Hoofdstuk 29: 1944 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
DIE JANUARI BEVROOR DE STAD. Het was een van de koudste die Mireille zich kon heugen, en nu er minder eten en kolen waren dan ooit had ze het gevoel dat haar lichaam en geest ook bevroren. Ze liep slaapwandelend door haar dagen in de naaikamer, gewikkeld in een deken terwijl ze probeerde de stukken stof aan elkaar te zetten van de weinige kledingstukken die nog werden besteld. Veel meisjes hadden het atelier verlaten. Sommigen – de Joodse en een of twee andere – waren eenvoudigweg verdwenen, net als Claire en Vivi. Anderen hadden besloten terug te gaan naar hun familie en te proberen te overleven op het platteland, waar je tenminste kans had zelf wat voedsel te verbouwen.
De verleiding naar huis te gaan was sterk, maar Mireille wist dat ze Parijs niet kon verlaten, zelfs als het haar zou lukken toestemming te krijgen om te reizen. Als ze een reispas zou aanvragen, zou ze daarmee de aandacht op zichzelf vestigen. En ze moest hoe dan ook blijven, om de vluchtelingen te helpen die ondergedoken zaten in de zolderkamers aan de Rue Cardinale, en voor haar vriendinnen, Claire en Vivi. Ze had geen idee of ze nog leefden, maar ze wist dat ze moest doorgaan, dat ze moest blijven hopen dat ze op een dag zouden terugkomen.
Ze verliet het appartement zo weinig mogelijk, krulde zich op in haar dekens als het luchtalarm ging en ze in de verte de bommenwerpers hoorde. Ze vroeg zich vaak af of ‘Fréd’ in een van die vliegtuigen zat, en ze probeerde zichzelf moed in te spreken door zich voor te stellen dat dat zo was, dat hij wist dat zij daar was en dat hij zijn bommen niet op Saint-Germain zou richten, zorgde dat zij veilig zou zijn.
Leroux bracht nu en dan nieuws over de oorlog voorbij de landsgrenzen. De Duitse troepen waren dunner gespreid dan ooit, en de ontberingen die ze de landen die ze bezet hielden hadden aangedaan beten henzelf ook. De geallieerden waren sterker dan ooit en rukten op. Als het tij bleef keren zoals het deed, zei hij, dan zou de oorlog niet lang meer duren…
Ze probeerde moed te putten uit zijn woorden, hoewel zijn gezicht wanneer ze het bestudeerde grauw en vertrokken was van zorgen en angst en zijn onderliggende gevoel van wanhoop verried.
Ze had nog vaak teruggedacht aan wat hij had gezegd op die dag dat hij was komen vertellen dat Vivi en Claire vanuit de gevangenis naar een kamp in het oosten waren gebracht. Ik hou van hen allebei, Mireille. Wat betekenden die woorden? Wat voor relatie had hij met Vivi, en wat voelde hij voor Claire? Kon hij van beiden evenveel houden?
Op een avond schoof ze, nadat ze het vluchtelingengezin waaraan ze onderdak voor die nacht bood hun slaapkamers had laten zien, bij hem aan tafel aan.
Ze zaten even in stilte. Toen zei ze: ‘Ik vraag me af wat zij nu doen.’ Ze hoefde hun namen niet uit te spreken; ze wisten allebei over wie ze het had.
‘Ik zeg elke dag tegen mezelf dat zij doen wat wij doen. In leven blijven, doorgaan, uitkijken naar de dag dat we weer samen kunnen zijn. Ik denk dat we onszelf dat moeten voorhouden. Het is wat ons een reden geeft om door te gaan.’
Ze probeerde zijn gezichtsuitdrukking te lezen, maar de diepte van zijn pijn lag als een deken over al het andere. ‘Vivi…’ begon ze, maar toen hield ze op met praten, niet in staat de woorden te vinden voor wat ze hem wilde vragen.
Hij bestudeerde een moment haar gezicht. Toen zei hij met gebroken stem van emotie: ‘Vivi is mijn zusje.’
En toen begreep ze het ineens. Hun intimiteit. De manier waarop ze naar elkaar glimlachten. Maar ook hoe ze hem naar Claire had zien kijken. Hij hield inderdaad van hen allebei. Maar op verschillende manieren. Ze begreep de pijn in zijn ogen nu ook.
Hij was zowel zijn zusje als de vrouw van wie hij begon te houden kwijtgeraakt. En dat verweet hij zichzelf.
* * *
De vrouwen zouden van de kou zijn omgekomen, het bloed in hun aderen zou zijn bevroren, als ze niet met zo velen op elkaar gepakt in de barak hadden gezeten. In de winter beten de vlooien en luizen minder, wat betekende dat er minder mensen stierven aan tyfus, maar griep en longontsteking vulden die leegte en zetten de wrede en meedogenloze oogst van levens in het hele kamp zo onverminderd door. Verzwakt door uithongering en wanhoop hadden maar weinig gevangenen de kracht om te vechten.
Op een avond toen ze terugkwamen uit de fabriek nam de kameroudste Vivi en Claire apart. ‘Ze vragen om naaisters in het registratiecentrum. Er komen de laatste tijd zo veel mensen binnen dat ze meer naaimachines hebben neergezet. Ik heb jullie op de lijst gezet.’
‘Dank je,’ zei Vivi. Ze had Claire sinds ze in het kamp verbleven opgedragen alles wat ze maar te pakken kon krijgen in de fabriek mee te nemen en aan de kameroudste te geven, zoals Vivi dat zelf ook deed, om bij haar in een goed blaadje te komen. Alles had waarde: een handje knopen, een naald en draad, een stukje stof. En nu leverden hun geschenken eindelijk iets op, hadden ze een plek voor hen betaald in de relatieve warmte en veiligheid van het registratiecentrum.
Dus liepen ze de volgende ochtend niet over het besneeuwde pad naar de fabriek, maar een paar honderd meter naar het cluster van gebouwen naast de poort van het kamp. Claire liep er op haar handen blazend heen in een poging te voorkomen dat haar vingers zouden bevriezen. ‘Ik ben benieuwd wie ons werk in de fabriek gaat overnemen,’ mijmerde ze hardop.
Vivi wilde wat gaan zeggen, maar de ijslucht bleef in haar longen steken, en haar hele lichaam schokte terwijl ze hoestte. Toen ze haar stem weer had gevonden zei ze: ‘Nou, ik hoop in elk geval dat degene die mijn machine overneemt niet ontdekt dat ik hem zo heb ingesteld dat hij de tenen en hielen dunner maakt in plaats van sterker. Ik hoop dat een fiks aantal Duitse soldaten ondertussen pijn in zijn voeten heeft. Dat is mijn recentste bijdrage aan de oorlogsinspanningen!’ Er flitste kort iets van de oude sprankeling door haar lichtbruine ogen, en Claire schoot in de lach. Het geluid was als muziek in de bevroren lucht, een geluid dat zo ongebruikelijk was dat de gevangenen die een stukje voor hen uit liepen zich omdraaiden om hen aan te staren. In de wachttoren zwaaide een machinegeweer hun kant op, en Claire sloeg snel een hand voor haar mond.
Vivi moest weer hoesten, en haar adem vormde wolkjes boven haar hoofd, die bevroren tot ijsdruppeltjes die zich in haar korte rode krullen nestelden. Een straal winterzon verlichtte haar een moment en Claire was geraakt toen ze zag hoe mooi haar vriendin op dat moment was, misplaatst in het troosteloze kamp als een robijn in een berg vodden.
* * *
Mireille voelde de greep van de Duitsers op Parijs verzwakken. Steeds minder soldaten kregen verlof, dus er zaten er ook veel minder in de cafés en restaurants aan de Boulevard Saint-Germain, terwijl steeds meer militaire konvooien de stad verlieten en naar het noorden reden.
Monsieur Leroux kwam op een avond in juni met een grote doos naar het appartement. Hij zette hem met een zwierig gebaar op de tafel in de woonkamer. ‘Voilà! Ik heb een cadeautje voor je meegenomen, Mireille.’ Ze opende de doos en trof een kortegolfontvanger aan.
Een jaar eerder zou ze in paniek zijn geraakt van een dergelijk apparaat onder haar dak, maar nu vertegenwoordigde het vrijheid.
Nadat hij hem had aangesloten en de antenne goed had gezet klonk een stem door in de ruimte. Ze kon in eerste instantie nauwelijks volgen wat er werd gezegd.
‘Waar heeft hij het over?’ vroeg ze Leroux. ‘Wat is “Operatie Overlord”?’
Zijn ogen glansden van een hoop die ze er in lange tijd niet had gezien. ‘De geallieerden zijn op het strand van Normandië geland, Mireille. Dit is het. Het grote eindoffensief. Ze vechten op Frans grondgebied.’
Ze rende nadien elke avond na haar werkdag in de naaikamer terug naar boven om de radio aan te zetten en te luisteren naar het laatste nieuws van de BBC en de zender van de Vrije Fransen, Radiodiffusion Nationale. De stemmen vulden de kamer met bulletins die over de laatste bewegingen berichtten terwijl de geallieerden Frankrijk dorpje voor dorpje uit de Duitse klauwen bevrijdden. Terwijl ze luisterde leken diezelfde stemmen haar hart met nieuwe hoop te vervullen. Ze begon zichzelf weer toe te staan te geloven dat de oorlog op een dag voorbij zou zijn; dat ze binnenkort haar familie zou kunnen zien; dat Claire en Vivi thuis zouden komen; en dat misschien – heel misschien – daar ergens die jonge Vrije Franse piloot, wiens naam ze ’s nachts fluisterde in de stilte van haar donkere kamer, vechtend op weg terug was om de stad te bevrijden waar zij wachtte, als in een vagevuur, tot haar leven weer zou beginnen.
Langzaam maar zeker kroop een nieuwe toon van opstandigheid in de stemmen die door de radio klonken, tot het tij, uiteindelijk, keerde.
Het was een bloedhete augustusmiddag en mademoiselle Vannier had de weinige resterende naaisters eerder naar huis gestuurd. Er was nog maar zo weinig werk dat er nog maar één team aan het werk was. De salon was de laatste tijd vaker dicht dan open, de rolgordijnen naar beneden getrokken over de etalage met daarop de naam DELAVIGNE COUTURE.
Mireille gooide de ramen van het appartement open in een poging wat koelere vroegeavondlucht in de oververhitte zolderkamers binnen te laten, en zette de radio aan. Toen ze in de keuken een glas water voor zichzelf inschonk, trokken de woorden van de omroeper haar naar de radio om beter te luisteren.
‘Laten we een einde maken aan die konvooien,’ zei de stem. ‘Gisteren zijn er weer duizend of meer mannen en vrouwen naar het oosten gestuurd. En vandaag zeggen we: “Genoeg!” Genoeg van onze landgenoten zijn verdwenen naar de Duitse werkkampen. Het is tijd dat ze thuiskomen. Burgers van Parijs, het is tijd om hier een einde aan te maken. Het personeel van de Métro, de gendarmes en de politie zijn in staking. We roepen alle burgers op om in verzet te komen. Ga de straat op en neem uw stad terug!’
Alsof het een reactie op de oproep was hoorde ze schoten van de kant van de rivier komen, gevolgd door de doffe knal van een explosie ergens verder in het noorden. Beneden op straat klonk geschreeuw, en het geluid van rennende voeten leek een echo van het bonken van haar hart.
Ze voelde een overweldigende behoefte eraan deel te nemen, aan wat het ook was dat er daar gebeurde… Ze rende zonder nadenken de metalen trap af en de Rue Cardinale op. De hoge gebouwen en de nauwe straat beperkten haar zicht, dus rende ze instinctief in de richting van de rivier, waar ze beter zou kunnen zien wat er gebeurde.
Een groep jongemannen marcheerde naar de Pont Neuf met een ratjetoe aan wapens die ze God-mocht-weten-waar hadden bemachtigd. Meer mannen kwamen uit kelders en zolders van de gebouwen langs de kade – obers, kantoorbedienden en politieagenten: allemaal verzetsstrijders.
Mireille aarzelde in de schaduw van een plataan, onzeker waar ze heen moest. Aan het einde van de brug waren mannen en vrouwen met alles wat ze maar op straat konden vinden een barricade aan het opwerpen. Twee mannen waren een van de bomen die aan het begin van de brug stonden aan het vellen, er met hun bijlen wanhopig op in hakkend.
Mireille rende naar de groep die stoeptegels aan het loswrikken was en die op de groeiende berg gooide. Haar handen bloedden terwijl ze de stenen lospeuterde uit hun cement, een hoekje wist op te wippen, een steen bevrijdde en daar wankelend mee naar de barricade liep.
‘Pas op!’ schreeuwde een man toen de boom begon te vallen, en ze sprong opzij om hem te ontwijken.
Op dat moment kwam een Duits pantservoertuig op hen af rijden naar de brug, om zich heen schietend met machinegeweren. Kogels ketsten af tegen de stenen en de verzetsstrijders vuurden terug. De man trok Mireille mee om te schuilen achter de gevelde boom en een kogel boorde zich naast haar in de boomstam. Het pantservoertuig begon te slingeren en reed toen in tegengestelde richting over de kade weg.
De man greep haar bij haar arm en trok haar op haar voeten. ‘Ga naar huis, mademoiselle,’ zei hij. ‘Het is levensgevaarlijk op straat. De stad is nu een oorlogsgebied. Ga gauw naar binnen.’ Aan de verre kant van de brug kwam een Duitse tank aanrijden, het kanon dreigend op de barricade gericht. ‘Hup! Wegwezen nu het nog kan!’ Hij duwde haar in de richting van de Rue Dauphine en ze begon te rennen, struikelend, naar de beschutting in de smalle straten van de rive gauche. Ze keek al rennend over haar schouder naar de tank, die oprukte in de richting van de barricade, waar een van de verzetsstrijders aan het einde van de brug in een poel helderrood bloed lag.
In het appartement vulde de radio de lege kamers nog met zijn tirade, spoorde de burgers aan hun stad terug te nemen. Ze plofte in een stoel, snakkend naar adem, en zat terwijl de bevrijding van Parijs plaatsvond tot diep in de nacht te luisteren naar het kanonvuur en de stemmen in de verte.
* * *
In het kamp waren ze gewend aan de ‘selecties’ die vrijwel dagelijks plaatsvonden. Gevangenen werden marcherend op pad gestuurd of in bussen gezet om naar een van de vele satellietkampen in de omgeving te worden getransporteerd. Sommigen kwamen terug en vertelden waar ze waren geweest, van anderen werd nooit meer iets vernomen.
Op een dag na het ochtendappel, toen de anderen op weg gingen naar de fabrieken, moesten Claire en Vivi met een aantal andere vrouwen achterblijven. Claire wierp een steelse blik op de anderen die nog op het stoffige plein voor de barakken stonden. Een enkeling zag er angstig uit, niet wetend wat er ging gebeuren en welk lot hun zou zijn beschoren. Maar de meesten stonden eenvoudigweg met terneergeslagen ogen te wachten, nauwelijks in staat zich nog ergens druk om te maken. Vivi ving haar blik en glimlachte bemoedigend.
‘Kijk voor je,’ snauwde de bewaker.
De vrouwen stonden in de hete zon, die op hun geschoren hoofden brandde, enkel beschermd door een dunne katoenen hoofddoek, tot hun uiteindelijk werd opgedragen te gaan lopen. De verfomfaaide, uitgehongerde rij vrouwen liep de poort uit en achter de bewakers aan naar het station, waar een rij trucks naast het perron stond.
‘Alstublieft, God, niet nog een keer,’ bad Claire, denkend aan de lange, trage reis die hen naar Flossenbürg had gebracht. Een bewaker trok de zware schuifdeur van een van de wagons open en Claire begreep niet direct wat ze zag. Ze kneep haar ogen half dicht in het felle zonlicht en zag in het donker in de houten wagon een berg blauw-wit gestreepte stof en bleke ledematen. Donkere ogen in gezichten als doodskoppen staarden haar aan. Toen drong het tot haar door dat het vrouwen waren. De stank van de dood was zo heftig dat ze haar hand voor haar neus en mond sloeg; de bewaker trok snel de deur weer dicht.
‘Volgende wagon,’ riep een SS-officier, en hij gebaarde hen verder het perron op. De vrouwen klommen in stilte in de lege veewagon die op hen stond te wachten. De houten deur werd dichtgeschoven, het werd binnen donker, en een paar minuten later begon de trein te rijden.
De bevrijding van Parijs nam de straten van de hoofdstad vier dagen lang in beslag. Mireille luisterde naar de radio en hoorde dat verzetsstrijders het Grand Palais hadden bezet en werden beschoten door Duitse troepen. In de hele stad werd gevochten, maar colonnes Duitse voertuigen waren ook op de Champs-Élysées gezien, zich in oostelijke richting terugtrekkend.
De volgende avond werd de toon van de omroepers nog koortsachtiger. ‘Houd moed, burgers van Parijs!’ riep de omroeper. ‘De Tweede Franse pantserdivisie is onderweg. Een voorhoede is al bij de Porte d’Italie. Kom in opstand en vecht om uw land te heroveren!’
Beneden op straat klonk het geluid van rennende voeten en salvo’s geweerschoten.
Maar toen hoorde ze iets anders. Ze trok snel haar schoenen aan, rende naar beneden en haastte zich voor het eerst sinds ze had geholpen met het bouwen van de barricade op de Pont Neuf naar de rivier. Daar sloot ze zich aan bij een groeiende vloedgolf van mensen die de straten op gingen en een voor een begonnen mee te zingen.
La Marseillaise klonk in de straten terwijl Franse en Spaanse troepen in Amerikaanse tanks en trucks het vuur op de Duitse vestingwerken openden.
* * *
Toen ze in Flossenbürg in die wagon waren geklommen hadden Claire en Vivi niet geweten waar ze heen werden gebracht of hoelang de reis zou duren. Maar de trein kwam al na een paar schokkerige uren tot stilstand.
De vrouwen hieven hun gebogen hoofden toen ze geschreeuwde bevelen hoorden en de deuren hoorden opengaan. Uiteindelijk werd ook hun deur opengeschoven en hielpen ze elkaar uit de wagon, met hun ogen knipperend in de avondzon. Ze wendden hun hoofd af van de bergen met lichamen die een stukje verderop uit de trein werden gesleept en naast het spoor op elkaar werden gestapeld. Mannelijke gevangenen in de alom aanwezige gestreepte uniformen laadden de lijken op handkarren en brachten die weg.
Degenen die nog in leven waren kregen opdracht in een rij naar een hoog, wit wachthuis te lopen. Een vrouw kwam naast Claire en Vivi lopen.
‘Komen jullie uit Flossenbürg?’ vroeg ze zo zacht dat niemand het boven het geschuifel van de voeten uit zou horen. ‘Ik zag de naam staan toen we stopten op het station.’
Claire knikte.
‘En jij?’ vroeg Vivi. ‘Waar kom jij vandaan?’
‘Uit het noorden,’ antwoordde de vrouw. ‘Uit Belsen. Ik hoop dat het hier ietsje beter wordt. Erger kan het in ieder geval niet zijn.’
‘Weet jij waar we zijn?’
‘Ik heb een van de bewakers horen zeggen dat we naar Dachau gaan. Weg van de bombardementen in het noorden. Ze bouwen hier nieuwe fabrieken, ter vervanging van de fabrieken die zijn gebombardeerd. Dus hebben ze nieuwe arbeiders nodig.’
‘Stilte!’ brulde een bewaker. ‘Doorlopen!’
Toen ze door de poort bij het wachthuis liepen keek Claire op en zag de ondertussen bekende woorden in het ijzeren hek: ARBEIT MACHT FREI. Deze keer las ze ze in stilte.
De vrouwen werden naar barakken gestuurd die veel groter waren dan die in het kamp in Flossenbürg. Overal waar je keek stonden ze, rijendik. Dachau leek wel een stad, vond Claire. Midden in het kamp, achter een groepje bomen, torende een hoge schoorsteen de augustushemel in, die de blauwe lucht besmeurde met een wolk grijze rook. Ze kende het beeld uit het vorige kamp en huiverde in de wetenschap dat dit de plek moest zijn waar de handkarren met lichamen naartoe werden gebracht voor vernietiging.
Vivi trok aan haar mouw. ‘Kom,’ zei ze. ‘Dan zoeken we een slaapplek, voordat alles is bezet.’
Nadat ze in de rij hadden gestaan voor een kommetje waterige soep met een stukje keihard roggebrood liepen ze ermee terug de barak in en riep de kameroudste alle vrouwen bij elkaar. Ze had een klembord in haar hand en vertelde iedereen waar ze de volgende dag zou gaan werken. Ze keek naar de nummers op de jasjes van Claire en Vivi en toen op haar lijst. ‘Jullie moeten je melden in het registratiecentrum. Jullie gaan naar de naaikamer. Weet je wat je moet doen?’
Het tweetal knikte.
‘Mooi. Eet je eten op en ga slapen. Het is morgen weer vroeg dag.’
In de overvolle brits, die ze deelden met twee andere vrouwen met wie ze kop aan staart lagen, fluisterde Claire tegen Vivi: ‘Het komt wel goed in het registratiecentrum, toch? Net als eerst. Godzijdank kunnen we naaien. Misschien is het zelfs wel de reden dat we nog niet dood zijn.’
Vivi bracht haar hand naar haar mond en haar hele lichaam schokte terwijl ze een hoest probeerde te onderdrukken. Toen ze weer in staat was iets uit te brengen zei ze: ‘Het komt allemaal goed. En nu slapen, Claire. Het was een lange dag.’
* * *
Claire raakte gewend aan het werkritme in de naaikamer bij het registratiecentrum in Dachau. De hele dag door werd een stroom nieuwe gevangenen geregistreerd en zoemden de naaimachines terwijl de arbeiders de nummers en gekleurde driehoeken aan de blauw-wit gestreepte uniformen vastnaaiden, een op het jasje, vlak boven het hart, en eentje op de rechterpijp van de broek. Het brak haar hart onderdeel te zijn van de gruwelijke machinerie die elke nieuwe gevangene met meedogenloze efficiëntie registreerde, en ze voelde zich schuldig bij elk kledingstuk dat ze teruggaf aan de drager, in ogen kijkend die vervuld waren van angst en wanhoop. In eerste instantie probeerde ze hen gerust te stellen met een vriendelijk woord, maar de opzichter van de naaikamer schreeuwde dat ze haar mond moest houden en zich op haar werk moest concentreren. Dus kon ze niet meer aanbieden dan een glimlachje.
Maar ze wist dat ze geluk had. Aangezien het maar een korte dagelijkse wandeling was naar het registratiecentrum konden Vivi en zij het beetje energie sparen dat de magere rantsoenen in het kamp leverden, en Claire begon zich ietsje sterker te voelen dan ze in de textielfabriek in Flossenbürg was geweest. Aan het eind van de dag, onder het toeziend oog van de bewakers in de torens rond het kamp op weg terug naar de barakken, merkte ze ook op dat Vivi’s hoest iets minder erg begon te worden, hoewel dat misschien alleen was omdat het zomer was. Ze wist ook uit de verhalen van de andere vrouwen dat haar werk wat lichter was dan dat in de fabrieken.
Het drong tot haar door dat ze al meer dan een jaar in een kamp waren, en ze dreigde overweldigd te worden door een gevoel van wanhoop. Zouden ze Parijs ooit nog terugzien? Ze keek steels naar Vivi, die voorovergebogen aan haar naaimachine zat te werken. Alsof ze aanvoelde dat Claire naar haar keek, keek ze op en glimlachte geruststellend. We zijn samen, zei Claire tegen zichzelf, het mantra herhalend dat haar al door zo veel wanhopige periodes had geholpen. Het komt allemaal goed.
Als uit het niets beende een bewaker die tegen een muur geleund naar de werkende vrouwen had staan kijken naar Vivi toe, sleurde haar van haar stoel en sloeg haar hard tegen haar hoofd. De gevangenen krompen ineen en een van de vrouwen slaakte van schrik om het plotselinge en lukrake geweld een gil.
Claire zag geschokt een aantal gele driehoeken van Vivi’s schoot op de vloer dwarrelen, als de vleugels van uit elkaar gerukte vlinders op de kale plankenvloer aan haar voeten. De bewaakster begon te schreeuwen en twee van haar collega’s kwamen vanuit een belendende ruimte aangerend.
‘Verraadster! Franse hoer!’ schreeuwde de bewaakster. Ze boog zich voorover en raapte de gele driehoekjes van de vloer. ‘Hoeveel van deze heb je omgeruild voor blauwe? Ontken het maar niet! Ik heb je in de gaten gehouden. Ik heb het je zien doen. En als er twee verschillende kleuren op moeten, laat je de gele weg. Ik kan je hiervoor laten fusilleren.’ Ze keek om zich heen naar de doodsbange naaisters en gevangenen, die allemaal als versteend waren. ‘Laat dit voor iedereen een les zijn dat je niet hoeft te denken dat je bevelen kunt negeren.’
In de stilte draaide iedereen zijn hoofd naar Claire toen die haar stoel naar achteren duwde, schrapend over de vloer, en opstond. Vivi’s gezicht was lijkbleek en bloed sijpelde uit haar onderlip, maar ze keek Claire smekend aan en schudde bijna onzichtbaar haar hoofd, haar woordeloos smekend zich koest te houden.
‘Jij ook?’ snauwde de bewaakster. ‘Ben jij ook een verraadster? Of meld je je vrijwillig aan voor dwangarbeid met je vriendin?’
Claire opende haar mond om iets te gaan zeggen, maar toen riep Vivi: ‘Nee! Laat haat met rust. Ik heb het alleen gedaan. Niemand wist ervan.’
‘Neem haar mee,’ snauwde de bewaakster. ‘En jij,’ snerpte ze tegen Claire, ‘gaat weer zitten en gaat verder met je werk. Ik houd je in de gaten, dus denk maar niet dat je ergens mee wegkomt.’
‘Alstublieft…’ zei Claire.
‘Hou je mond!’ brulde de bewaakster, en ze trok haar revolver uit de holster. ‘De volgende die iets zegt, wordt neergeschoten. Dus gaan jullie nu aan het werk, of moet ik jullie allemaal wegsturen en je luizenbaantje aan vrouwen geven die minder ondankbaar zijn dan jullie?’
Claire ging langzaam, als verdoofd, weer zitten en boog zich over haar naaimachine. Haar tranen drupten op het blauw-wit gestreepte jasje dat op tafel voor haar lag terwijl Vivi de ruimte uit werd gesommeerd.
* * *
Claire was in alle staten. Niemand wist wat er met Vivi was gebeurd. De kameroudste haalde haar schouders op toen Claire haar smeekte te proberen te achterhalen waar Vivi was. ‘Had ze maar niet zo stom moeten zijn om te proberen de bewaaksters te bedriegen. Gele driehoeken verdonkeremanen om te proberen gevangenen te redden. En dat terwijl ze zo’n geluk had met dat werk.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ze zal ondertussen wel in het crematorium liggen.’
Het moest een week of twee later zijn – Claire was haar tijdsbesef kwijt en een andere gevangene had Vivi’s plaats op de brits ingenomen – toen Vivi op een avond in de barak stond. Ze was nog magerder geworden, en haar hoest was terug. Haar kleding hing als vodden om haar lichaam en ze liep voorovergebogen, alsof ze was verschrompeld. Claire rende op haar af en hielp haar in de brits, waarop de vrouw die haar plaats had ingenomen mopperend naar een andere plek verkaste. Claire haalde een kommetje soep en probeerde dat aan Vivi te geven, maar haar handen beefden zozeer dat ze niet in staat was het vast te houden zonder soep te knoeien. ‘Laat mij maar,’ zei Claire op geruststellende toon. Ze voerde Vivi hapje voor hapje de waterige soep van aardappelschillen en kool.
Later, toen ze genoeg op krachten was gekomen om te kunnen praten, vertelde Vivi aan Claire dat ze twee weken in eenzame opsluiting had gezeten. Ze had daar gelegen, alleen in de duisternis, luisterend naar het kreunen en huilen dat in de andere cellen klonk, en zichzelf staande gehouden door steeds maar weer de woorden te herhalen die Claire en zij zo vaak tegen elkaar hadden gefluisterd: Ik ben bij je. We zijn nog steeds samen. Het komt allemaal goed. ‘Ik kon het aan in de wetenschap dat het goed ging met jou,’ zei ze.
Claire hielp Vivi te gaan liggen. ‘Je wordt weer helemaal beter. Ik zal voor je zorgen. Denk je dat je weer in de fabriek tewerk wordt gesteld?’
Vivi schudde haar hoofd. ‘Ik heb opdracht gekregen me morgen na het appel voor het zware werk te melden.’
‘Nee!’ Claire zette grote ogen op van angst. ‘Daar ben je niet sterk genoeg voor. Dat wordt je dood.’
‘Dat is precies de bedoeling. Toen de bewakers me uit de naaikamer hadden gehaald zette een van hen me tegen de muur van het registratiecentrum en plaatste een pistool tegen mijn hoofd. Maar net toen hij de trekker wilde overhalen, hield zijn collega hem tegen. ‘Een kogel is veel te goed voor een Franse hoer als zij,’ hoorde ik hem zeggen. ‘We kunnen er nog wel wat werk uit persen en haar een langzamere dood laten sterven.’ Ze hield op met praten en kon nauwelijks ademen toen een pijnlijke hoestbui haar lichaam greep.
‘Stil maar,’ zei Claire. ‘Probeer niet te praten. Je moet rusten en op krachten komen.’
Vivi sprak verder alsof haar vriendin niets had gezegd. ‘Maar ik ben niet van plan hun dat genoegen te geven, Claire. Nu ik weer bij jou ben kan ik aansterken. Samen kunnen we alles aan, toch? Net zoals we altijd hebben gedaan?’ Vivi glimlachte naar haar, maar hoewel de nacht begon te vallen en het steeds donkerder werd in de barak, zag Claire dat haar ogen diepe poelen van verdriet waren.
* * *
Claire werd gek van haar werk in het registratiecentrum. Het lukte haar niet meer om nummers en driehoeken op de uniformen van nieuwe gevangenen te naaien. Na een maand verzamelde ze al haar moed en vroeg de kameroudste of ze kon worden overgeplaatst om samen met Vivi te kunnen werken.
De vrouw keek haar verbaasd aan. ‘Weet je wat je vraagt? Je vriendin is in opdracht van de Kommandant naar het zwaarste werk overgeplaatst. Het is een wonder dat ze nog niet dood is. De zomer is de enige reden dat een aantal van die arme zielen het tot dusverre heeft overleefd. Maar de winter is in aantocht. Dat wordt hun dood.’
‘Alsjeblieft,’ zei Claire ferm. ‘Ik wil echt worden overgeplaatst. Er zijn genoeg vrouwen die in de naaikamer willen werken. Laat me bij Vivi zijn.’
‘Oké. Als je maar niet zodra het gaat sneeuwen en je tien uur per dag sneeuw moet scheppen naar me toe komt om je fijne baantje terug te vragen. Ik hoop dat je weet waar je aan begint.’ Claire was zich er terdege van bewust dat de kans heel groot was dat Vivi en zij het eind van de winter niet zouden halen als ze dat zware werk moesten doen. Maar ze had terwijl ze Vivi had zien aftakelen tijd gehad om te bedenken wat het zou betekenen als Vivi er niet meer zou zijn. En ze wist dat ze niet met zichzelf zou kunnen leven als ze die lange, donkere nachten in die overvolle barak zou moeten doorbrengen zonder haar vriendin om tegen te fluisteren: ‘Ik ben bij je. We zijn samen. Alles komt goed.’
Claire had geen andere keuze. Ze wilde liever samen met Vivi sterven dan zonder haar verder leven.