Hoofdstuk 25 - Schijnverloofd met een lord
By Mariah Stone
Jane's hart klopte in haar keel toen zij en Richard later die avond door het ‘Elysium’ liepen. Thorne had haar vijf jaar lang verboden deze ruimtes te betreden, maar tegelijkertijd had ze er op elk moment naartoe kunnen gaan. Het ‘Elysium’ was per slot van rekening maar één deur verder.
De waarheid was dat ze het niet had gedurfd.
Ze bevond zich voor het eerst in een wereld vol losbandigheid en verboden genoegens, en de aanblik was een beetje overweldigend.
In de schemerige gloed van de clubverlichting rees het pronkstuk van de ruimte op: een marulaboom die exclusief voor Thorne was gemaakt. De zijden bladeren waren een natuurgetrouwe weergave, achter een glazen wand die de boom omgaf. Rond de robuuste stam van de boom kronkelde een python, die een langzaam, loom ballet danste, zijn schubben glinsterend in het kaarslicht.
Op de tafels stonden decadente spijzen en dranken. Het verleidelijke aroma van gebraden vlees, kaas, fruit, gebak en wijn vermengde zich met de zware geur van dure parfums, koffie en de vage muskusgeur van dieren.
Om haar heen zaten vrouwen – adembenemende schepsels – met ontblote, glanzende huid, op de schoot van de gasten. Gegiechel en gefluister hing in de lucht, vergezeld van het occasionele gebrul van een panter in een kooi. Jane's aanwezigheid hier was een rebellie tegen Thornes uitdrukkelijke bevel, omdat hij niet wilde dat ze zich bemoeide met het personeel van de club of vriendschap met hen sloot, wat zijn eigen verwrongen moraal weerspiegelde.
In een hoek van het etablissement dromden heren samen rond tafels. Ze waren verdiept in kaartspellen, terwijl vanaf een balkon een symfonie van sensuele muziek over hen heen klonk. De melodie was een ode aan Vivaldi’s Zomer – wild, hartstochtelijk, prachtig – waarvan de aangrijpende klanken haar de tranen in de ogen brachten. Het was een pijnlijke herinnering aan alles wat haar ontzegd was, aan de vrijheid en de wilde overgave die in de muziek weerklonken.
Thorne bediende een mannelijke clientèle met allerlei smaken en voorkeuren, stelde ze vast toen ze zich realiseerde dat sommige heren hier waren om minnaars van hetzelfde geslacht te vinden en met hen samen te zijn. In de ruimte waren verschillende mannelijke koppels die elkaar kusten, en een van hen liep naar een nis. Jane staarde hen verbaasd aan, omdat ze zoiets nog nooit had gezien. Ze wist dat dit tegen de wet was.
Richard keek om zich heen terwijl ze door de ruimte liepen. Hij stopte en staarde naar een man met een dikke buik, die behaaglijk in een stoel zat met een rondborstige blondine op schoot, die haar borsten tentoonspreidde. Met een vlaag van jaloezie keek Jane fronsend naar Richard. Toen de vrouw de man bij de hand nam, opstond en hem naar een nis met donkere fluwelen gordijnen in de hoek van de kamer leidde, kneep Richard zijn ogen samen en volgde hij de grote gestalte van de man met zijn blik.
Hij mompelde: ‘De prins-regent?’
Jane zuchtte, opgelucht dat Richards interesse op de man was gericht. ‘Ik weet het niet zeker. Ik heb hem nog nooit ontmoet. Thorne heeft wel gezegd dat hij vaak in het “Elysium” verblijft.’
Jane's blik bleef uiteindelijk op Reuben rusten. Hij zat aan de andere kant van een rijkelijk versierde tafel en wekte de indruk van een vermoeid dier. In de ene hand hield hij een glas brandewijn, met de andere ondersteunde hij zijn hoofd, alsof het te zwaar was voor zijn schouders om te dragen.
Toen ze dichterbij kwamen, vroeg Jane aan Richard om zich op de achtergrond te houden. Ze moest informatie loskrijgen bij Reuben en ze wist dat ze een betere kans had als ze hem alleen sprak. Ondanks zijn bezwaren stemde Richard toe.
Jane vatte moed en drong naar voren.
'Janie, wat doe je hier?' bromde Reuben, met een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht. 'Je weet dat meneer Blackmore hier niet blij mee zal zijn als hij dit hoort.'
'Ik weet het, Reuben,' zei ze. 'Maar ik moest je spreken. Help me alsjeblieft.'
Ze ging bij hem aan tafel zitten en hij boog zich naar haar toe. Zijn ietwat glazige ogen werden iets helderder en hij fronste bezorgd zijn voorhoofd. 'Wat is er aan de hand, kleintje?'
'Ik moet weten wat er die nacht gebeurd is, toen jij en de anderen de hertog van Grandhampton in elkaar moesten slaan.'
'O,' zei Reuben en hij ging rechtop zitten, terwijl zijn frons zich verdiepte. Hij wendde zich tot de brandewijn in de karaf en schonk zijn glas voller. 'Daar kan ik je niet mee helpen.'
'Alsjeblieft, Reuben,' zei Jane. 'Je was met me mee naar de Seatons. Je hebt gezien dat het goede mensen zijn. Hij was hun broer, weet je. Ze verdienen een kans om erachter te komen wat er met hem is gebeurd, en om hem te helpen als hij in de problemen zit.'
Reuben zuchtte, zijn mond een strakke lijn in zijn baard.
'Ik zal je niet verraden aan Thorne,' drong Jane aan. 'Alsjeblieft. Doe het voor mij.'
Reuben zuchtte opnieuw en schudde zijn hoofd. 'Je weet dat het niet eerlijk is om dat te vragen. Ik zou alles voor je doen.'
Jane voelde dat Reubens vastberadenheid wankelde, en haar vingers klemden zich onder het tafelblad in elkaar. Dit was haar uitweg. Zodra ze wisten wat er was gebeurd, zou Richard haar van haar verplichting kunnen ontslaan. En zij zou hem van zijn ellende verlossen.
En als dat betekende dat het vleugje geluk dat ze de afgelopen week had ervaren voorgoed uit haar leven zou verdwijnen, dan moest dat maar zo zijn.
'Alsjeblieft,' drong ze aan.
Reuben gromde zachtjes, zuchtte voor de derde keer en blies scherp uit. Zijn kleine bruine ogen keken haar aan.
'Ik zou niets mogen zeggen. Maar ik ga het je toch vertellen,' zei Reuben. 'Als je ons verhalen voorleest over de avonturen van Robinson Crusoe en de drie musketiers, en ook Gullivers reizen... en andere... dan heb ik medelijden met die arme, rijke hertog. En nadat ik zijn familie heb gezien... Hij zou zomaar ergens kunnen zijn waar hij hulp nodig heeft. Net als die arme, oude smeerlap Robinson Crusoe, die alleen verloren was op een eiland, zonder een levende ziel in zicht...'
Jane hield haar adem in en kon haar oren niet geloven.
'Je hebt gelijk. Dat zou kunnen.'
Terwijl Reuben nog een glas brandewijn dronk, merkte Jane dat Richard stilletjes dichterbij kwam achter Reubens rug.
'Die nacht...' begon Reuben langzaam, starend naar zijn handen die op tafel lagen, 'moesten de jongens en ik die goeie hertog een pak rammel geven. Blijkbaar bokste hij graag in de "Portside", de boksring bij de haven. Ik ken het goed. Het staat bekend om zijn goede gin... Een man uit het Caribisch gebied maakt het en voegt er West-Indische kruiden aan toe. Het is heerlijk, Janie,' zei hij gepassioneerd, en er verscheen een grijns op zijn gezicht.
'O,' zei Jane en ze tikte ongeduldig met haar voet op de vloer. 'Goed om te weten. En wat gebeurde er toen?'
'Nou...' ging Reuben aarzelend verder, terwijl hij in zijn glas staarde alsof het een spiegel van zijn verleden was. 'Toen we bij de boksring aankwamen, waren er maar een paar mensen. Het was vreemd. Het is daar altijd stampvol. Er vinden elke avond gevechten plaats en de mensen vinden het geweldig om erop te wedden. Het is een goede manier om wat geld te verdienen, als je geluk hebt. En de tent zag er al behoorlijk vervallen uit. Er lagen kapotte stoelen, tafels waren omvergegooid en er lag bloed op de vloer.'
Jane knikte en leunde dichter naar hem toe. 'Weet je waarom?'
'Ja. Toen ik navraag deed, vertelde men me dat er een halfuur eerder een ronselbende was geweest. Ik vroeg of de hertog er nog was.'
Ronselbendes. Dat waren bendes die in de gebieden rond de haven van een stad mannen ontvoerden en dwongen om bij de marine te dienen... Jane wierp een snelle blik op Richard, die inmiddels als de schaduw des doods boven de nietsvermoedende Reuben hing. Zijn gezicht was zo gespannen dat zijn ogen uitpuilden.
'En was hij dat?' drong Jane aan.
'Ja. Iemand wees naar een rijkelijk geklede man die met zijn gezicht in zijn handen aan een van de weinige overeind staande tafels zat. Ik dacht er niets van. We kwamen om ons werk te doen en onze taak was duidelijk. Dus ik vertelde het Atticus en hij beval ons de beste lord te pakken en hem een pak rammel te geven, zoals ons was opgedragen. En dat deden we. Ik greep de man bij de borst van zijn witte hemd, rukte hem van zijn stoel en sloeg zijn gezicht op de tafel. Ik keek hem niet in zijn gezicht. Het was vrij donker, er stonden hier en daar wat kaarsen op de vloer en de gaslampen waren kapot en niet aan. Ik vond het vreemd dat hij nauwelijks weerstand bood. Hij was nogal slap en bleef op de tafel liggen. Ik nam aan dat hij gewoon te dronken was, wat mijn werk wel makkelijker zou maken. Ik hoefde hem alleen maar een blauw oog en een kapotte lip te bezorgen. Misschien ook de mooie neus van de lord breken. Pas toen Atticus de mannen beval hem bij zijn schouders te pakken en hem vast te houden, zagen we dat zijn gezicht zo toegetakeld was dat het onherkenbaar was. Ik heb veel toegetakelde mannen gezien, maar van deze aanblik kwam mijn gal omhoog.'
Jane keek op en zag dat Richards ogen wijd open stonden, zijn gezicht gespannen en zijn kaakspieren trilden.
'Hij kon zijn hoofd niet eens meer rechtop houden. Het hing gewoon op zijn borst. Een van zijn ogen was volledig dichtgezwollen en zijn lip was opgeblazen als een ballon. Zijn neus stond zo scheef dat je zou denken dat de botten verkeerd waren gegroeid. Het voorhoofd en de wenkbrauwen waren opengesneden en zijn hele gezicht zat onder het bloed. Het vlees op zijn wangen was tot op het bot opengereten.'
Jane's eigen maag kromp ineen toen ze dat hoorde. Ze overwoog Reuben te vragen de bloederige details achterwege te laten. Maar ze was bang dat hij zich dan zou bedenken en zijn verhaal niet zou afmaken.
Reuben ging verder. 'Atticus zei: "De lord ziet er niet goed uit.” Wij mannen waren het daarmee eens. Atticus tilde de kin van de man op en bekeek zijn gezicht. Maar er was niets, geen reactie. Hij beval de mannen hem op de grond te leggen, maar ze lieten hem gewoon los en hij viel neer als een zak dood vlees. Op dat moment wisten we allemaal wat er aan de hand was. Toen Atticus op zijn hurken ging zitten en de man op de borst luisterde voor zijn hartslag... wisten we allemaal dat die er niet zou zijn.'
Reuben staarde een ogenblik naar zijn lege glas, schonk toen meer brandewijn in en dronk het op.
'Ik zei toen: "Ik heb hem te hard geslagen." Niemand van ons zei iets. We stonden gewoon rond het lijk naar de dode lord te staren, omdat we wisten dat het te ver was gegaan. Dat we meneer Blackmore problemen hadden bezorgd. Maar toen merkte ik iets vreemds op. De handen van de man waren zo vies. Zo vies dat het zwart onder de vingernagels niet meer weg te krijgen was. Toen leunde ik naar Atticus toe en heb ik vroeg hem of hij hetzelfde zag als ik. Hij vond het ook vreemd.' vertelde Reuben verder.
‘Dus ik vroeg: ”Hebben hertogen zulke handen?” "Natuurlijk niet," antwoordde Atticus. "Meneer Blackmore heeft geen zulke handen. Janie ook niet. Waarom zou een hertog zulke handen hebben?” "Het is dus niet de hertog?", concludeerde ik. Daarna zei Atticus heel lang niets. Maar toen zei hij: "Ik denk niet dat het de hertog is."'
Terwijl Jane's borst snel rees en daalde, bewoog Richards schaduw zich, zodat hij boven Reuben uittorende. Reuben keek geïrriteerd naar hem op en zijn gefronste voorhoofd trok glad van verbazing.
‘Lord Richard…' zei hij.
‘Waar is mijn broer dan?' eiste Richard tandenknarsend. Zijn stem klonk gespannen.
Reuben slikte zichtbaar. ‘Ik weet het niet, milord. Maar we zijn gebleven en hebben rondgevraagd wat er gebeurd zou kunnen zijn. Of iemand ergens een rijke, voorname man heeft gezien. Een barmeisje herinnerde zich een knappe, zwartharige man die er schoon en verzorgd uitzag. Ze vertelde ons dat hij, alleen gekleed in zijn onderkleding… bewusteloos… in een boot was geladen die naar een van de marineschepen voer.’