Hoofdstuk 22: 1943 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
NOG EEN BITTERKOUDE WINTER volgde. Op de steeds zeldzamere dagen dat er kolen voor de verwarming waren, stonden de naaisters in hun pauze dicht op elkaar gepakt bij de radiatoren om te proberen hun bevroren vingers, die rood en gebarsten waren en vol koudeblaren zaten, op te warmen. Mireille droeg een paar vingerloze handschoenen die haar moeder had opgestuurd, gebreid van het materiaal van een oude trui van haar broertje. Ze had met kerst ook een paar voor Claire en Vivi gestuurd. De meiden droegen weer zo veel laagjes kleding als onder hun witte jassen pasten en bedekten zo hun uitgemergelde lichaam zoals de sneeuw de hoekige daklijnen en gevelspitsen van de panden in de straten rond de Rue Cardinale bedekte.
Als ze daar geld voor hadden, gingen de drie vriendinnen zo vaak ze konden ’s avonds naar een café aan de Boulevard Saint-Germain, waar het warmer was dan in het appartement boven Delavigne Couture. Dan bestelden ze een waterig koolsoepje, waar ze een stukje keihard brood in verkruimelden, waar ze dan zo lang mogelijk over deden om het moment dat ze weer naar huis moesten en in hun klamme bed moesten kruipen uit te stellen. In een hoek in een van die cafés oreerde Radio Paris over de laatste Duitse overwinningen. In de veiligheid van het appartement fluisterde Vivi dat veel van die berichten gelogen waren. Die radiozender was in Duitse handen. De realiteit was dat hun legers nu meer verlies leden dan ze successen boekten, en dat verspreid over vele fronten. Mireille sterkte zich met de woorden van Vivi en vroeg haar niet hoe ze dat allemaal wist. Tegelijkertijd was ze zich ervan bewust dat de drie naaisters met hun verzetswerk grotere risico’s namen dan ze ooit hadden gedaan. Een nieuwe Franse politiemacht was opgetuigd, de Milice, die zich tot doel had gesteld zo veel mogelijk verzetsleden op te pakken. Een beloning van twintigduizend franc werd uitgeloofd voor het verraden van een résistant, een extreem verleidelijke aansporing voor burgers die doodhongerden, en een die direct zeer succesvol bleek.
Het had even gekost om de communicatielijnen na de verliezen van het voorgaande jaar weer op te starten. Alles leek de laatste tijd veel minder stabiel. Onderduikadressen wisselden frequent en Mireille moest voor elke ‘bezorging’ die ze deed een andere route nemen om zo te proberen ongezien langs de Milice en de Gestapo te glippen.
Ze stond rillend onder de klok op Gare de l’Est te kijken naar de wijzer die langzaam rond het halve uur bewoog. De trein die ze moest opwachten was te laat, maar dat was niets opmerkelijks. De dienstregeling werd steeds onbetrouwbaarder en veel treinen reden hoe dan ook niet wanneer de Duitsers rijdend materieel vervoerden of de lijnen voor andere doeleinden gebruikten. Het was de zoveelste bitterkoude dag en haar versleten winterjas bood nauwelijks bescherming tegen de oostenwind die door het materiaal sneed. Ze keek op toen er een trein op een van de perrons binnenreed, maar dat was zo te zien een goederentrein, aangezien er niemand uitstapte.
Toen schrok ze op van een geschreeuwd bevel. ‘Aan de kant! Wegwezen!’ Ze drukte zich tegen de pilaar van baksteen waarop de klok steunde terwijl twee soldaten zwaaiend met hun geweren de weg vrijmaakten. Achter hen aan werd een rij vrouwelijke gevangenen door de stationshal en naar het perron waar de lege trein stond te wachten gedreven.
Een aantal vrouwen was chic gekleed, anderen waren vies en verfomfaaid; een aantal huilde en sommige gezichten stonden uitdrukkingsloos van de shock. Maar Mireille rook de angst bij iedereen die haar passeerde: een mengeling van zweet, urine en adem die stonk van doodsangst.
Een vrouw propte terwijl ze langs Mireille heen werd geduwd een briefje in haar hand. ‘Alstublieft, madame,’ smeekte ze haar, ‘geef dit alstublieft aan mijn man.’
Een soldaat duwde haar met de achterkant van zijn geweer vooruit. ‘In de rij blijven!’ schreeuwde hij naar haar. Toen duwde hij met zijn hand Mireille weg, die een stap achteruit zette, en snauwde hij haar toe: ‘En jij: aan de kant. Tenzij je mee wilt.’ De vrouwen werden in de goederenwagons geduwd terwijl de soldaten over het perron patrouilleerden en de zware deuren dichtschoven wanneer de wagons vol waren. Mireille zag tot haar ontzetting dat de zijkanten van de wagons bestonden uit planken met kieren ertussen. Wat zou er met die vrouwen gebeuren als de trein oostelijk de wind in reed en die door de spleten zou snijden als een koud stalen mes?
Ze keek steels naar het papiertje in haar hand. Het was een opgevouwen briefje met een adres erop. Ze stak het in haar zak terwijl de metro waarop ze stond te wachten een ander perron binnenreed. Dat briefje moest wachten: ze had werk te doen.
Later die dag, nadat ze de man die ze van de trein had gehaald veilig naar een onderduikadres in het zestiende arrondissement had gebracht, pakte ze haar fiets van de plek waar ze hem in de buurt van het station had gestald en nam op weg naar huis een omweg om het briefje af te geven op het adres dat erop stond. Ze klopte aan, maar er werd niet opengedaan. Het huis leek verlaten, de deur op slot.
Ze aarzelde even, zette haar fiets tegen de muur en vouwde toen het briefje open voor het geval er een aanwijzing in zou staan voor wie het was bedoeld. Ze las snel het in een schuin handschrift geschreven bericht.
* * *
Mijn liefste, ik ben meegenomen. Ik weet niet waarheen, maar ik kom zodra ik kan naar je terug. Zorg goed voor de meisjes. Ik bid voor jullie veiligheid. Geef ze een kus van hun maman, die voor eeuwig van hen, en jou, houdt. Nadine.
* * *
Ze keek om zich heen, onzeker wat te doen, en toen zag ze in het buurhuis een gordijn bewegen. Ze klopte aan. Even later ging de deur op een kier open en tuurde een vrouw achterdochtig naar buiten.
‘Ik heb een brief,’ legde Mireille uit. ‘Voor de buurman. Zijn vrouw heeft me gevraagd hem die te geven.’
De buurvrouw schudde haar hoofd. ‘Hij is er niet meer. De Duitsers hebben hen meegenomen, de vader en de twee kinderen. Ze zijn weg. Ik heb geen idee waarheen.’
‘Zou u dit voor hen kunnen bewaren? Om het hun te geven als ze terugkomen?’
De vrouw keek haar weifelend aan en stak toen met tegenzin een hand door de kier om hem aan te nemen. ‘Ik zal hem bewaren. Maar ze komen heus niet terug. Er komt niemand terug, toch?’
Toen sloeg ze de deur dicht met een fermheid die haar woorden extra kracht leek bij te zetten.
Mireille fietste langzaam, geschokt, door straten die griezelig leeg voelden terug naar de Rue Cardinale.
Ze zette haar fiets in de gang en klom uitgeput de trappen naar het appartement op. Het was een lange dag geweest en ze was tot op het bot verkleumd na al die kilometers op de fiets in de ijzige wind. Ze was veel later terug dan verwacht en keek uit naar het gezelschap van Claire en Vivi en een kom warme soep. Op weg naar boven bleef ze op de trap even staan om een handschoen op te rapen die iemand had laten vallen. Zo te zien was hij van Claire. Mireille glimlachte; ze zou blij zijn hem terug te krijgen.
Ze deed de deur open en liep een stilte in die zo intens was dat haar oren er pijn van deden. ‘Claire?’ riep ze. ‘Vivi?’
Er kwam geen antwoord. Ze haalde haar schouders op. Dan zouden ze de deur wel uit zijn, misschien naar een café. Hoe dan ook zou Claire haar handschoen wel missen. De deur naar Claires kamer stond op een kier en ze duwde hem open om Claires handschoen op haar kussen te leggen. Maar in de deuropening bleef ze staan; een indringend gevoel van ongemak maakte zich van haar meester. De kamer was een bende: laden waren opengetrokken en kleding lag op de vloer. De kastdeur hing open en Mireille zag de zilveren kraaltjes van de nachtblauwe japon glinsteren, hoewel andere kleding die er altijd hing was verdwenen.
Ze rende in paniek naar Vivi’s kamer. Daar was het nog erger. Een stoel lag op de vloer en de inhoud van de ladekast lag over het bed verspreid. Een potje met pennen en potloden dat altijd op de vensterbank stond lag kapot op de grond en papier uit de prullenbak lag verspreid door de kamer naast de omgevallen prullenbak.
Mireille liet zich langzaam op de vloer zakken en begroef haar gezicht in haar handen. ‘Nee,’ fluisterde ze. ‘Niet Vivi. Niet Claire. Had mij meegenomen, niet hen.’
Pas veel later, toen ze was aangekomen in de winkel van de textielverver, snakkend naar adem nadat ze de hele weg had gerend en hamerend op zijn deur, smekend haar binnen te laten, drong tot haar door dat ze de handschoen van Claire nog in haar hand had.
* * *
Mireille zal haar sleutel wel zijn vergeten, had Claire gedacht toen ze naar beneden liep om de voordeur open te doen. Dus trok ze hem glimlachend open. Maar haar glimlach verwerd tot een versteend masker van doodsangst toen ze de zwart-zilveren emblemen op de petten van de drie mannen zag die op straat stonden.
Gedurende de voorgaande maanden was de angst die ze had gevoeld na haar ontmoeting met Ernst bij het Vélodrôme d’Hiver langzaam naar de achtergrond gezakt en uiteindelijk niet meer dan een motief in het altijd aanwezige tapijt van angst geworden dat de basis van het dagelijks leven in tijden van oorlog vormt. Nu en dan drong het zich aan haar op in haar dromen en werd ze weer wakker met Vivi naast haar bed, zoals vroeger, die op haar beurt wakker was geworden van het geschreeuw van Claire en haar kwam troosten, haar geruststelde dat het allemaal goed kwam.
Maar nu was ze in een nachtmerrie terechtgekomen waaruit niemand haar kon wekken. De blik van kille gevoelloosheid in de ogen van de drie mannen was nog angstaanjagender dan de grotesk glurende waterspuwers die haar in haar dromen achtervolgden. Ze voelde haar geest en lichaam verdoven terwijl de eerste van de mannen eiste in het appartement te worden gelaten zodat ze op onderzoek konden naar aanleiding van een melding die ze hadden gekregen.
‘Wat voor melding?’ vroeg ze in een poging tijd te rekken.
‘Een vermoeden van subversieve activiteit in de woning,’ had de Gestapo-officier terug geblaft terwijl hij haar gebaarde hem voor te gaan naar boven.
Haar voeten voelden als klompen lood terwijl ze de trap beklom. Ze leidden hen langs de naaikamer, die dicht was, zoals altijd in het weekend. Alstublieft, bad ze stil, laat Vivi daar zijn. Laat haar hen horen en zich verstoppen. En laat Mireille niet thuiskomen terwijl ze er zijn. Laat hen mijn kamer doorzoeken, niets aantreffen en vertrekken.
Ze vond haar stem en dwong zichzelf iets te zeggen, als waarschuwing, voor het geval Vivi in het atelier zou zitten. ‘Ik heb geen flauw idee wat u bedoelt met “subversieve activiteit”,’ zei ze zo kalm als haar lukte. Ze keek over haar schouder naar de mannen die achter haar aan liepen. ‘We maken hier kleding, verder niets.’
‘Hou je mond en loop door!’ Een van de mannen duwde haar zo hard dat ze bijna viel en de trapleuning moest vastgrijpen om dat te voorkomen. Ze liep met zware stappen naar boven, zodat Vivi haar zou horen aankomen als ze boven was.
‘Ik meen het, messieurs, ik heb echt geen idee wat u komt doen. Maar zoals u zult zien hebben we niets te verbergen. Ze sprak opnieuw zo hard als ze durfde in de hoop dat haar woorden Vivi zouden alarmeren en haar bewust zouden maken van de drie paar zware laarzen die haar de trap op volgden.
‘In dat geval heb je niets te vrezen van ons bezoekje, toch?’ De woorden van de tweede man hadden een sinistere ondertoon.
Toen ze de deur van het appartement opendeed nam een van de mannen haar arm in een stalen greep. Ze voelde hoe de vingers in zijn zwarte handschoenen haar huid kneusden onder de lagen winterkleding die ze aanhad. De andere twee trapten de deuren in de gang open en Claire zag dat Mireilles kamer leeg was. Toen zag ze Vivi’s geschrokken gezichtsuitdrukking en de snelle beweging van haar handen toen ze iets van haar hoofd trok wat op een koptelefoon leek. Een soort radio stond op het tafeltje naast haar.
‘Zozo, en wat hebben we hier?’ De Gestapo-officier grijnsde triomfantelijk naar zijn collega. ‘We dachten dat we sardientjes zouden vinden, maar zo te zien hebben we een haai aan de haak geslagen. Wat een onverwacht genoegen!’
Claire wilde in een reflex naar Vivi toe rennen, maar de man die haar bij haar arm vasthad schudde zo hard aan haar dat ze op haar tong beet. Haar mond vulde zich met de metaalachtige smaak van bloed. ‘Ik dacht het niet!’ schreeuwde hij tegen haar. ‘En waar is je andere vriendin? Jullie wonen hier toch met zijn drieën?’
Claire schudde haar hoofd. ‘Ze is er niet. Ze is weg.’ Ze dacht razendsnel na en zei zo hard dat Vivi het ook zou horen: ‘Ze is vorige week vertrokken en niet meer teruggekomen. We hebben geen idee wat er is gebeurd, maar misschien dat u er meer van weet, monsieur?’ Ze keek hem uitdagend aan.
Hij stak zijn zwart gehandschoende hand op en sloeg haar hard in haar gezicht. ‘Wij stellen hier de vragen, die jij beantwoordt. Ik hoop voor je dat je een snelle leerling bent, mademoiselle, anders maak je het een stuk moeilijker voor jezelf. En voor je vriendin.’
Tranen stroomden nu over Claires wangen, het zout vermengde zich met het bloed in haar mond, maar ze perste haar lippen opeen en weigerde een gil te slaken. Ze hoorde in Vivi’s kamer iets breken en strekte haar nek om te kunnen zien wat er was gebeurd, maar de man duwde haar haar eigen kamer in, sloeg de deur dicht en blafte: ‘En jij blijft hier tot ik zeg dat je naar buiten mag komen.’ Ze hoorde zijn voetstappen door de gang bewegen, op weg naar zijn collega’s.
Ze keek wanhopig om zich heen, op zoek naar iets wat hen van Vivienne kon afleiden. Kon ze een afleidingsmanoeuvre verzinnen? Hen wegleiden? Hulp gaan halen? Ze vroeg zich af of ze door het raampje zou passen en via het dak zou kunnen ontsnappen, maar zelfs als dat zou kunnen, kon ze Vivi niet achterlaten, de vriendin die aan haar bed zat om haar gerust te stellen als ze een nachtmerrie had, de vriendin die haar troostte als ze bang was.
Ze had al geconcludeerd dat Vivi een essentiële rol in het netwerk speelde en cruciale informatie naar het verzet doorspeelde, maar ze had geen idee gehad dat Vivi een kortegolfontvanger op haar kamer had. Wat had Vivi verder nog voor geheimen? Haar nauwe betrekkingen met monsieur Leroux zouden het einde van het hele netwerk kunnen betekenen. Claire huiverde bij de gedachte aan de vele levens die op het spel stonden.
Toen wist Claire ineens wat ze moest doen. Ze moest bij Vivienne blijven om haar te steunen, om haar te helpen sterk te blijven en niet te vertellen wat ze wist. Ze moesten het samen vierentwintig uur volhouden, dat was wat hun was opgedragen. Dan zou Mireille de anderen kunnen waarschuwen. Het was aan Claire en Vivienne om te zorgen dat ze genoeg tijd hadden om hun sporen uit te wissen. Waar ze ook heen gingen, ze was vastberaden dat ze er samen naartoe zouden gaan.
Ze propte zo snel ze kon zo veel mogelijk warme kleren in een tas. Toen sprong ze op van schrik omdat haar slaapkamerdeur nogmaals werd opengetrapt. ‘Heel goed, mademoiselle, ik zie dat je zo slim bent om wat spulletjes in te pakken voor je vakantie,’ sneerde de officier. ‘Ik ben benieuwd wat je van je verblijf aan de Avenue Foch gaat vinden.’
De andere twee waren al bezig Vivi de trap af te dirigeren toen de man Claire het appartement uit duwde. Ze haastte zich achter haar vriendin aan en liet onderweg een handschoen vallen. Ze wilde hem oprapen, maar de man gaf haar nog een duw, waardoor ze viel en op de overloop van de verdieping eronder terechtkwam. Hij trok haar met zijn ijzeren greep op haar voeten en duwde haar de trap af en de Rue Cardinale op.
Er stond een zwarte auto geparkeerd en Claire en Vivi werden achterin geduwd. Ze wierp een steelse blik op het gezicht van haar vriendin. Een van haar ogen was aan het zwellen, zat bijna dicht, en ze zag er diep geschokt uit. Claire pakte haar hand en kneep er zachtjes in. ‘Ik ben bij je,’ fluisterde ze, in een echo van de woorden die Vivi sprak als Claires nachtmerries hen beiden wakker hadden gemaakt. ‘Het komt allemaal goed.’
Toen draaide Vivienne zich naar Claire om en keek haar aan, en het leek net of ze haar aanwezigheid nu pas registreerde. Haar ogen stonden groot van angst, maar ze concentreerde zich op het gezicht van haar vriendin en knikte. Toen kneep ze op haar beurt zachtjes in de hand van Claire, en ze hielden elkaar stevig vast terwijl de auto westelijk door de straten van Parijs reed.