Hoofdstuk 22 - Schijnverloofd met een lord
By Mariah Stone
Toen de koets stopte, stapte Richard als eerste uit en hielp daarna Jane, die de mand bij zich droeg, uitstappen.
Richard volgde haar statige gestalte toen ze een kleine binnenplaats opliep die was omgeven door afbrokkelende bakstenen huizen. Hij was op zijn hoede voor dreigingen en gevaar, ook al wist hij met zijn logische verstand dat ze zich hier hoogstwaarschijnlijk thuis voelde. Twee vrouwen stonden te praten terwijl ze de was schrobden in een houten teil. Twee peuters in oude, opgelapte kleren speelden in het vuil. In een hoek stonden drie mannen met elkaar te praten, en Jane liep recht op hen af. Richard hield gelijke pas met haar terwijl Hercules vooruit snelde.
'Zeg niets,' zei ze tegen Richard. 'Laat mij maar praten.'
Hercules blafte vriendelijk, maar de peuters werden bang en begonnen te huilen. De drie mannen keken donker hun kant op, maar toen ze Jane zagen, veranderde de afkeurende uitdrukking op hun gezichten.
'Janie,' zei een van hen. De man moest ongeveer veertig jaar oud zijn, hij had roodachtig haar dat langzaamaan grijs werd en wijd uit elkaar staande blauwe ogen onder een hoog voorhoofd. Hij liep met een stralende glimlach op haar af en spreidde zijn armen.
'Atticus,' begroette ze hem met een nog bredere glimlach. 'Hoe gaat het met jullie, John en Ned?'
De andere mannen – beiden stevig, goedgebouwd en iets jonger dan Atticus – glimlachten ook naar haar.
'Wat doe je hier?' vroeg Atticus. 'Je komt ons zeker weer wat te lezen brengen? En iets te eten, neem ik aan?' Zijn blik gleed naar de mand die ze vasthield. Toen bleef zijn blik op Richard rusten en de uitdrukking op zijn gezicht verhardde. 'Waarom ben je alleen met lord Richard? Is Ruby niet bij je?'
'Maak je geen zorgen over lord Richard. Hij zorgt ervoor dat ik veilig ben.'
‘Voor zover ik heb gehoord, is hij degene waar je tegen beschermd moet worden,' bromde Atticus met een frons.
'Hij is hier om te helpen, Atticus. Ik ben volkomen veilig bij hem. Ik heb iets lekkers voor jullie drieën meegenomen,' zei ze, terwijl ze het in linnen gewikkelde eten uit de mand aan hen overhandigde. 'Broodjes koude kip met champignonketchup.'
'O, lekker!' zei John, terwijl hij in zijn handen wreef en naar het bundeltje keek.
Maar Atticus had geen haast om het open te maken en bleef in plaats daarvan naar Richard staren.
'Ik zoek Reuben. Weet jij of hij thuis is?' informeerde Jane.
'Reuben is naar het zuiden om iets voor je broer te regelen,' zei Atticus.
Richards maag kromp ineen.
'O nee,' zei Jane. 'Ik heb gehoord dat hij pas vanavond wilde vertrekken.'
'Nee, hij is al vertrokken. Waarom? Kan ik iets voor je doen?'
Jane aarzelde. Richard keek haar gespannen aan.
'Je zou inderdaad kunnen helpen. Waarom geef je de jongens niet hun sandwiches? Ik moet je iets vragen.'
Atticus knikte, vouwde de doek open en gaf de mannen de sandwiches. Ze begonnen er gretig van te eten.
Atticus, Jane en Richard deden een paar stappen opzij, terwijl Hercules bij John en Ned bleef. Met zijn oren plat naar achteren zat hij daar, starend naar hun monden, alsof al het geluk van de wereld in die sandwiches zat.
'Gaat het goed met je?' vroeg Atticus.
'Je kent me al sinds Thorne me hiernaartoe heeft gebracht. Je moet me vertrouwen... en me helpen.'
'Waar gaat het over?' drong Atticus aan, op wiens gezicht bezorgdheid te lezen was.
'Het gaat over de hertog van Grandhampton,' zei Jane, en Atticus' gezicht betrok. 'Wat is er precies gebeurd die nacht toen jij hem in elkaar moest slaan?'
'Hoe weet je dat?' gromde Atticus. Alle vriendelijkheid was op slag van zijn gezicht verdwenen.
'Dat doet er niet toe. Wat telt is dat de familie van de hertog weet dat hij misschien niet dood is. Dat het niet zijn lichaam was dat begraven werd. En ze willen hem vinden. Als hij in de problemen zit, heeft hij hulp nodig.'
Atticus staarde Richard aan. ‘Je weet dat ik zijn broer ben, Atticus,' zei Richard. 'En ik ben degene die naar hem op zoek is. Alstublieft, vertel het me.'
Richards hart bonsde zwaar in zijn borst. Atticus' ogen lichtten een kort moment op.
'Ik begrijp dat het een lastige situatie is,' zei Atticus. 'En ik wou dat ik je kon helpen, Janie, en u, lord Richard. Dat meen ik echt. Maar ik kan Thornes vertrouwen niet beschamen, en dat zouden jullie beiden ook niet moeten doen.'
Teleurstelling overviel Richard. Jane zuchtte diep. 'Zeg hem dan op z'n minst niet dat je ons hier hebt gezien... en dat we ernaar gevraagd hebben. Voor mij.'
Atticus schudde langzaam zijn hoofd. 'Je speelt met vuur, meisje.'
'Misschien. Maar er staat een mensenleven op het spel.'
Uiteindelijk knikte Atticus. 'Goed. Ik zal niets tegen hem zeggen. Maar alleen zolang hij er niet naar vraagt. Als hij dat wel doet, heb ik geen andere keuze dan het hem te vertellen.'