Hoofdstuk 2 - Schijnverloofd met een lord
By Mariah Stone
Met elke vermoeide stap die lord Richard Seaton door de sombere gangen van het 'Elysium' zette, werd zijn hoofdpijn erger. De nachtelijke feestelijkheden hadden hem in een benevelde toestand achtergelaten. De stank van alcohol kleefde nog steeds aan zijn verkreukelde kleding en de bonzende hoofdpijn droeg bij aan zijn verwarring.
Afgelopen nacht had hij willen vergeten. Zijn broer Preston had hem nieuws gebracht dat het hem onmogelijk had gemaakt om te slapen, om alleen te zijn met zijn gedachten, zich voorstellend wat zijn broer Spencer overkomen zou kunnen zijn en zich afvragend of hij nog leefde.
Omdat hij niets kon doen om te helpen, had hij afleiding gevonden in een uitstekende, ongetwijfeld gesmokkelde fles Franse brandy… en de gewillige weduwe van een overleden bankeigenaar uit Cheapside en haar twee vriendinnen.
Gelukkig was het genadig donker in de gang; het enige licht kwam van zwakke gaslampen die op regelmatige afstanden waren aangebracht. Hun matte schijnsel weerspiegelde in de rijke, donkergroene wandpanelen. Schilderijen van stormachtige zeegezichten en dramatische bergketens leken de onrust in zijn binnenste te weerspiegelen. Hij volgde een lakei wiens flakkerende kaars een aureool om hem heen wierp, en het geluid van hun schoenen op de houten vloer creëerde een ritme dat door zijn bonzende hoofd galmde.
Terwijl hij liep, dacht hij aan de temperamentvolle lerares die zijn bloed had doen koken. Onder normale omstandigheden zou hij nauwelijks een tweede gedachte verspillen aan een vrouw als zij. Een vrouw gekleed in een eenvoudige, grijze mousselinen jurk en een schort, met een bril op haar neus en daarachter grote, intelligente grijze ogen.
Ondanks haar zachtmoedige voorkomen had ze hem buitengewoon kwaad gemaakt. Ze had hem afgedaan als een man zonder inhoud en zonder verantwoordelijkheidsgevoel. Iemand zoals zij, zo correct, zo veroordelend, met haar onberispelijke leven en een eenvoudig antwoord op alles, had geen idee wat een man moest doen als zijn ziel gekweld was.
Waarom bezat ze dan zo'n onverwacht verleidelijke aantrekkingskracht? Vooral haar zachte, roze lippen. Hij vroeg zich af hoe ze zouden smaken, misschien precies zoals ze rook – naar zoete vanille en iets bloemigs. Die gedachte toverde een glimlach op zijn lippen.
Hoofdschuddend volgde hij de lakei weer een hoek om, zich verbazend over zijn interesse in een vrouw die de exacte tegenpool leek van de dames die hem normaal gesproken bevielen.
Hij was de tel kwijtgeraakt hoe vaak ze al een hoek om waren gegaan. De groen gebetimmerde muren met de maritieme schilderijen leken een eindeloos labyrint te vormen. De eigenaar van het 'Elysium' – een man van wie werd gezegd dat hij zijn vingers in allerlei illegale zaakjes had – had het etablissement bewust misleidend ontworpen, realiseerde hij zich, waarschijnlijk om ongewenste bezoeken van de Bow Street Runners – zoals politieagenten gewoonlijk werden genoemd – te ontmoedigen.
Uiteindelijk bereikten ze een zwarte deur aan het einde van een gang. De lakei klopte en van binnenuit klonk een kortaf: ‘Binnen.'
De lakei en Richard stapten naar binnen en de lakei kondigde zijn aanwezigheid aan. 'Lord Richard Seaton wil u spreken, mijnheer.'
Daglicht overspoelde de kamer en Richard moest zijn ogen tot spleetjes knijpen vanwege de plotselinge felheid. De schitterende inrichting van de kamer getuigde van rijkdom. In een grote open haard knisperde en siste een vuur, en de geur van brandend hout verergerde zijn hoofdpijn. Het ontging Richard niet dat er in de haard echt hout brandde; een luxe in deze tijd, waarin steenkool aanzienlijk betaalbaarder was.
Vanaf de schouw staarde een marmeren buste van een prachtig vrouwenhoofd Richard aan. Een dieprood, zacht tapijt dempte Richards stappen toen hij verder de kamer in liep. Elegante mahoniehouten lambrisering en met boeken gevulde planken sierden de muren, en twee grote ramen, met zware fluwelen gordijnen die helemaal waren opengeschoven, lieten het daglicht binnen. Richard vroeg zich af hoe een plek waar zoveel licht door de ramen naar binnen viel, zo donker en afgezonderd kon lijken.
Thorne Blackmore keek op van achter zijn sierlijke bureau, waarop een vlijmscherpe briefopener glinsterde.
Hij was een knappe man van begin dertig, met een hoekige, perfect geschoren kaaklijn, hoge, bijna puntige jukbeenderen en lange, volle, elegante wenkbrauwen. Hij had donkere, bijna zwarte ogen en lange wimpers. Zijn korte kapsel liet hem er erg modieus uitzien, net als het zwarte gilet en de witte, hooggesloten halsdoek. Hij zag er niet uit als een crimineel of een bordeelhouder. Hij zag eruit als een welgestelde gentleman... met het lichaam van een vechter en de ogen van een moordenaar.
'Is alles naar wens met uw lidmaatschap, lord Richard?' vroeg Blackmore, terwijl hij zijn vingers ineenvouwde op het bureau voor zich.
'Ja,' zei Richard. 'Maar ik ben hier met een andere reden.'
Blackmores blik gleed over hem heen en bleef hangen bij de zwarte moddervlekken op zijn kleding. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en een gevoel van onbehagen overviel Richard.
'Wat kan ik voor u doen?'
Richard aarzelde, zijn hart klopte in zijn keel. Wilde hij Thorne Blackmore echt confronteren, een man die berucht was om zijn meedogenloosheid? Hij haalde diep adem en herinnerde zichzelf eraan dat hij geen andere keus had.
Hij zou alles doen voor Spencer, de oudere broer tegen wie hij had opgekeken, een man met zelfvertrouwen, gratie en verstand.
Spencer, die onoverwinnelijk had geleken.
'Uw mannen zijn ingehuurd om afgelopen september mijn oudste broer, de voormalige hertog van Grandhampton, in elkaar te slaan bij de "Portside",' zei Richard.
Blackmore leunde achterover in zijn stoel. Hij keek Richard met een uitdrukkingsloze blik aan. 'Ik kan het bevestigen noch ontkennen.'
Richard deed een stap naar voren. Hij was niet goed in het aangaan van confrontaties. Hij was veel beter in het stichten en bewaren van vrede. Zijn maag trok samen. Blackmore trok een donkere wenkbrauw op en zei niets, maar bleef Richard aanstaren met zijn doordringende ogen.
Richard wenste dat de razende hoofdpijn zou verdwijnen, zodat hij een plan kon bedenken. Wat had hij in hemelsnaam gedacht, om hierheen te komen na een nacht met te weinig slaap en te veel drank? Zijn familie had antwoorden nodig, en binnenin hem vochten angst en woede met elkaar. Wat als Blackmore weigerde hem iets te vertellen?
'We dachten dat hij vermoord was,' zei hij. 'We hebben hem begraven. Mijn broer Preston werd de hertog van Grandhampton. We hebben allemaal om Spencer gerouwd en ons erbij neergelegd dat hij dood was.' Richard zweeg even en deed zijn best om zijn stem kalm te houden. 'Tot Preston ons gisteravond vertelde dat hij het lichaam heeft laten opgraven en de lijkschouwer het opnieuw heeft onderzocht. Het was niet Spencer die we hebben begraven.'
'Wat fijn voor uw familie,' antwoordde Blackmore, wiens stem geen enkele warmte bevatte. 'Maar ik weet van niets, milord.' Hij stond op van zijn bureau en stak zijn arm uit naar de deur. 'Als dat alles is...'
Richard ijsbeerde zwaar ademend door de kamer en staarde Blackmore aan. Hij was er zeker van dat de man meer wist.
'Mijn broer leeft misschien nog. We hebben informatie nodig. Alstublieft,' voegde Richard eraan toe.
Blackmore antwoordde niet, maar staarde hem alleen maar aan met die doodse, koude ogen. Na een lange stilte zei hij uiteindelijk: 'Er is niets wat ik kan doen.'
Richard balde zijn vuisten alsof hij die koppige man daarmee kon dwingen de waarheid te spreken.
Dit was zijn kans om iets nuttigs te doen voor zijn familie en voor de broer die hij zijn hele leven had verafgood.
Hij moest kalm blijven en het geduld oefenen dat hij zich tijdens de talloze familieruzies had eigengemaakt; zijn gebruikelijke rol. Hij wist dat agressie hem nu niet zou helpen; in plaats daarvan moest hij Blackmore tot rede brengen.
'Hoeveel?' vroeg hij. 'Noem uw prijs maar, en u krijgt wat u wilt.'
'Zoals u misschien gemerkt heeft, heb ik geen geld nodig.'
'Wat dan? Wat is er nodig om u te overtuigen?'
Blackmore vertrok geen spier. 'Wat ik wil, kunt u mij niet geven. Ik vrees dat ik al genoeg van uw kostbare tijd heb verspild, meneer.'
Richard staarde hem woedend aan. Hulpeloze wanhoop kookte in hem als water in een gloeiendhete ketel; het gevoel onbeduidend te zijn was hem zo vertrouwd als zijn eigen schaduw.
Spencer was de erfgenaam geweest.
Preston, de reserve.
Calliope, de enige dochter en zus die de familie had.
Richard, de nutteloze jongste zoon.
Het enige wat hij goed kon, was bemiddelen tussen zijn ruziënde broers en proberen de sfeer te verbeteren.
Als jongste zoon zou hij het makkelijker moeten hebben om zijn eigen dromen na te jagen, maar hij had niet veel gedaan met de kansen die hij had. Zijn enige poging om de liefde een kans te geven had hem achtergelaten met een gebroken hart en wonden die hij nog steeds probeerde te helen met brandewijn en het gezelschap van gewillige weduwen.
De nederlaag smaakte als gal in zijn keel, maar hij mocht dat niet laten blijken. Zijn broers, zus en grootmoeder rekenden erop dat hij deze informatie zou verkrijgen, koste wat het kost. Hij zou iemand inhuren om de mannen van Blackmore te volgen, besloot hij, en hen van een afstand schaduwen tot hij een zwakke plek vond. Het zou weken of maanden kunnen duren, maar hij zou geduldig zijn. Hij was een vastberaden man en zou niet rusten tot hij kreeg wat hij nodig had.
'Zoals u wilt,' zei Richard, draaide zich om en liep naar de deur. 'Goedendag, meneer Blackmore.'
Zijn hand rustte op de koele klink, maar voordat hij de deur kon opentrekken, lieten drie woorden uit de mond van Blackmore hem verstijven.
'Wacht u even.'
Richard keek over zijn schouder en zag een peinzende uitdrukking op het gezicht van Blackmore. 'Bent u ongetrouwd, Lord Richard?'
Richard draaide zich naar hem om. 'Ja. Hoezo?'
'Mijn jongere zus, eigenlijk mijn halfzus, hoort niet in mijn wereld thuis. We hebben een gemeenschappelijke vader. Ik ben buitenechtelijk geboren. Zij is echter wel wettig en is als de dochter van een baron geboren en opgegroeid in een huis in Mayfair. Maar uw ton heeft haar omwille van mij verstoten.'
Blackmores zus... Hij stelde zich iemand voor zoals de man die voor hem stond: groot, donker en knap, met koude ogen. Ongetwijfeld was de vrouw verwend, gekleed naar de laatste mode, arrogant en gewend dat al haar wensen werden ingewilligd. Er ging een rilling door hem heen en zijn maag zonk als een baksteen. Hij deed zijn best om zijn gezicht in de plooi te houden, maar hij voelde dat hij zijn zelfbeheersing verloor. Het voelde alsof het gesprek een gevaarlijke wending nam. 'Het spijt me zeer te horen van de situatie van uw zus.'
'Niet zozeer als het mij spijt,' zei Blackmore, en hij liep met een gevaarlijke fonkeling in zijn ogen nonchalant op Richard af. 'Maar een huwelijk met de broer van een hertog zal haar aanzien en haar plaats herstellen. Het zal haar terugbrengen in de wereld waar ze altijd al deel van had moeten uitmaken.'
Richards maag kromp ineen van schrik toen hij begreep wat Thorne Blackmore met zijn woorden bedoelde.
'En haar huwelijk,’ ging Blackmore verder, 'zou mij zeer verheugen. Zozeer zelfs, dat ik haar nieuwe echtgenoot een waardevol geschenk zou kunnen geven: het geschenk van informatie.'