Hoofdstuk 26: Een jaar later - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Ik sta op als de zon opkomt en felroze en gloeiend oranje slierten over de Montini-boerderij werpt. De verbouwing is bijna klaar. Wat zal ik dol zijn op mijn kamer met een ander uitzicht.
Dit is het Carrara een eindje van de piazza. Ik zit dicht genoeg bij de actie om er deel van uit te maken en ver genoeg weg om op mezelf te zijn. Als Carrara een vrouw was, zou ze een standbeeld zijn van de beroemde moderne kunstenaar Jago. Ze zou klassieke lijnen hebben in een moderne vorm, gebeeldhouwd van luisterrijk Carrara-marmer van de berg. Het boterachtige licht zou over haar gladde huid spelen en tot schaduw worden op de plekken waar ze haar geheimen bewaart.
Ik doe het raam open en adem de lucht in van de dennen, sparren en mirte die langs het perceel staan.
Ik stop The House in Good Taste van Elsie de Wolfe in de borstzak van mijn overall. Ik ga zitten en neem even de tijd om vast te leggen wat ik voel, waarbij ik door mijn dagboekaantekeningen van de afgelopen maanden scrol. Het schrijven dat ooit corvee was, is een gewoonte geworden. Ik heb ook ervaren dat beknoptheid veel brengt. Ik schrijf.
De Grote Vijf:
Openbaring. Ik ben net zo gelukkig in mijn eentje als wanneer ik van iemand houd.
Ik hoef niemand te pleasen om me waardevol te voelen.
Een baan is niet alleen maar een baan, het is een creatieve uiting van de reis van de ziel.
Het gaat niet om de plek waar je leeft, het gaat erom hoe je leeft als je daar komt.
Ik ben een mens van de wereld, niet alleen van mijn kleine hoekje, en ik bezit alles wat zij is.
* * *
Ik leg mijn telefoon weg. Smokey zit naast me op de grond terwijl ik de boeken in mijn kast zet. Ik haal The House in Good Taste uit mijn zak en zet het boek op de plank. Ik strijk met mijn hand over de omslag; de lijntekening van de gevel van een huis en het eenvoudige lettertype van de titel spreken me aan. Ik heb ezelsoren gemaakt, wijze uitspraken van De Wolfe onderstreept en aantekeningen in de marge gemaakt. Zonder haar had ik de boerderij niet kunnen verbouwen. Ik doe de doos met boeken open en haal ze er een voor een uit.
Ik zet Viola di Grado naast Italiaanse manieren van Tim Parks, de DVD van Petro Castellitto’s The Predators, Domenico Starnones The House on Via Gemito en Margaret Mazzantini’s Ga niet weg. Ik zet Melania Mazzucco’s Vita en De verloofden door Alessandro Manzoni naast Browning’s Italy door Helen Archibald Clarke. Crossing the Alps door Helen Barolini krijgt zijn eigen plekje, met de voorkant naar voren, omdat Helen nooit genoeg erkenning voor haar werk heeft gekregen. Sommige boeken zijn in het Italiaans, anderen zijn vertaald in het Engels. Ik drijf als een kwal tussen die talen heen en weer, en niet heel goed. Ik zuig woorden en beelden in het Italiaans op, zoals bladgoud zich hecht aan reliëf in marmer. Een kamer met uitzicht neemt zijn plaats in naast Barolini; zo kan het niet kwijtraken. Ik zal het altijd kunnen vinden.
‘Giuseppina!’
Ik hoor dat mijn moeder me roept vanuit de voortuin. Ik ga naar de openslaande deuren die uitzicht bieden op het vergezicht en doe ze open. Ik stap naar buiten.
‘Buongiorno, ma.’
Mijn familie is verzameld in de voortuin beneden als de parochieleden die zich op eerste paasdag op het Sint-Pietersplein wurmen om de paus te zien en zijn zegen te ontvangen.
‘Het balkon is een leuk element.’ Mijn broer houdt zijn hand boven zijn ogen en kijkt omhoog terwijl ik me over de balustrade buig. De voortuin is keurig ingericht met een stapel marmeren restanten van verschillende vormen en maten, de netjes opgestapelde gereedschappen van de werklieden en wat houten planken voor de volgende klus.
Mijn vader en moeder staan naast elkaar en kijken naar me op. Katie maakt ruzie met Rafferty. Joe knoopt de jas van Mackenzie dicht terwijl hij met moeite de nieuwe baby, Giuseppina, vasthoudt, die Jo wordt genoemd. Connie zegt dat de meisjes zachter moeten praten terwijl Alexa, Alicia en Abby staan te springen en brullen dat ik naar beneden moet komen. De zus van tante Lil, Carmel, en haar nicht, Marina, proberen te helpen met de kinderen, maar hun overvolle heuptasjes zitten in de weg.
Angelo komt aanrijden op zijn turquoise scooter. Hij rijdt het tafereel binnen net zoals hij mijn leven binnengekomen is. We hebben werk te doen. De boerderij is nog maar het begin. Ik ben van plan om een architectenbureau te openen in Carrara, naast de bakkerij aan de piazza, omdat ik de rest van mijn leven elke ochtend een verse cornetto bij mijn koffie wil. Ik zal werk blijven aannemen van Mauro op de berg, maar nu zal ik ontwerpen maken voor klanten in plaats van de ideeën van andere mensen te vertolken.
Ik heb een nieuw bedrijf met Conor. Ik heb een collectie marmeren en granieten vloeren ontworpen die Conor overal ter wereld zal verkopen. We gaan het bedrijf Capodimonte Marmer en Steen noemen, omdat de steen per slot van rekening Italiaans is en mijn familienaam ook. Maar deze keer zal het anders gaan. Ik zal mijn ambitie niet verstoppen of het geluk van een goede man boven dat van mezelf stellen, omdat ik nu weet waaraan ik plezier beleef. Zou het kunnen dat dit een gelijkwaardige onderneming is? Reken maar dat dat zo is, en Angelo Strazza begrijpt dat.
Signora Strazza komt bij mijn ouders staan terwijl ze een sjaal over haar haar en onder haar kin vastknoopt. Ik zal niet vergeten dat ze me de oude boerderij heeft laten zien, waardoor een droom werd onthuld. Angelo geeft zijn moeder een kus op haar wang.
‘Ik kom eraan!’ schreeuw ik. Ik pak mijn schets en ga de trap af naar de belangrijkste kamer van het huis. Ik verwelkom mijn familie in de ruimte waar blauwdrukken op twee ezels staan. Zonder meubels lijkt de kamer van veldsteen groot, zeker groot genoeg voor mijn hele familie. Ze komen erbij staan en kijken over mijn schouder terwijl ik het nieuwe ontwerp en de verbouwing van het huis uitleg.
Papa bestudeert de blauwdrukken vol belangstelling. ‘Heb jij die getekend?’
‘Jazeker.’ Ik sla mijn armen over elkaar en doe een stap achteruit.
‘Wat slim dat je weer naar school bent gegaan,’ zegt papa. ‘Je bent ervoor gemaakt om dit te doen.’
Toen ik mijn ouders vergat en mijn woede over Rutgers losliet, ontstond er ruimte voor mij om geluk te vinden. Misschien heb ik één droom verloren, maar ik heb een nieuwe gekregen. Over een jaar zal ik afgestudeerd zijn in architectuur aan de universiteit van Pisa. Het was voorbestemd, want ik had meer kennis en nieuwe vaardigheden nodig naarmate de opdrachten via de LaFortezza-groeve complexer werden, net als mijn behoefte om te leren hoe je moet bouwen.
‘Een opleiding is één, maar in je eentje in het bos wonen?’ Mama staat bij het raam en kijkt naar buiten. ‘Jess, ik weet het niet.’
Ik wijs naar de smaragdgroene boomlijn en het schijfje van de met bladgoud bezette duomo van Sant’Andrea dat zichtbaar is door het bos heen. ‘Heb vertrouwen. Ik ben omringd door kerken.’
‘Aha, als je in gevaar bent, ren je naar de kerk. Zeg dat maar als je op een dinsdag wordt beroofd of aangerand. Dan is daar niemand. Die duomo stelt me niet gerust.’ Mama’s wenkbrauwen vormen twee zwarte driehoeken van verderf.
‘Ma, Jess zit dicht bij de piazza. Ze heeft niet eens een auto nodig. We zijn hier in tien minuten naartoe gelopen,’ brengt Connie mama in herinnering.
‘In tien minuten kan veel gebeuren.’ Mama’s stem breekt.
Mijn vader, broer, Connie en ik kreunen.
Mama heft haar handen. ‘Jullie nemen me niet serieus.’
‘Ze woont niet echt geïsoleerd.’ Connie werpt me een geruststellende blik toe.
‘Je bent mijn vreemdste kind, Giuseppina,’ zegt mama. ‘Waarom moet je alles in je eentje doen?’
‘Omdat ik dan weet dat ik het kan.’
‘Dit betekent dat je nooit meer terugkomt naar New Jersey,’ zegt papa zachtjes.
O, papa, denk ik, wat heb je hard geprobeerd om me gelukkig te maken in Lake Como. Je was voortdurend bezig. Als je geen dingen repareerde, verfde je. Je probeerde van de kelder een echt thuis te maken. Je installeerde een gashaard in het appartement van Bobby en mij, die ik nooit heb aangezet. Ik heb je het appartement in Hoboken niet laten zien omdat dat een droom was die nooit voorbestemd was om uit te komen. Ik heb er geen aanbetaling voor gedaan. Een andere vrouw zal genieten van dat uitzicht op de skyline van Manhattan.
Papa loopt de kamer rond en bekijkt de boerderij aandachtig, van vloer tot plafond. ‘Goed gedaan, meid.’
Het is papa’s grootste vreugde om zijn kinderen gelukkig te zien. Hij heeft alles opgeofferd voor ons. Hij hield ons bij elkaar, zette zijn eigen dromen opzij, wat die ook waren, om ons alles te geven wat we nodig hadden. Nu hij mijn droom op papier kan zien, en in werkelijkheid, is hij blij voor me. Papa en ik weten dat hij altijd aan mijn kant stond. Hoe kan ik tegen mijn vader zeggen hoeveel het voor me betekent dat hij hier is, in Carrara, terwijl hij het ontwerp van mijn nieuwe droom goedkeurt, de droom die wel voorbestemd was om uit te komen, op de plek waar ik de rest van mijn leven zal wonen? Dat kan ik niet. Ik ben een Baratta en wij uiten onze gevoelens niet.
‘Ik zou willen dat ik een jonge vent was, meid,’ zegt papa. ‘Dan kon ik je helpen.’
‘Ik hoopte dat je het hier kon schilderen.’
Mijn vader glimlacht en klapt in zijn handen. ‘Afgesproken.’
Ik zal in het huis wonen waar mijn oma is geboren, als Montini. Ik voelde iets toen ik het huis uit de kindertijd van oma Cap in de sneeuw zag, en dat gevoel is niet meer weggegaan. Ergens onderweg, in deze vijfendertig jaar, zei iemand dat je aandacht moet schenken aan die gevoelens omdat daar gelukzaligheid ligt. En dat klopte; overal waar ik was dacht ik aan het huis, of ik nou in een trein zat, in een bespreking of vlak voordat ik ’s avonds in slaap viel. Ik kon dit huis niet van me afschudden. De dingen waar je niet zonder kunt leven zijn de enige dingen die je nodig hebt. Ergens wist ik dat het huis voor mij was. Ik was ontroerd door de verwelkende schoonheid ervan, en ook al stortte het bijna in, ondanks tientallen jaren verwaarlozing stond het nog steeds, als een soort wonder, alsof het wilde zeggen: dit is jouw thuis. Ik heb op je gewacht.
‘Ik vind het een geweldige investering. Je legt er bijna niks op toe.’ Mijn praktische broer keurt het goed.
‘Ik heb het van het stadje gekregen. Ik kon het niet geloven. Mijn eerste meevaller sinds de dood van oom Louie.’
‘Louie zou apetrots op je zijn.’ De tranen springen mama in de ogen. ‘Hij was een prins, mijn broer.’
Diego kijkt naar Katie, die naar Connie kijkt, die naar Joe kijkt; iedereen kijkt naar mijn vader.
‘Vinden jullie mijn rouwproces grappig?’ Mama kijkt naar ons.
‘Natuurlijk niet. Ik zal je opvrolijken, ma. Ik mag van de gemeenteraad deze straat een naam geven.’
Mama kijkt rond. ‘En terecht. Dit is het enige huis hier.’
‘Ik noem hem de Via Giuseppina Capodimonte. Voor je weet wel wie.’
Mama vouwt haar handen alsof ze gaat bidden. ‘Je eert je afkomst! Ik ben niet helemaal mislukt als moeder.’
‘Zeg zulke dingen toch niet!’ zegt signora Strazza, mijn moeders nieuwe handlanger, tot haar verdediging. ‘Je bent een goede moeder.’
‘Je zou die blauwdrukken moeten inlijsten, Jess,’ oppert mijn zus, die altijd al een goede smaak had.
‘Wat een geweldig idee,’ stemt papa in. ‘Jij bent de kunstenaar.’
‘Ik zal ze voor je inlijsten.’ Angelo slaat zijn arm om me heen.
‘Ik dacht dat je geen lijsten deed,’ komt mama tussenbeide.
Mijn vader slaat zich tegen zijn hoofd. ‘Zien jullie nou waarmee ik moet leven? Ze vergeet nooit wat.’
‘Alsof jij het zo slecht hebt, Joseph Baratta,’ geeft mama hem een standje. ‘Laura begrijpt me wel.’ Mama wendt zich tot Angelo’s moeder. ‘De moeder is de geschiedkundige van de familie. We vergeten niets, om die geschiedenis te behouden. We zijn ook praktisch. Was het overdreven om te hopen dat mijn kind een huis zou bouwen op een stukje land waar ze niet levend zal worden opgevreten door hondsdolle beesten?’
‘Dat gaat niet gebeuren, ma. Maar ik zal wel ergens door worden overvallen.’
Mama kijkt met half dichtgeknepen ogen naar het bos. ‘Laat me raden. Door een wild zwijn?’
‘Door plezier. Alledaags plezier.’ Ik grijns.
We horen een claxon. We lopen naar het raam. Conor en Gaetano stappen uit het busje met gebaksdozen die zijn dichtgebonden met een lint van de bakkerij.
‘Kom, mensen. We gaan de berg ontdekken!’ Marina, de reisagent die haar stem heeft gevonden, steekt haar paraplu omhoog.
‘Wie wil er een cornetto?’ vraagt Conor.
De kinderen rennen naar buiten en klimmen in het busje.
‘Wat snappen die mannen ons toch goed.’ Mijn vader knikt goedkeurend. ‘We houden van koolhydraten.’
Mijn familie gaat samen met signora Strazza om Conor en Gaetano heen staan terwijl ze de lekkernijen uitdelen.
Binnen in het huis blijven Angelo en ik alleen achter.
‘Dat ging goed. Behalve toen mama zei dat het te geïsoleerd was en ik in mijn slaap vermoord zal worden.’
‘Je moeder is niet erg positief ingesteld.’
‘Absoluut niet, maar ik hou toch van haar.’ Ik pak Angelo’s hand. ‘Ik moet je iets laten zien.’
We gaan de trap op naar de eerste verdieping.
‘Dit is de keuken.’ Ik loop onder een boog door. ‘Dit is de slaapkamer.’ Alsof ik hem op het netjes opgemaakte bed met de lichtblauwe fluwelen sprei moet wijzen.
‘De plek van de ramen is goed. Heel open,’ zegt Angelo.
‘Dit is de badkamer. Prachtig gedaan, toch? Carrara-marmer.’
‘Uiteraard.’ Angelo lacht. ‘Geen bad?’
‘Wil je een bad?’
‘Kun je in de gootsteen liggen weken?’ zegt hij grappend.
‘Nee.’ Ik lach.
‘Maak er dan ruimte voor. Jij bent de architect.’
Toen oom Louie nog leefde, tekende ik de ontwerpen aan de hand van zijn instructies en de specificaties van de klant. Maar ik dacht nooit na over wat ik wilde, ik was op een of andere manier bang voor mijn eigen ideeën, of dat iemand anders mijn visie stom zou vinden. Maar nu kan ik alles doen wat ik wil. Het enige verschil tussen een tekenaar en een architect is zelfvertrouwen.
‘Je hebt gelijk, Angelo. Een grote marmeren badkuip, hierzo, onder het raam.’ Ik wijs naar de open muren onder de kruislingse balken.
‘Dat was toch niet zo moeilijk?’ zegt hij en hij neemt me in zijn armen. Blijkbaar is er niets aantrekkelijker voor een man dan een vrouw die haar eigen huis kan ontwerpen. Angelo kust mijn hals, mijn wang en mijn lippen. Zijn zachte kus is vast, hij voelt als goud waarmee het gladste marmer wordt verguld.
Angelo fluistert in mijn oor: ‘Bouw wat je wilt. Wat je nodig hebt.’
‘Mijn huis heeft jou nodig.’
‘En dus krijg je die ook,’ belooft Angelo. ‘E la tua vasca da bagno.’
We horen dat iemand in het busje claxonneert. Ik steek mijn hoofd uit het slaapkamerraam.
‘Je vriendin de professor gaat een rondleiding geven en we kunnen haar niet laten wachten.’ Papa kijkt op zijn telefoon. ‘Farah Adeel?’
‘Ze is inderdaad mijn vriendin. We komen eraan.’
Ik trek mijn jack en wandelschoenen aan. Ik stop mijn telefoon in mijn zak en loop achter Angelo aan de trap af. Smokey ligt opgerold bij het raam in de zon te slapen. Ik doe de voordeur van de Montini-boerderij dicht.
Angelo en ik proppen ons in het busje. Ze maken ruimte voor ons. Angelo trekt Rafferty op schoot. Mackenzie klimt bij mij op schoot. We doen de gordel om.
Ik wil bij mijn familieleden zijn als ze oom Louies groeve voor de eerste keer zien. Ik wil hun Michelangelo’s marmer laten zien. Daar is ons verhaal immers begonnen.