Hoofdstuk 1 - Schijnverloofd met een lord
By Mariah Stone
Londen, 1813
* * *
'U moet teruggaan naar Mayfair, waar u vandaan komt!'
De woorden die een van de zeven kinderen voor haar liet vallen, troffen miss Jane Grant als de bijl van een beul. Ze waren allemaal gekleed in iets wat op lompen leek, en hun vuile huid was zichtbaar door de scheuren en gaten. Ze wiebelden achter hun schoolbanken en verscheurden het kostbare papier dat zij maanden geleden zorgvuldig had uitgekozen en besteld ter voorbereiding op de opening van haar school. Stoelen en tafels schuurden over de pas gelegde houten vloer, terwijl de vier jongens en drie meisjes met pennen en papierpropjes gooiden, elkaar duwden, schreeuwden en kakelden.
Haar hond Hercules, een Engelse foxhound met grote bruine en grijze vlekken op zijn witte vacht, zat kaarsrecht naast de deur. Hij had zijn oren gespitst en liet een zacht blafje horen. Reuben, een grote, struise man van in de veertig met een ruige baard, stond in de tegenoverliggende hoek van de kamer. Hij hield zijn massieve armen over zijn borst gekruist en observeerde de scène met een bezorgde frons. Hij was een van de meest vertrouwde mannen van haar broer Thorne en vergezelde Jane vaak als haar lijfwacht en chaperon door Whitechapel.
'Terug naar Mayfair,' herhaalde de roodharige Alfie, die zijn staalblauwe ogen op haar richtte voordat hij spuugde: 'Prinses...'
Hoe wist die jongen zo precies wat haar zou kwetsen? Ze nam aan dat het overduidelijk was dat ze hier niet thuishoorde. Jane knipperde tegen de tranen die brandden in haar ogen. Zij was hun lerares. Ze kon niet al in de eerste minuten van het fragiele bestaan van haar schooltje opgeven.
Ze haalde diep adem en zette een dappere glimlach op.
'Kinderen!' riep Jane, in een poging boven het lawaai van de kinderen uit te komen. 'Stil, alsjeblieft! Als jullie me heel even laten uitpraten...'
Toen het geluidsniveau in het klaslokaal aanzwol, keek ze naar Reuben. Hij schudde langzaam zijn hoofd en op zijn gezicht verscheen een diepe frons van ongemak en medeleven. Jane wist dat hij wilde helpen.
Hij baande zich een weg door de rij simpele, eikenhouten tafels en stoelen die ze een jaar geleden had besteld bij de plaatselijke meubelmaker in Whitechapel. De man had het hout van kapotte meubels gebruikt voor de tafels en stoelen. Hij was zo dankbaar geweest voor de grote opdracht dat hij tranen in zijn ogen had gekregen.
Een ganzenveer kraakte onder Reubens voeten terwijl hij liep. Zonlicht stroomde door drie kleine ramen naar binnen en verlichtte het schoolbord dat aan de voorkant van de kamer hing. Nieuwe landkaarten, die ze bij een cartograaf in Cheapside had gekocht, en lesposters met het alfabet, de cijfers en de rekentabellen, die ze zelf had geschilderd, sierden de witbetimmerde muren.
Vroeger was het gebouw de verlaten keuken aan de achterkant van de exclusieve herenclub van haar broer geweest, het 'Elysium'. Ruim een jaar geleden had Thorne werkloze mannen uit de buurt ingehuurd om het voor Jane's school te renoveren. De ruimte rook nog steeds naar vers hout, verf en zelf een beetje naar krijt.
Reubens wenkbrauwen hingen als twee kleine onweerswolken boven zijn ogen toen hij naast haar kwam staan, en Jane voelde een vlaag van dankbaarheid. Ze wist dat hij niet alleen uit plichtsbesef jegens Thorne aanwezig was, maar ook vanwege de band die ze tijdens hun gesprekken en gezamenlijke maaltijden hadden opgebouwd.
Reuben keek de kinderen woedend aan en brulde: 'Houd jullie kop, stelletje snotneuzen!'
Het werd stil in het klaslokaal. Hercules blafte nog een laatste keer instemmend en ging in zijn hondenmand liggen. Hij hield zijn kop nog steeds fier omhoog, terwijl hij de jongens en meisjes waarschuwende blikken toewierp. De kinderen hielden zich stil en draaiden zich met grote ogen om naar Reuben en Jane. Hun wenkbrauwen waren gefronst en ze keken somber. Jane ademde opgelucht uit. Ze had de kinderen het liefst zelf tot de orde geroepen, maar ze moest toegeven dat Reubens tactiek effectiever was. Reuben draaide zich naar haar om en gaf haar een samenzweerderige knipoog, waarna hij weer naar de kinderen keek.
'Jullie zijn een stel ondankbare blagen,' gromde Reuben. 'Miss Grant heeft zich meer dan een jaar uitgesloofd om deze school voor jullie op te bouwen. Ze heeft zelf voor al die boeken, pennen en het papier gezorgd. En kijk nu eens...'
Hij liep naar de eerste tafel, pakte een omgevallen inktpot op en zette hem weer op zijn plek. Daarna veegde hij zijn zwarte vingers af aan zijn bruine jas. De inktplas druppelde van de tafel op de pas gelegde vloer. Zou Ruby, hun dienstmeisje en huishoudster, die vlek er überhaupt wel uit kunnen krijgen?
'De inkt is gemorst,’ ging Reuben verder, 'ganzenveren zijn gebroken, het papier is onbruikbaar...'
Jane lachte nerveus. 'Het is niet erg, kinderen. Ik heb er nog meer van. Het belangrijkste is dat jullie hier zijn.'
'Waarom zijn we hier?' vroeg Lily, een meisje van acht. 'Ik zou in de fabriek moeten zijn om mijn kost te verdienen.'
'Wil je voor een armzalige penny je handen laten vermorzelen door een machine?' vroeg Reuben.
'Soms betekent die penny een of twee kruimels voor mij en mijn zusje.'
Jane kreeg er kippenvel van. Ze was wekenlang in de buurt van deur tot deur gegaan, had met de ouders gesproken en hen uitgenodigd om hun kinderen naar haar school te sturen.
'En ik zou mijn oom helpen,' zei Alfie.
'Buiten op straat, Alfie?' snauwde Reuben hem toe. 'Portemonnees stelen, dat is je grootste talent, hè?'
Alfie wierp hem een kwade blik toe. 'We zouden mijn eerste grote klus doen. Mijn ma loopt al zes maanden achter met de huur.'
'Die dame verspilt alleen maar onze tijd,' mopperde de negenjarige Peter, een jongen met een bos zwart haar.
Ze wist hoe ze op mensen moest overkomen. Al vijf jaar, sinds ze het huis van haar vader in Mayfair had verlaten en naar Whitechapel was verhuisd, was ze voor de bewoners een vreemde verschijning. Haar kleding was eenvoudig, maar schoon en netjes. Haar haar werd door Ruby altijd zorgvuldig gekapt, geen haartje zat verkeerd. Haar handen en gezicht waren schoon. Haar bril verraadde hen waarschijnlijk wie ze was: een ontwikkeld persoon. Ze praatte niet zoals zij, kleedde zich niet zoals zij en zag er niet uit zoals zij. Ze hoefde zich geen zorgen te maken waar haar volgende maaltijd vandaan zou komen. Daar zorgde Thorne voor. En hoewel ze in de Londense misdaadwijk woonde, voelde ze zich redelijk veilig met Thornes mannen die haar als een prinses bewaakten.
Bovendien wist heel Whitechapel dat de zus van Thorne Blackmore, een wettig kind van een baron – in tegenstelling tot hij – onaantastbaar was. Als iemand haar ook maar een haar zou krenken, zou diegene zijn hoofd verliezen.
Maar als Jane deze kinderen wilde helpen, moest ze een manier vinden om een band met hen op te bouwen. En ze moest ervoor zorgen dat ze hier wilden zijn.
'Onderwijs is geen tijdverspilling,' zei ze. 'Peter, als je leert lezen en schrijven, hoef je niet in gevaarlijke fabrieken te werken, te zakkenrollen of op straat te bedelen. Je zou een baan in de bediening kunnen vinden, of bij iemand in de leer kunnen gaan om een vak te leren, zoals timmeren, koken of schoenmaken...'
En niet aan de galg eindigen, wilde ze eraan toevoegen, maar de gedachte alleen al liet een rilling over haar rug lopen. Voor haar geestesoog verscheen een beeld: een opgehangen tienjarige jongen, wiens bungelende lichaam zwart afstak tegen donkere onweerswolken. Twee jaar geleden was ze getuige geweest van een openbare executie toen de koetsier een verkeerde afslag had genomen en ze vast was komen te zitten in een menigte toeschouwers.
Thorne had haar gezegd niet te kijken, maar ze had haar blik niet kunnen afwenden. Toen ze hem had gevraagd wat de jongen had gedaan, had Thorne somber geantwoord: 'Hij heeft gedaan wat veel kinderen uit Whitechapel elke dag doen. Het verschil is dat hij werd gepakt.'
Ze bad dat ze deze kinderen kon helpen zo’n lot te ontlopen. En als haar school een succes was niet alleen deze zeven, maar nog vele anderen.
'Kinderen, maak je geen zorgen over werk of diefstal,' zei Reuben. 'Meneer Blackmore, de broer van miss Grant, heeft jullie gezinnen betaald voor het werk dat jullie vandaag missen.'
Terwijl de kinderen tevreden lachend mompelden, voelde de mededeling voor Jane als een klap in haar gezicht.
Niets was echt. Het was niet haar verdienste dat deze kinderen hier zaten.
Het was allemaal de verdienste van Thorne. Het was altijd Thorne. Hij beschermde haar, schermde haar af, zorgde ervoor dat elke wens en gril van haar werd vervuld.
En toch had ze gedacht dat er eindelijk iets aan haar te danken was. Ze was ervan uitgegaan dat ze erin was geslaagd de ouders van de kinderen te overtuigen om hen hierheen te sturen, nadat ze wekenlang van deur tot deur was gegaan. Ze had gedacht dat ze erin was geslaagd iets te betekenen, dat ze een kleine stap vooruit had gezet om erbij te horen, alsof ze ertoe deed.
Ze had geloofd dat ze niet alleen maar de overbeschermde, eenzame, adellijke zus van een misdaadbaas was, die niet wist wat ze met zichzelf aan moest tussen dieven, prostituees en vechtersbazen.
'Ik moet gaan,' kondigde Reuben aan en stak een vinger op. 'En jullie kunnen nu maar beter luisteren naar Janie... eh... ik bedoel, miss Grant. Als jullie dat niet doen, geef ik jullie zo'n pak rammel dat jullie een week lang niet fatsoenlijk kunnen zitten.'
Jane staarde Reuben geschokt aan. 'Nee, nee, Reuben,' zei ze. ‘We doen niet aan lijfstraffen, niet op deze school. De kinderen hebben het al zwaar genoeg.'
Reuben lachte zachtjes, maar wierp de kinderen een waarschuwende blik toe, die hem op hun beurt boos aankeken. Hij stak woordeloos zijn wijsvinger weer op.
'Ik maak geen grapje, Janie,' zei hij zachtjes, terwijl hij naar haar toe boog. 'Als die kleine duivels je problemen bezorgen, krijgen ze met mij te maken.'
Daarmee verliet Reuben onder het waakzame oog van Hercules de kamer. Toen de deur achter hem sloot, richtten zeven paar opstandige, uitdagende ogen zich op Jane. Ze glimlachte en wiebelde van de ene voet op de andere.
Nog nooit had ze zich zo misplaatst gevoeld. Wat wist zij nu helemaal van het leven van kinderen? Wat wist zij ervan hoe het was om elke dag te moeten vechten om te overleven, met een rammelende maag en slechts in vodden gekleed? Hoe belangrijk konden lezen en schrijven voor hen zijn als ze niet wisten of ze morgen iets te eten zouden hebben?
Toch moest ze doorgaan. Misschien was het nu moeilijk, maar later kon het voor hen het verschil betekenen tussen de galg en een veilig thuis. Ze haalde diep adem en liep naar het schoolbord.
'Laten we met het alfabet beginnen,' zei ze. 'A is van appel. B is van bal...'
Ze nam het hele alfabet door en schreef de letters op het bord. De kinderen herhaalden wat ze hen voorzei, maar hun stemmen klonken mat en ongeïnteresseerd. Pas toen ze bij de W aankwam, begonnen ze weer te giechelen en door elkaar te schreeuwen.
Ze draaide zich om. Alfie had een verbazingwekkend geslaagde schets getekend van een dame met een bril en een perfect opgestoken knot, wier rokken in de wind fladderden en haar onderrokken nogal schandalig blootlegden. Toen ze naar adem hapte, klonk er voldaan gelach van de kinderen.
‘Alfie,' zei ze, 'nu is het genoeg. Dit is ongepast.'
'Wat gaat u doen, miss Grant?' vroeg Peter. 'Ons voor straf naar huis sturen?'
Instemmend, vrolijk gejoel schalde door de kamer.
Jane's wangen gloeiden. Wat Thornes goede bedoelingen ook waren, hierbij kon hij niet helpen. Dit was een kwestie tussen haar en de kinderen. Maar het was alsof ze de juiste woorden maar niet kon vinden om hen duidelijk te maken waarom ze hier moesten zijn.
'Nee, natuurlijk niet, maar jullie moeten begrijpen...'
Maar ze luisterden niet. Alfie sprong op zijn stoel en begon een soort wilde dans. Peter schudde aan Alfies stoel, waardoor hij op de grond dreigde te vallen, en Jane slaakte een geschrokken kreetje. Terwijl Lily giechelde, verfrommelden de andere kinderen de restjes van hun papier tot propjes en bekogelden elkaar ermee. Hercules sprong op en blafte opgewonden, wat de chaos alleen maar groter maakte.
'Alsjeblieft!' schreeuwde Jane met wanhoop in haar borst. Wie hield ze voor de gek? Ze was geen gouvernante, geen lerares en geen moeder. Ze was gewoon een dame, een edelvrouw. Ze was opgevoed om etiquette te begrijpen en zich fatsoenlijk te gedragen, niet om een kamer vol kinderen onder controle te houden. Haar opvoeding als dochter van een baron had haar moeten voorbereiden om de vrouw van een adellijke heer te zijn, een dame die haar tijd in de salon doorbracht en niet in het schoollokaal. En toch was ze hier, zonder de intentie ooit te trouwen, en jaagde ze een droom na die zo ver weg voelde als de sterren. 'Alsjeblieft, kalmeer allemaal!'
Te midden van de chaos rende Hercules naar de deur en blafte als een bezetene.
De deur vloog open en in de deuropening stond de aantrekkelijkste man die ze ooit had gezien.
Hij was lang en gespierd onder zijn chique, donkere gilet, dat een beetje scheef zat. Zijn hoge das zat los en zijn broek was gekreukt. Hij was de belichaming van al haar romantische fantasieën. Hij had dik, kastanjebruin haar en zijn modieuze kapsel was door de wind in de war gebracht. Zijn gelaatstrekken waren perfect en leken wel uit steen gehouwen: hoge jukbeenderen en een rechte neus, als die van een Griekse god. Donkere, kastanjebruine wenkbrauwen fronsten boven zijn intense blauwe ogen toen hij naar de kinderen en haar keek. Toen trok zijn brede mond op in een scheve grijns.
De kinderen werden stil en staarden de vreemdeling aan, maar Hercules niet. Met een woeste grom en opgewonden geblaf sprong de hond op de man af.
Verschrikt deinsde de man terug door de open deur en ploeterde de vieze, modderige binnenplaats achter het ‘Elysium’ op, waarbij de modder onder zijn glanzende laarzen opspatte. Hercules sprong door de plassen en de modder en bleef op de man afstormen terwijl die zich terugtrok.
Jane rende achter Hercules aan. ‘Stop! Zit, Hercules!’
Maar Hercules was veel te opgewonden om naar haar te luisteren.
In plaats daarvan drukte hij de aantrekkelijke man met zijn rug tegen de muur, waarbij zijn modderige poten zwarte vlekken achterlieten op het witte hemd en de lichte broek van de man.
Hercules gromde en blafte recht in zijn gezicht. De man gooide zijn armen omhoog en praatte sussend tegen de hond, hoewel het tevergeefs was. Jane rende naar Hercules toe en trok aan zijn halsband.
‘Zit, Hercules!' riep ze. ‘Zit!’
Hercules, kleine beschermer als hij was, gehoorzaamde eindelijk. Hij ging zitten, jankend en grommend, terwijl zijn staart wild heen en weer zwiepte omdat hij de vreemdeling, die misschien was gekomen om zijn bazinnetje te bedreigen, verder wilde kwellen.
Jane staarde de man aan. Ze hijgde van de inspanning en ademde zijn bedwelmende, mannelijke geur in — dure eau de cologne en brandewijn — vermengd met de geur van de stallen, de kroeg en het kippenhok die altijd boven de binnenplaats van het ‘Elysium’ hing. ‘Die hond schijnt me niet echt te mogen,' zei de vreemdeling met een diepe, fluweelzachte stem.
Plotseling werd ze zich pijnlijk bewust van zijn nabijheid. Zijn warme blauwe ogen waren op haar gericht en ze verdronk in die prachtige — hoewel licht bloeddoorlopen — diepten. Hij was ongetwijfeld een lord, niet zomaar een advocaat of een bankbediende ergens in Cheapside. In een balzaal zou een man als hij iemand als haar nooit opmerken. Ze was een boekenwurm en verschool zich achter de rand van haar bril. Ze zou nooit de aandacht trekken van een onweerstaanbare, charmante en ongetwijfeld rijke man als hij.
Maar zij zou hem overal opmerken.
Ze wenste dat ze betere kleren droeg dan de muisgrijze jurk die Ruby drie jaar geleden voor haar had genaaid. En ze wenste dat ze een modieuzer kapsel had dan de simpele knot. Hij droeg allemaal rijke, levendige kleuren, terwijl die van haar grauw en vaal leken. Voor het eerst in vijf jaar voelde ze het verlangen om de gelijke te zijn van een man als hij, terwijl ze zich er terdege van bewust was dat ze dat niet was.
Hij keek naar een punt ergens achter haar. ‘Pardon,’ zei hij, ‘zijn dat niet uw kinderen?’
Ze draaide zich om en kreunde toen ze zag hoe haar leerlingen de school uit kwamen, de binnenplaats over renden en door de deur in de koetspoort verdwenen.
Woede welde in haar op. Wat had ze in hemelsnaam gedacht? Deze man, die duidelijk een van de vaste bezoekers van het 'Elysium' was, was gekleed alsof hij de hele nacht niet thuis was geweest en stonk als een jeneverstokerij. Hij was haar school binnengestormd, had de les verstoord en nu was iedereen door zijn schuld vertrokken!
'Meneer, u zou de achterplaats van het 'Elysium' niet moeten betreden,' zei ze met een stem die krachtiger klonk dan ze zich voelde. 'Was u zich er niet van bewust dat bezoekers alleen de voordeur mogen gebruiken?'
Hij lachte zachtjes en bekeek haar met een milde blik. Die geamuseerde twinkeling in zijn ogen beviel haar totaal niet. Net zomin als de warmte die zich door haar hele lichaam verspreidde toen ze merkte dat zijn blik onafgebroken op haar rustte. Ze herinnerde zichzelf eraan dat ze zich niet door zijn charme mocht laten beïnvloeden.
'Op dit moment zou ik willen dat ik een stoute jongen was, als ik in ruil daarvoor een gouvernante als u had om mij manieren te leren.'
Ze voelde de hitte naar haar wangen stijgen bij zijn woorden. Aan zo'n brutale openhartigheid was ze niet gewend. Maar ze moest geconcentreerd blijven. 'Wat, in ’s hemelsnaam, wilt u van mij?'
'Hoezeer het me ook spijt, ik ben niet voor u gekomen, juffrouw. Ik was op zoek naar Thorne Blackmore. Niemand doet open bij de voordeur van het 'Elysium'.'
'En omdat u een vaste gast bent, denkt u dat u het recht heeft om hoe dan ook binnen te komen,' constateerde ze.
Zijn ogen vernauwden zich tot een gloeiende blik. 'Niet alles is wat het lijkt,' stootte hij uit, en zijn stem klonk alsof er een storm opstak. 'Maar iemand die zo zelfingenomen is als u, is toch zeker wel slim genoeg om goed van kwaad te onderscheiden, nietwaar?'
Ze hield zich kaarsrecht. Het bonzen van haar hartslag in haar oren onderstreepte de spanning die haar hele lichaam in zijn greep hield. 'Inderdaad, dat ben ik. Uw werkwijze is duidelijk verstoren, rebelleren en chaos veroorzaken. En dan mag iemand zoals ik de scherven in uw kielzog opruimen.'
Zijn gezichtsuitdrukking veranderde in woede. 'U denkt dat u alles weet, hè?' spuwde hij met een rauwe, boze stem. 'U zit op uw hoge paard en velt oordelen. Wat moet uw perfecte leventje saai en vervelend zijn. Maar vergeet niet, juffrouw, wie op een hoog paard zit, zit daar alleen.'
Zijn woorden raakten haar als een klap in haar maag. De tranen die ze eerder had onderdrukt, prikten weer in haar ogen. Ze kon er niets tegenin brengen, want zijn woorden klonken te waar.
'Als u Thorne Blackmore wilt zien,’ zei ze met een zachte, trillende stem, 'de personeelsingang is achter u. Kom alstublieft niet meer in de buurt van mij of mijn school.'
Ze keek naar zijn grote, brede rug terwijl hij van haar wegliep, haar hart nog steeds op hol geslagen.
Ze draaide zich om en liep haar school binnen, want ze had een taak, een doel. En ze zou het bereiken, wat er ook gebeurde. Daar zouden onbeschofte, knappe vreemdelingen of pijnlijke herinneringen niets aan veranderen.