Hoofdstuk 6: 1940 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
NADAT DE LAATSTE KLANTEN IN de salon waren ontvangen om nog snel hun maatwerk voor de soirees en festiviteiten voor de feestdagen op te halen sloot het atelier op kerstavond vroeg.
Mademoiselle Vannier overhandigde zowaar met een zuinig glimlachje rond haar samengeperste lippen het loon aan de naaisters. ‘Monsieur Delavigne heeft me verzocht jullie te zeggen dat hij tevreden is over jullie werkzaamheden. Het is een van onze succesvolste seizoenen ooit, dus heeft hij me, heel genereus, verzocht jullie allemaal een extraatje te geven voor je werk en loyaliteit.’
De meiden keken elkaar steels aan. Het was algemeen bekend dat een van de vendeuses een week daarvoor was vertrokken met haar team van assistenten en haar zwarte boekje met de maten en contactgegevens van al haar klanten. Het gerucht ging dat ze was weggekaapt door een ander modehuis en een van de naaisters had zelfs durven suggereren dat ene ‘Coco’, die nauwe banden had met de Duitse bezetter, op zoek was naar personeel nu haar bedrijf zo in opkomst was.
De naaisters praatten opgetogen tegen elkaar terwijl ze hun witte jas ophingen, hun sjaal omdeden en hun handschoenen aantrokken. Claire sloeg hen jaloers gade terwijl ze haar loon in de zak van haar rok propte; bijna iedereen had een huis en familie om naartoe te gaan voor het réveillon de Noël-diner, waarbij iedereen samen opbleef om het kerstmis te zien worden, hoe spaarzaam het maal dit jaar ook zou zijn. Zij had enkel haar drie collega’s en een onsmakelijke maaltijd van groentesoep – of eigenlijk zaten er alleen rapen in – met droog brood in het appartement om naar uit te kijken.
Aangekomen in haar koude kamer op de bovenverdieping haalde ze haar geld uit de envelop, telde nauwgezet uit wat ze nodig zou hebben voor de komende week en borg de rest veilig op in het blikje dat ze onder haar matras bewaarde. Het stapeltje bankbiljetten – het geld dat ze tot nu toe bij elkaar had gespaard om het leven waarnaar ze zo smachtte te financieren – groeide traag maar gestaag.
Toen pakte ze een pakje dat was ingepakt in bruin papier uit de lade naast haar bed, liep ermee door de gang en klopte op Mireilles deur. Er klonk geen antwoord, en toen ze nog een keer aanklopte, harder deze keer, schoof de deur een stukje open en zag ze Mireilles keurig opgemaakte bed, met daarop haar haastig achtergelaten naaigerei.
Claire keek om zich heen. Mireilles winterjas, die meestal aan de deur hing, was weg. Ze zou wel meteen weg zijn gegaan om degene met wie ze altijd afsprak te ontmoeten en te doen wat ze altijd deed. Zelfs op kerstavond. Het was wel duidelijk dat dat veel belangrijker voor haar was dan tijd met haar vriendinnen doorbrengen. Claire slaakte een zucht, aarzelde even en legde het pakje toen op Mireilles kussen. Toen draaide ze zich om en trok de deur zacht achter zich dicht.
Op dat moment kwamen haar andere twee huisgenoten lachend en roddelend binnen. Toen ze Claire zagen, bleven ze staan. ‘Wat kijk je sip! Heeft Mireille je in de steek gelaten? Je gaat Le réveillon toch niet alleen doorbrengen?’ Ze keken elkaar aan en knikten. ‘Kom op, Claire, we kunnen je niet alleen achterlaten. Ga je met ons mee? We gaan lol maken. Trek je dansschoenen aan en kom ook! Als je hier in je eentje op zolder blijft zitten, leer je nooit iemand kennen.’
Dus trok Claire, na een moment van aarzeling, het blikje nogmaals onder haar matras vandaan, maakte het open, haalde er wat spaargeld uit, en toen liep ze ineens over de brede Rue de Rivoli, in een stroom van feestgangers die nauwelijks de roodwit-zwarte vlaggen opmerkte die onder de sterrenhemel in de bitterkoude wind wapperden.
* * *
Mireille haastte zich door de smalle straten van de Marais en bleef even staan voor een etalage, zoals haar was geleerd, om te controleren of ze niet werd gevolgd. Het witte bord op de deur stak fel af tegen de verduisteringsgordijnen: IN OPDRACHT VAN HET STADSBESTUUR, stond erop, OVERGENOMEN DOOR NIEUWE EIGENAAR. Je zag die borden steeds vaker op winkeldeuren en -ramen, met name in dit quartier van de stad. Het ging om winkels die voorheen eigendom van Joden waren geweest. Maar de eigenaren waren nu vertrokken, hele gezinnen waren uit hun huizen gezet en naar kampen in de buitenwijken van de stad gebracht voordat ze op transport werden gezet naar Godmocht-weten-waar. De winkels waren in beslag genomen door de autoriteiten en toegewezen aan anderen, meestal collaborateurs, of aan mensen die hun steun aan de nieuwe machthebber betuigden door hun buren van van alles te beschuldigen of voormalige werkgevers te verraden die eigenaar van dergelijke winkeltjes waren geweest.
Mireille zette haar kraag op in de noordenwind en liep een zijstraatje in, waar ze op de deur van het onderduikadres klopte. Drie keer, snel en zacht, kloppen. Dan even wachten en nog twee. De deur ging een klein stukje open en ze glipte naar binnen.
Monsieur en madame Arnaud – ze had geen idee of het hun echte naam was – waren leden van het oorspronkelijke netwerk waarmee de textielverver haar in contact had gebracht, en dit was niet de eerste keer dat ze naar hun huis was gestuurd om een ‘vriend’ af te leveren of op te halen die voor een of twee nachten een veilig onderkomen nodig had, of die door de stad geleid moest worden om veilig in contact gebracht te worden met de volgende passeur in het netwerk. Ze wist dat er meerdere groepen in de stad opereerden om mensen die dat nodig hadden te helpen onder de neus van de bezetter te worden verplaatst naar een veilig onderkomen. Ze hadden haar toen op het laatste moment alle plannen waren gewijzigd eens gevraagd om een jongeman naar Gare Saint-Lazare te brengen om vandaar per trein verder te reizen, dus ze wist dat er mensen via Bretagne ontkwamen. Maar meestal bracht ze mensen naar Issy of Billancourt, of richting Versailles, en dan hoorde ze aan het zware zuidwestelijke accent op de lippen van de volgende persoon in de ketting dat ze haar ‘vriend’ overdroeg in de bekwame handen van iemand die zou helpen met de lange en zware reis naar de veiligheid aan de andere kant van de Pyreneeën. Ze vroeg zich vaak af of de route hen langs haar ouderlijk huis zou brengen.
Ze voelde vanavond een nog fellere steek van heimwee dan anders naar haar familie en zag iedereen voor zich in het huis in de molen aan de rivier, onder dezelfde bevroren sterrenhemel als zijzelf. Haar moeder zou in de keuken staan en iets speciaals koken voor kerstavond met wat het maar was dat ze had weten samen te schrapen. Misschien zou haar zusje, Eliane, er ook zijn, in de warmte van het oude ijzeren fornuis, met de kleine Blanche op haar knie. Haar vader en broertje zouden binnenkomen, terug van het afleveren van de laatste paar zakken meel aan de plaatselijke winkels en bakkerijen, en dan zou haar vader Blanche in zijn armen nemen en haar ronddraaien, waarvan ze zou gaan giechelen en in haar bolle handjes klappen van genot.
Mireille slikte het brok van heimwee dat zich in haar keel had gevormd snel weg. Wat miste ze iedereen toch vreselijk. Ze zou er alles voor overhebben in die keuken te kunnen zitten en mee te kunnen genieten van een uiterst spaarzame maaltijd die vol liefde zat. En daarna gefluisterde geheimen delen met haar zusje, in bed in de kamer die ze deelde met Eliane. Had ze maar iemand die ze in vertrouwen kon nemen.
Maar dat was een luxe die ze zich niet kon permitteren. Ze duwde de gedachten aan thuis uit haar hoofd en richtte haar aandacht op de instructies die ze voor die avond had gekregen.
Madame Arnaud vertelde dat het de bedoeling was dat Mireille, onder de dekmantel van kerstavond, die hopelijk als welkome afleiding zou dienen voor de soldaten die zo onfortuinlijk waren dat ze tijdens de feestdagen moesten patrouilleren, een man naar de Pont de Sèvres zou begeleiden, waar ze zouden worden opgevangen door Christiane, een passeuse met wie Mireille al vaker had samengewerkt en die hem naar het volgende onderduikadres op de route zou brengen.
‘Maar je moet vanavond snel werken, Mireille,’ waarschuwde madame Arnaud haar. ‘Het zal druk zijn in de metro, aangezien er maar een paar rijden, en je moet zorgen dat je Christiane treft en dan ook nog tijd hebt om voor de avondklok weer thuis te zijn. Zelfs op kerstavond wil je niet door de Duitsers worden opgepakt.’
Mireille knikte. Ze was maar al te goed doordrongen van de gevaren. Ze was gewaarschuwd dat ze als ze zou worden opgepakt en ondervraagd de eerste vierentwintig uur niets mocht loslaten om de anderen in het netwerk zo de kans te geven hun sporen uit te wissen en uit elkaar te gaan. Maar ze was ook op de hoogte van de martelmethodes die de nazi’s inzetten om te proberen die informatie uit vermoedelijke leden van het verzet los te peuteren, en een onuitgesproken angst had zich diep in haar genesteld. Als het zo ver zou komen, zou ze dan de kracht hebben marteling te ondergaan?
Maar daar moest ze nu niet aan denken; ze moest zich op haar taak concentreren. Het geringste zweempje van angst, of afgeleid zijn, kon hen verraden of kon betekenen dat ze niet alert was op een moment dat dat van levensbelang was. Je wist nooit wat je kon tegenkomen als je op weg was een vriend veilig naar zijn bestemming te begeleiden.
‘Spreekt hij Frans?’ vroeg ze madame Arnaud over de vreemdeling voor wie ze op het punt stond haar leven in de waagschaal te stellen.
Madame Arnaud schudde haar hoofd. ‘Nauwelijks, en met een accent dat er zo dik bovenop ligt dat het hem direct zou verraden. En dan nog iets: hij is gewond aan zijn voet, dus je zult hem moeten ondersteunen.’
Misschien was hij verkeerd geland bij een parachutesprong, dacht Mireille. Het zou niet de eerste buitenlandse vliegenier zijn die ze hielp ontsnappen. Of misschien was het wel iemand die een lange, angstaanjagende reis achter de rug had omdat hij vrezend voor zijn leven op de vlucht was vanwege zijn godsdienst. Of zijn politieke overtuigingen. Of vanwege een onzinnige burenruzie die tot een verbitterde aanklacht had geleid. Wie kon het weten? Ze zou er niet naar vragen, want het was essentieel dat ze zo weinig mogelijk wist voor het geval ze zou worden gevangengenomen.
De man kwam uit een achterkamer. Hij had een dikke winterjas aan. Hij liep mank, en monsieur Arnaud, die achter hem aan kwam, ondersteunde hem bij de elleboog toen hij de twee treden af liep naar het halletje waar Mireille op hem stond te wachten. De huid van de man zag grauw, en hoewel hij probeerde het te verbergen zag ze dat hij huiverde van de pijn als er gewicht op zijn gewonde voet rustte. Monsieur Arnaud gaf hem een vilthoed met opstaande rand. Mireille zag dat hij grijs was, met een groene band, net als de hoed van de man die de krant had achtergelaten tijdens haar eerste echte opdracht op die dag dat ze monsieur Leroux had leren kennen.
‘Kom,’ fluisterde ze in het Engels. ‘We moeten gaan.’
De man knikte en wendde zich toen tot madame Arnaud. Hij pakte haar beide handen vast. ‘Merci, madame, duizendmaal dank, u bent zo gentille…’ Hij struikelde over zijn woorden en de vlakke klinkers in zijn Engelse accent deden beide vrouwen huiveren.
Eén ding was in ieder geval zeker: als ze werden aangehouden en er werd om hun papieren gevraagd, zou zij het woord moeten doen. Ze had informatie over zijn valse identiteit gekregen en wist dat hij een identiteitsbewijs dat aansloot bij haar verhaal in zijn jaszak had, dat hij van God-mocht-weten-wie had gekregen.
Toen ze arm in arm door de Marais liepen, net een jong stel dat Le Réveillon vierde met een kroegentocht, deed ze haar best het overtuigend te laten overkomen, alsof hij haar ondersteunde in plaats van andersom. Ze had de route zorgvuldig uitgestippeld. Ze zou zo veel mogelijk met de metro doen om hem zo weinig mogelijk te laten lopen. Tegelijkertijd wist ze dat ze de drukke stations, zoals Place de la Bastille, zo veel mogelijk moest mijden, waar de kans op bewakers die papieren controleerden veel groter was.
Ze leidde de man door de straten en maakte nu en dan een bemoedigende opmerking, hoewel ze geen idee had of hij haar zou verstaan. Toen ze station Saint-Paul naderden, zag ze tot haar grote schrik twee Duitse soldaten bij de ingang staan. Ze hadden een man aangehouden, tegen wie ze schreeuwden dat hij zijn papieren moest laten zien, die hij zenuwachtig in zijn aktetas aan het zoeken was.
Mireille dacht snel na en stuurde haar vriend de Rue de Rivoli in. Het zou veiliger zijn als ze zich onder het uitgaanspubliek begaven en een andere metrohalte zouden nemen. Ze werden geduwd en getrokken in de zee van feestgangers en de man snakte naar adem toen iemand tegen hem aan botste en hij bijna door zijn benen zakte van de pijn.
‘Hou me maar goed vast,’ mompelde Mireille in zijn oor terwijl ze een arm om zijn middel sloeg. Met een beetje mazzel zag hij er gewoon uit als een feestganger die te veel Ricard had gedronken, met een vriendin die probeerde hem thuis in zijn bed te krijgen. Ze strompelden zo een stuk verder, langs het Hôtel de Ville, waar ook nazi’s papieren stonden te controleren. De man zweette ondertussen van de pijn en het kostte Mireille veel moeite hem overeind te houden. Ze moesten het risico maar nemen op Châtelet, ofschoon dat een van de drukste stations op de lijn was. Les Halles, de groothandelsmarkt vlak bij het metrostation, stond bekend om zijn zwarte markt, hoewel dat betekende dat de kans groter was dat er Duitsers liepen om boodschappen te doen dan dat ze er papieren zouden controleren. Ze zond een schietgebedje naar de hemel, voor het geval er iemand zou luisteren, dat de soldaten nu het kerstavond was drukker zouden zijn met een zoektocht naar een stukje biefstuk of een paar oesters dan dat ze zin hadden om stelletjes aan te houden die doodmoe en dronken op weg naar huis waren.
Ze glipten ongezien langs een stel luidruchtige soldaten die het te druk hadden met een groep vrouwen nafluiten die feestelijk gekleed een avondje uit waren om ergens anders aandacht voor te hebben. Toen ze begonnen te schreeuwen en er een fluitje klonk, verlamde Mireille bijna van paniek, maar ze dwong zichzelf verder te lopen en leidde de man de trap naar het perron af. Ze kon het niet laten toch even snel over haar schouder te kijken en zag tot haar enorme opluchting dat de politie druk was met de zakkenroller die ze had aangehouden. Mireille dacht in de verwarring even dat ze iemand haar naam hoorde roepen, maar in die drukte kon het aan iedereen zijn gericht, dus liep ze verder, zich ervan bewust dat de man bij elke trede naar beneden naar adem snakte van de pijn.
Zijn gezicht zag er in het gedempte licht op het perron nog grauwer uit dan net en ze was bang dat hij zou flauwvallen. Als dat gebeurde zouden ze alle aandacht trekken en dat was het laatste wat ze zich konden permitteren. Ze keek hem bezorgd aan en hij glimlachte naar haar. Ze glimlachte gerustgesteld terug. Ze zouden het gaan halen. Ze zag wel dat deze man een vechter was, dat hij vastberaden was het te halen. Hij zou alles doen wat nodig was om te ontsnappen. En het ergste was nu achter de rug. Ze berekende de reis… Als ze zorgden dat ze op de eerstvolgende trein stapten en overstapten op lijn 9 – ervan uitgaande dat station Rond-Point vanavond open was – die hen helemaal naar Pont de Sèvres zou brengen…
Uiteindelijk ratelde er een trein het station binnen, en een stortvloed van passagiers stapte uit. Mireille gebruikte haar ellebogen om op te stappen, de man achter zich aan trekkend en hem vervolgens op een bankje voor twee personen duwend. Toen de deuren waren gesloten en de metro van het perron wegreed, sloot de man zijn ogen, liet zijn hoofd tegen haar schouder rusten en slaakte een zachte zucht van opluchting.
* * *
Boven de grond bleef Claire even staan in de menigte rond de cafés en restaurants in Les Halles. Had ze net nou echt Mireille zien lopen, met de arm van een man om haar heen, voordat ze werd opgeslokt door de mensenmassa op de trap naar de Métro? Zo bezig met haar geheime minnaar dat ze het niet eens had gehoord toen Claire haar riep terwijl ze op nog geen meter afstand langs haar heen liep? Was dat wat ze deed? Mooie vriendschap, als ze haar niet eens in vertrouwen nam. Laat staan dat ze haar mee zou nemen als ze uitging en Claire aan een van zijn vrienden zou voorstellen… Nou, in tijden van oorlog leer je in ieder geval je vriendinnen kennen, dacht ze.
Met die gedachte draaide ze zich om en liep achter de twee andere vrouwen het café in, waar soldaten in grijze uniformen aan de kleine tafeltjes zaten, op de uitkijk naar mooie Franse meisjes om hun geld aan uit te geven en hen te helpen vergeten hoe ver ze van huis waren op kerstavond.