Hoofdstuk 34: 1945 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
MIREILLE REISDE ELK WEEKEND naar het American Hospital in Neuilly om op bezoek te gaan bij Claire en bracht haar dan op de hoogte van het nieuws: een wereld die niet langer in oorlog was. Ze nam Claire aan de arm en wandelde rustig met haar over de paadjes tussen de keurig gemaaide gazons en de bedden vol vrolijke bloemen om de zomerzon de kans te geven weer wat kleur op haar wangen te brengen. Als Claire moe werd, gingen ze op een bankje onder de bomen zitten en vermaakte Mireille haar vriendin met verhalen over modehuis Lelong, beschreef ze de nieuwste ontwerpen van monsieur Dior en deelde ze de roddels over de klanten die kwamen passen met haar.
In eerste instantie leek Claire terughoudend terug te keren naar de wereld waar ze uit was gerukt, bijna alsof ze er niet wilde zijn. Maar stapje voor stapje, week na week en met ondersteuning en verzorging, zag Mireille haar vriendin weer tot leven komen. Toen ze het gevoel had dat het het juiste moment was, begon ze Claire heel voorzichtig aan te sporen te vertellen over wat haar en Vivi was overkomen. Sommige herinneringen waren nog te pijnlijk om ze bloot te stellen aan het licht in die zomerdagen in Parijs, maar Claire vertelde over haar werk in de textielfabriek en de naaikamer in het registratiecentrum, en ze vertelde hoe Vivi altijd manieren was blijven vinden om zich te verzetten, ondanks de slaag en martelingen, de uithongering en kou. Toen anderen om hen heen waren ontdaan van hun laatste beetje menselijkheid had Vivi geweigerd die van haar op te geven. Het waren die herinneringen die Claire hielpen een begin te maken met haar helingsproces.
Mireille fietste op een zondagavond via de Pont Neuf terug uit Neuilly. Daar aangekomen stapte ze af en zette haar fiets tegen de muur, en ze liep het trappetje af naar het eilandje midden in de Seine. De wilg stond er nog, op het puntje van het Île de la Cité, een overlevende van de strijd om de bevrijding van Parijs. Ze kroop onder de takken om er even te zitten, aan thuis te denken en te zien hoe de rivier voorbij stroomde. Ze hoorde op de kade achter haar gehaaste voetstappen op de kasseien en stond er verder niet bij stil, ervan uitgaand dat het een bootsman zou zijn die in het gouden licht van de zomeravond terugkeerde naar zijn boot.
De voetstappen hielden halt. Toen hoorde ze een stem zacht haar naam zeggen.
Ze stond op, leunend tegen de solide boomstam. En daar stond een man in een Frans legeruniform, die het groen van de boom opzij bewoog en zijn hoofd onder een tak van de wilg door stak. Hij zette zijn zware plunjezak op de grond en stak een hand uit, behoedzaam, raakte haar gezicht aan, alsof hij zeker wilde weten dat ze echt was en niet een visioen uit een droom, de vrouw die daar naast de rivier stond, die goud kleurde in het avondlicht.
‘Ik was op weg naar de Rue Cardinale om je te zoeken, maar toen zag ik je op de brug. Ik dacht tenminste dat jij het was, met die krullen, dus moest ik achter je aan om het zeker te weten,’ zei hij. ‘Mireille Martin. Wat heb ik jou gemist.’
Ze legde haar hand op de zijne en sprak nu eindelijk de naam die ze zo lang geheim had gehouden uit, de naam van de man van wie ze was gaan houden.
‘Philippe Thibault. Wat heb ik jou ook gemist.’
* * *
De reis van Dachau naar het ziekenhuis in Parijs had voor Claire als een droom gevoeld. Hoe hadden zij en Vivi er zo ondraaglijk lang over kunnen doen om het kamp te bereiken, terwijl de ambulance van het Rode Kruis die haar terugbracht dat in één lange dag deed? Ze was al die tijd zo dichtbij geweest, maar toch een wereld verwijderd van haar leven in de stad.
Het had een paar dagen gekost om het transport te regelen en monsieur Leroux was al die tijd nauwelijks van haar zijde geweken. Hoewel ze ondertussen wist dat hij helemaal niet ‘monsieur Leroux’ heette.
Het eerste wat hij haar had gevraagd toen hij daar zat met haar hand in de zijne was of ze wist waar Vivi was. Ze had hem in eerste instantie in een verdoofde stilte aangekeken, zag nog steeds de schaduw van haar vriendin in zijn ogen. Haar hoofd was zwaar en voelde pijnlijk in de nasleep van de koorts, en ze was onthutst hem hier in Dachau te zien, moest vreselijk haar best doen om te begrijpen wat ze zag en hoorde. Vivi’s naam uitgesproken te horen worden, hardop, door hem, was een enorme schok.
Haar lippen waren droog en gebarsten en hij moest naar haar toe leunen om haar antwoord te kunnen verstaan. ‘Ik kon haar niet redden,’ fluisterde ze. ‘Ik heb het geprobeerd. Zij heeft mij gered, maar ik kon haar niet redden.’ Toen begonnen de tranen te stromen, de uitgedroogde, strakgetrokken huid van haar gezicht bevochtigend als regen na een periode van intense droogte, en nam hij haar kwetsbare lichaam in zijn armen en hield haar vast terwijl ze huilde.
De daaropvolgende dagen organiseerde hij terwijl ze wachtten tot ze sterk genoeg zou zijn om naar Parijs terug te keren de reis naar het American Hospital en zat hij daaromheen onafgebroken aan haar bed. Hij voerde haar voedzame soep, het enige wat haar lichaam in eerste instantie in staat was te verdragen, een paar lepeltjes per keer om haar gekrompen maag te vullen. Hij zorgde dat ze het bittere drankje nam en masseerde zachtjes zalf in haar handen en voeten, die haar gebarsten huid vol littekens herstelde en soepeler maakte. Hij weigerde van haar zijde te wijken, zelfs ’s nachts, en als ze dan wakker schrok uit een nachtmerrie zat hij naast haar, met haar hand in de zijne, haar geruststellend zoals Vivi dat eerder had gedaan. ‘Stil maar. Ik ben bij je. Het komt allemaal goed.’
Ze was nog niet in staat om te praten over wat er in het Gestapo-hoofdkwartier aan de Avenue Foch was gebeurd, of in de trein naar Dachau, of in het kamp. In plaats daarvan praatte hij en luisterde zij, verbijsterd, terwijl ze zich af en toe afvroeg of ze had gedroomd wat hij haar over zichzelf en Vivi had verteld.
Het eerste was zijn naam. Laurence Redman. (‘Maar iedereen noemt me Larry.’) Dus niet monsieur Leroux, hoewel de Franse naam een letterlijke vertaling van de Engelse was.
Het tweede wat hij vertelde was dat Vivi zijn zusje was.
Ze waren in het noorden van Engeland opgegroeid, niet in Lille, hoewel hun moeder Frans was en zij in Lille was geboren. Hun Engelse vader was eigenaar van een textielfabriek en dat was hoe Vivi zo veel had geweten over de machinerie in de fabriek in Dachau. ‘Ze liep de godganse dag achter pa aan, bestookte hem met vragen en wilde precies weten hoe alles werkte. Ze is altijd dol geweest op naaien,’ vertelde hij Claire. ‘Toen ze klein was, naaide ze kleertjes voor haar poppen. En toen ging ze haar eigen kleding maken. En ze werkte ook voor het plaatselijke theater, waar ze kostuums maakte: ze was dol op al die rijke materialen en lintjes. Ze bleek bovendien een getalenteerd actrice te zijn.
Toen de oorlog uitbrak werd ik gerekruteerd voor de Special Operations Executive,’ vervolgde hij. ‘Dus toen ze naar me toe kwam en zei dat ze daar ook opgeleid wilde worden, dat ze iets wilde doen om de Fransen te helpen, wist ik dat ze er perfect in zou passen. We spreken allebei vloeiend Frans omdat onze moeder dat thuis altijd sprak, en onze kennis van textiel en mode was precies wat de SOE nodig had om een netwerk in Parijs op te zetten, waar de modewereld de perfecte dekmantel was.’
Hij stopte met praten, even niet in staat door te gaan terwijl hij terugdacht aan zijn mooie, opgewekte zusje. ‘Ik probeerde het uit haar hoofd te praten,’ zei hij uiteindelijk. ‘Maar je weet hoe ze was: ongelooflijk koppig en vastberaden. En dat waren eigenschappen die haar perfect maakten voor het werk. Ze was precies wat ze zochten. Ze deed de opleiding en slaagde met vlag en wimpel. Dus gaven ze haar een van de gevaarlijkste functies: radiotelegrafiste voor het netwerk, met als dekmantel haar baan als naaister in het centrum van Parijs. Ik wist niet of ik trots op haar moest zijn of alleen maar bang dat mijn kleine zusje iets zou overkomen.’
Toen hij het niet meer aankon en zijn hoofd in zijn handen begroef streelde Claire zijn haar. Ze verzamelde al haar moed en begon te praten: ‘Jij en ik dragen beiden het gewicht van ons schuldgevoel. We hebben allebei een rol gespeeld in het noodlot dat haar heeft getroffen. Maar nu ik naar jou luister begrijp ik dat we niets hadden kunnen doen om haar tegen te houden. Ze was vastbesloten te vechten voor Frankrijk, voor wat juist is. Dat is wie ze was. Ze zou nooit enig gevaar uit de weg zijn gegaan, zou altijd in opstand zijn gekomen tegen wat ze wist dat fout was. Ze had heldenmoed. Ze was een soldaat.’
Toen huilden ze samen, hun tranen vermengend, elkaar troostend, en toen het verdriet hun hart openbrak, bijna net zo pijnlijk als de fysieke littekens van Claire, wist ze dat de tranen en pijn iets nieuws zouden toestaan te groeien, van binnenuit. Samen met Larry zou ze een manier vinden om weer te leven.
En hij vertelde haar nog iets anders. Vivi’s echte naam. Die was geen Vivienne.
Ze heette Harriet.