Hoofdstuk 2: 1940 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
PARIJS WAS EEN GEHEEL ANDERE stad.
Sommige dingen zagen er natuurlijk hetzelfde uit: het omgekeerde uitroepteken dat de Eiffeltoren vormt was hetzelfde accent in het stadssilhouet; de Sacré-Coeur stond ook toen boven op de Montmartre om uit te kijken over de inwoners van de stad terwijl die druk waren met hun dagelijkse beslommeringen; het zilveren lint van de Seine slingerde ook toen langs paleizen, kerken en parken en de versterkte flanken van de Notre-Dame op het Île de la Cité en stroomde ook toen onder de bruggen door die de linker- en rechteroever van de stad aan elkaar verbonden.
Maar er was wel iets veranderd. Niet alleen het voor de hand liggende, zoals de colonnes Duitse soldaten die over de boulevard marcheerden, of de vlaggen die zich met een drukkend gevoel van dreiging ontvouwden in de wind aan de voorgevels van de gebouwen. Als Mireille eronderdoor liep, klonk het gefluister van het materiaal met daarop het harde zwart-wit van de swastika’s op de bloedrode achtergrond in de oren van Mireille even hard als een bombardement. Maar ze voelde ook nog iets anders wat was veranderd, iets wat minder tastbaar was, toen ze van Gare Montparnasse terugliep naar Saint-Germain. Ze zag het in de blik van verslagenheid op de gezichten van de mensen die zich voorbij haastten; ze hoorde het in de snauwend monotone Duitse stemmen aan de tafeltjes op de terrassen van de cafés en bars; en het werd allemaal versterkt door het aanzicht van de militaire voertuigen met nog meer nazi-insignes – die grimmige emblemen die nu overal waar je maar keek leken te zijn – die door de straten langs haar heen daverden.
De boodschap was duidelijk. De hoofdstad van haar land was niet meer van Frankrijk. Ze was verlaten door de regering, door de politici van de natie overgedragen als een bruid in een haastig gearrangeerd huwelijk.
En hoewel velen net als Mireille nu terugkwamen nadat ze enige maanden daarvoor tijdens de dreigende bezetting van de stad waren gevlucht, kwamen ze terug naar een andere stad. De metropolis leek net als haar burgers haar hoofd in schaamte te laten hangen, geconfronteerd met de pijnlijke feiten die zich overal opdrongen: dat Parijs nu in Duitse handen was.
* * *
Terwijl het middaglicht de schaduwen van de raamkozijnen op de grote snijtafel uitrekte, boog Claire zich nog een stukje verder over de rok waar ze een decoratieve vlecht op aan het borduren was. Ze hechtte hem af met een paar snelle steken en knipte de draad af met een schaar die aan een lint om haar hals hing. Ze kon zich er niet van weerhouden zich gapend uit te rekken en over haar nek te wrijven, die pijn deed na een dag hard werken.
Het was de laatste tijd zo saai in het atelier, nu de meeste meiden er niet meer waren en er in de pauze niemand was om mee te lachen en roddelen. De cheffin, mademoiselle Vannier, was in een nog slechter humeur dan gebruikelijk nu het werk zich opstapelde. Ze spoorde de naaisters aan sneller te werken, maar viel over het minste of geringste schoonheidsfoutje, dat in Claires ogen vaak alleen in haar verbeelding bestond.
Ze hoopte dat de meiden snel zouden terugkomen nu de nieuwe regering speciale treinen had ingezet om arbeiders terug te halen naar hun werk in Parijs, zodat het ’s nachts wat minder eenzaam zou zijn in de slaapkamers onder het dak. De geluiden op straat klonken Claire sinds de bezetting gedempt in de oren, en zodra om tien uur de avondklok inging, was het griezelig stil. Het pand zuchtte en steunde in de stille duisternis, en Claire had af en toe het idee dat ze voetstappen hoorde. Dan trok ze de dekens over haar hoofd terwijl ze zich voorstelde hoe Duitse soldaten zouden inbreken, op zoek naar mensen om te arresteren.
Ze was een van de jongste naaisters, maar Claire was niet gevlucht, zoals zo vele anderen op die dag in juni hadden gedaan toen Frankrijk had gecapituleerd. Het was eenvoudigweg geen optie om met haar staart tussen haar benen terug te gaan naar Bretagne, niet nadat ze nog maar zo kort daarvoor was ontsnapt uit het vissersdorpje Port Meilhon, waar niemand gezegend was met enig gevoel voor stijl en waar de enige overgebleven mannen stokoud waren of naar sardientjes stonken, of allebei. Ze had met jeugdige onbezonnenheid besloten het erop te wagen en in Parijs te blijven. En dat was een goede keuze gebleken, aangezien de regering zich had overgegeven en de Duitsers de stad daarom niet zouden platbombarderen. Het vertrek van haar oudere en meer ervaren collega’s had betekend dat ze aan een aantal interessantere opdrachten uit de salon op de begane grond had mogen werken. Misschien dat ze als ze zo doorging de aandacht van monsieur Delavigne zou weten te vangen en haar droom om assistente in de salon te worden zou worden verwezenlijkt, en daarna vendeuse, en zou ze niet jarenlang in de saaie naaikamer op de eerste verdieping hoeven door te brengen voordat ze die kans kreeg.
Ze zag zichzelf al helemaal voor zich in een perfect op maat gemaakt pakje, haar haar in een elegante chignon, Delavignes rijkste klanten adviserend over de nieuwste haute couture. Dan zou ze een eigen bureau hebben, met een vergulde stoel, en een heel team van assistenten om haar heen, die haar mademoiselle Meynardier zouden noemen en alles zouden doen wat ze hun opdroeg.
De cheffin klikte het elektrische licht aan, de ruimte verlichtend, waarin een aantal meisjes aan het opruimen was. Ze deden hun schaar, speldenkussen en vingerhoed in hun tas en hingen hun witte jas aan de rij haakjes naast de deur. In tegenstelling tot Claire hadden de meesten een huis in de stad om naar terug te gaan en haastten ze zich naar hun familie en een warm avondmaal.
Mademoiselle Vannier bleef even staan toen ze langs Claires stoel liep. Ze stak een hand uit naar de rok en hield hem op in het meedogenloos felle licht van de kale peertjes die boven hun hoofden hingen om het kledingstuk te inspecteren. Haar lippen, waar zich al diepe lijnen omheen hadden gevormd – het onvermijdelijke resultaat van haar leeftijd en het feit dat ze twintig sigaretten per dag rookte – verwrongen zich tot nog diepere groeven terwijl ze haar mond geconcentreerd tuitte. Uiteindelijk knikte ze abrupt en gaf de rok aan Claire terug. ‘Nadat je hem hebt geperst en opgehangen mag je gaan.’
Mademoiselle Vannier had er nooit enige twijfel over laten bestaan dat degenen die het privilege genoten in een appartement boven het modehuis te verblijven geheel tot haar beschikking stonden tot zij besloot dat de werkdag voorbij was, zelfs als dat soms betekende dat er tot laat in de avond aan een belangrijke opdracht werd gewerkt. Het irriteerde Claire dat ze zoals gebruikelijk langer moest blijven dan de andere naaisters, en ze brandde in haar ergernis de binnenkant van haar pols aan het hete strijkijzer. Ze beet op haar onderlip om te voorkomen dat ze een gil van de pijn zou slaken. Elk geluid zou de aandacht van mademoiselle Vannier trekken en dan zou ze nog langer moeten blijven om een standje te ondergaan dat ze niet zorgvuldig genoeg werkte.
Ze hing de rok voor de nacht aan de kledingrail, streek de licht gespikkelde textuur van het tweed over de roestbruine zijden voering en genoot nog even van hoe mooi de contrasterende vlecht de taille flatteerde. Het was een prachtig klassiek ontwerp, kenmerkend voor het werk van Delavigne, en haar eigen, piepkleine steekjes waren zo goed als onzichtbaar, helemaal in balans met de elegantie van het kledingstuk. Het bijpassende jasje werd afgemaakt door de kleermaker en het nieuwe pakje zou al snel klaar zijn om aan de eigenaresse te worden geleverd.
Het geluid van voetstappen op de trap en toen de deur die openging maakte dat Claire zich omdraaide om te kijken wie het was. Ze nam aan dat een van de andere naaisters iets was vergeten en was teruggekomen om het te pakken.
Maar de figuur in de deuropening was geen collega die iets was vergeten. Het was een ander meisje, met donkere krullen om een gezicht dat zo ingevallen en bleek was dat Claire haar niet direct herkende.
Mademoiselle Vannier was de eerste die iets zei: ‘Mireille!’ riep ze. ‘Je bent teruggekomen!’ Ze deed een stap naar de figuur in de deuropening, maar toen bleef ze staan en nam haar gebruikelijke formele houding weer aan. ‘Dus je hebt besloten terug te komen? Mooi, we kunnen een extra paar handen goed gebruiken. Je kamer op de bovenverdieping staat leeg. Claire helpt je wel even je bed op te maken. Is Esther ook met je meegekomen?’
Mireille schudde haar hoofd en drukte een hand tegen de sponning alsof ze de ondersteuning nodig had. Toen zei ze, met een rauwe stem van verdriet: ‘Esther is dood.’
Ze stond onvast op haar benen, en het harde licht in de naairuimte maakte dat de donkere kringen onder haar ogen eruitzagen als blauwe plekken.
Er viel een geschokte stilte terwijl de woorden van Mireille tot Claire en de cheffin doordrongen, en toen herpakte mademoiselle Vannier zich.
‘Je bent moe na je reis, Mireille. Dit is niet het moment om te praten. Ga maar naar boven met Claire. En zorg dat je op tijd in bed ligt, dan kun je morgen je plekje in het team weer innemen.’ Haar toon verzachtte enigszins terwijl ze eraan toevoegde: ‘Fijn dat je er weer bent.’
Pas toen liep Claire, die als bevroren had gestaan door de onverwachte, getransformeerde verschijningsvorm van haar vriendin en de schokkende woorden die ze had gesproken, snel naar Mireille toe en sloeg in een korte omhelzing een arm om haar heen. ‘Kom,’ zei ze terwijl ze Mireilles tas overnam. ‘Er is nog brood en kaas. Je zult wel honger hebben.’ Ze ging Mireille met een snelle, lichte tred voor, en Mireille volgde haar moeizaam de trap op.
Claire voelde aan dat Mireille even nodig had om te wennen aan het idee dat ze terug was in het appartement, dus hield ze zichzelf bezig met het opmaken van het bed, en daarna maakte ze een spaarzame maaltijd voor hen beiden klaar. Aangezien ze haar rantsoen met Mireille moest delen, vroeg Claire zich even af hoe ze de volgende dag aan eten zouden moeten komen, maar die gedachte bande ze snel uit haar hoofd. Waar het nu om ging was dat Mireille vanavond goed at. Misschien kon ze morgen wel ergens aan groente komen om soep te maken. En nu Mireille er weer was zouden ze dubbel rantsoen krijgen, waar je meer mee kon.
‘À table!’ riep ze. Toen Mireille niet direct verscheen, ging ze haar zoeken.
Mireille had de deur van de kamer van Esther geopend, die ze toegewezen had gekregen nadat ze als vluchtelinge uit Polen in Parijs was aangekomen, zwanger en wanhopig haar ongeboren kind te beschermen. Een paar maanden later was ze in de piepkleine zolderkamer van haar baby bevallen. Ze had haar Blanche genoemd. Claire dacht terug aan de bewondering die ze had gevoeld voor Esther toen ze haar steunend tegen de kussens met haar pasgeboren dochter in haar armen had zien zitten. Ze zou nooit de blik van uitgeputte gelukzaligheid op Esthers gezicht vergeten, starend in de donkerblauwe ogen van haar kindje, de kracht van haar liefde zowel onmiddellijk als instinctief.
Claire liep naar Mireille, die in de deuropening van Esthers kamer stond, en sloeg een arm om haar schouders. ‘Wat is er met haar gebeurd?’ vroeg ze zacht.
Mireille vertelde terwijl ze met een uitdrukkingsloos gezicht naar het ijzeren bed met het kale matras staarde met een monotone stem hoe ze in de stroom van vluchtelingen uit Parijs terecht waren gekomen toen de Duitse troepen door de Maginotlinie waren gebroken en naar de hoofdstad waren opgerukt. De weg naar het zuiden was overspoeld geweest door een stroom burgers toen een enkel vliegtuig had aangevallen, keer op keer duikend om de menigte met machinegeweren af te ranselen. ‘Esther was eten gaan zoeken voor Blanche. Toen ik haar vond, stond haar gezicht zo vredig. Maar er was overal bloed, Claire. Overal.’
De ogen van Claire, die tijdens het luisteren naar het huiveringwekkende verhaal groot waren geworden, persten zich nu halfdicht terwijl haar tranen een uitweg zochten. ‘En Blanche?’ fluisterde ze. ‘Is die ook omgekomen?’
Mireille schudde haar hoofd. Toen draaide ze zich om om Claire aan te kijken, met een opstandige blik in haar ogen. ‘Nee. Ze hebben Blanche niet te pakken gekregen. Ik heb haar veilig achtergelaten bij mijn familie in het zuidwesten. Mijn moeder en zusje zorgen voor haar. Maar haar ware identiteit moet voor haar eigen veiligheid geheim blijven zolang de nazi’s hun beestachtige vervolging van het Joodse volk blijven doorzetten. Begrijp je dat, Claire? Als iemand ernaar vraagt, moet je zeggen dat Esther en Blanche allebei dood zijn.’
Claire knikte instemmend terwijl ze, geheel zinloos, probeerde haar tranenstroom te bedwingen door haar gezicht met haar mouw af te vegen.
Mireille greep Claire bij haar schouders met een felheid waar Claire van schrok. ‘Bewaar je tranen, Claire. Als dit allemaal achter de rug is zal er tijd zijn om te rouwen, maar dit is niet het moment. We moeten nu alles wat we kunnen doen om terug te vechten, om deze hel te overleven.’
‘Maar hoe moet dat dan, Mireille? De Duitsers zijn overal. We beginnen niets tegen hen nu onze eigen regering Frankrijk heeft overgedragen.’
‘Je kunt altijd iets doen, hoe onbelangrijk en klein je pogingen ook lijken. We moeten ons verzetten.’ Ze herhaalde dat laatste woord, met een nadruk die Claires ogen groot van angst maakte.
‘Bedoel je…? Zou je meewerken aan…?’
Mireilles donkere krullen dansten van hun oude vastberadenheid en er stond opstandigheid in haar gezicht gegrift terwijl ze knikte. Toen vroeg ze: ‘En jij, Claire? Wat ga jij doen?’
Claire schudde haar hoofd. ‘Dat weet ik niet… Ik heb geen idee, Mireille. Gewone mensen als jij en ik kúnnen toch niets?’
‘Maar als de “gewone mensen” zich niet tegen de nazi’s verzetten, wie gaat het dan wel doen? De politici in Vichy in ieder geval niet, dat zijn marionetten van het nieuwe regime. En het Franse leger ook niet, aangezien de bataljons weg liggen te rotten in ondiepe graven aan het oostfront. Alleen wij zijn over, Claire. De gewone mensen zoals jij en ik.’
Na een korte stilte antwoordde Claire: ‘Maar ben je dan niet bang, Mireille? Om bij zoiets gevaarlijks betrokken te raken… recht onder de neus van het Duitse leger? Parijs is nu van hen. Ze zijn overal.’
‘Vroeger was ik bang. Maar ik heb gezien wat ze met Esther hebben gedaan, en met al die anderen die die dag op de vlucht waren. Al die “gewone mensen”. En nu ben ik razend. En razernij is sterker dan angst.’
Claire haalde haar schouders op en Mireille liet haar eindelijk los. ‘Het is te laat, Mireille. We moeten accepteren dat het leven is veranderd. Frankrijk is niet het enige land dat aan de Duitsers ten prooi is gevallen. Laat de geallieerden maar vechten. Het is de laatste tijd sowieso al een keiharde strijd om in leven te blijven, je hoeft niet ergens anders op zoek naar problemen te gaan.’
Mireille liep de gang in en trok de deur naar Esthers kamer ferm achter zich dicht.
Claire friemelde nerveus aan de zoom van haar blouse, onzeker wat ze moest zeggen. ‘Ik heb wat te eten gemaakt…’ begon ze.
‘Dank je,’ zei Mireille met een glimlach rond haar lippen die het verdriet in haar ogen niet kon verhullen. ‘Maar ik heb geen honger. Ik ga even uitpakken en dan ga ik naar bed.’
Ze maakte aanstalten naar haar eigen kamer te lopen, maar toen bleef ze even staan zonder zich om te draaien en zei: ‘Maar je hebt het mis, Claire. Het is nooit te laat.’