Hoofdstuk 16: 1942 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
SINDS HET BOMBARDEMENT OP de Renault-fabriek in Billancourt werd de oorlog veel acuter ervaren in Parijs. In de straten klonken echo’s van marcherende troepen en gebrom van militaire voertuigen, en de geruchten dat er steeds meer Joodse inwoners werden afgevoerd naar kampen in Drancy en Compiègne hielden aan.
Op een avond trof Mireille toen ze thuiskwam de fiets die ze op de avond van het bombardement van haar buurman had geleend tegen de voordeur gezet aan. Er zat een briefje aan het stuur, en een snik bleef in haar keel steken toen ze het las.
* * *
Voor de mademoiselle met de donkere ogen. Ik moet weg, dus ik wil u mijn fiets geven. U kunt hem denk ik goed gebruiken, en ik niet, waar ik heen ga. Met vriendelijke groet, uw buurman, Henri Taubman.
* * *
Ze zag de gele ster aan zijn jas voor zich en hoopte vurig dat hij een ontsnapping op touw had gezet en niet op weg was naar een van de kampen in de buitenwijken.
Een gevoel van diepe onvrede verspreidde zich van wijk tot wijk door de stad en leidde op een dag tot een demonstratie toen de communistische vrouwen van de Rue Daguerre de straat op gingen om te protesteren tegen het ondertussen ernstige voedselgebrek terwijl de pakhuizen vol lagen met voedsel voor soldaten aan het Duitse front. Er werd geschoten en er werden mensen gearresteerd. Mireille hoorde dat de organisatoren naar de kampen waren gestuurd. Ze kwamen niet terug. Tegen deze achtergrond lagen de meiden in bed te luisteren naar de knallen en het gekraak van de explosies tijdens de geallieerde bombardementen die sporadisch nog werden uitgevoerd. De Duitsers reageerden er feller op dan ooit, met nog meer wegafzettingen, versperringen bij de metrostations die nog open waren, arrestaties en executies om de plaatselijke bevolking te onderdrukken.
Mireilles missies voor de ondergrondse voelden nu nog gevaarlijker maar tegelijkertijd ook essentiëler dan ooit. Toen ze op een dag langsging bij de textielverver om een paar rollen zijde op te halen gaf hij haar een pakje voor Vivienne, ingepakt in bruin papier, en kreeg zijzelf instructies voor die avond. Ze moest aan de noordkant van de stad een man ontmoeten en die veilig naar het huis van het echtpaar Arnaud in de Marais brengen, waarbij ze de grote metrostations, waar de Duitsers controles uitvoerden, moest mijden.
Dus zo zat ze in Montmartre aan een tafeltje in een café in een straatje met kasseien dat schuin omhoogliep van haar surrogaatkoffie te nippen terwijl ze wachtte tot haar volgende ‘bezoeker’ zou arriveren. Ze verwachtte een armoedig geklede vluchteling, of weer een buitenlander die gebrekkig Frans sprak, dus was ze verrast toen een jonge Fransman tegenover haar plaatsnam. Hij viste een blauw-witte zakdoek uit zijn zak – het afgesproken signaal – en snoot zijn neus. Toen vroeg hij haar hoe het met ‘nicht Cosette’ ging, het codewoord dat haar was medegedeeld.
‘Het gaat veel beter met haar been, dank je,’ antwoordde ze, daarbij de bevestigingscode herhalend die de textielverver haar had gegeven. Ze dronk het laatste beetje koffie met drab op en trok een gezicht van de bittere smaak van de geroosterde cichorei en paardenbloemwortels. Toen stond ze op, en de jongeman liep achter haar aan de straat op.
Op weg heuvelafwaarts gaf ze hem de valse papieren die ze voor hem had meegekregen, die hij zonder ernaar te kijken in zijn zak stak. Ze liep met hem naar metrostation Abbesses, waar ze op een verlaten perron op een metro wachtten. Veilig ondergronds en in de herrie van de geluiden van de spoorweg voelde ze ruimte om wat vrijer met haar protegé te praten dan ze gebruikelijk deed, maar deed dat wel op gedempte toon. Het gekletter van treinen in de verte, druppelend water en de voetstappen van andere passagiers die door de gangen liepen, dempten hun gesprek.
Ze zag in zijn ogen, die bijna net zo donker waren als die van haar, een glans van vastberadenheid, en de stoppelbaard van die dag gaf extra definitie aan zijn daadkracht. Zijn zwarte haar sprong weg van zijn voorhoofd met een vitaliteit die werd weerspiegeld in zijn zelfverzekerde tred en de concentratie waarmee hij haar aankeek terwijl ze sprak. Ze wisselden geen namen uit – ze wisten beiden hoe gevaarlijk dat was – maar ze hoorde aan zijn accent dat hij uit het zuiden kwam, uit de Provence of de Languedoc. Hij vertelde dat hij was opgegroeid in de buurt van Montpellier, als oudste van een heel groot gezin, en dat hij in 1939 in militaire dienst was gegaan. Hij was een van de gelukkigen uit het Franse leger die uit Duinkerken waren geëvacueerd, waarna hij zich in Engeland had aangesloten bij de Vrije Franse Strijdkrachten om verder te vechten onder het commando van generaal De Gaulle.
Mireille knikte. De textielverver had haar verteld dat er soms berichten uit Engeland werden verzonden door de generaal in ballingschap en dat hij de troepen die hij nog onder zijn commando had opriep zich te verenigen en probeerde het moreel van de mensen die hij had moeten achterlaten op te krikken.
‘Ik ben vorige week per parachute gearriveerd. Met wat cadeautjes voor de mensen in mijn vaderland.’ Hij grijnsde terwijl hij dat zei, en Mireille nam aan dat die ‘cadeautjes’ radio’s, wapens of opdrachten voor geheime operaties waren. Ze vroeg hem er verder niet naar.
‘Maar ik werd onderweg opgehouden. Er bleek een eenheid moffen gestationeerd te zijn, dus konden we niet het risico lopen het vliegtuig terug te laten komen. Per parachute naar Frankrijk komen is eenvoudig, maar hier weer weg zien te komen is een heel ander verhaal. Dus hebben ze me met jullie in contact gebracht. Ze zeiden dat ik over een paar dagen op vakantie naar de Pyreneeën ga. Maar dat er eerst een specialist zou worden ingezet om me door Parijs te loodsen. Ik moet wel toegeven dat ik niet had verwacht dat het zo’n aantrekkelijke zou zijn.’
Mireille schudde lachend haar hoofd. ‘Met die vleierij kom je nergens, hoor! Maar ik zal wel proberen je veilig de stad door te krijgen. Ik heb geen idee hoe het daarna verdergaat… de routes worden om de haverklap gewijzigd om de Duitsers en politie een stap voor te blijven.’
Ze hield haar blik op het spoor gericht en keek naar de muizen die in het afval tussen de bielzen rondrenden als er geen verkeer was, zich ervan bewust dat de man volledig op haar gefocust was, wat haar deed blozen. Ze schudde haar krullen uit haar gezicht, keek hem recht aan en zei: ‘Ik weet dat we geen vragen mogen stellen. Maar toch heb ik er wel één: wat heb je met je parachute gedaan?’
Hij begon verrast te lachen. ‘Die heb ik zoals geïnstrueerd begraven in een knollenveld. Hoezo?’
‘Ik had er een leuke blouse en ondergoed voor mezelf en mijn vriendinnen van kunnen maken.’
‘Aha,’ zei hij op ernstige toon. ‘Dan zal ik hem de volgende keer dat ik kom meenemen en aan jou geven, mademoiselle. Ik weet zeker dat het generaal De Gaulle en de rest van de geallieerden zal verheugen te horen dat de legeruitrusting een mooi tweede leven krijgt.’
De muizen renden ineens het spoor af en een paar seconden later hoorden ze het geluid van een naderende trein, hen beiden tot stilte manend.
Ze zaten naast elkaar in de metro en Mireille voelde hoe de arm van de man die van haar door hun jassen heen raakte terwijl het rijtuig wiebelde en schokte. Ze spraken niet, aangezien het druk was in de wagon, maar ze kon niet anders dan de sterke aantrekkingskracht die tussen hen over en weer ging voelen.
Ze werd uit haar aangename dagdromen getrokken toen de metro tot stilstand kwam op een station ver voor dat van hun eindpunt en een bewaker schreeuwde dat dit het eindpunt was. Ze liepen achter hun medepassagiers aan, sommigen mopperend en sommigen in stille berusting, de trap naar de uitgang op.
Toen ze boven aan de trap waren gekomen hamerde Mireilles hart tegen haar borstkas als een vogeltje dat in een kooi gevangenzit. Bij de versperring trokken een stuk of tien soldaten mensen uit de rij van passagiers die uit de metro waren gestapt. Een paar meter voor hen zag ze een man aarzelend om zich heen kijken naar een andere uitgang. Het moment van weifeling trok de aandacht van de soldaten, die de andere passagiers weinig elegant aan de kant duwden en de man bij zijn bovenarmen grepen en meenamen. Mireille zag dat ze iedereen aanhielden die een gele ster op de kleding droeg. Ze gaf de jonge Fransman een arm, trok hem tegen zich aan en mompelde in zijn oor: ‘Niet aarzelen, niet op- of omkijken en gewoon met me meelopen.’
Toen ze aan de beurt waren bij de versperring dwong Mireille zichzelf ontspannen te kijken, hoewel haar schouders stijf stonden van de zenuwen. Ze voelde door de mouw van haar jas het aanspannen van de spieren in de onderarm van de man, die zijn vuist balde.
Een soldaat bestudeerde hen van top tot teen en zag eruit of hij hen ging aanhouden. Toen wuifde hij hen echter verder en richtte zijn aandacht op het stel achter hen, waarvan hij de papieren eiste te zien. Mireille haalde opgelucht adem en haar schouders ontspanden enigszins.
Op straat aangekomen zagen ze dat er een truck op de stoep geparkeerd stond. Een paar bewakers stonden er rokend naast, hun geweren tegen de achterbumper geleund. Mireille zag de bleke, angstige gezichten van de mensen die moesten instappen terwijl zij en de jongeman misselijk geworden doorliepen, in stilte tot ze op veilige afstand waren. Toen maakte Mireille haar arm uit de zijne los en streek met bevende handen van een even grote mate van woede als angst haar haar achter haar oren. Ze zag dat de man zijn vuisten nog steeds gebald hield en dat zijn kaken in een harde lijn stonden.
‘Dus dit is hoe ze het doen,’ zei hij. Hij zag er even ellendig uit als zij zich voelde. ‘Mensen als vee in wagens jagen en naar die zogenaamde werkkampen sturen, waar ze worden behandeld als slaven. We hebben er in Engeland over gehoord, maar om het zo voor je ogen te zien gebeuren…’ Zijn stem ebde weg en hij slikte zijn frustratie weg.
‘Ik weet het,’ antwoordde ze terwijl ze hem in de richting van de rivier leidde. ‘Het is beestachtig. En wat nog het ergste is: de helft van de tijd is het Franse politie die de versperringen bemant, niet de Duitsers. Het wordt met de dag erger.’
Ze liepen gedeprimeerd verder langs het modderbruine water in de Seine. Mireille struikelde over een uitstekend stuk steen en hij stak een hand uit om te voorkomen dat ze zou vallen. Hij stak zonder iets te zeggen zijn arm weer door de hare, en zijn nabijheid was troostrijk.
Ze durfde niet het risico te nemen terug te gaan naar de Métro, dus vervolgden ze hun reis te voet. Ze liepen verder stroomopwaarts en hij vertelde haar meer over zijn leven in het zuiden. Hij had als steenhouwer gewerkt en was in de leer geweest bij zijn oom, die opzichter was bij onderhoudswerkzaamheden aan de Cathédrale Saint-Pierre in Montpellier. Ze liepen nog steeds gearmd, maar bij beschreef met zijn vrije hand de complexe, opwaartse lijnen van de gotische bogen die hij had helpen restaureren, nauwkeurig elk stuk honingkleurige zandsteen bewerkend tot het perfect paste op de plaats waar versleten of beschadigde stukken steen waren weggehaald. Het viel haar op dat zijn handen oersterk, maar tegelijk gracieus waren. Ze kon zich terwijl hij zijn verhaal vertelde helemaal voorstelen hoe hij delicate, kantachtige details zou creëren uit het weerspannige materiaal.
Ze vertelde hem ook het een en ander over haar leven in het zuidwesten, over de molen aan de rivieroever waar ze was opgegroeid, over hoe de molen werkte en gebruikmaakte van waterkracht om de zware molenstenen in beweging te krijgen en het maalkoren te vermalen tot meel dat zo fijn was als poedersneeuw. Ze beschreef de woonkeuken waar ze vroeger altijd de maaltijden at die haar moeder had gekookt met eten uit eigen tuin, en de kristalheldere, gouden honing die haar zusje verzamelde uit de bijenkasten waarvoor ze zorgde en die hun dagen hun zoetheid gaven.
Het was zo heerlijk om erover te kunnen vertellen, om hun herinneringen met elkaar te delen, en Mireille betrapte zichzelf erop dat ze wenste dat ze meer tijd zou kunnen doorbrengen met deze man. Maar ze naderden ondertussen de Marais, en over een paar minuten zou ze hem overdragen aan monsieur en madame Arnaud. Vervolgens zou hij worden weggetoverd via de ongeziene routes van het geheime netwerk, van onderduikadres naar onderduikadres tot de volgende gids hem zou voorgaan tijdens de zware en gevaarlijke tocht door de Pyreneeën. Ze wilde hem vreselijk graag haar naam vertellen en haar adres geven, zodat dit heerlijke gevoel van verbondenheid op een dag kon worden doorgezet. Maar ze wist dat ze als ze dat zou doen en hij werd gepakt niet alleen hen beiden maar het hele netwerk in gevaar zou brengen.
Toen ze de smalle zijstraat naderden waar het echtpaar Arnaud woonde liet ze rustig zijn arm los, waarbij ze een steek van tegenzin voelde; ze wilde hem zo graag nog wat langer bij zich voelen.
Ze hoorde het geschreeuw op het moment dat ze de straat in wilde lopen. Een gesnauwd ‘Halt!’ werd gevolgd door de gil van een vrouw.
In die fractie van een seconde zag Mireille tot haar ontsteltenis het tafereel dat zich voor de deur van het onderduikadres afspeelde. Een zwarte auto stond voor de deur geparkeerd en een officier in het donkere uniform van de Gestapo duwde madame Arnaud achterin. Een andere soldaat werkte monsieur Arnaud tegen de grond en trapte hem hard in zijn buik.
Mireilles metgezel balde zijn vuisten strak tegen zijn zijde en zijn hele lichaam spande zich aan, alsof hij zich klaarmaakte eropaf te rennen en tussenbeide te komen.
Het drong met pijnlijke helderheid tot Mireille door dat hun aanwezigheid het lot van alle vier zou bezegelen. Ze konden niets doen om te helpen. Ze greep de jongeman bij zijn arm en trok hem verder, voorbij het straatje met het onderduikadres dat het voorgaande jaar zo veel vluchtelingen had gered en dat ineens geen toevluchtsoord meer was.
* * *
Claire had in de heldere zonsondergang in Parijs het vierkante raampje in haar slaapkamer opengezet om de avondlucht binnen te laten. Het zou straks donker zijn, en dan moest het raam dicht en moest ze het blinderen, de sterrenhemel buitensluiten. Ze ademde nu de vage geur van koffie en sigarettenrook in en luisterde naar het gekletter van servies dat omhoog dwarrelde uit het café aan het eind van de straat. Het was een stuk rustiger op straat nu er nog maar zo weinig verkeer was. De meeste inwoners van Parijs deden alles op de fiets of lopend. Klanten van het modehuis stuurden steeds vaker rokken terug om er culottes van te laten maken, die veel praktischer waren op de fiets, maar toch elegant.
Ze kon op deze hoogte de straat recht onder haar niet zien, maar ze hoorde de sleutel in het slot en het openen en sluiten van de voordeur. Ze maakte zich altijd zorgen als Mireille alleen op pad was, was op de uitkijk tot ze veilig terugkeerde, dus ze voelde enorme opluchting door zich heen gaan toen ze de voetstappen op de metalen traptreden naar het appartement hoorde.
Ze trok het raam dicht, blindeerde het en rende toen de gang in om open te doen voor haar vriendin. Tot haar verbijstering stond er een man in een gabardine regenjas achter Mireille. Claire wist wel beter dan er vragen over te stellen, dus stapte ze eenvoudigweg opzij om hen binnen te laten.
Esthers kamer – waarin ze was bevallen van haar baby – was sinds haar vertrek niet meer door de naaisters gebruikt. Claire en Mireille hadden de deur altijd dichtgehouden. Hem openen zou te veel herinneringen naar boven hebben gehaald, met name voor Mireille, die getuige was geweest van Esthers dood toen dat Duitse vliegtuig een duikvlucht had gemaakt om zijn machinegeweren te richten op de rivier van vluchtelingen die tijdens de invasie Parijs uit waren gevlucht. Maar ze hadden nu een plek nodig om de jonge Franse soldaat een paar dagen te kunnen verstoppen tot een nieuw ontsnappingsplan voor hem in werking zou kunnen worden gezet.
Claire zag de angst in de ogen van Mireille – hoewel ze die probeerde te verbergen en haar gebruikelijke praktische zelf trachtte te zijn – terwijl ze de opties bespraken. Ze wisten allebei dat de arrestatie van het echtpaar Arnaud betekende dat een van de ontsnappingsroutes van de ondergrondse niet meer kon worden gebruikt. Claire huiverde bij de gedachte dat ze naar de Avenue Foch werden gebracht om er te worden ondervraagd. Hoelang zouden ze het volhouden als ze werden gemarteld? Zou het hun lukken vierentwintig uur lang niets te zeggen en zo andere passeurs de kans te geven hun sporen uit te wissen en de onderduikadressen te sluiten? Zou Mireille het volgende lid van het netwerk zijn dat werd opgepakt als het echtpaar Arnaud de Gestapo de informatie gaf die het over haar had? En als Mireille werd opgepakt, zouden ze Claire dan ook meenemen? Ze zouden zich er niet uit kunnen kletsen als ze werden betrapt met een onderduiker in huis. Maar ze hadden geen andere keuze: het appartement onder het dak moest nu fungeren als onderduikadres.
Claire en Mireille zetten de rij paspoppen aan de kant die waren opgeslagen in Esthers oude kamer. Elke pop had precies de maten van een bepaalde klant, hoewel er de laatste tijd steeds meer op zolder werden gezet nu klanten verdwenen of zich de torenhoge prijzen van couture niet meer konden veroorloven. Terwijl de kamers beneden zich vulden met sjablonen voor jurken was een deel van de poppen in de ongebruikte kamers op de vijfde verdieping gezet.
Ze maakten het bed op, elk een deken van zichzelf donerend, terwijl de jonge man op een stoel in de woonkamer het brood opschrokte dat Mireille hem had gegeven, met daarop het laatste beetje uit de pot rillettes, meer vet dan vlees.
Hoewel ze hun werk zo stil mogelijk deden, hoorde Vivi de activiteit en kwam uit haar kamer om te kijken wat er aan de hand was. Toen Mireille kort vertelde wat er was gebeurd, schrok Vivi zichtbaar.
Vivi zei op zachte, doch urgente toon: ‘Je weet dat je hier een enorm risico mee neemt, Mireille. We moeten te allen tijde voorkomen dat de verschillende draden van het netwerk verstrengeld raken. Zijn aanwezigheid hier is een bedreiging voor het hele netwerk, van de bodem tot de top.’
Claire vroeg zich af wat ze daarmee bedoelde, maar zo te zien begreep Mireille het wel, aangezien die Vivi verder geen vragen stelde.
‘We hebben geen andere keuze,’ fluisterde Mireille terug. ‘Wat moeten we anders? Hem op straat zetten terwijl hij nergens heen kan? Dan wordt hij gegarandeerd vroeg of laat gearresteerd, en hij weet nu waar we wonen. Hoewel hij sterk is, is hij ook maar een mens. Je weet wat voor methodes ze gebruiken om informatie te krijgen. Hem hier verstoppen is de veiligste optie. Monsieur en madame Arnaud weten niet wat mijn echte naam is en ze kennen mijn achtergrond niet, dus ze kunnen niet veel loslaten.’
‘En de textielverver? Stel nou dat ze vertellen wat ze van hem weten. Als hij wordt gearresteerd, zijn we allemaal verloren.’ Mireille stak haar kin op; haar donkere krullen beefden. Claire herkende de signalen: ze zag vastberadenheid in Mireilles lichaamstaal, geen angst, en ze wisten allemaal hoe koppig ze kon zijn als ze eenmaal iets had besloten.
‘Dat weet ik, Vivi,’ antwoordde Mireille. ‘Maar we wisten allemaal waar we aan begonnen. Ik ben er echt van overtuigd dat dit de veiligste optie is.’
Een verdrietige glimlach bewoog over Vivi’s gezicht, die leek te accepteren dat Mireille gelijk had. ‘Oké,’ zei ze met tegenzin, ‘dan verstoppen we hem hier. Maar niemand beneden mag er iets van merken.’ Ze wendde zich tot Claire. ‘Begrepen?’
‘Natuurlijk!’ wierp Claire verontwaardigd tegen. ‘Ik zit er net zo diep in als Mireille. En jijzelf, zo te zien,’ kon ze zichzelf er niet van weerhouden eraan toe te voegen.
Vivienne wierp haar een bedachtzame blik toe, maar ging er niet op in. ‘Kom, dan maken we de kamer klaar voor een overnachting. Zijn kamerdeur moet vanbinnen op slot. Overdag mag hij niet heen en weer lopen. Zoals je weet kraken de vloerbalken. Als mademoiselle Vannier hier iets hoort als we in het atelier horen te zijn gaat ze meteen op onderzoek uit, al helemaal als ze vermoedt dat we hier een man verbergen.’
* * *
Claire kon die nacht de slaap niet vatten. Ze lag in de duisternis te woelen en dacht op een bepaald moment dat ze blote voeten langs haar kamer hoorde lopen. Misschien beeldde ze het zich in, of ging er iemand naar het toilet, zei ze tegen zichzelf. Toen ze uiteindelijk toch in slaap viel, droomde ze over mannen in zwarte uniformen die op straat achter haar aan zaten, hun laarzen hard over de stoepen bonkend. Toen ze haar te pakken kregen, schrok ze met een gil wakker en trof Vivi geknield naast haar bed aan, die haar wakker schudde.
‘Stil maar,’ fluisterde ze. ‘Ik ben bij je. Het komt allemaal goed.’
‘Ik had een nachtmerrie,’ zei Claire, nog steeds helemaal onthutst.
‘Stil maar, dat weet ik. Je lag te praten in je slaap, ik hoorde je door de muur heen. Maar het is goed. Je bent veilig. We zijn allemaal veilig. Probeer maar weer te slapen.’
Claire schudde haar hoofd. ‘Ik durf niet meer te slapen. Stel je voor dat ik die droom weer krijg.’
‘Kom dan maar met mij mee.’ Vivi stak een hand naar haar uit. ‘Dan maken we een kopje tisane. We moeten over een half uur toch opstaan.’
Ze slopen langs Mireilles deur en de keuken in om water op te zetten en zaten in vriendschappelijke stilte met hun handen om hun kom thee, de zoetzure geur van citroenmelisse inademend.
‘Hoelang denk je dat hij hier moet blijven?’
Vivienne trok haar roodgouden vlecht over een schouder. ‘Niet lang. Maak je maar geen zorgen, ze krijgen hem hier wel weg. En Mireille had gelijk gisteravond: hem hier verbergen is de veiligste optie. Wij drietjes moeten gewoon zoals altijd naar ons werk gaan. Het is essentieel dat niemand reden heeft om te vermoeden dat er hier iets ongebruikelijks gebeurt.’
Claire knikte en nam een slokje thee. Vivi’s kalme aanwezigheid was geruststellend. De drie jonge vrouwen deden dit nu samen, niet enkel aan elkaar verbonden door hun vriendschap, maar ook door de geheimen die ze voor elkaar hadden.
* * *
Mireille was de volgende dag aan het nadenken over een excuus om naar de textielverver te kunnen toen mademoiselle Vannier haar toevallig vroeg stof te gaan ophalen die nodig was voor de herfstcollectie.
Het eerste wat ze vroeg toen ze in de winkel aankwam was of er nieuws was over monsieur en madame Arnaud. De verver schudde met samengeperste lippen zijn hoofd. ‘We hebben het hele netwerk stilgelegd. Er zijn verder nog geen arrestaties geweest, dus het ziet ernaar uit dat het hun is gelukt geen informatie te verstrekken waar de Gestapo iets aan heeft. Maar God mag weten hoelang ze het nog volhouden.’
Hij pakte de bestelling voor Delavigne Couture van de plank achter hem en legde de in papier ingepakte stoffen op de balie. Vervolgens haalde hij uit een kast achter een stel kleurstalen een kleiner pakje vandaan. ‘Zorg je dat Vivienne dit krijgt? Zeg maar tegen haar dat ze het voorlopig moet verstoppen. Ze zal het niet kunnen gebruiken totdat we een nieuwe route hebben uitgestippeld…’ Hij hield op met praten; hij had al te veel gezegd. Toen zei hij: ‘Ik zal contact opnemen met monsieur Leroux. Probeer je geen zorgen te maken; er zijn andere netwerken die we mogelijk kunnen gebruiken tot we zelf weer operationeel zijn. Denk je dat het gaat lukken om jullie bezoeker ondertussen verborgen te houden? Laat het me alsjeblieft weten als het problematisch wordt. We moeten voorzichtig zijn… maar dat hoef ik jou niet te vertellen. Hou het nog een paar dagen vol. We verzinnen er wel wat op.’
‘Merci, monsieur.’ Mireille stak het pakje voor Vivi in haar binnenzak en pakte daarna de grotere pakketten.
De textielverver hield de winkeldeur voor haar open. ‘Probeer je geen zorgen te maken,’ zei hij nogmaals. Zijn geruststellende toon kon echter de spanning die in zijn voorhoofd stond gegrift niet verbergen.
De meiden bleven gedurende de werkdag weg uit het appartement en de jongeman was er alleen. Hij had beloofd niet heen en weer te lopen om te voorkomen dat er voetstappen of krakende balken hoorbaar zouden zijn wanneer iemand iets ging halen uit de opslagruimte op de verdieping direct onder het appartement. Mademoiselle Vannier en de andere naaisters kwamen er heel regelmatig om een paspop te halen of een rol stof te zoeken. Maar ’s avonds, als iedereen naar huis was, konden Mireille, Claire en Vivi een beetje ontspannen en mocht hun gast zijn kamer uit om samen met hen te eten.
Zijn gezicht lichtte op toen hij Mireille die avond zag. ‘Ik heb een naam!’ zei hij wapperend met het valse identiteitsbewijs dat ze hem had gegeven. ‘Als ik me even mag voorstellen: ‘Frédéric Fournier. Aangenaam, mademoiselle.’ Hij maakte een buiging, pakte haar hand en kuste die met een theatraal gebaar.
‘Hm,’ zei Mireille, veinzend hem in te schatten, hoewel ze haar hand niet lostrok uit de zijne, ‘die past bij je. Maar we zullen je Fréd noemen. Het ziet ernaar uit dat je hier nog een paar dagen blijft, Fréd, dus ik hoop dat je je niet al te zeer zult vervelen in die kamer.’
‘O, ik heb genoeg te doen, hoor,’ zei hij met een glimlach die die van haar weerspiegelde. ‘Vanavond ga ik de was doen, als ik daarvoor de faciliteiten in dit schitterende onderkomen mag gebruiken, en daarna hoop ik een aangename avond door te brengen met mijn vriendelijke gastvrouwen.’ Hij keek naar haar hand, nog steeds in de zijne, en gaf er een kneepje in. ‘En in het bijzonder één vriendelijke gastvrouw,’ zei hij toen zacht. Hij bracht haar hand naar zijn lippen en kuste die nogmaals, nu met een tederheid die haar hart deed smelten.
Toen hij in de badkamer was om een bad te nemen en zijn sokken te wassen liep Mireille naar de keuken, waar Vivi haar best deed een maaltijd voor vier te maken met ingrediënten die nauwelijks toereikend waren voor drie. Mireille had nog geen kans gehad haar te vertellen wat de verver tegen haar had gezegd, dus dat deed ze nu. Ze gaf Vivi het pakje, met de boodschap het te verstoppen. Vivi trok haar wenkbrauwen op, maar zei niets en liep met het pakje naar haar kamer.
Die avond zaten Mireille en Frédéric nog tot laat te praten nadat Claire en Vivi naar bed waren gegaan, en vervolgden ze het gesprek over hun familie en leven voordat de oorlog de hele wereld op zijn kop had gezet. Ze lette zorgvuldig op dat ze hem niets vertelde wat haar familie in gevaar zou kunnen brengen als hij zou worden gearresteerd, maar het was niettemin heerlijk om een stukje van zichzelf met deze man te kunnen delen en op haar beurt zijn verhalen te horen.
In een periode en op een plaats waar alles zo schaars was voelden de uren die ze in elkaars gezelschap doorbrachten als een van de mooiste geschenken die ze ooit had gekregen.
* * *
De volgende dag ging Claire er na haar werk opuit om aan wat extra eten proberen te komen. De drie meiden hadden elk wat spaargeld gegeven, dus had ze een paar franc in haar zak voor het geval de kruidenier een voorraadje onder de toonbank had dat ze kon kopen als ze hem wat extra betaalde. Normaal gesproken waagden ze zich niet op de zwarte markt en leefden ze van het hun toegewezen rantsoen, maar nu ze een extra mond te voeden hadden, hadden ze meer honger dan ooit.
Toen ze op weg naar huis ging voelde haar boodschappentas aangenaam zwaar; een pot confit de canard was verstopt onder een paar stoffige aardappels en een bosje rimpelige wortels. Het zou een feestmaal worden!
Ze liet zichzelf binnen, liep de trap op en hoorde tot haar verrassing stemmen in de naaikamer op de eerste verdieping. Vivi zou wel weer laat zitten te werken, bedacht ze, maar ze hoorde ook een mannenstem en vroeg zich af of Fréd het risico had genomen het appartement te verlaten.
De deur stond op een kier en ze zag een glimp van een mannenhand, die op de schouder van Vivi rustte. Het tafereel zag er volkomen ontspannen uit, had een comfortabele intimiteit die Claire staande hield. Vivi had nooit verteld dat ze een vriendje had. Ze ging de laatste tijd juist opmerkelijk weinig uit, en dat alleen als Claire en Mireille erop aandrongen dat ze met hen meeging voor een wandeling of cafébezoek. Als Fréd bij haar in de naaikamer zat, was hij wel heel snel te werk gegaan. Claire zag bovendien Fréds gezicht helemaal oplichten als hij Mireille zag, dus het zou des te verrassender zijn als hij bij Vivi zat.
De twee figuren zaten over iets heen gebogen waarmee Vivi aan het werk was en Claire zag hoe de hand van de man zich losmaakte van Vivi’s schouder en wees naar iets wat op tafel lag.
Claire ging een beetje anders staan om het gezicht van de man te kunnen zien, maar toen ze dat deed bewoog haar boodschappentas tegen de deur, die een stukje verder openschoof.
Twee gezichten keken geschrokken naar haar op. Toen zei de man: ‘Goedenavond, Claire. Wat leuk je te zien.’
‘Bonsoir, monsieur Leroux,’ antwoordde ze.
Hij stond op, en ze zag terwijl hij dat deed dat Vivi wat het ook was waarmee ze bezig waren geweest op haar schoot legde.
‘Sorry dat ik jullie stoor,’ zei ze terwijl ze een stap naar achteren deed uit de deuropening. ‘Ik wilde alleen even tegen Vivi zeggen dat ik avondeten heb kunnen regelen.’ Ze hield haar tas omhoog. ‘Het is over een half uur klaar.’
‘Geen probleem. Ik was sowieso al van plan om zo even naar boven te komen om jullie allemaal te spreken. Er ligt een plan klaar voor de verdere reis van jullie verrassingsbezoek, die ik met jullie moet bespreken. Zal ik’ – hij nam de boodschappentas van haar over – ‘deze voor je meenemen? Vivi ruimt even op en dan komt ze ook naar boven.’
Hij was zeker een heel aantrekkelijke man, dacht ze, maar Claire had opgemerkt dat hij de minder formele vorm van Viviennes naam gebruikte en dat er tussen hen sprake leek van een onderstroom van wederzijds begrip. Misschien was Vivi wel een van zijn minnaressen, bedacht ze. Dat zou in ieder geval verklaren hoe ze bij Delavigne Couture terecht was gekomen. Toen zag ze ineens glashelder, alsof de stukjes van een puzzel in elkaar vielen, een beeld voor zich van die reflectie in een spiegel die ze al die maanden daarvoor in Brasserie Lipp had gezien. De man aan tafel bij Vivi en die nazivrouw was monsieur Leroux geweest. Dat was de reden dat zijn gezicht haar bekend was voorgekomen toen ze later aan elkaar waren voorgesteld in de Tuilerieën. Gezien zijn intimiteit met Vivi moest hij al die tijd geweten hebben dat Claire een verhouding had met een Duitse officier. Ze voelde haar wangen branden bij de gedachte en was dankbaar dat ze hem voorging naar het appartement, zodat hij haar schaamte niet zou zien. Als ze volledig eerlijk was tegen zichzelf had ze die avond in Brasserie Lipp een flikkering van triomfantelijke minachting gevoeld voor het gezelschap dat ze aan de andere kant van de ruimte aan tafel had zien zitten. Nu tot haar doordrong wie hij echt was, brandde de schaamte alleen maar dieper. Geen wonder dat hij zo terughoudend was geweest haar te rekruteren. Als Mireille niet zo had aangedrongen zou ze nooit tot het netwerk zijn toegelaten.
Op de vijfde verdieping was Mireille nergens te bekennen, en de deur van Fréds kamer was op slot. Claire begon in het keukentje aan de maaltijd. Ze warmde de eendenpoten op en schilde de aardappels. Ze had het aanbod van monsieur Leroux om te helpen afgeslagen, aangezien er voor één persoon al te weinig bewegingsruimte was, laat staan voor twee. Hij stond tegen de deursponning geleund toe te kijken terwijl ze de aardappels bakte in wat vet van de confit en wat flintertjes knoflook toevoegde, die een verleidelijke geur door het appartement verspreidde toen de pan begon te knetteren en spetteren.
Toen ze opkeek van het fornuis stond hij naar haar te glimlachen. Toen haalde hij met een groots gebaar een fles rode wijn uit een diepe zak in zijn jas, die hij op het aanrecht zette. Vervolgens viste hij uit een andere zak drie repen Côte d’Or, die hij aan Claire overhandigde. ‘Die geef ik aan jou, aangezien ik weet dat je zorgt dat ze eerlijk worden verdeeld,’ zei hij, waarop ze begon te blozen.
Aangetrokken door de geluiden en geuren van de maaltijd verschenen Vivi, Mireille en Fréd al snel. In de woonkamer werd de tafel gedekt.
Monsieur Leroux nam ook plaats aan de ronde tafel, maar hij weigerde mee te eten en zei dat hij later nog zou dineren. Maar hij nipte wel van zijn glas wijn terwijl zij het eten verslonden, dat de beste maaltijd was die ze in lang hadden gegeten. Fréd stak zijn glas op en verklaarde de eendenpoten lekkerder dan alles wat hij ooit in Engeland had gegeten, en iedereen proostte op de kokkin. Beeldde Claire het zich in, of was de blik van monsieur Leroux elke keer dat ze steels zijn kant op keek op haar gericht?
Hij liet hen uiteten voordat hij vertelde waarom hij er was.
‘We hebben een plan beraamd om je hier weg te krijgen, Fréd. Niet via het zuidwesten zoals we dat gewoonlijk doen, maar via een ander netwerk, dat vanuit Bretagne werkt. Ik moet je waarschuwen dat het een gevaarlijker, maar wel kortere route is om je in Engeland terug te krijgen.’
Fréd haalde zijn schouders op. ‘Geen probleem. Hoe eerder ik terug ben in Engeland, des te eerder ik verder kan vechten tegen de moffen,’ zei hij. Claire zag echter de blik van teleurstelling in zijn ogen toen hij zich omdraaide naar Mireille, die naast hem zat, haar hand vastpakte en eraan toevoegde: ‘Hoewel ik met pijn in mijn hart mijn nieuwe vrienden in Parijs achterlaat.’
‘We kunnen niet het risico nemen met de trein te reizen,’ vervolgde monsieur Leroux. ‘Er wordt veel te veel gecontroleerd op de stations, met name op de route naar Bretagne. De Duitsers proberen sinds de geallieerden de dokken in de haven van Saint-Nazaire hebben opgeblazen harder dan ooit de Atlantische verdediging te versterken. Dus wordt het een route die dwars door het platteland gaat. Er is een gebrek aan passeurs om je te vergezellen, dus zul je een deel van de reis zelfstandig moeten afleggen.’
‘Dat komt wel goed,’ zei Fréd vastberaden. ‘Ik ben nog nooit in Bretagne geweest, maar dat komt wel goed.’
‘Je zult met je zuidelijke accent echter wel opvallen als je alleen reist. Wat de reden is dat we nog iets hebben bedacht.’ Monsieur Leroux wendde zich nu tot Claire. ‘Stel dat jij naar huis zou reizen om je familie te zien en hen voor te stellen aan een jongeman die je vader om je hand wil vragen… Je kent de Bretons, een moeilijk stelletje op zijn best, en jij kent er de weg. Als jij Frédéric naar Port Meilhon kunt brengen, kan het netwerk hem verder helpen. Dan is hij over een paar dagen terug in Engeland, en we hebben essentiële informatie die zo snel mogelijk bij het geallieerde commando moet komen, dus daar zouden jullie ook bij kunnen helpen nu de zuidwestelijke route tijdelijk is afgesloten.’
Claires bloed werd helemaal koud bij de gedachte aan zo’n gevaarlijke reis. Het was haar tot dusverre gelukt haar zenuwen de baas te blijven en in de stad haar opdrachten uit te voeren, maar dit was een geheel andere missie. Toen zag ze de oprechte blik in zijn ogen en slikte haar angst weg. ‘Dat gaat wel lukken. Ik weet zeker dat mademoiselle Vannier me met verlof zal laten gaan, aangezien ik al een eeuwigheid geen vrij heb genomen. Bovendien ben ik sinds mijn “ongeluk” nog steeds af en toe duizelig en heeft ze me zelfs aangespoord een reispas te regelen en bij mijn vader op bezoek te gaan en wat zeelucht op te snuiven. Maar ik zal moeten kijken of ik van de Duitsers toestemming krijg om te reizen. En hoe zit het met Fréd, heeft die ook een pas nodig? Ik heb geen idee hoeveel tijd het gaat kosten om die aan te vragen…’
‘Dat is al geregeld,’ zei monsieur Leroux. ‘Ik heb papieren voor jullie beiden bij me.’ Hij legde de officieel uitziende paperassen van de Préfecture de police neer, met daarop het kopje AUSWEIS en een stempel met een afbeelding van de tweekoppige adelaar en swastika van het Duitse bestuur. ‘Jullie kunnen morgenmiddag vertrekken. Als je zorgt dat je om vier uur op station Pont de Neuilly bent, is er vandaar transport tot Chartres. Daar is voor jullie allebei een eigen kamer geregeld, waarna je door kunt reizen tot Nantes. Het is nogal een omslachtige route, maar de enige die we op zo korte termijn hebben kunnen organiseren. Vanaf Nantes staan jullie er alleen voor. Je zult indien mogelijk met het openbaar vervoer moeten reizen of proberen te liften. Jullie moeten uiterlijk vrijdagavond in Port Meilhon zijn. Het is essentieel dat de boot bij laagwater vertrekt, wanneer de grotere Duitse patrouilleboten hun werk niet kunnen doen.’
Claire keek om zich heen naar de gezichten rond de tafel, die haar geconcentreerd bestudeerden. Mireilles donkere ogen stonden angstig; Vivi’s heldere, lichtbruine blik was klaarblijkelijk kalm als altijd, maar Claire bespeurde toch ook iets van bezorgdheid. Fréd glimlachte bemoedigend naar haar. Toen wendde ze zich tot monsieur Leroux. Zijn blik stond vriendelijk, maar ze zag er nu ook een warmte die ze nog niet eerder had gadegeslagen. Het was een warmte die haar hart sneller deed kloppen en haar deed blozen.
‘Oké,’ zei ze terwijl ze haar stoel naar achteren schoof om haar verwarring te verbergen. ‘Laat ik dan maar gauw gaan inpakken.’
Toen ze wat spulletjes voor onderweg stond in te pakken verscheen monsieur Leroux in haar deuropening. ‘Ik heb nog iets wat je moet meenemen, Claire.’ Hij stak een klein, plat pakje naar haar uit, ingepakt in wasdoek. De randen waren strak op elkaar genaaid. ‘Het is heel belangrijk dat Fréd dit meeneemt, maar het is veiliger als hij het pas te weten komt als jullie wegen scheiden. Draag het te allen tijde bij je. Als jullie worden aangehouden, is de kans dat jij wordt gefouilleerd kleiner. Doe alles om het veilig te bewaren, maar geef het aan Fréd wanneer hij aan de Franse kust is. Vertrouw het aan niemand anders toe. Begrepen?’
Ze nam knikkend het pakje van hem aan, en hij vouwde zijn hand over de hare en hield die kort vast voordat hij hem losliet. Claire keek hem aan en dacht een vragende blik bij hem te bespeuren, maar als hij een vraag had, kon ze die nu niet beantwoorden.
Ze keek naar het pakje dat hij haar had gegeven en nam de keurige steekjes in zich op waarmee het was dichtgenaaid. Er viel ineens een aantal muntjes. Ze kon zich er niet van weerhouden te vragen: ‘Is dit waar Vivi laatst mee aan het werk was?’
Hij drukte een wijsvinger tegen zijn lippen en legde toen nogmaals zijn hand over de hare; ze voelde zich getroost door de aanraking. Hij had altijd zo’n rustige, geruststellende uitstraling, zei ze tegen zichzelf terwijl ze de andere dingen die haar aan hem waren beginnen op te vallen probeerde te negeren, zoals de manier waarop hij naar haar keek en de manier waarop zijn als gebeeldhouwde gelaatstrekken in haar de behoefte losmaakten meer tijd met hem door te brengen. Zijn kalmte en zelfvertrouwen waren wat ze zo aantrekkelijk vond, bedacht ze, alsof hij alles zou aankunnen, wat er ook gebeurde.
Voelde ze zelf ook maar wat van dat zelfvertrouwen.