Hoofdstuk 4: 1940 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
MIREILLE STOND RILLEND OP het trottoir bij de sigarenwinkel aan de Rue Buffon, veinzend op de bus te wachten. Het was vreselijk koud en haar voeten voelden als ijsklompen. Ze wist dat haar wintervoeten later, als ze die in haar appartement in een bak lauw water zou opwarmen, zouden prikken en branden.
Om afleiding te zoeken van de kou ging ze in gedachten nogmaals door de instructies. Ze moest zeker weten dat ze alles op een rijtje had. Hier wachten tot een man met een vilthoed met een groene rand de winkel in gaat. Hij komt naar buiten met een exemplaar van Le Temps onder zijn arm. Naar binnen gaan en er ook een kopen, de winkelier vragen of hij nog een krant van gisteren heeft. Dan geeft hij je een opgevouwen exemplaar van onder de toonbank. Berg het op in je tas. Loop naar Gare d’Austerlitz en neem de metro terug naar Saint-Germain-des-Prés. Aan een tafeltje achter in Café de Flore zit een man met zandblond haar die een zijden das met paisleymotief draagt. Schuif bij hem aan alsof hij een vriend is met wie je hebt afgesproken en dan bestelt hij koffie voor je. Leg terwijl je je koffie drinkt de opgevouwen krant op tafel. Laat hem liggen als je weggaat.
Dit was niet de eerste keer dat ze berichten voor het netwerk doorgaf. Kort nadat ze was teruggekomen naar Parijs, toen ze een stuk voeringstof naar de textielverver had gebracht om het te laten verven in de kleur van de avondjurk waar ze aan werkte, had ze er iemand gesproken van wie ze vermoedde dat hij actief was in het verzet. Hij had haar voorgesteld aan een lid van het netwerk en ze had al snel een eerste opdracht als deze gekregen. Ze wist dat ze haar in eerste instantie aan het testen waren, dat ze zeker wilden weten dat ze was wie ze zei dat ze was en dat ze een betrouwbare koerier zou zijn. Ze wist niet eens zeker of de berichten die ze tot dusverre had doorgegeven echt waren. Maar de opdracht van vandaag was anders dan die tot nu toe, en ze vermoedde dat het feit dat de sigarenwinkel zo dicht bij Gare d’Austerlitz was, waar treinen uit het oosten en zuiden arriveerden en transporten naar de werkkampen vertrokken, belangrijk was. Dus probeerde ze de kou die naar binnen kroop door haar schoenzolen, die dun waren geworden van de kilometers die ze erin had gelopen, te negeren en deed ze alsof ze het dienstrooster van de bus stond te bestuderen toen ze uit een ooghoek de klant met de vilten hoed de tabac binnen zag gaan.
* * *
Mireille liep een wolk van warmte, geroezemoes en sigarettenrook in toen ze de deur van Café de Flore openduwde. Ze liep tussen de pilaren door naar de verre hoek van het café, bij de met hout betimmerde bar, zoals haar was opgedragen. Op een bankje naast de deur zat een groepje Duitse soldaten luidruchtig te lachen. Een van hen knipte met zijn vingers om de ober te laten komen, en hij bestelde nog een fles wijn. Toen Mireille langs hen heen liep, sprong een van de soldaten op en blokkeerde haar de weg. Haar hart sloeg over bij de gedachte dat hij haar zou opdragen te laten zien wat ze in haar tas had en dat hij het bericht zou lezen dat in de krant was verstopt. In plaats daarvan maakte hij een theatrale buiging en deed alsof hij haar zijn zitplaats aanbood, tot het luidruchtige genot van zijn kameraden.
Haar eerste impuls onderdrukkend hem in zijn gezicht te spugen, en haar tweede ingeving om op de vlucht te slaan, kreeg Mireille het voor elkaar beleefd naar hem te glimlachen en met een diplomatiek hoofdschudden langs de soldaat te lopen en haar weg te vervolgen naar het tafeltje in de hoek, waar een man met zandkleurig haar en een zijden das met paisleymotief van een café crème nippend zijn eigen exemplaar van Le Temps zat te lezen.
Toen ze naderde legde de man zijn krant neer en stond op, en ze omhelsden elkaar alsof ze goede vrienden waren. Ze rook dat hij dure eau de cologne droeg – een subtiel samenspel van cederhout en limoen – en ging toen op het bankje tegenover hem zitten.
Een ober kwam naar hun tafeltje en de man bestelde koffie voor haar terwijl ze achteloos de krant uit haar tas viste en op tafel legde. De man besteedde er geen aandacht aan en schoof beide kranten opzij om naar haar toe te leunen zoals een minnaar zou doen.
‘Ik ben monsieur Leroux,’ zei hij. ‘En dan neem ik aan dat jij Mireille bent? Ik ben blij kennis te kunnen maken met nog iemand die onze zaak een warm hart toedraagt.’
Ze knikte eenvoudigweg, voelde zich ongemakkelijk en onzeker wat ze moest zeggen tegen deze man over wie ze helemaal niets wist, terwijl het wel duidelijk was dat hij het een en ander over haar zou kunnen vertellen.
Ze had haar opdracht uitgevoerd en wilde niets liever dan hier zo snel mogelijk vertrekken en teruggaan naar de rust en veiligheid van haar zolderkamertje. Maar ze dwong zichzelf te blijven zitten en te glimlachen en knikken, het toneelstukje mee te spelen.
Het viel even stil toen de ober Mireilles koffie serveerde, waarbij hij een bonnetje onder de asbak schoof die midden op tafel stond. Monsieur Leroux maakte gebruik van de gelegenheid door de twee kranten op te pakken en achteloos in de zak van zijn winterjas te steken, die over de rugleuning van zijn stoel hing.
Hij keek naar haar terwijl ze haar koffiekop van dik porselein oppakte en erin blies voordat ze voorzichtig een slokje nam. De koffie was niet slecht; een beetje waterig, maar niet te bitter, wat cichorei vaak was.
‘Dus jij bent een van de naaisters van Delavigne? Hoe staat het er tegenwoordig voor in de couturewereld? Ik heb begrepen dat de belangrijkste modehuizen allemaal een speciale vergunning hebben gekregen om door te kunnen werken. Onze Duitse vrienden blijken hun vrouwen en minnaressen graag in de beste Franse couture te steken.’
Hij sprak gelijkmatig, zijn toon aangenaam en vriendelijk, maar ze hoorde niettemin de onderstroom van minachting jegens de vijand in zijn woorden.
‘We hebben het drukker dan ooit,’ stemde ze met hem in. ‘Zelfs met de twee complete teams die aan het werk zijn kunnen we nauwelijks aan de vraag voldoen. Elke goedgeklede vrouw in Parijs wil nog steeds haar nieuwe mantelpakje en avondjurk voor het seizoen. En inderdaad, hoewel de regering rantsoenen heeft ingesteld voor het eten dat we eten en de brandstof om ons huis te verwarmen, hebben ze ervoor gezorgd dat knopen en biaisband niet worden gerantsoeneerd. Niettemin is het best moeilijk om aan materiaal te komen, en zijn de prijzen uitzonderlijk hoog.’
Monsieur Leroux knikte. ‘Parijs is verworden tot een bizarre speeltuin voor de Duitsers. Terwijl oorspronkelijke Parisiens verhongeren en doodvriezen paraderen de nieuwe inwoners van de stad rond in haute couture van de chicste materialen, drinken ze onze beste wijn en vermaken ze zich in de Moulin Rouge.’
Mireille merkte nogmaals op hoe gelijkmatig en vriendelijk zijn toon was; alleen de bittere inhoud ontkende de sfeer van aangename vriendschappelijkheid die het tafereel uitstraalde.
Monsieur Leroux stelde haar allerlei vragen over het naaiatelier terwijl ze van haar koffie nipte. Wat deed ze precies voor werk? Hoeveel naaisters werkten er? Hoeveel woonden er boven de werkplaats?
Toen ze haar lege kop op de schotel terugzette, stak hij zijn hand uit en legde die op die van haar. Voor een achteloze observant zou het eenvoudigweg een gebaar van toegenegen intimiteit zijn. ‘Dank je wel voor je hulp, Mireille,’ zei hij. ‘Zou je genegen zijn om ons vaker te gaan helpen? Hoewel ik je wel moet waarschuwen dat het bepaald niet ongevaarlijk zou zijn.’
Ze trok glimlachend haar hand terug, een toonbeeld van verlegen gepastheid. ‘Ik wil alles doen wat nodig is om te helpen, m’sieur.’
‘Dan is er vast wel een rol voor je weggelegd. Onze gezamenlijke vriend de textielverver zal het je laten weten. Dank je wel voor je komst, Mireille. Zorg goed voor jezelf.’
Ze stond op, pakte haar jas en tas en zei: ‘U ook, monsieur Leroux.’
Terwijl ze het café uit liep, keek ze over haar schouder naar de man met het zandkleurige haar en de das met paisleymotief, die nu de ober aan het betalen was.
Toen stond hij op en trok zijn jas aan. Ze zag vanuit haar ooghoek nog net een hoekje van de opgevouwen krant uit zijn zak steken.
* * *
Aan de andere kant van de hoge ramen in de naaikamer had de decemberlucht dezelfde saaie kleur metaalgrijs aangenomen als die van de uniformen van de nazibezetters, alsof ook zij alle hoop had opgegeven en capituleerde voor de nieuwe machthebber. Het licht van de peertjes aan het plafond voelde voor Claire even fel als de zoeklichten die door de duisternis bewogen op zoek naar geallieerde vliegtuigen en die je ’s nachts in de verte kon zien als er een kier in de blinderingsgordijnen voor de zolderramen was gevallen. Ze bracht het lijfje van de bloedrode avondjapon van crêpe de Chine waarmee ze aan het werk was nog een stukje dichter naar haar gezicht; de steekjes vervaagden en leken te bewegen nadat ze uren zo geconcentreerd had zitten werken. Ze zat op de tocht in haar stoel bij het raam, maar ze wilde voor geen goud van plaats ruilen met een andere naaister en dan dichter bij de gietijzeren radiatoren aan de verre muur komen te zitten. Ze had het licht nodig om te kunnen werken. En die radiatoren gaven de laatste tijd hoe dan ook maar weinig warmte af, aangezien kolen voor de stookruimte ook op rantsoen waren. De verwarming was vaak dagen achtereen uit, hoewel er wel altijd kolen genoeg waren om de radiator in de salon aan te houden zodat de klanten het lekker warm hadden als ze hun maatkleding kwamen passen.
Claire en de andere naaisters waren allemaal afgevallen sinds ze moesten overleven op de karige rantsoenen waar ze in het weekend voor in de rij moesten staan. Ze keek om zich heen aan tafel en het drong tot haar door dat dat alleen te zien was in de gezichten van de meisjes, waar de verlichting op donkere schaduwen onder ingevallen wangen en ogen scheen, die zich verder in de kassen hadden teruggetrokken. Hun lichamen leken juist opgeblazen, goed gevuld onder hun witte jassen. Bij sommige meisjes stonden de knopen op spanning en stond de stof eromheen open. Maar dat was maar een illusie, veroorzaakt door de lagen kleding die ze over elkaar droegen om te proberen warm te blijven terwijl ze in het atelier zaten te werken.
Het was bij Delavigne Couture drukker dan ooit en nu kerst eraan kwam leek het zelfs nog hectischer dan in de jaren voordat de oorlog was uitgebroken. Parijs was een oase van luxueus escapisme geworden in het door oorlog verscheurde Europa, en de Duitsers stroomden in groten getale binnen om hun salaris uit te geven aan delicatessen op de zwarte markt en aan wijn en designjaponnen voor hun vrouwen en minnaressen. En ze konden heel veel met hun geld sinds de koers was vastgesteld op bijna twintig franc voor een rijksmark.
Zelfs de Duitse vrouwen die naar Parijs waren gestuurd om er te werken voor de nieuwe regering konden zich veroorloven Franse couture op maat voor zichzelf te laten maken. De verkoopsters in de salon noemden hen achter hun rug om minachtend ‘grijze muizen’, aangezien ze er als ze in hun uniform arriveerden om kleding te passen zo geestdodend alledaags uitzagen.
Mademoiselle Vannier liep de ruimte even uit om nog een rol dunne, ongebleekte mousseline te gaan pakken, die werd gebruikt om proefmodellen van de complexere ontwerpen van te maken. Als die eenmaal waren geknipt en aan elkaar gezet, werden die toiles weer gedeconstrueerd en gebruikt als sjabloon om zo te garanderen dat de dure stoffen die werden gebruikt voor het uiteindelijke kledingstuk precies goed werden geknipt en er niets werd verspild.
Claire maakte direct gebruik van de afwezigheid van mademoiselle Vannier door zich aan te sluiten bij het kletsen en roddelen van de andere naaisters die rond de tafel zaten: een van de modellen die in de salon werkten zou een affaire hebben met een Duitse soldaat en de meningen onder de meisjes waren verdeeld. Sommigen waren geschokt en walgden bij het idee, maar anderen vroegen zich hardop af wat je anders moest. Er waren nauwelijks Franse mannen over nu alle gezonde exemplaren die het tot dusverre hadden overleefd naar fabrieken en kampen in Duitsland werden gestuurd om daar te werken, waardoor jonge Franse vrouwen nog slechts de keuze hadden tussen een ouwe vrijster worden of zich laten verwennen door een rijke Duitse minnaar.
Claire wierp van onder haar wimpers een steelse blik op Mireille, die naast haar zat. Ze nam geen deel meer aan de gesprekjes en zat geconcentreerd te werken, heel anders dan de vrolijke, gezellige vriendin die ze voor de bezetting was geweest; ze leek nu het grootste deel van de tijd volledig verloren in haar eigen gedachten. In de avonden en weekenden trok ze zich steeds meer terug, en ze verdween vaak zonder Claire uit te nodigen om mee te gaan. En Claire had gemerkt dat het geen enkele zin had om vragen te stellen, aangezien Mireille als ze dat deed alleen verdrietig naar haar glimlachte en hoofdschuddend weigerde te antwoorden. Misschien deed ze inderdaad mee aan het spel van het verzet, zoals ze had gedreigd te gaan doen toen ze net terug was in Parijs, maar Claire zag niet in wat dat in ’s hemelsnaam voor zin zou kunnen hebben. Nou, als Mireille zo graag een leven vol spanning en sensatie wilde leiden zonder haar, ging ze haar gang maar.
Niettemin miste Claire hun oude vriendschap wel. Er sliepen nog maar twee andere meiden in de kamers boven het atelier en die zaten in het andere team, dus vroegen ze Claire in het weekend ook nooit mee uit, waarschijnlijk omdat ze ervan uitgingen dat Claire en Mireille hun vrije tijd samen doorbrachten.
Claire knipte een draad af en streek de rode stof glad, genietend van het gevoel van de luxueuze stof. Haar vingers, ruw van de kou en het harde werk, bleven een beetje haken aan de crêpe.
Ze wreef over de gehavende huid van haar vingertoppen, en die sensatie bracht haar terug naar haar kinderjaren in Port Meilhon. Nadat haar moeder was bezweken aan longontsteking, een gevolg van vocht, kou en uitputting, had ze haar enige dochter een zilveren vingerhoed en een speldenkussen dat was gevuld met gemalen koffie nagelaten, waarmee Claire voor haar vader en vier broers hun sokken stopte en hun kleding verstelde. Spelden en naalden begonnen in de zeelucht heel snel te roesten en ze moest regelmatig haar werk neerleggen om ze met schuurlinnen te bewerken om te voorkomen dat ze stomp werden en bruine vlekjes die op druppeltjes bloed leken achterlieten in de stof van de hemden van haar vader en broers. Toen ze daar zo had zitten naaien bij het fornuis in de keuken van het vissershuisje waar ze was opgegroeid en haar vingers waren opengescheurd door de barre omstandigheden was er een stille vastberadenheid in haar gegroeid: haar moeders nalatenschap van naalden en spelden zou Claires manier worden om er weg te komen. Het was het enige wat ze had. Ze zou het inzetten om haar levenspad te wijzigen, ze weigerde in de voetstappen van haar moeder te treden. In plaats van dat het verdriet om het verlies van haar moeder met het verstrijken van de tijd minder werd, werd de gedachte aan haar graf op het kerkhof ondraaglijk voor Claire. Ze focuste zich op de mogelijkheid van een leven elders, een leven vol elegantie en raffinement, en wijdde zich volledig aan het kleiner en regelmatiger maken van haar steken, aan snel doch zorgvuldig naaien.
Haar verlangen naar mooie dingen was een vorm van escapisme uit haar ruwe en harde opvoeding in een huisje vol mannen die hun dagen doorbrachten met visnetten uit de grip van het ijskoude Atlantische water sleuren. Wanneer haar vader en broers op zee waren bood ze aan kleding van dorpsgenoten te verstellen, waarvoor ze een paar sous vroeg, die ze spaarde in een oude sok die op de bodem van haar naaimand lag verstopt. De sok werd langzaamaan zwaarder en zwaarder, en de teen rekte steeds verder uit naarmate de hoeveelheid munten groeide. Toen telde ze op een dag haar geld en kwam tot de ontdekking dat ze genoeg had voor een treinkaartje naar Parijs.
Haar vader had nauwelijks gereageerd toen ze hem vertelde dat ze wegging. Ze vermoedde dat het nieuws hem boven alles opluchtte: het betekende een mond minder om te moeten voeden. Claire voelde bovendien dat ze hem steeds meer herinnerde aan zijn overleden vrouw, haar moeder, een herinnering die waarschijnlijk elke keer dat hij haar zag een steek van schuldgevoel in zijn hart veroorzaakte. Hij zou begrijpen dat ze hier niet kon leven, zo hield ze zichzelf voor, dus kon hij het haar niet kwalijk nemen dat ze ging. Hij bracht haar naar het station in Quimper, gaf haar toen de trein binnen kwam rijden een schuchter schouderklopje en overhandigde haar toen ze was ingestapt haar tas. En daar moest ze het mee doen.
Ze legde nu het rode lijfje van de avondjurk weg en slaakte een zucht. Het had haar al die moeite gekost om naar Parijs te komen, en nu verpestte de oorlog al haar plannen voor een beter leven. Ze zat nog steeds hele dagen voorovergebogen over nauwkeurig naaiwerk, had het het grootste deel van de tijd ijskoud en had nog meer honger dan ze thuis had gehad.
Ze werd overvallen door een golf van zelfmedelijden en heimwee nu ze aan de familie dacht die ze in Port Meilhon had achtergelaten.
Ze zag de vrolijke grijns van haar broers voor zich wanneer die thuiskwamen uit de haven: Théo die met zijn hand door haar haar woelde en Jean-Paul die het deksel van de pan cotriade tilde die ze voor het avondeten had gemaakt om vast een hapje van de heerlijke visstoofpot te nemen, terwijl Luc en Marc bij de deur hun laarzen uittrokken. Werden hun hemden niet meer versteld nu zij er niet meer was, hun sokken niet meer gestopt? Ze miste het geluid van hun lachende stemmen en hun goedmoedige plagerijen, alsook de stille, bevestigende aanwezigheid van haar vader als die in zijn leunstoel een touw aan het splitsen was of een stuk twijn zat te ontwarren. Het was gek, bedacht ze, het had nooit te vol gevoeld in het piepkleine vissershuisje als ze allemaal thuis waren geweest, en als ze er niet waren voelde het groot en leeg.
Ze schudde het gevoel van zich af en zei tegen zichzelf dat zelfmedelijden geen enkele zin had. Ze stak haar naald in het speldenkussen van haar moeder en hielp zichzelf herinneren hoe ver ze was gekomen, en dat ondanks alle ontberingen. De stad was nog steeds een plek met ongekende mogelijkheden vergeleken bij het vissersdorp in Bretagne. Ze moest gewoon wat beter haar best doen, er meer opuit gaan, de kansen de mogelijkheid geven haar te vinden.