Hoofdstuk 10: Maart 1941 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
‘MIREILLE, OF JE NAAR DE SALON komt.’ Mademoiselle Vanniers lippen waren zo strak samengeperst van afkeuring dat de groeven rond haar mond strak stonden als plooien in smokwerk. Het was extreem ongebruikelijk dat een naaister naar beneden werd geroepen naar het domein van de vendeuses en hun klanten.
Mireille was zich bewust van de blikken van de andere meiden rond de tafel, die opkeken van hun werk en in stilte toekeken terwijl ze haar naald zorgvuldig in de voering van het kledingstuk waarmee ze bezig was stak om aan te geven waar ze was gebleven, toen ze opstond en haar stoel onder tafel schoof.
Ze liep met een angstig gevoel in haar maag de trap af. Kreeg ze op haar kop omdat haar naaiwerk niet naar wens was? Ze was de laatste tijd zo vaak afgeleid, zat tijdens het werk aan haar volgende opdracht voor het netwerk te denken, en ze was chronisch uitgeput vanwege de spanning die het opleverde haar tweede leven geheim te houden voor de andere meiden. Misschien werd ze wel op het matje geroepen.
Ze probeerde niet te denken aan de nóg ergere mogelijkheid, dat ze door iemand was verraden en dat de salon vol nazi’s zat die haar kwamen ondervragen.
Voor de deur van de salon aarzelde ze even. Toen streek ze haar witte jas glad, hief haar hoofd, klopte aan en liep naar binnen.
Tot haar verrassing kwam de verkoopster die erom bekendstond dat ze de rijkste klanten van monsieur Delavigne in haar portfolio had breed glimlachend op haar af lopen. Achter haar stond een assistente met een meetlint in de hand naast een van de modellen, gekleed in een jas die Mireille herkende. Ze had kort daarvoor de voering erin gezet.
‘En hier is ze dan, onze beste naaister,’ zei de vendeuse stralend. ‘Deze heer wil graag even met je kennismaken, Mireille, om je persoonlijk te bedanken voor het werk dat je voor hem hebt gedaan.’
Godzijdank had iedereen in de ruimte het veel te druk om als motten rond de vlam van hun klant te dansen om de geschrokken blik in Mireilles ogen op te merken, die ze niet kon voorkomen. Naast de open haard, die brandde om de klamme maartse kou buiten te houden, zat monsieur Leroux in een van de vergulde stoelen die speciaal voor de klanten in de salon stonden. Hij zat met zijn lange benen over elkaar en zijn handen in de zakken, in een pose die getuigde van het zelfverzekerde gemak van de ultrarijken.
Ze herpakte zich direct en dwong zichzelf haar ogen op het patroon van het Aubusson-tapijt op de vloer van de salon gericht te houden zodat een blik van herkenning haar niet kon verraden. Behalve dat ze niet wilde dat iemand zou zien dat ze de man al kende, moest ze ook voorkomen dat ze verried dat ze die avond een opdracht zou uitvoeren voor het netwerk waarover hij de leiding had. Ze had de dag ervoor nog instructies van de textielverver gekregen.
‘Mademoiselle,’ zei hij, ‘mijn verontschuldigingen dat ik u van uw werk houd. Maar ik wilde u even persoonlijk bedanken voor de aandacht voor detail die u in de kleding die ik heb besteld laat zien. Het is belangrijk mensen nu en dan persoonlijk een complimentje te geven, n’est-ce pas?’
Beeldde ze het zich in, of had ze een lichte nadruk op het woord ‘belangrijk’ gehoord?
Hij glimlachte naar de aanwezigen in de salon, die hem stralend aankeken, aangezien ze zelf hun complimentjes al in ontvangst hadden genomen.
Hij gebaarde haar dichterbij te komen en duwde een opgevouwen biljet van vijf franc in de zak van haar witte werkjas. ‘Een klein gebaar van mijn dankbaarheid, mademoiselle. En nogmaals dank aan u allemaal.’
‘Dank u wel, monsieur. Dat is vreselijk gul van u,’ antwoordde Mireille, waarbij ze hem heel kort aankeek om hem te laten weten dat ze het begreep.
Toen stond hij op, en een assistente kwam direct aanrennen met zijn jas. Hij wendde zich tot de vendeuse en zei: ‘Dus u hebt alle maten die u nodig hebt voor dat pak?’ Hij gebaarde naar een van de ontwerpen voor het komende seizoen die werden tentoongesteld op paspoppen die langs een muur stonden.
‘Oui, monsieur. We gaan er direct mee aan de slag, precies zoals u hebt opgedragen. U hebt een uitstekende keuze gemaakt. Ik weet toevallig dat deze stijl een van de favoriete van monsieur Delavigne is.’
‘Merci. En u kunt de jas naar het gebruikelijke adres sturen.’ Hij knikte naar het model. ‘Kan ik nu dan even afrekenen?’
‘Uiteraard, monsieur.’
De verkoopster wuifde Mireille weg, waarmee ze aangaf dat die terug kon gaan naar het atelier, terwijl een van de assistenten het boek ging halen waarin de gegevens over de opdrachten van de klanten werden bijgehouden.
Voordat ze terugging naar de naaikamer liep Mireille naar het toilet op de eerste verdieping. Daar haalde ze het biljet van vijf franc uit haar zak en vouwde het open. Zoals ze al had gedacht, zat er een papiertje in verstopt. Er stond een enkel, onderstreept woord op: AFGEZEGD.
Het drong tot haar door dat er iets heel ergs moest zijn gebeurd, anders zou monsieur Leroux nooit het risico hebben genomen zijn bericht persoonlijk aan haar te komen overbrengen. Ze scheurde het briefje met bevende handen in piepkleine stukjes, die ze doorspoelde, waarna ze controleerde of ze echt weg waren en haar handen waste. Die beefden nog steeds toen ze ze afdroogde aan de handdoek die aan de deur hing en ze zich voorstelde wat – of wie – haar te wachten had kunnen staan als ze die avond naar de afgesproken plek zou zijn gegaan. De Duitsers probeerden het net rond alle verzetsactiviteiten strakker te trekken en het was geen geheim dat van degenen die naar het ss-hoofdkwartier aan de Avenue Foch werden gebracht over het algemeen nooit meer iets werd vernomen. Ze had zelf ook de rijen mensen gezien die onder zware bewaking naar de stations in de stad werden geleid en daar op treinen naar het oosten werden gezet. Voor zover zij er zicht op had vertrokken er vele malen meer dan er terugkwamen.
Toen ze weer op haar stoel aan de naaitafel plaatsnam vroeg Claire waarom ze was weggeroepen. Ze haalde het briefje van vijf franc uit haar zak en liet het aan haar collega’s zien, die kreunden van jaloezie.
‘Ik zorg dit weekend voor een worst of een potje rillettes, als de slager dat heeft,’ fluisterde Mireille Claire in het geroezemoes in het oor.
‘Je hoeft voor mij niets te regelen, ik ga zaterdag uit eten,’ antwoordde Claire terwijl ze zich van Mireille af het licht in wendde om zich beter te kunnen concentreren op de kralen die ze op een lijfje van chiffon aan het naaien was.
‘We zien elkaar de laatste tijd alleen nog maar op het werk,’ merkte Mireille verdrietig op.
Claire haalde haar schouders op. ‘Dat weet ik. Op de avonden dat ik er ben, ben jij altijd weg.’
‘Nou, dan moeten we binnenkort maar eens een avond samen plannen, zodat je me alles over je nieuwe liefde kunt vertellen.’ Het was sinds kort algemeen bekend in het atelier dat Claire ‘met iemand liep’, sinds een van de meiden in het appartement haar op een avond naar buiten had zien glippen in een paar zijden kousen, die veel duurder moesten zijn geweest dan zij zich van hun loon konden veroorloven. Claire had toen ze erover werd ondervraagd toegegeven dat ze ze van een aanbidder had gekregen. Dezelfde aanbidder met wie ze sinds oud en nieuw uitging.
Mademoiselle Vannier klapte in haar handen om de meisjes tot stilte te manen. ‘Zo is het genoeg, dames. Hup, aan het werk. En ga nu niet denken dat jullie allemaal naar de salon worden geroepen om een fooi van de klanten te krijgen. Dat is extreem uitzonderlijk. Dus richt je nu weer op je werk en bewaar de roddels voor in de pauze.’
Mireille pakte de voeringstof waarmee ze bezig was geweest en ging verder met haar taak de stukken met zorgvuldige, snelle steekjes aan elkaar te zetten. Ze bedacht terwijl ze zat te werken dat ze geen idee had gehad dat ze opdrachten voor monsieur Leroux had uitgevoerd. Die jas van net, die het model had aangehad, was een damesjas, en hij had een mantelpakje aangewezen op de paspop. Had hij een echtgenote? Of een minnares? Of beide? Wat was het toch een gek gevoel om te zijn verbonden met zo veel mensen in een netwerk zonder iets over hen te weten, en dat terwijl ze hun leven aan elkaar toevertrouwden.
Pas toen ze de volgende dag zijde bij de textielverver ging halen hoorde Mireille waarom de operatie van de voorgaande avond was afgezegd. Madame Arnaud van het onderduikadres was aangehouden bij de bakker en betrapt op meer dan haar rantsoen aan brood in haar mandje. Dat was niet genoeg om gedeporteerd te worden, en ze had het geluk gehad na een strenge reprimande weggestuurd te worden. Maar toen was het tot haar doorgedrongen dat haar huis in de gaten werd gehouden en was het haar gelukt monsieur Leroux ervan op de hoogte te brengen dat de operatie van die avond moest worden afgeblazen. Meneer en mevrouw Arnaud moesten zich gedeisd houden tot ze niet langer verdacht waren. Dus werd alle activiteit een periode stopgezet, legde de textielverver uit, tot ze wisten welke andere onderduikadressen ze konden gebruiken om de zendingen van het netwerk op te slaan. Hij zou haar laten weten wanneer het weer veilig was.
* * *
Claire had haar zaterdagochtend zoals altijd doorgebracht, in de rij bij diverse winkels in de hoop de voedselrantsoenen voor die week te kunnen krijgen. Twee vrouwen, die voor haar in de rij stonden te kletsen toen ze aansloot, hadden zich omgedraaid en haar een minachtende blik toegeworpen terwijl ze haar zijden sjaal en dure kousen in zich opnamen. Ze had met opgeheven hoofd een uitdagende blik teruggeworpen: ja, ze had een Duits vriendje dat haar graag verwende, nou en? Dat ze geen mager oud wijf met spataderen was, zoals zij, was geen reden om haar die vuile blikken toe te werpen terwijl de rij centimeter voor centimeter vorderde.
Op weg terug liep ze de Rue Cardinale in, trok haar tas over haar schouder en dacht aan de bonenstoofpot die ze voor de lunch zou maken, met een kostbaar stukje varkensbuik dat ze bij de slager had weten te bemachtigen.
Toen zag ze de jongeman die in de portiek van Delavigne Couture zat en haastig opstond toen hij haar opmerkte. Ze herkende haar broer in eerste instantie niet. De laatste keer dat ze hem had gezien had hij lang, onverzorgd haar gehad en droeg hij een dikke visserstrui, de wol zwaar van een mengeling van stook- en visolie. Hij zag er nu heel anders uit: ouder, op de een of andere manier, niet op zijn gemak en verrassend kwetsbaar in een katoenen arbeidersjasje, zijn anders zo warrige haar kortgeknipt en netjes gekamd, met een stukje bleke huid zichtbaar in zijn nek, waar het was weggeschoren.
‘Jean-Paul! Wat doe jij hier?’ riep ze.
Hij deed een stap naar haar toe en aarzelde toen, alsof hij niet wist hoe hij die elegante vrouw moest begroeten die zijn zusje was geworden. Maar ze stak de ruimte die hen van elkaar scheidde over en omhelsde hem, snoof zijn geur van houtrook en zeezout op en voelde een onverwachte steek van heimwee toen hij haar stevig vastpakte.
‘Wat zie je er goed uit, Claire.’ Hij deed een stap naar achteren om haar te bekijken, met lachrimpeltjes om zijn grijze ogen terwijl zijn door het buitenleven getaande gezicht begon te glimlachen. ‘Een heuse Parisienne. Het elegante stadsleven doet je duidelijk goed. Hoewel ik niet begrijp hoe je het hier uithoudt; veel te veel mensen en veel te weinig vissersboten, als je het mij vraagt.’ Hij gebaarde naar de sleetse canvas plunjezak die tegen de glazen etalage van Delavigne Couture leunde. ‘Ik ben op weg naar Duitsland. Ik moet me daar melden om in een fabriek te gaan werken. Ik heb nog een uurtje voordat ik op het station moet zijn, dus het leek me leuk om even bij je langs te gaan op weg door Parijs.’
Ze pakte hem bij zijn hand. ‘Kom je even mee naar boven?’ Ze haalde haar sleutel uit haar tas, duwde de deur open en ging hem voor de trap op. ‘O, Jean-Paul, ik ben zo blij je te zien. Hoe is het met papa? En met de anderen?’
‘Met pa gaat het goed. Hij zei dat ik tegen je moest zeggen dat je goed voor jezelf moet zorgen in de grote stad en dat je genoeg moet eten. Je krijgt deze van hem.’
Jean-Paul haalde grijnzend een in krantenpapier ingepakt pakketje, dichtgeknoopt met touw, uit zijn plunjezak, en legde dat op tafel. Ze maakte het open en trof drie makrelen aan, met glinsterend vel, als het zilver van de zee aan de kust van Bretagne waar ze uit waren opgevist.
‘En met de anderen? Hoe is het met Marc, Théo en Luc?’
Het gezicht van haar broer werd serieus en toen verdrietig. ‘Théo en Luc zijn toen de oorlog uitbrak gaan vechten. Het spijt me vreselijk dat ik je dit moet vertellen, Claire, maar Luc is omgekomen toen de Duitsers door de Maginotlinie braken.’
Claire snakte naar adem en zakte neer op een stoel. Alle kleur trok uit haar gezicht. Haar oudste broer was al bijna een jaar dood en daar had ze niets van geweten. ‘En Théo?’ fluisterde ze.
‘We hebben bericht gekregen dat hij was gevangengenomen en in een kamp voor krijgsgevangenen zat. Toen Frankrijk capituleerde is hij vrijgelaten op voorwaarde dat hij in een Duitse fabriek ging werken. Dat is het laatste wat we van hem hebben gehoord. Ik hoop erachter te kunnen komen waar hij is en een verzoek te kunnen doen in dezelfde fabriek als hij te gaan werken zodat we samen kunnen zijn. Hoewel ik geen idee heb of de Duitsers dat toestaan.’
Claire begroef haar gezicht in haar handen en begon te snikken. ‘Godzijdank is Théo ongedeerd. Maar Luc… dood… ik kan het nauwelijks geloven. Waarom hebben jullie me niets laten weten?’
‘Pa heeft je geschreven, maar dat was direct nadat de Duitsers de boel hadden overgenomen, dus waarschijnlijk is de brief zoekgeraakt. En hij heeft ook nog geprobeerd je zo’n officiële postkaart te sturen, maar die hebben we teruggekregen met een inadmis omdat hij meer dan de toegestane dertien regels had geschreven. De dood van Luc heeft hem gebroken, Claire. Hij is ongelooflijk oud geworden. Hij brengt al zijn tijd op de boot door en zegt geen woord. Marc en ik proberen hem te steunen. Maar soms gaat hij er in zijn eentje opuit, weer of geen weer. Dan wacht hij niet eens op ons. Alsof het hem niets kan schelen dat hij zijn leven riskeert, alsof het hem niet uitmaakt of hij leeft of sterft.’
Hij sloeg een arm om Claire heen, en ze voelde zijn spieren, als gedraaide touwen onder het ruwe katoen van zijn jasje, toen ze huilend tegen zijn schouder stond geleund.
‘Maak je maar geen zorgen,’ zei hij uiteindelijk terwijl hij zich van haar losmaakte om een zakdoek uit zijn zak te vissen zodat ze haar neus kon snuiten en haar ogen kon drogen. ‘Marc is thuisgebleven om namens ons allemaal voor pa te zorgen. En ik ben binnenkort dichter bij Théo. Hij zal het geweldig vinden te horen dat het zo goed met je gaat, hier in Parijs. Misschien kun je pa en Marc nu en dan een ansichtkaartje sturen, als je daar tijd voor hebt? Ze zouden het fijn vinden af en toe wat van je te horen. Pa koestert je kerstkaarten. Ze staan op de plank in de keuken zodat hij ze elke dag kan zien.’
Ze knikte, met hangend hoofd van schaamte dat ze zo met haar eigen leven bezig was geweest dat ze niets meer dan nu en dan een gedachte aan haar familie in Bretagne had gehad. Omdat ze haar vaders brieven nooit had ontvangen had ze aangenomen dat het hun niets kon schelen, dat hun dagelijkse leven daar gewoon doorgang had gevonden en ze overdag hadden gevist en in de avond netten hadden gerepareerd. Maar het drong nu tot haar door hoezeer ze ernaast had gezeten. De oorlog was wat hen van elkaar had gescheiden, niet een gebrek aan betrokkenheid hunnerzijds. De chaos tijdens de Franse capitulatie en de strikte regelgeving van de nieuwe regering hadden haar van haar familie afgesneden. Een tweede golf van verdriet en heimwee stroomde door haar heen en ze veegde nogmaals haar ogen schoon met de zakdoek van haar broer.
Ze vermande zich en legde een hand op die van Jean-Paul. ‘Het komt goed, in Duitsland. Ik heb hier een vriend, Ernst. Hij komt uit Hamburg. Hij zegt dat de Franse arbeiders die daar helpen met de oorlogsmachine goed worden verzorgd.’
Jean-Paul trok zijn hand van die van haar los en bestudeerde haar in stilte. Toen knikte hij langzaam. ‘Die Duitse “vriend” van je, Claire… koopt hij die mooie kleren voor je? En heb je die sieraden ook van hem?’ Hij wees naar het medaillon dat ze om haar hals had.
Een steek van schuldgevoel priemde in haar hart bij de toon van zijn woorden, die, hoewel zijn stem neutraal was, in haar oren beschuldigend klonken.
Ze keek hem uitdagend aan. ‘Nee, Jean-Paul. Dat medaillon heb ik van mijn vriendin Mireille gekregen. Maar Ernst koopt wel eens wat moois voor me. En waarom zou hij zijn geld niet aan mij mogen uitgeven, als dat is wat hij wil doen?’
‘Maar hij is de vijand, Claire,’ antwoordde haar broer. Hij kon met moeite zijn stem neutraal houden, zijn woede onderdrukken. ‘Hij is er een van het stel dat Luc heeft vermoord. Dat Théo in de gevangenis heeft gegooid. Dat niet alleen ons gezin uit elkaar heeft gescheurd, maar ons hele land.’ Hij schudde ontgoocheld zijn hoofd. ‘Denk je ooit wel eens aan ons? Ben je je familie helemaal vergeten, Claire?’
De strop van schuldgevoel trok zich nog strakker om haar hart en ze was een moment helemaal duizelig terwijl een golf van overweldigende, strijdige emoties door haar heen stroomde. Ze schudde haar hoofd. ‘Dat is het niet. Je snapt het niet. Ernst en ik… we houden van elkaar. Hij geeft om me, Jean-Paul, in een wereld waarin er niemand anders om me geeft.’
‘Dat heb je mis, Claire. Je hebt ons. Je familie. Je hebt altijd je familie gehad.’
‘Maar jullie zijn hier niet, toch?’ Een flits van opstandige woede schoot door haar ogen. ‘Ik heb het sinds de dood van maman in mijn eentje moeten rooien. En voor het geval het je nog niet was opgevallen: we leven nu in een heel andere wereld.’
Het verdriet in zijn ogen deed haar veel meer pijn dan zijn gesproken beschuldigingen. ‘Misschien is jouw wereld veranderd. Maar sommigen van ons geven niet zo gemakkelijk op. Ik heb geen andere keuze dan in Duitsland te gaan werken, het was Marc of ik, dus heb ik me aangemeld, om hem te sparen. Maar je kunt die mooie zijden sjaal van je erop verwedden dat ik Théo ga proberen te vinden en dat we hem daar smeren zodra die mogelijkheid zich voordoet. Deze oorlog is namelijk nog niet voorbij.’
Hij stond op en hees zijn plunjezak over zijn schouder. ‘Ik moet gaan. Ik mag mijn trein niet missen.’
‘Ik breng je wel,’ zei ze, maar hij schudde nogmaals zijn hoofd.
‘Nee dank je, Claire. Ik vind het wel.’
Ze probeerde hem zijn verfrommelde zakdoek terug te geven, maar hij duwde haar hand zacht weg. ‘Hou hem maar. Van een broer die om je geeft.’
‘Jean-Paul, het spijt me…’ Ze begon weer te huilen en ze kwam niet meer uit haar woorden.
Hij omhelsde haar kort en vertrok. Ze hoorde zijn voetstappen zachter worden op de trap en duwde de zilveren vissen van zich af, die haar vanuit hun bed van vochtig krantenpapier met hun glazige, uitdrukkingsloze ogen aanstaarden. Ze legde haar hoofd in haar handen en huilde ontroostbaar, de rook en de zilte geur van thuis inademend die uit de zakdoek kwam die ze strak in haar hand had geklemd.