Hoofdstuk 15: Harriet - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
ALS MIREILLE NIET ZO DAPPER en vastberaden was geweest om op die avond in 1942 als een razende naar het bombardement op Billancourt te fietsen zou ik er niet zijn geweest. Dan zou Claire een van de duizenden mensen zijn geweest die tijdens dat bombardement zijn omgekomen, de meesten burgers zoals Christiane, die in het appartementencomplex woonden dat er was neergezet om de arbeiders in de Renault-fabriek te huisvesten. Dan zou Claire nooit zijn getrouwd met Laurence Ernest Redman en zouden ze nooit een dochter hebben gekregen die ze Felicity noemden. Naarmate ik die ragfijne draden van het lot steeds verder ontwar verbijstert het me meer en meer dat ik überhaupt besta.
Het leven voelt soms zo fragiel. Maar misschien is die fragiliteit juist waarom we het zo koesteren. En misschien is het onze diepgaande liefde voor het leven die ons zo bang maakt het kwijt te raken. Mireille heeft geen moment geaarzeld terug te gaan om Claire te zoeken. Vivienne zou zonder meer ook zijn gegaan, als ze niet had moeten achterblijven. Ik kan me alleen maar proberen voor te stellen wat een koppige vastberadenheid Mireille moet hebben gevoeld toen ze haar kaken op elkaar klemde en Claire, versuft en hevig bloedend, zo ongeveer de hele stad door heeft gesleurd om haar terug te brengen naar de veiligheid van het appartement in Saint-Germain.
Maar als we zozeer aan het leven hechten en ons er zo aan vastklampen, hoe diep moeten depressie en wanhoop iemand dan naar beneden trekken voordat die een plek bereikt vanwaar ze niet meer verder kan? Het moet een langzame afdaling naar de hel zijn geweest die mijn moeder heeft verduurd voordat ze het niet meer kon verdragen en er met een handvol slaappillen een einde aan heeft gemaakt. Ze heeft ze weggespoeld met de restanten van een fles cognac die al een aantal jaren in een keukenkastje stond, aangeschaft door mijn vader in gelukkiger tijden om de Christmas pudding mee te flamberen.
Toen het me was gelukt me los te rukken uit de handen die me bij het hek van de voortuin in bedwang hielden op die dag dat de blauwe lichten van de politieauto het halfduister voor mijn huis verlichtten, rende ik naar binnen en zag de lege fles op de vloer liggen, naast de bank, waar een ambulancebroeder over het lichaam van mijn moeder gebogen zat. Toen meer handen me grepen en wegtrokken kon ik alleen maar denken aan hoe betoverd ik naar de blauwe vlammetjes had gekeken die om de donkere massa kleverig fruit hadden gedanst, de pudding in iets magisch hadden getransformeerd. Vlammetjes die flikkerden als het blauwe licht van de politieauto waarin iemand me behoedzaam neerzette en waar ik wachtte tot mijn vader me kwam halen. Ik wist dat hij me zou meenemen naar een huis waar ik niet echt gewenst was, een huis waar ik absoluut niet wilde zijn. Mijn moeder had dat lot aan me opgelegd en me achtergelaten. Ik voelde ineens die flikkerende blauwe vlammetjes in me branden, voelde hoe ik werd opgeslokt door vlammen van geschoktheid, woede en pijn die zo sterk waren dat het voelde of ik erdoor werd verteerd. Een politieagente kwam geknield naast me zitten, naast het geopende portier, hield mijn hand vast, probeerde me te troosten. Ik leunde naar voren en gaf over op straat, maar net haar keurig geperste uniformbroek en zwartglanzende schoenen missend.
Ik weet nu dat het een van de paradoxen van het leven is dat wanneer we zo veel van het leven houden dat we bang zijn het te verliezen, dat ertoe kan leiden dat we maar een half leven leiden, te angstig om het met volle overgave te leven omdat we te veel te verliezen hebben. Ik denk dat ik mezelf op die manier bescherm tegen relaties, te bang om met heel mijn hart lief te hebben omdat er dan te veel te verliezen zou zijn. Ik denk aan Thierry en hoezeer ik me voel aangetrokken door zijn kalme, stille aanwezigheid en niettemin voel ik dat ik afstand houd, mezelf niet toesta verliefd te worden omdat ik bang ben dat er te veel te verliezen zal zijn. Had ik de moed van Claire, Vivi en Mireille maar. Misschien dat ik dan in staat zou zijn met heel mijn hart te leven – en lief te hebben.
Om die morbide gedachten te bannen ga ik op weg naar mijn toevluchtsoord in het elegante zestiende arrondissement. De bomen zijn er nu kaal, in het park rond het Palais Galliera, en de bloembedden die als linten rond de fontein liggen staan nu vol met donkerpaarse en donkergroene planten en bloemen. Er is een tentoonstelling over een van de oudste modehuizen van Frankrijk, Lanvin. Ik dompel me onder in de wereld van de oprichter, Jeanne Lanvin, maak me haar schitterende creaties eigen. Ik sta heel lang naar een avondjurk te kijken, uitgevoerd in het iconische diepblauw dat een van Lanvins handelsmerken was. De japon heeft prachtig zilverkleurig kralenwerk op de mouwen. Ik vraag me af of Claire ooit zo’n jurk heeft gezien, en of hij haar inspiratie was voor de nachtblauwe japon die ze van restjes heeft gemaakt. Het is laagseizoen en er is bijna niemand in het museum, dus schrik ik op uit mijn dagdromen van het geluid van voetstappen op de mozaïekvloer achter me. Een vrouw met zilvergrijs haar in een getailleerd zwart jasje komt naast me staan.
‘Prachtig, hè?’ zegt ze.
Ik knik. ‘Alles is hier prachtig,’ zeg ik met een breed handgebaar naar de hele tentoonstelling.
‘Ben je in het bijzonder geïnteresseerd in Lanvin?’ vraagt ze.
Ik vertel dat mijn grootmoeder tijdens de oorlog voor een ander modehuis heeft gewerkt en dat ik geïnteresseerd ben in de periode. En dat deze jurk me doet denken aan wat ik over haar heb gehoord.
Ze glimlacht. ‘Ik ben blij dat te horen. Mode leeft voort om het verhaal van degenen die haar hebben ontworpen en gedragen voort te laten bestaan. Dat is ook een van de redenen waarom ik er zo van hou. Stel je eens voor hoe geweldig Jeanne Lanvin het zou hebben gevonden dat we haar zeventig jaar na haar dood nog steeds gedenken. Haar ontwerpen leven voort en inspireren de huidige generatie van ontwerpers. Dat is denk ik een vorm van onsterfelijkheid.’
We kijken even in stilte naar de jurk en dan zegt ze: ‘Nou, ik moet weer eens verder. Fijne dag, mademoiselle.’
Haar voetstappen vervagen en ik sta weer alleen in de galerij. Ik buig me voorover om de informatie naast de jurken te lezen en mijn oog wordt getrokken door een zwart-witafbeelding. Het is het Lanvin-logo, een lijntekening van twee figuren. Een moeder en kind staan met elkaars handen vast tegenover elkaar, alsof ze willen gaan dansen, of een spel gaan doen. Ze zijn gekleed in vloeiende gewaden en dragen een kroonachtige hoofdtooi.
Het beeld is kenmerkend en, zo dringt het tot me door, op een vreemde manier bekend. Ik zal het me wel verbeelden, maar het lijkt net of ik bloemen ruik. Dan dringt ineens tot me door waar ik dat moeder-kindbeeld eerder heb gezien. Op het zwarte parfumflesje op de kaptafel van mijn moeder.
Ik lees verder en ontdek dat Jeanne Lanvin het logo heeft ontworpen als symbool voor de nauwe band die ze had met haar enige kind, een dochter genaamd Marguerite. En dat Marguerite degene is die de naam koos voor het beroemde bloemenparfum met ondertonen van hout dat door haar moeder werd gecreëerd: Arpège. Ze noemde het naar het arpeggio van geuren – elke noot volgend op de vorige – dat het parfum zijn harmonie geeft.
Het is ineens net of er iemand pianospeelt in de ruimte, en ik word teruggevoerd naar mijn kindertijd.
Het moet de herinnering zijn aan de geur en mijn moeders vingers die gracieus over de toetsen bewegen waardoor ik aan een andere foto moet denken, die ik in die doos met spullen van mijn moeder heb aangetroffen, die foto waarop het licht op haar gezicht schijnt terwijl ze naar mijn gezicht staart, als een madonna met kind.
Ik ervaar nu ik hier in de galerij sta, omringd door creaties van Jeanne Lanvin, een moment van ultiem geluk, een herinnering aan hoe het voelt om vervuld te zijn van vreugde die van ergens diep in je omhoog borrelt. Als ze weer wegebt laat ze het besef achter dat ik me toch niet zo heel alleen voel. Het is net of dat logo niet alleen Jeanne en Marguerite afbeeldt, maar alle moeders met kinderen: mijn eigen moeder en ik, elkaars handen vasthoudend, vervuld van liefde, ons voorbereidend om samen door het leven te dansen.
De woorden van de vrouw weerklinken in mijn hoofd: Dat is denk ik een vorm van onsterfelijkheid. Dan dringt het tot me door dat er een heleboel verschillende manieren zijn om iemand in je hart levend te houden.