Hoofdstuk 36: Harriet - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
LOGEREN BIJ DE FAMILIE VAN Simone in het zuidwesten van Frankrijk is alsof ik in een snelstromende rivier van herrie, liefde en lachende stemmen word getrokken. Haar ouders trekken me in een omhelzing die bijna net zo lang duurt als die met hun dochter. Haar moeder, Josiane, huilt tranen van geluk en opluchting dat we allebei nog leven en blijft me maar bedanken dat ik Simones leven heb gered. Haar vader, Florian, is een man van weinig woorden, een steenhouwer zoals zijn vader dat voor hem was, die met zijn drie broers in het familiebedrijf werkt. Maar ook hij trekt me in een omhelzing die boekdelen spreekt en me naar adem doet snakken.
Simones oudere zussen zijn in eerste instantie wat verlegen, maar tijdens het avondeten rond een lange tafel in de tuin onder een pergola vol jasmijn en kleine lampjes beginnen ze al snel te ontspannen. In eerste instantie is het een drukte van lachende en kletsende stemmen terwijl de familie het laatste plaatselijke nieuws uitwisselt. Later hebben we een serieuzer gesprek over het ongeluk en hoeveel geluk we hebben gehad.
Tegen de tijd dat ik in de logeerkamer van de familie Thibault in bed stort lukt het me nog net om het licht uit te doen voordat ik in een slaap val die dieper lijkt dan ik ooit heb gehad.
De volgende ochtend schuif ik bij Simone aan de ontbijttafel aan. Ze is al een tijdje op, dat zie ik aan haar, gretig om zo veel mogelijk tijd met haar familie door te brengen, en ze heeft al een bos herfstbloemen geplukt om mee te nemen naar haar mamie, Mireille. Het verse brood dat Josiane me serveert is de perfecte combinatie van zacht met een knapperige korst, en ik smeer er een dikke laag witte roomboter en amberkleurige abrikozenjam op. Het smaakt me beter dan alles wat de beste patisserie in Parijs zou kunnen maken.
Als Simone en ik de heuvel naar de cottage van Mireille op lopen worden we vergezeld door een stuk of zes zwaluwen die boven ons hoofd hun capriolen uithalen in een complexe, oneindige dans in de perfect blauwe hemel. Zo ver zuidelijk dient de herfst zich later aan en duurt de zomer langer dan in Parijs. De zon verwarmt mijn rug, maar het licht is tegelijkertijd zachter dan in de zomer, en ik geniet van het idee dat de zwaluwen hun vleugels strekken om zich voor te bereiden op hun lange reis naar het zuiden voor de winter.
We lopen een laantje in en langs een oprit met hoge eikenbomen erlangs. Een grote zwarte kat die lag te slapen in de schaduw staat op en rekt zich lui uit terwijl we naderen. Simone buigt zich voorover om hem achter zijn oren te kriebelen en hij begint hard te spinnen terwijl hij haar hand enthousiast kopjes geeft. ‘Dag, Lafitte,’ zegt ze. ‘En waar zijn mijn neefjes en nichtjes vandaag?’ Ze legt uit dat een van haar ooms – een van de zoons van Mireille – in dit huis woont met zijn Engelse vrouw en hun kinderen, en dat de oude kat helemaal bij de familie hoort.
We lopen verder de laan in, helemaal tot aan het huis van Mireille vergezeld door de kat. Hij kijkt toe als we het hek door gaan, keert zich dan om en wandelt met opgeheven staart terug de laan uit naar zijn uitkijkplaats onder de eikenbomen.
Mireilles cottage staat in een wijngaard vol druiven die, vertelt Simone, over een paar weken worden geoogst. Felgekleurde geraniums staan in potten voor elk raam. Simone klopt aan, duwt de voordeur open en roept: ‘Coucou!’
‘Kom binnen!’ De stem die antwoordt klinkt gebroken en zacht door ouderdom. ‘Ik zit in de keuken.’
Hoewel ze binnenkort haar honderdste verjaardag hoopt te vieren herken ik Mireille onmiddellijk van de foto van de drie meiden in de Rue Cardinale. Haar haar is nu wit, maar een paar eigenwijze krullen ontsnappen nog steeds uit het knotje onder in haar nek, weigeren nog steeds te worden ingetoomd. Haar diepbruine ogen staan nog steeds helder en haar blik is scherp als die van een vogel terwijl ze naar ons glimlacht. Ze zit in een grote oude leunstoel die haar piepklein doet lijken, en ze heeft een schaaltje doperwten op schoot, die ze zat te doppen in een vergiet, haar klauwachtige vingers nog behendig hoewel ze zijn vergroeid door reuma. Ik zie dezelfde vingers voor me, al die jaren geleden, terwijl ze in vliegende vaart over een lap fijne stof gaan, een naald die snel beweegt terwijl ze steekje na steekje zet.
Ze zet het schaaltje weg, strijkt haar schort glad, staat moeizaam op en omhelst haar kleindochter. ‘Simone, ma chérie,’ mompelt ze terwijl ze haar gehavende handen om Simones gezicht legt en haar zo laat weten hoeveel ze van haar houdt.
Dan wendt ze zich tot mij. ‘Harriette.’ Ze spreekt mijn naam op zijn Frans uit. ‘Eindelijk dan.’ Ze knikt alsof ze reageert op een stem die wij niet horen. ‘Je lijkt sprekend op je grootmoeder. Maar je hebt de ogen van je grootvader. En natuurlijk je oudtante.’ Ze trekt me naar zich toe met een verrassend stevige grip voor zo’n frêle oude vrouw en tuurt naar mijn gezicht alsof ze alles leest wat er staat geschreven. Haar scherpe blik lijkt recht in mijn kern te kijken. Ze knikt nogmaals, schijnbaar tevreden over wat ze er heeft gezien.
Dan trekt ze me in een omhelzing die teder en liefdevol is, en ik heb even het gevoel dat ik word vastgehouden door drie mensen, niet maar één. Het is net alsof zij de bewaarder van hun geesten is, alsof Claire en Vivi er ook zijn en me ook vasthouden.
‘Pak jij de spullen voor de thee even?’ zegt ze tegen Simone, naar een dienblad gebarend. ‘We gaan in de tuin zitten.’
Ze geeft me een arm en ik help haar naar buiten. Aan één kant van de tuin is een keurig onderhouden groentebed, de goed bewerkte grond donker als pure chocolade, met daarin een schat aan robijnrode tomaten, smaragdgroene courgettes en de amethist- en zilverkleurige kopjes van artisjokken. Erwtenplanten klimmen tegen een wigwam van bamboe op, de laatste van die zomer, zich met hun draadachtige vingers vastgrijpend aan de staken. We lopen naar de schaduw van een lindeboom waarvan de bladeren aan de randjes goud beginnen te kleuren, en gaan zitten op een bankje naast een tinnen tafeltje.
Mireille pakt er een dik in leer gebonden fotoalbum af en maakt ruimte zodat Simone het dienblad kan neerzetten. ‘Zoals je ziet drink ik mijn thee graag op de Engelse manier.’ Mireille glimlacht. ‘Ik had vroeger een Engelse buurvrouw, die me heeft geleerd zulke dingen te waarderen.’ Ze gebaart naar het huis dat we op weg hierheen zijn gepasseerd, waar de neefjes en nichtjes van Simone wonen, net zichtbaar tussen de eikenbomen die eromheen staan. ‘Mijn vriendin is er helaas niet meer. Maar haar nichtje is getrouwd met mijn op één na jongste zoon en zij wonen er tegenwoordig, dus ik kan er gelukkig nu en dan nog op theevisite. Grappig, hè, hoe de strengen van onze levens op onverwachte manieren in elkaar worden geweven?’ Ze laat haar hoofd een stukje opzij zakken en kijkt me nogmaals doordringend aan.
‘Het lot is een vreemd en gecompliceerd ding, vind je ook niet?’ vervolgt ze. ‘Maar ik leef ondertussen al zo lang dat weinig me nog verbaast. Toen Simone me vertelde dat de kleindochter van Claire bij haar in het appartement aan de Rue Cardinale woonde had ik al zo’n voorgevoel dat je hier op een dag naartoe zou komen. Hoewel ik geen idee had dat je dat zou doen nadat je mijn kleindochter het leven zou hebben gered. Dus is de cirkel rond, n’est-ce pas? Als ik Claire die avond dat Billancourt werd gebombardeerd niet had gered, zou jij er niet zijn geweest om mijn Simone al die jaren later te redden. Dus lijkt het erop dat het lot nog een paar verrassingen in petto heeft, zelfs voor iemand op mijn leeftijd. Wat precies is zoals het hoort te zijn.’ Ze klopt me grinnikend op mijn hand.
‘Schenk jij even thee in, Simone? Dan laat ik Harriet de foto’s van haar beeldschone grootmoeder zien.’
Ze opent het album op haar schoot en bladert naar de foto’s die ze zoekt. Het kost me even voor het tot me doordringt waar ik naar kijk. Ik zie een bruid in een prachtige jurk met een volle rok die haar wespentaille benadrukt. Haar bruine krullen zijn naar achteren gebonden en sterachtige bloemen zijn erdoorheen geweven. De lijnen van haar jurk zijn adembenemend mooi. Het is een perfect voorbeeld van Diors New Look, de stijl die hem na de oorlog wereldberoemd heeft gemaakt.
En dan zie ik de figuur die naast de bruid staat: haar getuige. Haar witblonde haar is gevangen in een gladde chignon en ze heeft een bosje bleke bloemen in de hand dat mooi is afgestemd op het grotere boeket van de bruid. Ze heeft iets kwetsbaars, bijna etherisch. Maar het is haar jurk die me naar adem doet snakken. Hij is nachtblauw, schuin geknipt, zacht vallend over de slanke gestalte van de jonge vrouw. Net zichtbaar daar waar het licht ze vangt, zijn de zilveren kraaltjes langs de halslijn onder de scherpe vleugels van haar sleutelbeenderen.
‘Was ze niet mooi?’ Mireille slaat de bladzijde om en laat me nog meer foto’s van haar trouwdag zien. ‘Je grootmoeder Claire… en dat is Larry, je grootvader. Wat was het toch een mooi stel. Herken je de jurk, Harriet?’
Ik knik, niet in staat iets te zeggen, mijn ogen glanzend van tranen van vreugde en verdriet. ‘Het is de jurk die ze zelf heeft gemaakt,’ fluister ik als ik mijn stem weer heb gevonden. ‘Die ze van restjes heeft gemaakt.’
‘Toen ik uit het appartement aan de Rue Cardinale vertrok trof ik de jurk in Claires kast aan. Ik heb hem ingepakt en meegenomen. Ik vertelde haar dat ik hem had, maar toen ze naar mijn bruiloft kwam wilde ze hem in eerste instantie niet zien. Ze wilde hem in stukken scheuren en weggooien. Ze zei dat hij haar herinnerde aan haar ijdelheid en naïviteit en dat ze hem wilde vergeten. Maar toen zei ik dat ze zo niet moest denken. Dat het een triomf was. Een creatie van schoonheid die ze van al die restjes had gemaakt, een manifestatie van hoe het haar was gelukt iets moois te maken in een tijd van ontbering en gevaar. Ik liet haar beloven dat ze hem niet zou weggooien en hem zou dragen als mijn getuige. Op die manier zou hij ook worden geassocieerd met iets vreugdevols. Ik wilde er een symbool van overleving en de triomf van goed over kwaad van maken.’
‘Hij is prachtig,’ stem ik met haar in. ‘Net als uw trouwjurk. Heeft monsieur Dior die voor u ontworpen?’
Ze begint te lachen. ‘Dat klopt. Goed gezien. Je hebt echt oog voor mode, zoals Simone al zei. Kun je zien waarvan hij is gemaakt?’
Ik tuur naar de foto. Het materiaal is crèmewit, zo fijn dat het bijna doorzichtig lijkt. ‘Aan de manier waarop de plooien vallen te zien denk ik zijde.’ Ik kijk haar aan. ‘Maar waar bent u zo kort na de oorlog aan zulk fijn materiaal gekomen?’
‘Via mijn man, natuurlijk.’ Haar ogen twinkelen geamuseerd. ‘Toen Philippe na de oorlog terugkwam naar Parijs had hij een enorme plunjezak bij zich. Er zat bijna niets persoonlijks in. Maar wel een heel grote legerparachute. Deze had hij niet in een knollenveld begraven. Hij heeft zich aan zijn belofte gehouden en hem voor me bewaard om er iets moois van te maken. En dat werd mijn eigen trouwjurk!’
Als ik haar het fotoalbum teruggeef merkt ze de gouden bedelarmband aan mijn pols op. ‘Maar wat geweldig om te zien dat die nog wordt gedragen!’ roept ze. ‘Ik heb hem aan Claire gegeven, op mijn trouwdag, als cadeautje omdat ze mijn getuige en vriendin was. Ik wist dat ze met Larry naar Engeland zou gaan om een nieuw leven te beginnen en wilde haar wat van Frankrijk meegeven. Er zat destijds maar één bedeltje aan, dat van la Tour Eiffel. Ze schreef me later dat je grootvader haar elk jaar voor hun trouwdag een nieuw bedeltje gaf.’
Ze bestudeert de armband en scheidt met haar knokige vingers de bedeltjes van elkaar om ze goed te kunnen bekijken: het klosje garen, de schaar, het schoentje, de vingerhoed. Als ze het hartje ziet dat ik van Thierry heb gekregen, blijft haar hand even stil. ‘Zo te zien is deze gloednieuw.’ Ze glimlacht.
‘Dat klopt,’ zeg ik. ‘Misschien zetten Thierry en ik de traditie wel voort. Of misschien beginnen we een nieuwe.’
We zitten meer dan een uur thee te drinken en foto’s te kijken. Uiteindelijk legt Mireille het boek weg. ‘Het is bijna tijd voor jullie om thuis te gaan lunchen,’ zegt ze tegen Simone. ‘Maar help me eerst eens overeind. Ik wil Harriet nog iets anders laten zien.’
Terug in de cottage gaat ze me door de gang voor naar de woonkamer. De luiken zijn dicht om het felle zonlicht te weren en ze draagt Simone op ze te openen. Twee lange, spookachtige vormen hangen aan een plank aan een muur en Mireille schuifelt erheen. Het zijn lakens, die over twee kledingstukken aan twee kleerhaken zijn gedrapeerd. Ze begint heel voorzichtig de eerste los te spelden. Simone helpt haar en ik zie de Dior-trouwjurk uit zijn beschermhoes komen. Hij is in het echt nog mooier dan op de foto. Het lijfje is geborduurd met crèmekleurige bloemen en in elk hart zit een piepkleine zaadparel. Mireille streelt zacht met het topje van haar kromgegroeide vinger over de piepkleine steekjes. ‘Dat is het werk van Claire,’ zegt ze. ‘Ik heb de jurk zelf gemaakt, en zij heeft het borduurwerk gedaan. Dat kon ze als geen ander.’
Dan draait ze zich naar het tweede laken om. ‘En deze is voor jou, Harriet.’ Ze maakt de spelden los die het laken op zijn plaats houden, en als dat op de vloer valt, onthult het een avondjurk van nachtblauwe crêpe de Chine met een halslijn die schittert in het zonlicht dat naar binnen schijnt op de constellatie van piepkleine zilveren kraaltjes die langs de halslijn loopt. Alleen van heel dichtbij zie je dat de jurk bestaat uit kleine lapjes die met bijna onzichtbaar kleine en perfecte steekjes aan elkaar zijn gezet.
‘De jurk van Claire,’ zeg ik, en ik snak naar adem.
Mireille knikt. ‘Toen ze na mijn bruiloft met Larry naar Engeland vertrok om daar haar nieuwe leven te beginnen besloot ze dat ze de jurk niet wilde meenemen. “Hij hoort in Frankrijk,” zei ze. Dus heb ik hem al die jaren bewaard. Wat ik toen nog niet wist, was dat ik hem zou bewaren tot haar kleindochter uiteindelijk zou terugkomen en dat ik haar dit deel van het leven van haar grootmoeder zou geven. En dat ze via die jurk een beetje beter zou begrijpen wie ze was en waar ze vandaan kwam. Neem hem mee, Harriet. Het is tijd dat haar verhaal wordt verteld.’
Ik haal de jurk voorzichtig van de hanger en de fijne zijde fluistert als ik de plooien van de nachtblauwe stof door mijn vingers laat glijden. Simone helpt me hem in tissuepapier in te pakken voor de reis naar zijn oorspronkelijke thuis in Parijs.
Als we afscheid nemen steekt Mireille haar hand in de zak van haar schort. ‘En ik heb nog iets voor je, Harriet,’ zegt ze.
Ze haalt een zilveren medaillon aan een fijn kettinkje tevoorschijn. Ze geeft het aan mij en zegt: ‘Maak maar open.’
Nog voordat ik het slotje open, stroef geworden van ouderdom, weet ik al wat ik zal aantreffen. En ja hoor, als ik de twee helften open zie ik de gezichten van Claire en Vivienne-die-eigenlijk-Harriet-heette vanuit de palm van mijn hand naar me glimlachen.