overgoten ladies’ night in de Stone Pony, waar we altijd drinken tot we de woorden van het weesgegroetje niet meer weten. Ik loop al gigantisch achter, dus ik neem een slok van Lisa’s drankje.
‘Ik heb genoten van je immoriam,’ zegt Lisa.
Lisa had op school een hekel aan het vak godsdienst en door haar gebrek aan inspanning heeft ze ook niets onthouden. ‘In memoriam,’ verbeter ik haar.
‘Dat ook. Hou het jurkje maar,’ zegt Lisa met dubbele tong.
‘Nee, het is van jou.’
‘Het staat jou beter.’
Mijn vader komt achter me staan en legt zijn arm om me heen. ‘Ik heb mijn liefje gemist.’
‘Ik heb jou ook gemist, pap.’
‘Heel goed gedaan, je in memoriam,’ zegt papa.
‘Dat zei ik…’ Lisa rolt met haar hoofd in een poging te klinken als iemand die nuchter is.
‘Ja, goed gedaan, liefje,’ zegt mama terwijl ze ons sandwiches aanbiedt op een zilveren dienblad. ‘De dood is een permanente bewoner aan het meer geworden. We verliezen links en rechts familieleden. Arme Lil. Het ging zo snel. Ze had moeite met ademhalen, ging naar bed en overleed. Ik hoop dat God me een makkelijke dood gunt als de man met de zeis me komt halen.’
‘Hij staat ongetwijfeld al op de kruising van North Boulevard en Surf Avenue, Phil.’ Mijn vader schudt zijn hoofd.
‘Toe maar, Joe, steek de draak maar met me. Maar er verandert van alles. Blijf maar met die dikke kop van je in de wolken lopen en dan zul je het berouwen. Kijk eens naar de straat. Er zijn meer huizen donker dan verlicht. Het lijkt hier om het meer wel op een reeks verrotte tanden. Ze vallen een voor een uit. Rinkeldekinkel. Binnenkort is de glimlach verdwenen en hebben we geen gezicht meer.’
‘Mijn hemel.’ Papa schudt zijn hoofd. ‘Maak het verdriet nog erger.’
‘Traditie kan alleen bestaan in een toestand van verandering,’ zeg ik tegen hem.
‘Wie heeft dat in vredesnaam gezegd?’ vraagt mama.
‘Een kunstenaar in Italië.’
‘Nou, hij mag zijn stomme mening houden. Joe, zet de airco eens aan.’
‘Het is koud buiten.’
‘Maakt me niet uit. Ik zweet hierbinnen als een otter.’ Ze gaat zachter praten tot ze dreigend klinkt. ‘Als je het niet koeler maakt in huis, lijk ik straks op Giuliani. Ik kon niet naar de kapper. Ik moest spray gebruiken voor mijn uitgroei. Die loopt uit als ik zweet. Als het hier niet afkoelt, smelt ik als een kaars.’
‘Ma, als je nieuwe lippenstift op doet, kijkt niemand naar je uitgroei.’
‘Heb ik dat nodig?’ Mama perste haar lippen op elkaar.
‘Je lipliner lijkt op de koraalkleurige ring om Saturnus. Je moet je lippen inkleuren.’
‘Echt? Niemand anders hier let een beetje op me.’ Ze kijkt mijn vader kwaad aan en richt haar aandacht dan weer op mij. ‘Echt waar, ze zouden het niet eens zien als ik mijn bh achterstevoren aanhad. Ik stel niets voor. Doordat jij helemaal uit Italië bent gekomen, word ik weer gezien. Ik weet niet hoe ik het zonder jou heb gered, Giuseppina.’
‘Het gaat prima.’ Ik neem het dienblad van haar over.
‘Ik doe mijn best. Je weet dat ik bij Lil was toen ze overleed. Net voordat ze insliep, zei ze als laatste tegen me: “Geef de crème eens aan.”’
‘Laten we dat maar niet op haar grafsteen zetten.’
‘Die is al gegraveerd. Je kent mijn broer, die reserveerde niets. Hij heeft volledig vooruitbetaald. Die arme Lil. Geen kinderen. Ze is in haar eentje gestorven, zonder eigen kinderen.’
Ik heb nog niet de kans gehad om mijn moeder te vertellen over haar neef Mauro LaFortezza. Misschien vertel ik het haar wel als iedereen weg is en er alleen nog muffe sfogliatelle en een verse pot koffie over zijn. ‘Kinderen hebben is niet het enige pad naar geluk.’
‘Maar toch. Het zou leuk zijn geweest. Ik rouw nog steeds voor mijn broer om dat verlies. Hij hield van kinderen. Ach, ja. Wat kun je eraan doen? Zo is het leven. Lou kreeg het geld en succes, en ik kreeg het huis en kinderen. Wie heeft er gewonnen? Wie verloren? Wie zal het zeggen?’
Connie biedt ons krabhapjes op een schaal aan uit de voorraad van vijfhonderd hapjes die Carmel had gemaakt voor de receptie en heeft langsgebracht in twee met bakpapier beklede kartonnen dozen waarin overhemden van Saks Fifth Avenue hebben gezeten. ‘Ik dring iedereen deze hapjes op alsof mijn leven ervan afhangt,’ zegt Connie. ‘Er zijn niet veel liefhebbers.’
‘Dring harder aan,’ zegt mama tegen haar. ‘Vis bederft.’
‘Je kunt mensen niet dwingen om te eten.’
‘Jawel, hoor. Je praat ze om. Je dringt aan. Je spoort ze aan. Blijf gewoon staan en kijk ze kwaad aan tot ze er eentje nemen. Uiteindelijk gaan ze wel eten.’ Mama loopt weg om met een groepje niet-Italianen uit de Avon-tijd van tante Lil te praten.
Connie en ik lachen. ‘Wat is mama toch intens.’
‘Onze moeder die aan North Boulevard is, Botheid is haar doopnaam.’
De artsen van tante Lil staan bij het buffet. Als er in deze familie iemand overlijdt, betrekken we daar iedereen bij die de overledene tijdens zijn of haar leven heeft ontmoet. We nodigen zelfs mensen van de hulpdiensten, artsen, verpleegkundigen en verzorgers uit voor de begrafenis en receptie. Het is een internationale coalitie der geneeskunst, een regenboog aan menselijkheid uit alle hoeken van de wereld. En zelfs zij weten dat ze de krabhapjes niet moeten aanraken.
Ik loop achter mijn zus aan de keuken in om een nieuwe lading sandwiches te halen. ‘Con, wat is er met Lisa aan de hand?’
‘Mij is niks opgevallen,’ zegt Connie.
‘Ze doet raar. Alsof ze medicijnen slikt.’
‘Misschien doet ze dat ook wel. Iedereen slikt tegenwoordig iets.’ Connie bijt nerveus op haar lippen.
De keukendeur zwaait open. ‘Jess.’ Bobby Bilancia kust me op mijn wang. ‘Hoe gaat het?’
Vreemd. Ik rook Bobby niet aankomen. Ik snuffel in de lucht als een speurhond, op zoek naar de geur van pepermunt.
‘Goed. En met jou?’ Bobby kamt zijn haar niet langer achterover, hij heeft een zijscheiding. Zijn haar is ook piekeriger geknipt, heel erg Ryan Gosling, maar dan iets minder gestyled.
‘Goed.’
‘Mooi. Mooi,’ zegt Bobby.
Wat is er met hem aan de hand? Hij zegt nooit een dubbele mooi. Er is iets. Ik dacht dat we in januari op het vliegveld van Milaan goed uit elkaar gingen. Sindsdien hebben we niet veel gecommuniceerd, afgezien van een paar memes over Jersey die we over en weer hebben gestuurd. Ik dacht dat we het mooi/mooi hadden afgesloten. Er is iets veranderd.
‘Ik wil straks even met je praten,’ zegt Bobby. Connie snelt de keuken uit.
‘Natuurlijk, Bobby. Help me later maar met de afwas.’
Hij probeert te glimlachen, maar zijn mond vertrekt tot een kronkellijn. Hij gaat me later niet helpen met de afwas. Ik ken die gezichtsuitdrukking, dat is een overtuigde nee. Blijkbaar hebben we in Italië onze toekomstige vriendschap in New Jersey niet gesmeed.
‘Het hoeft niet, Bobby Bilancia. Dank je dat je bent gekomen.’
Bobby loopt net achter me aan de keuken uit en weer de eetkamer in als de voordeur openwaait. Een vlaag ijskoude wind waait door het huis, die hopelijk mijn moeder zal afkoelen, die net de trap afkomt met vers aangebrachte felrode lippenstift en een laag poeder op haar gezicht die zo dik is dat ze net een gepoederde donut lijkt. Blijkbaar had ze de lampjes van haar make-upspiegel niet aangezet.
Mijn moeder draait zich net als elke gast in de kamer naar de voordeur. Het matte geklets in de kamer neemt plotseling af, zoals met geluid gebeurt als je in coma raakt, de bovenkant van een zonnebank dichtdoet of er twee onverwachte gasten arriveren bij een begrafenisreceptie in een stadje in New Jersey.
In het afnemende zilveren namiddaglicht staan twee lange mannen. Ze verschijnen net als Randolph Scott en Joel McCrea aan de horizon, in de western die ik wel honderd keer met oma Cap heb gezien, maar dit zijn geen cowboys. Het zijn Italianen van de overkant.