Hoofdstuk 14: 1941 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
MIREILLE EN VIVI WAREN ONGELOOFLIJK lief voor haar geweest toen ze terug waren in het appartement na die gruwelijke ontmoeting met Ernst en zijn gezin in het Louvre, maar Claire had zichzelf toch in haar kamer opgesloten. Ze kon het – in de wetenschap dat ze zich als een idioot had gedragen – niet verdragen het medelijden in hun ogen te zien.
Mireille had ’s avonds op de deur geklopt en Claire een schaaltje stoofpot gebracht. ‘Kom,’ had ze haar aangespoord met een vriendelijkheid waarvan Claire tranen in haar ogen kreeg, ‘je moet wat eten, om aan te sterken.’
Claire had haar hoofd geschud, misselijk van vernedering, maar Mireille had aangedrongen en was op het randje van haar bed gaan zitten.
Toen had Claire zich niet meer kunnen groothouden en was ze in snikken uitgebarsten. ‘Hoe kan ik zo stom zijn geweest? Heeft hij mij uitgezocht omdat hij zag dat ik een uilskuiken was dat voor zijn charmes zou bezwijken?’
Mireille schudde haar hoofd. ‘Je bent niet stom. Alleen jong en onervaren, wat betreft hoe de wereld in elkaar zit. Misschien heeft hij je onschuld aangevoeld en precies de woorden tegen je gesproken die je wilde horen.’
‘Ja, maar ik heb ze voor zoete koek aangenomen en me geen moment afgevraagd of ze wel waar waren.’ Claire voelde haar wangen branden bij de herinnering aan al die keren dat hij als ze uit waren zijn collega’s even ter zijde had genomen en ze hartelijk hadden gelachen om iets wat hij zei. Mireille had altijd aangenomen dat het onschuldige grapjes waren, als onderdeel van zijn rol als gangmaker van het feest, een rol die hij in gezelschap zo graag op zich nam. Maar nu vroeg ze zich af hoeveel van die onderonsjes over haar waren gegaan.
Ze vertelde huilend van vernedering en schaamte tegen Mireilles schouder leunend over haar familie. Ze had wanneer ze bij Ernst was de herinnering aan de woorden van Jean-Paul niet toegestaan en had zichzelf voorgehouden dat hij niet begreep hoe moeilijk het leven in de grote stad was. Vrouwen waren op zijn best machteloos, een gevoel dat alleen maar werd versterkt door de oorlog, maar haar samenzijn met Ernst had haar zowel een gevoel van veiligheid gegeven als dat ze had genoten van de zalige verwennerij en de jaloezie van andere vrouwen. Het drong nu tot haar door dat het gevoel van veiligheid was gebaseerd op een fantasie die ze had vormgegeven op een basis van zijden kousen en glazen champagne. ‘Hoe kan ik mijn eigen broers zo hebben verraden? O, Mireille, ik durf niet te bedenken wat ze van me vinden. Jean-Paul is naar een werkkamp vertrokken terwijl hij wist dat ik…’ Ze aarzelde even, dacht over haar woorden na en zei toen: ‘… me wentelde in de avances van de vijand. Kon ik hem maar vertellen dat ik nu weet dat ik dat nooit had mogen doen!’
Mireille streelde over haar arm, stelde haar gerust. Ze zei met een zucht: ‘Je bent bepaald niet het eerste meisje dat zwicht voor de verleiding van luxe en verwennerij. Maar waar het om gaat is dat je nu inziet hoe het zit. De volgende keer dat een aantrekkelijke Duitse officier je pad kruist, zul je niet zomaar naar het aas happen dat je wordt voorgehouden.’
‘Ik zal er helemaal niet meer naar happen,’ wierp Claire tegen met een vurigheid die een glimlach op Mireilles gezicht bracht. ‘Ik haat de nazi’s. Voor alles wat ze ons aandoen. Mij. Mijn familie. En mijn land.’
* * *
Gedurende de daaropvolgende maanden voelde Claire terwijl ze herstelde van haar gebroken hart en zich op haar werk probeerde te concentreren dat er verandering in de lucht hing. Tijdens de invasie door de Duitsers had er een gevoel van verdoofd onbegrip geheerst onder de inwoners van Parijs. Misschien was het verleidelijk geweest de propagandaposters die overal waren aangeplakt te geloven, met daarop afbeeldingen van vriendelijk uitziende nazisoldaten die de bevolking van Frankrijk beschermden en hongerige kinderen voedden. Maar toen er op de kalender weer een jaar op zijn einde liep, was de sfeer veranderd.
Een gevoel van explosiviteit greep de stad. Verhalen over protest en verzet deden de ronde en er waren zelfs aanslagen op de Duitse bezetter. De represailles na dergelijke acties waren onmiddellijk en wreed: executies vonden plaats op straat, en iedereen kende de verhalen over veewagens die menselijke vracht vervoerden en steeds vaker vertrokken van Gare d’Austerlitz en Gare de l’Est. Er deden ook geruchten de ronde over een interneringskamp in Drancy, een buitenwijk noordoostelijk van het centrum van de stad, waar Joodse inwoners naartoe werden gestuurd. Het feit dat dat kamp werd bewaakt door Franse politie in plaats van Duitse soldaten versterkte het gevoel van woedende onvrede dat steeds meer Parisiens begonnen te ervaren alleen maar.
En nu begon dat gevoel van onvrede ook Claires bewustzijn binnen te dringen. Ze maakte zich zorgen om haar broers Jean-Paul en Théo. Ze had niets meer van hen gehoord. Hadden ze elkaar gevonden in Duitsland? Ze hoopte dat dat zo was en dat ze ergens zij aan zij in een fabriek werkten en elkaar staande hielden tot de dag dat ze naar Frankrijk zouden kunnen terugkeren. Ze rouwde om Luc, en ze werd misselijk bij de gedachte dat zijn lichaam ergens in het oosten in een oorlogsgraf lag en daar al die tijd dat zij zo naïef haar tijd had verdaan met Ernst, een vertegenwoordiger van het regime dat haar broer had vermoord, had gelegen. Het was net of ze al die tijd had geslaapwandeld, verleid door de illusie dat geld en glamour haar leven zouden veranderen, afgeleid van de realiteit van wat er om haar heen in de wereld gebeurde.
Naarmate de tijd verstreek en de sfeer in de stad begon om te slaan voelde Claire ook iets in haarzelf veranderen. Haar hart was aan het helen – wat harten doen wanneer er genoeg tijd verstrijkt en er genoeg vrienden zijn – en terwijl dat gebeurde, transformeerde het in iets nieuws. De pijnlijke les die ze had moeten leren dwong haar na te denken over wie ze daadwerkelijk was en wie ze wilde zijn, en ze ontdekte een nieuwe kern van vastberadenheid in zichzelf.
Dus klopte Claire op een avond dat Vivi weer alleen was achtergebleven in de naaikamer op Mireilles deur.
‘Kom binnen!’ riep Mireille.
Claire liep de piepkleine slaapkamer onder het dak in en bleef even staan, haar handen tot vuisten gebald in haar zij. Toen zei ze: ‘Ik wil helpen. Zeg maar wat ik moet doen, Mireille. Ik ben er klaar voor om terug te vechten.’
Mireille stond op van haar zitplaats op het bed en sloot zacht maar ferm de deur. Toen klopte ze op de sprei, Claire gebarend te gaan zitten.
‘Het is niet eenvoudig, Claire. Weet je heel zeker dat dit een stap is die je wilt zetten?’ vroeg ze zacht.
Claire knikte. ‘Ik haat hen. Ik haat wat ze me hebben aangedaan, zowel mij persoonlijk als mijn familie, en wat ze ons land nog steeds aandoen. Ik vind het vreselijk dat het zo veel tijd gekost heeft voordat het tot me doordrong, maar ik ben er nu klaar voor.’ Mireille bestudeerde haar lang, alsof ze haar vriendin voor het eerst echt in zich opnam. ‘Oké,’ zei ze uiteindelijk. ‘Ik zal het doorgeven. Ik laat het je weten.’
Claire sliep die nacht dieper dan ze in jaren had gedaan, alsof haar nieuwgevonden vastberadenheid een extra deken was tegen de bittere kou die haar zo lang had bevroren. Nu die smolt, lijmde ze de laatste stukjes van haar gebroken hart weer aan elkaar en vormde het tot iets wat sterker was dan ooit.
* * *
Op een heldere ochtend in februari staken Mireille en Claire de Pont Neuf over. Het was de zondag voordat de vastenperiode zou beginnen en de klokken van de Notre-Dame werden geluid om gelovigen naar de mis te roepen, maar de meiden liepen verder en staken de Seine over naar de rechteroever, waar ze over de kade verder liepen, het zilveren lint van de rivier stroomafwaarts volgend tot aan de Jardin des Tuileries. Er lag geen speciaal gebak in de etalages van de bakkerijen waar ze langs liepen, en er zou dat jaar ook geen chocolade zijn met Pasen. De ontberingen die de oorlog met zich meebracht beten harder dan ooit en manifesteerden zich in de constante, knagende honger in de maag van de meisjes. Ze waren er ondertussen echter zo aan gewend dat ze die nauwelijks nog voelden.
Bij de ingang naar het park legde Mireille een hand op Claires arm en hield haar even staande. ‘Weet je het nog steeds heel zeker, Claire? Heb je je niet bedacht?’
‘Nee. Ik weet het zekerder dan ooit.’
Mireille glimlachte en nam de blik van vastberadenheid op het gezicht van haar vriendin in zich op. Het was een nieuwe uitdrukking, een die ze pas sinds kort in Claire opmerkte, en ze toonde een kant van haar karakter die tot dan toe slapend was geweest. Maar nu hij was ontwaakt herkende Mireille een vlam van resoluut verzet in haar vriendin, dezelfde vlam die in haar eigen borst brandde.
Het had Mireille een aantal weken gekost de andere leden van het netwerk ervan te overtuigen dat Claire te vertrouwen was. Ze had eerlijk verteld over Claires verhouding met een Duitse officier, maar had tevens gezegd dat ze overtuigd was van de mate van toewijding aan het verzet tegen de bezetter tijdens de openhartige gesprekken die ze de voorgaande maanden met haar vriendin had gehad. Uiteindelijk had de textielverver gezegd dat monsieur Leroux haar wilde ontmoeten omdat er misschien een opdracht voor haar was. ‘Kom zondagochtend met haar naar de Tuilerieën. Hij loopt om elf uur langs het Jeu de Paume. Hij wil met haar kennismaken om in te schatten of ze inderdaad te vertrouwen is.’
Ze herkende op afstand zijn lange gestalte al. Hij liep langs de ingang naar de galerij die Monets prachtige waterlelieschilderijen huisde. Die werden nu echter achter slot en grendel bewaard, en een Duitse soldaat hield de wacht. Monsieur Leroux leek zich in het geheel niets aan te trekken van de aanwezigheid van de soldaat en knikte zelfs vriendelijk naar hem toen hij hem passeerde. Toen de meisjes naderden, wat langzamer nu ze de nazisoldaat zagen, maakte hij er een hele show van te blijven staan, alsof hij totaal verrast en heel blij was de meisjes tegen te komen terwijl ze net als hij een wandeling maakten op die zonnige lentedag. Hij tikte zijn hoed aan en Mireille stelde Claire aan hem voor, die hem even verrast gadesloeg, alsof ze hem ergens van herkende maar niet kon plaatsen. Hij glimlachte naar de meiden en gebaarde toen, alsof hij spontaan voorstelde dat ze een stukje samen op zouden lopen, naar een avenue met ineengevlochten haagbeuken in de verte, en ze gingen naast hem lopen.
Hij zag er in alles uit als de bon vivant die hij volgens de verhalen was. Mireille had de modellen over hem horen roddelen toen ze de zoom van een damesjas aan het spelden was die in opdracht van hem werd gemaakt. ‘Hij schijnt meerdere minnaressen te hebben. Hij heeft verschillende rekeningen en betaalt altijd contant, vast om te voorkomen dat ze er van elkaar achter komen dat ze bestaan. Hij zwemt in het geld! En hij lijkt ook erg ingenomen met ons nazibezoek. Ik zag hem laatst in Brasserie Lipp, waar hij een grijze muis fêteerde. Die had vast zin in zuurkool omdat ze heimwee had. Ik hoop maar dat deze jas niet voor haar is, wat een dikkerdje. Ik heb van een van de andere meiden gehoord dat hij er ook naziofficieren en hun echtgenotes ontvangt.’
‘Ik vind hem ontzettend aantrekkelijk met dat gedistingeerde blonde haar,’ had het andere model opgemerkt terwijl ze lui haar zijden peignoir over haar schouder trok, die open was gevallen en het zwarte kant van haar hemdje toonde. Ze nam nog een trekje van haar sigaret en blies de rook in de richting van het plafond van de kamer achter de salon, waar de modellen zaten als ze tussen de bezoekjes van de klanten even niets te doen hadden.
Het eerste model had een snuivend geluid gemaakt. ‘Als je op dat type valt kan hij er denk ik wel mee door. Hij is een beetje te Duits naar mijn smaak, nog even los van het gezelschap waarmee hij zich omringt. Au!’ riep ze, en ze bewoog weg van Mireille, die met haar speldenkussen in de hand geknield voor haar zat. ‘Kijk eens uit met die spelden, sufferd! Als je mijn kousen ermee kapotmaakt gaat het je een heel weekloon kosten om nieuwe te kopen.’
Mireille had haar hoofd gebogen en in zichzelf glimlachend de laatste speld in de zoom van de jas gestoken.
Als ze hem nu eens zouden zien, dacht ze nu ze over het brede, centraal gelegen pad in de richting van de vijver midden in het park liepen. Alsof hij haar gedachten las wierp hij haar een glimlach toe voordat hij zijn aandacht weer op Claire richtte, die hij vragen stelde over haar jeugd en familie in Bretagne. Zijn toon was achteloos, alsof het niets meer dan een babbeltje was, maar Mireille voelde dat hij Claire op de proef stelde en nog aan het inschatten was of ze betrouwbaar zou zijn als lid van het netwerk.
Ze bereikten de laan met haagbeuken en liepen onder het recht gesnoeide takkendak door. Op het eerste gezicht leken de takken dood, maar Mireille wist dat als je ze nader bestudeerde, je de piepkleine, ineen gerolde knopjes kon zien, wachtend om zich te ontvouwen en de heg in zijn zomerpracht te hullen. Ze wandelden door de laan en begroetten de weinige andere mensen die er liepen omdat ze ook hadden besloten de mis over te slaan en in plaats daarvan te genieten van de prachtige lentedag. Een half uur later liepen ze terug naar het Jeu de Paume, en monsieur Leroux maakte aanstalten te vertrekken voordat ze de Duitse bewaker weer zouden zien. Hij bracht met een glimlachend knikje aan Mireille over dat hij overtuigd was dat Claire iets kon bijdragen aan het netwerk.
Toen wendde hij zich tot Claire zelf, en hij zei: ‘Nou, mademoiselle Meynardier, hartelijk dank dat je aanbiedt ons te helpen. Ik denk dat we je goed kunnen gebruiken als koerier. Mireille zal je helpen en je instructies doorgeven.’
Hij draaide zich om om te vertrekken, maar bleef toen even staan. ‘O, dat vergeet ik bijna!’ Hij stak zijn hand in zijn binnenzak en haalde er een pakje uit, met daarin drie repen van de chocolade met de kenmerkende palmboom en olifant op de verpakking. ‘Eet die maar lekker op voordat het vasten woensdag begint, meisjes.’
De meiden snakten naar adem van genot.
‘Merci, monsieur. Kijk eens, Mireille,’ riep Claire enthousiast, ‘we kunnen er ook een aan Vivi geven!’ Toen wendde ze zich tot monsieur Leroux. ‘Dat is onze vriendin, een van de naaisters. Ze woont bij ons in het appartement boven het atelier. Ze is net zo dol op chocolade als wij.’
‘Is dat zo?’ antwoordde hij. Hij wierp een waarderende blik op Claire. Beeldde Mireille het zich in, of zag ze een glimp van geamuseerdheid in zijn lichtbruine ogen? ‘Nou, dan komt het extra goed uit dat ik drie repen heb weten te bemachtigen.’ Toen werd zijn gezichtsuitdrukking weer serieus, en hij zei: ‘Zorg goed voor jezelf, meiden. En wees voorzichtig.’
* * *
Claire had vreselijk zenuwachtig Mireilles eerste opdracht aangenomen: een bericht voor monsieur en madame Arnaud met instructies voor het verplaatsen van een Joodse zakenman die een paar dagen bij hen was ondergedoken terwijl er een ontsnappingsplan werd beraamd. Die eerste opdracht was gladjes verlopen en Claire was veilig heen en weer geweest naar het onderduikadres, onderweg maar één keer staande gehouden bij een onverwachte wegblokkade. Het was haar gelukt te glimlachen naar de soldaten die haar papieren controleerden en ze had niet geaarzeld toen ze haar opdroegen haar koffertje te openen. Ze had de bladmuziek die erin zat laten zien en verteld dat ze op weg was naar zangles, precies zoals Mireille haar had geïnstrueerd. Ze had de adressen en instructies uit haar hoofd geleerd zodat de nazi’s niets zouden aantreffen als ze door de paperassen bladerden. Ze hadden haar met een hoofdknikje gebaard verder te lopen en haar zelfs een goede avond gewenst terwijl ze de Marais in liep.
Dus had ze al wat meer zelfvertrouwen toen Mireille haar een briefje gaf met daarop een geschetste plattegrond, dat ze naar Christiane moest brengen, de passeuse die ten zuidwesten van de stad in Billancourt woonde.
‘Weet je zeker dat je eraan toe bent?’ had Mireille haar bezorgd gevraagd. ‘Het is een flink eind weg en je zult het papiertje moeten verstoppen. Neem het koffertje met de bladmuziek weer mee, zodat je hetzelfde excuus kunt gebruiken als je staande wordt gehouden. Ik zou het liever zelf doen, maar ik moet vanavond naar het station…’
Claire glimlachte. ‘Het komt goed, Mireille. Ik torn de kraag van mijn jas wel even los, en dan verstop ik het briefje daar. Dan houd ik hem met een paar steekjes op zijn plaats, dat valt niemand op. En de route naar Christiane heb ik uit mijn hoofd geleerd. Het komt helemaal goed en dan zie ik je hier weer voordat de avondklok ingaat.’
Het begon al donker te worden toen de meiden de rivier overstaken. Legertrucks vol soldaten in uniformen met zwart-rode emblemen kwamen rammelend langsrijden, en aan de noordelijke horizon creëerden de stralen van zoeklichten in de verte de illusie van een zonsopgang terwijl ze door de lucht bewogen op zoek naar geallieerde vliegtuigen. Aangekomen op de rechteroever omhelsden Claire en Mireille elkaar kort en gingen elk hun eigen weg.
* * *
Toen Mireille thuiskwam liep ze bij de deur van het appartement aan de Rue Cardinale Vivi tegen het lijf.
‘O, Mireille! Ik ben zo blij dat je thuis bent. Ik wist niet waar je naartoe was…’ Ze keek langs haar heen het trappenhuis in. ‘Maar waar is Claire? Was die niet bij jou?’
Mireille schudde haar hoofd. ‘Nee, die moest nog even wat doen, maar ze zal zo wel terugkomen.’
‘Waar is ze naartoe?’ Vivi’s gezicht was bleek in het ganglicht. Mireille schrok van de urgentie in haar toon. Vivi stelde nooit vragen over het komen en gaan van haar huisgenoten, en had tot nu toe geen interesse getoond in wat ze in hun vrije tijd deden.
‘Dat… dat kan ik niet zeggen. Ik bedoel dat ik dat niet weet…’ zei Mireille aarzelend.
Vivienne greep haar bij haar armen en zei op ernstige en aandringende toon: ‘Mireille, je moet het me vertellen. Het is van levensbelang. Ik ben op de hoogte van jullie missies. Maar vanavond…’ Ze ademde diep in, herpakte zichzelf en koos haar woorden zorgvuldig. ‘Je hoeft me niet exact te vertellen waar ze naartoe is, maar zeg alsjeblieft in welke richting ze is gegaan.’
Mireilles geest sloeg op hol terwijl ze probeerde te verwerken wat Vivi net had opgebiecht. Het drong terwijl het muntje viel tot haar door dat een daadwerkelijk noodgeval de reden moest zijn dat Vivienne had verteld dat ze van het netwerk wist.
‘Ze… ze is naar het zuidwesten.’
Vivi’s ogen werden groot, en ze leken donkerder te worden, afgezet tegen haar bleke huid. ‘Waar in het zuidwesten?’
Mireille aarzelde nog steeds, en ze schrok van de hevigheid waarmee Vivi aan haar stond te schudden. ‘Je moet het me vertellen, Mireille,’ drong ze aan.
Mireille schudde haar hoofd. Die informatie mocht ze niet geven, dat was keer op keer tegen haar gezegd. Zelfs het delen van details met mensen die je kon vertrouwen bracht anderen in gevaar. Toen herinnerde ze zich ineens de blik van monsieur Leroux toen ze die dag afscheid hadden genomen in de Tuilerieën. Claire had gezegd dat ze de derde reep chocolade aan hun vriendin Vivi zouden geven en Mireille had geamuseerdheid in zijn ogen gezien. Hij kende Vivi. Ze hadden een band. Ze herinnerde zich bovendien de vragen die hij haar in Café de Flore had gesteld, over haar werk in het atelier en de naaisters die erboven woonden, en toen drong het ineens tot haar door dat hij had geregeld dat Vivi bij hen in het appartement was komen wonen.
Vivi stond nog steeds aan haar te schudden. ‘Je kunt me vertrouwen, Mireille. Je moet me vertrouwen.’
Mireille keek haar vriendin aan en zag de smeekbede in haar lichtbruine ogen. Toen zei ze: ‘Billancourt.’
Vivi liet Mireille los en haar handen vlogen geschokt naar haar gezicht. ‘Nee! O, nee! Dat wordt vanavond gebombardeerd. Ik heb het net gehoord… De Renault-fabriek… We moeten haar gaan halen.’
Doodsangst maakte zich meester van Mireille terwijl de woorden van Vivi tot haar doordrongen. ‘Maar het is al zo laat… de avondklok… O, Vivi!’
Vivienne was haar jas al aan het aantrekken. ‘Ik ga. We moeten haar in ieder geval proberen te waarschuwen. Je hoeft niet mee te komen. Maar geef me alsjeblieft het adres.’
Mireille schudde haar hoofd. Nu was het haar beurt een vermanende hand op de arm van haar vriendin te leggen. ‘Ik ga alleen, Vivi. Ik weet welke route ze heeft genomen. Het is zinloos als we dat risico samen nemen. Dat weet jij ook… waarschijnlijk beter dan ik.’ Ze omhelsde Vivienne kort. ‘Dank je wel. Dat je het me hebt verteld. Jij blijft hier. Claire is mijn verantwoordelijkheid. Het netwerk kan het zich niet veroorloven ons alle drie kwijt te raken.’
Vivienne leunde verslagen tegen de deurpost. Mireille wist dat dit was hoe het hoorde te gaan, hoewel ze ook wist dat de andere leden van het netwerk het daarmee oneens zouden zijn en zouden zeggen dat zij ook thuis moest blijven. ‘Je moet zo min mogelijk risico lopen,’ zouden ze zeggen. Liever één verlies dan meerdere. Maar het ging om Claire. Ze kon niet thuis blijven zitten wachten en niets doen terwijl ze wist dat zij haar vriendin op die gevaarlijke tocht had gestuurd. Ze moest haar vinden en zorgen dat ze veilig thuiskwam.
* * *
Claire moest een eeuwigheid op een overstap wachten. De metro reed de laatste tijd totaal onvoorspelbaar, er vielen allerlei diensten uit en stations werden afgesloten. Uiteindelijk kwam er ratelend een metro het station binnenrijden. Ze stapte in en hoopte maar dat station Billancourt die avond open zou zijn. Anders zou ze helemaal terug moeten lopen vanaf de terminus bij Pont de Sèvres en zou ze nog later zijn voor haar afspraak bij Christiane. De metro schudde en rammelde en het licht flikkerde herhaaldelijk aan en uit. Ze voelde zich tenminste wel veilig onder de grond, ook al was het een vals gevoel van veiligheid. Iedereen wist dat de tunnels van de Parijse Métro niet diep genoeg lagen om te kunnen beschermen tegen een bombardement. Ze keek op haar horloge en slaakte een zucht. Het duurde allemaal veel langer dan ze had gehoopt. Het zou een heel eind lopen zijn naar Saint-Germain als ze de laatste metro naar huis zou missen, en het zou betekenen dat ze na de avondklok op straat zou kunnen worden gesnapt.
Het was al laat toen Claire, gefrustreerd door oponthoud na oponthoud, uiteindelijk de trap van station Billancourt op liep. Een beambte begon achter haar af te sluiten.
‘Was dat de laatste metro van vandaag?’ vroeg ze hem.
‘Ja, mademoiselle.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Ga naar gauw naar huis. Over tien minuten gaat de avondklok in.’
Nu ze zo ver was gekomen wist Claire dat ze geen andere keuze had dan doorgaan. Ze was bijna op de afgesproken locatie. Ze had er een uur geleden al moeten zijn, dus misschien had Christiane het al opgegeven en was ze vertrokken, maar ze moest het hoe dan ook proberen. Ze had niets te verliezen: als ze werd aangehouden had ze sowieso een probleem.
Het café op de hoek tegenover het nieuwe appartementencomplex dat was gebouwd om plaatselijke fabrieksarbeiders te huisvesten was net aan het sluiten toen ze arriveerde. Ze zag Christiane nergens, alleen een paar obers die tafels aan het poetsen waren en stoelen stapelden. Ze bleef buiten even staan, onzeker wat ze nu moest doen. Moest ze het risico nemen te wachten of Christiane zou terugkomen, of moest ze rechtsomkeert maken en aan de lange reis terug naar Saint-Germain beginnen? Het was kilometers naar huis, en ze zou via achterafweggetjes moeten lopen om te proberen te voorkomen dat ze zou worden aangehouden.
Ze stond nog na te denken toen de lichten in het café uitgingen en de straat in complete duisternis werd ondergedompeld. De ramen van de omringende huizen waren geblindeerd, in de bedrijfspanden was het aardedonker en voor de meeste ramen hingen luiken, om de bewoners binnen te sluiten – en haar buiten.
Er bewoog helemaal niets op straat in de buitenwijk. Er reden geen auto’s en er liepen geen laatkomers die nog snel op weg naar huis waren. Ze was te laat.
Toen ze zich omdraaide om op weg terug te gaan zag ze achter een van de ramen in het appartementencomplex aan de andere kant van de straat iets bewegen. Het was meteen weer weg. Misschien had ze het zich ingebeeld, alleen maar gedacht dat er ergens een hoekje van een gordijn werd opgelicht en weer losgelaten. Ze voelde zich ongemakkelijk bij de gedachte dat iemand haar misschien had gezien, maar besloot toch nog even te wachten of er iemand naar haar toe zou komen.
Er klonk een nauwelijks hoorbare klik terwijl er in de schaduw van de donkere straat een deur werd geopend. Een jonge vrouw die voldeed aan de beschrijving van Christiane die Claire had gekregen glipte geruisloos de straat op. Claire zette haar hoed af, en haar lichtblonde haar gaf haar in de duisternis een bijna etherische uitstraling.
Christiane fluisterde het codewoord en Claire antwoordde dat van haar.
‘Wat ben je laat,’ zei Christiane zacht. Haar ogen waren donkere poelen in een wit gezicht. ‘Kom. In de portiek is het veiliger, mocht er iemand meekijken.’
Ze liep de beschutting in en Claire trok snel het plattegrondje uit haar kraag, dat ze zonder iets te zeggen overhandigde aan Christiane.
Die keek er even naar en stak het in haar zak. ‘Je kunt bij mij overnachten,’ zei ze.
Claire schudde haar hoofd. ‘Nee. We moeten niet het risico lopen samen te worden betrapt. Je buren hebben me misschien gezien. Ik kom wel thuis. Maak je geen zorgen, ik blijf weg van de hoofdwegen. Als iemand me aanhoudt zeg ik dat de laatste metro al was vertrokken toen mijn muziekles was afgelopen.’ Ze stak haar koffertje met bladmuziek op.
Christiane knikte. ‘Oké. Ga maar gauw dan. Succes. En dank je wel.’ Ze klopte op de zak van haar vest, waar het papiertje zachtjes knisperde.
Claire liep de staat op en hoorde de deur zachtjes achter haar sluiten terwijl ze zo geluidloos als ze kon wegliep over de harde stoep. De duisternis leek steeds zwaarder op haar te duwen terwijl ze verder liep, een smalle zijstraat in. Het zou via de omweg die ze moest nemen nog langer duren voordat ze weer thuis zou zijn, maar zo liep ze minder risico.
Toen voelde ze iets heel vreemds. Het was net of de duisternis om haar heen vibreerde. Ze drukte een hand tegen haar oor in een poging het gevoel uit haar hoofd te duwen. Maar de vibratie werd juist sterker en transformeerde in het lage gebrom van een vliegtuig. Ze keek nerveus omhoog, maar zag niets in de duistere hemel boven haar. Ze begon harder te lopen, en toen te rennen. Het geluid zwol aan en vulde haar hoofd met laag gebrom.
Toen was, alsof al het licht in de omgeving in één keer werd aangezet, de hemel ineens helemaal licht. Ze keek omhoog en zag de felle witte streep van een lichtkogel, die lui in de richting van de daken boven haar hoofd bewoog.
Het laatste wat ze dacht te zien, als in een droom, was de contour van haar vriendin Mireille, een silhouet in het plotselinge, verblindende licht dat volgde voordat ze werd opgeslokt door de brullende duisternis.
* * *
Toen Mireille zich de trap af en de Rue Cardinale op had gehaast was ze bijna tegen een man op gebotst die ze had herkend als een buurman, die zacht fluitend op zijn fiets op weg naar huis was. De gele ster die op zijn jas was gespeld glinsterde als een zonnetje in het licht dat uit de deuropening scheen.
‘Ho! Vanwaar die haast, mademoiselle?’ vroeg hij lachend. Hij stak een hand naar haar uit om te voorkomen dat ze viel in haar poging hem te ontwijken.
‘Mag ik alstublieft uw fiets lenen, monsieur? Het is een noodgeval! Ik beloof u dat u hem terugkrijgt. U kunt hem morgenochtend hier afhalen, bij Delavigne Couture.’ Ze deed een schietgebedje en hoopte maar dat ze zich aan haar woorden zou kunnen houden. Maar als de fiets zijn weg naar huis niet zou vinden, zou dat voor haar waarschijnlijk ook gelden, dus dan zou ze ook niet opdraaien voor de consequenties, bedacht ze.
De man gaf haar met tegenzin zijn fiets, maar alleen maar omdat hij haar herkende als een van de drie meisjes die hem hadden gevraagd een foto van hen te nemen. Hij zag bovendien aan haar gezicht dat er echt iets aan de hand moest zijn. ‘Maar zorg er alsjeblieft goed voor, mademoiselle. Ik moet er morgen mee naar mijn werk.’
Ze riep haar dankbaarheid over haar schouders, sprong op de fiets en reed zo snel ze kon naar de brug.
Ze dacht onderweg, als een bezetene op de pedalen trappend, langs voetgangers en andere fietsers manoeuvrerend om Claire op tijd te bereiken, hard na. Als Claire onderweg geen vertraging had opgelopen zou ze op tijd zijn geweest voor een metro naar huis. Maar als dat het geval was, zou ze al thuis zijn geweest. Alle stations die Mireille passeerde waren al gesloten. Ze racete met brandende longen over de boulevards. Ze bad dat de trucks vol soldaten op weg naar hun barakken haar met rust zouden laten. Hopelijk dachten ze gewoon dat ze vreselijke haast had om op tijd thuis te zijn voor de avondklok. Haar donkere krullen vlogen om haar hoofd terwijl ze over de kade langs de Seine fietste, die zuidelijk een diepe bocht vormde waarin Billancourt was genesteld.
Ze wist waar de afspraak van Claire met Christiane was; ze had er zelf ook al een aantal keren afgesproken. Ze reed de straat in waar het café op de hoek stond, maar het was al dicht. Ondanks het gebonk van het bloed in haar oren en het geluid van de wind in haar gezicht hoorde ze het gebrom van de naderende vliegtuigen, die zich klaarmaakten voor het grootste bombardement door de geallieerden in de oorlog tot dusverre, bedoeld om de fabriek te vernietigen waar zo veel trucks voor Hitlers leger werden gefabriceerd.
De hemel lichtte plotsklaps op, vol vallende lichtkogels, die hun licht op een slanke figuur wierpen in een zijstraat die ze passeerde. Ze sprong van de fiets en schreeuwde Claires naam, rende op haar af. Toen loste het eerste vliegtuig zijn bommen op Billancourt en explodeerde de straat.
De windvlaag en puin slokten de plek op waar Claire had gelopen. Een fractie van een seconde later raakte hij Mireille, die om haar as tolde en in een portiek viel, waar ze zichzelf kon beschermen tegen het ergste van de klap en de schokgolven van de daaropvolgende explosies, die de lucht uit haar longen zogen. Ze stond op, negeerde haar bloedende handen en knieën en rende de stofwolk in die het smalle straatje verstikte. Een volgende lichtkogel verlichtte het tafereel, waardoor Mireille de ineengedoken vorm op de stoep een stukje voor haar uit kon zien. Ze greep Claire onder haar armen en sleepte haar bewegingloze lichaam terug de portiek in, waar ze haar met haar eigen lichaam beschermde toen een tweede inslag de straat onder haar op zijn grondvesten heen en weer deed schudden.
Het witte licht van de lichtkogels werd warmer oranje toen de fabriekspanden in brand vlogen en de volgende explosie klonk. Ze hoorde de vliegtuigmotoren gillen terwijl ze vaart maakten en wegvlogen van hun doel nadat ze hun lading hadden afgeleverd.
Haar trommelvliezen trilden van de kracht van de inslagen nadat de eerste golf vliegtuigen weer vertrok. Het vuur, overal om haar heen, woedde met krakend gebulder. Ze schatte in het licht van de vlammen de verwondingen van Claire in. Ze was op de achterkant van haar hoofd geraakt en haar haar was doorweekt van donker bloed. Maar verder leek haar lichaam ongedeerd. Tot Mireilles immense opluchting gingen Claires ogen toen bevend open, haar vergrote pupillen donker als diepe poelen. Ze keek glazig, maar het lukte haar om zich op Mireilles gezicht te focussen. Mireille probeerde met haar sjaal het bloeden van Claires hoofd te stelpen, ondertussen geruststellende woorden sprekend, en toen probeerde Claire te gaan zitten. Haar lichaam zwalkte heen en weer, en toen klapte ze voorover en moest overgeven. Ze probeerde haar jas daarbij schoon te houden, wat niet lukte.
‘Doet het verder nog ergens pijn?’ vroeg Mireille haar.
Claire schudde duizelig haar hoofd, huiverde, bracht een hand naar haar haar en staarde verbijsterd naar de donkere, kleverige vloeistof op haar vingers.
‘Je hebt een hersenschudding,’ zei Mireille. ‘En je bent in shock. Maar we moeten hier onmiddellijk weg, Claire. De kans is groot dat er nog meer vliegtuigen komen. Denk je dat je kunt staan, als ik je help?’
Claire zei niets, maar ze stak een hand naar Mireille uit, die haar op haar voeten hielp. Claire moest nogmaals braken, en zure gal stroomde uit haar mond over haar jas.
‘Sorry,’ mompelde ze.
Mireille trok Claires arm over haar eigen schouders en sloeg haar arm om Claires rug, waarna ze voorzichtig met haar de portiek uit en de straat op liep. Alles was bedekt onder een dikke laag grijs stof, alsof het had gesneeuwd, en het lukte hun een stukje te lopen. Er ging een golf van opluchting door Mireille heen toen ze de achtergelaten fiets onder een deken van stof en puin zag liggen. Ze liet Claire tegen een winkelmuur geleund achter en bevrijdde de fiets uit het puin.
Toen voelde ze de lucht nogmaals resoneren; een volgende golf bommenwerpers naderde. ‘Snel,’ riep ze met overslaande stem van angst, en ze greep Claire nogmaals bij de arm. ‘Lukt het je op het zadel te blijven zitten? Je kunt een arm om mijn schouders slaan en dan loop ik naast de fiets. Ik denk dat dat de snelste manier is om thuis te komen.’
Het lukte haar met moeite Claire en de fiets de hoofdweg op te manoeuvreren. De wielen reden knerpend over het gebroken glas van winkelruiten die er door de schokgolf uit waren geblazen. Ze bad dat ze geen lekke band zouden krijgen. Ze haastte zich zo snel ze kon over de verlaten weg en hoorde het gebrul van de vliegtuigmotoren terwijl de volgende serie lichtkogels de nachtelijke hemel verlichtte. Ze trok haar hoofd tussen haar schouders en snakte naar adem, de pezen in haar rug brandend van de inspanning de fiets voort te duwen langs brokken beton en versplinterd hout. De fiets wiebelde gevaarlijk toen Claires lichaam door duizeligheid heen en weer zwaaide en dreigde hen uit balans te trekken.
Ze waren net een hoek om toen de volgende lading bommen viel. Godzijdank werden ze hier door de gebouwen om hen heen beschermd tegen de kracht van de explosies, die de grond onder Mireilles voeten deed beven. Aan het einde van de straat aangekomen durfde ze even over haar schouder te kijken, en zag ze dat het appartementencomplex dat voor de fabrieksarbeiders was gebouwd een inferno van vlammen en rook was geworden.
Claire mompelde iets en Mireille moest naar haar toe leunen om te verstaan wat ze zei.
‘Christiane… We moeten terug om Christiane te halen.’
Mireille slikte de golf van misselijkheid die door haar heen stroomde weg en duwde de fiets verder.
Claire tikte op haar schouder, nu krachtiger en met meer aandrang. ‘We moeten terug, Mireille… voor Christiane!’ piepte Claire.
‘Nee!’ schreeuwde Mireille, haar stem een gil boven de storm van herrie uit. ‘Het is te laat voor Christiane, Claire.’ Hete tranen vermengden zich met het stof dat in een dikke laag op haar gezicht lag terwijl ze voortploeterde, weg van de brandende gebouwen die in de lus in de Seine stonden genesteld.
* * *
Golven van misselijkheid maakten dat Claire droomde dat ze op zee was in de vissersboot van haar vader terwijl ze nu en dan bij bewustzijn was en dan weer niet tijdens de lange reis terug naar Saint-Germain. Het gegil van sirenes die langsraceten trok haar terug naar het hier en nu. Haar hoofd bonkte en als het voorwiel van de fiets tegen een stoeprand ramde schoot er een stekende pijn door haar hoofd, achter haar ogen, terwijl ze zwaar op Mireille steunde. Haar vriendin begon uitgeput te raken, drong het tot haar door, en ze probeerde zichzelf in balans te houden terwijl Mireille vastberaden doorploeterde.
Niemand hield hen aan. Toen het gebulder van de motoren van de bommenwerpers en de bominslagen eindelijk vervaagde hadden de trucks die hen passeerden het veel te druk om naar de plek des onheils te scheuren om stil te staan bij de twee verfomfaaide, spookachtige figuren die met een gammele fiets aan de hand in tegengestelde richting strompelden.
Ze bereikten in de vroege uren van de volgende ochtend de Rue Cardinale. Claire leunde uitgeput tegen de muur terwijl Mireille in haar zak naar haar sleutel zocht en zo goed en zo kwaad als het ging de fiets schoonveegde – hij had een aantal nieuwe littekens opgelopen tijdens het spannende uitje maar was verder nog intact – en tegen de muur zette. Toen klom Claire met hulp van Mireille de trappen naar de bovenverdieping op.
Toen ze de deur hoorden opengaan kwam Vivi aanrennen om hen te helpen. ‘Godzijdank!’ riep ze. ‘Jullie leven nog. Ik dacht dat jullie allebei waren omgekomen…’ Ze maakte snel een kom met warm water en pakte een handdoek om de wond op Claires hoofd te kunnen verzorgen. Het bloed was ondertussen opgedroogd en haar haar zat aan elkaar gekleefd. Vivienne maakte het zorgvuldig nat en veegde het weg. Het water in de kom kleurde steeds donkerder rood naarmate ze de handdoek vaker uitwrong.
Claire huilde en huilde toen haar zintuigen, die bevroren waren geweest van de shock, ontdooiden door de liefdevolle en aandachtige verzorging die Vivienne haar gaf.
‘Kom, dan trekken we je jas even uit,’ mompelde Vivi. Ze ontdeed haar vriendin van het door braaksel doordrenkte kledingstuk, dat niet meer te redden was. Ze rolde het in een prop, die ze in een hoek legde. Toen wendde ze zich tot Mireille. ‘Ga jij je ook maar even wassen, Mireille. Dan zorg ik voor Claire.’
Een uur later lag Claire in een schone nachtpon en met een schoon verband om haar hoofd in haar bed. Mireille en Vivi zaten naast haar.
Claire stak een hand uit en Mireille greep hem vast. ‘Ik vind het ongelooflijk dat je je leven op het spel hebt gezet om mij te redden, Mireille. Ik zal nooit vergeten wat je voor me hebt gedaan,’ fluisterde ze. Toen dacht ze aan Christiane en de andere levens die waren verwoest tijdens het bombardement en barstte weer in snikken uit.
‘Rustig maar,’ sprak Mireille haar toe. Ze veegde zacht haar fijne haar, dat nu zijn witgouden glans weer had, uit haar gezicht. ‘Probeer maar te slapen, Claire. Morgen pakken we ons werk weer op. Voor Christiane. En voor alle anderen die zo lijden. We gaan door met onze strijd.’
Terwijl Claires oogleden steeds zwaarder begonnen te voelen nu ze weer veilig was, ontspannend in de geruststellende aanwezigheid van haar vriendinnen, schoot er een vraag door haar heen: ‘Maar Mireille… hoe wist je wat er zou gaan gebeuren? Hoe wist je dat die bommenwerpers onderweg waren?’
Mireille keek steels naar Vivi en glimlachte. ‘Laten we het er maar op houden dat we geluk hebben dat we hooggeplaatste vrienden hebben.’
Claire keek met een glimlach toe terwijl ze haar kamer uit slopen, zich bukkend onder het schuine dak, om haar te laten slapen.
* * *
Mademoiselle Vannier fronste afkeurend haar wenkbrauwen toen Mireille de volgende ochtend vertelde dat Claire een ongeluk had gehad en een paar dagen vrij moest nemen om te herstellen. Toen Mireille haar voorging naar het appartement om bij Claire op bezoek te gaan, maakte de cheffin laatdunkende geluidjes en zei: ‘Waar ben je nu weer in verzeild geraakt, domme meid? Je was zeker op stap om lol te maken met een jongeman. Weet je dan niet hoe gevaarlijk dat tegenwoordig is? Er schijnt in het westen van de stad vannacht een vreselijk bombardement te zijn geweest. Als een van die bommen was afgedwaald had je wel dood kunnen zijn.’ Maar ze zag ook hoe bleek Claire was, bijna net zo wit als het verband om haar hoofd, klopte vriendelijk op haar hand en zei toen: ‘Blijf jij maar een dagje in bed. Vivienne kan het kralenwerk op die avondjurk voor je afmaken. Ik zal iemand wat bouillon boven laten brengen. Rust maar goed uit, dan ben je zo weer de oude.’
Die avond liep Mireille nadat ze had gecontroleerd of Claire sliep terug naar het atelier, waar Vivi zoals gebruikelijk nog zat te werken. Ze sloeg haar een moment gade vanuit de deuropening. Vivi zat in de lege, half duistere ruimte voorovergebogen over iets te werken, haar rossige vlecht glanzend in de poel van licht die uit de ene lamp scheen die naast haar op tafel op haar werk stond gericht.
Toen het tot Vivi doordrong dat ze niet alleen was, schrok ze op en trok in een reflex de rok van knalroze chiffon waar ze aan zou moeten zitten te werken over iets heen wat eruitzag als een vierkantje witte zijde. Mireille deed alsof ze het niet had gezien en liet Vivi veinzen dat ze nog wat werk deed aan het kledingstuk waarmee ze de hele dag bezig was geweest.
Om het haar vriendin wat gemakkelijker te maken zei Mireille: ‘Ik ben gek op die kleur. Ze noemen het Schiaparelli-roze. Hoewel mademoiselle Vannier het maar een ordinaire kleur vindt.’ Ze glimlachte. ‘Sorry dat ik je stoor. Ik kwam even kijken of je hulp kunt gebruiken. Ik weet dat je het werk van Claire moet overnemen. Ik ben lang niet zo goed als jullie met kralen, maar zal ik die rok voor je zomen?’
Vivi schudde glimlachend haar hoofd. ‘Dank je wel, Mireille, maar ik ben bijna klaar.’ Ze stak een hoek van de stof omhoog – hoewel Mireille zag dat ze het witte vierkant er zorgvuldig onder verborg – en zei: ‘Kijk, ik hoef nog maar één baan te doen. Ik kom zo naar boven.’
‘Oké,’ zei Mireille. ‘Er is nog wat konijnenstoofpot van gisteren. Zal ik dat even voor je opwarmen?’
Ondanks de lijnen van vermoeidheid die Vivi’s gezicht tekenden glansde haar gezicht net zo mooi als haar haar terwijl ze glimlachend zei: ‘Dat lijkt me heerlijk.’
Mireille maakte aanstalten te vertrekken maar bleef nog even staan toen Vivi haar hand op het materiaal legde dat op tafel voor haar lag en toevoegde: ‘En Mireille? Dank je wel.’
De blik die de twee jonge vrouwen uitwisselden zei veel meer dan die paar gespannen woorden. Het was een blik van wederzijds begrip: een erkenning van zo veel dat onuitgesproken moest blijven.