Hoofdstuk 35 - Schijnverloofd met een lord
By Mariah Stone
'Stop!' klonk Jane's stem. 'Halt!'
De gedaanten aan de overkant van de rivier kwamen net in haar gezichtsveld. Thorne, die zijn pistool omklemde, wisselde een paar woorden met Richard. Hercules jankte aan Jane's zijde, zijn oren gespitst en zijn ogen op Thorne gericht. Zijn staart trilde van opwinding terwijl hij rusteloos naast haar heen en weer liep. Ze waren gestrand op een kleine zandbank in de rivier, een smalle strook zand.
Het gebied vertoonde onmiskenbare tekenen van frequente overstromingen; er groeiden bomen uit de rivier zelf, sommige zelfs een flink stuk van de oever vandaan.
Jane vroeg zich af hoe ze hier, aan deze kant van de rivier, was gekomen. Ze had een gig – een tweewielig rijtuig dat door één paard getrokken werd en dat ze zelf kon besturen – uit Thornes stal 'geleend' en wilde oorspronkelijk richting Hampstead Heath rijden. Ze had echter geen rekening gehouden met de omvang van de heide, noch met de talloze beekjes die erdoorheen stroomden en haar uiteindelijk dwongen het rijtuig te laten staan en de rest van de weg te voet af te leggen. Het gebied was moerassig, met een wilde wirwar van struikgewas waar ze zich een weg doorheen moest banen.
En nu ze hier eindelijk was, moest ze toegeven dat ze misschien te laat kwam.
'Stop!' riep ze opnieuw.
Haar stem overbrugde waarschijnlijk niet de honderd meter water die hen scheidde. De wind bleek echter haar bondgenoot en blies flarden van hun gesprek in Jane's richting. Ze kon Richard en Thorne herkennen, maar haar geroep viel hen niet op. Brace, Morgan en Tristan waren ook te zien, evenals Preston en Sebastian.
Ze moest de rivier oversteken, ingrijpen en hen tegenhouden.
Terwijl Richard zijn pistool steviger vastgreep, stapte Jane in het troebele, met riet begroeide water. 'Nee!' protesteerde ze.
Hercules deed haar na, blafte luid en stortte zich onbevreesd in het water. Zijn kleine kopje dobberde aan de oppervlakte terwijl hij naar de overkant peddelde.
'Verdorie!' riep Jane. 'Verdomme!'
Alsof het een antwoord op haar geroep was, beval Brace: 'Lopen!'
Haar broer en Richard liepen in tegengestelde richtingen, hun passen in een spiegelbeeldig ritme.
Op dat moment wist Jane dat ze iets moest doen. Hoewel ze al een tijdje niet meer had gezwommen, wist ze dat Thornes zwemlessen uit hun zomers in Rosewood haar goed van pas zouden komen. Ze stortte zich in de rivier, de ijzige greep van het water kroop langs haar benen omhoog en haar jurk werd zwaar. Toen zwom ze, en vocht ze zich met pure vastberadenheid door het water.
'Thorne! Richard!' probeerde ze te roepen, maar dat viel haar zwaar, want haar longen werkten hard om haar boven water en in beweging te houden.
Voor haar blafte Hercules opnieuw, alsof hij haar woorden herhaalde.
Iets trok aan haar rok, waardoor ze midden in de rivier tot stilstand kwam. Ze probeerde vooruit te komen, maar haar jurk was ergens in verstrikt geraakt. Ze keek naar beneden, maar in het modderige water was niets te zien. Jane haalde diep adem en dook onder water, waarbij de kou haar schedel binnendrong. Toen ze naar beneden reikte, vond ze de boosdoener: een afgebroken tak.
Wanhopig trok ze eraan, haar longen snakten naar adem. Paniek greep haar hart en angst deed haar bloed in haar aderen bevriezen. Ze doorbrak het wateroppervlak en hapte naar adem. Wat als een van de mannen van wie ze hield, gedood zou worden terwijl zij aan die tak vastzat?
Ze keek naar de oever. Ze waren nog in leven. Thorne en Richard hielden hun posities. Thornes pistool was op Richard gericht, terwijl Richards arm naar de lucht wees.
Toen Hercules de tegenoverliggende oever bereikte, blafte hij luid en trok alle aandacht naar zich toe.
De hoofden van alle zeven mannen draaiden zich naar hem om. Thornes en Richards armen met de pistolen zakten naar hun zijden. Thorne rende naar Hercules en ze hoorde hem zeggen: 'Wat doe jij hier, maatje?'
Hercules draaide zijn hoofd in Jane's richting en bleef blaffen.
Toen werd ze tegelijkertijd door Richard en haar broer opgemerkt.
De kleur trok uit hun gezichten weg toen ze naar de rivier sprintten, wanhopig met elkaar wedijverend – als twee kinderen die tegelijk een trap probeerden op te klimmen. 'Jane!' riepen ze allebei. 'Jane!'
'Jane, zwem, liefste!' riep Thorne. 'Je weet hoe het moet!'
'Jane, hou vol, ik kom eraan!' riep Richard.
Vervolgens klonk er luid geplons, en zowel Richard als Thorne lagen in de rivier, zich een weg door het water banend en naar haar toe haastend. Ze had het voor elkaar gekregen. Ze had hun stompzinnige duel beëindigd!
'Het gaat goed met me. Het is alleen die verdomde boom!' riep ze.
Ze moest zo snel mogelijk haar rok loskrijgen van de doornige takken zodat ze weg kon zwemmen. Ze haalde diep adem, dook opnieuw onder het ijskoude oppervlak en greep naar de zoom. Het troebele water van de rivier dempte de geluiden om haar heen terwijl ze aan de stof trok, maar die gaf niet mee. Angst steeg op in haar borst toen ze besefte dat het misschien toch niet zo eenvoudig was om aan de tak te ontsnappen.
Toen bedacht ze dat ze de tak misschien kon breken. Hij was behoorlijk dik, maar misschien zou het haar toch lukken.
Ze dook nog dieper, klemde haar beide handen om de tak en trok met op elkaar geklemde tanden. Het voelde alsof haar longen zouden barsten door de druk van het inhouden van haar adem. Ze dacht aan Richard, aan de toekomst die ze samen konden hebben als het haar maar lukte dit stuk hout te breken. Met een stil gebed boog ze de tak met al haar kracht, tot hij uiteindelijk brak.
Ze was vrij. Ze wilde zich net door het water omhoogduwen om naar de oppervlakte te zwemmen, toen sterke armen haar middel vastgrepen en omhoog trokken.
Ze kwam boven in de kou en de heerlijke frisheid van de lucht, opende haar mond en zoog er zoveel van naar binnen als ze kon, terwijl ze haar armen bewoog om boven water te blijven. Ze keek om zich heen. Zowel Thorne als Richard waren daar, Richards armen nog steeds stevig om haar middel om haar boven te houden, terwijl hij wat troebel water uitspuugde. Thornes gezicht was ernstig en boos, en bij beide mannen plakte het natte haar tegen hun voorhoofd. Water droop van hun kin en wimpers.
Ze ademde hijgend door terwijl ze naar de oever keek. Hercules blafte aan de waterkant, zijn staart kwispelde ritmisch heen en weer. Preston en Sebastian, evenals Thornes drie luitenanten, stonden tot hun enkels in het water en staarden naar haar en de twee mannen die om haar heen zwommen.
'Gaat het goed met je, Jane?' vroeg Thorne.
'Met mij gaat het goed,' antwoordde ze, toen ze weer op adem was gekomen. 'Nu ik weet dat jullie elkaar niet zullen vermoorden!'
Thorne en Richard wisselden een blik uit.
'Kom, liefste,' zei Richard. 'Laten we je uit het water halen.'
Hij was zo vreemd knap, nat en kwetsbaar en toch ongelooflijk verleidelijk. Misschien was het de manier waarop zijn witte hemd aan zijn sterke torso plakte...
'Kun je zwemmen?' vroeg hij.
'Natuurlijk kan ik dat,' zei ze. 'En het was niet nodig dat een van jullie in het water sprong. Ik ben prima in staat om mezelf te redden.'
De hulpeloze uitdrukking op de gezichten van de twee mannen vertelde haar dat ze het bij het juiste eind had. Ze zwom verder, terwijl de spieren in haar borst en armen aangenaam brandden. Ze moest er een gewoonte van maken om vaker te zwemmen.
Toen Richard en Thorne haar volgden – een aan elke kant – zag ze dat Preston met een stapel dekens in zijn armen uit een koets kwam.
Jane stapte de modderige oever op en rilde van de kou. Ze klemde haar kaken op elkaar zodat ze niet zou klappertanden, maar haar lichaam bleef beven toen Preston, Sebastian en Brace dekens om haar schouders en die van Richard en Thorne sloegen. Water droop uit haar kleding en haar haar, dat uit de knot was losgeraakt. Hercules blafte van blijdschap en krabde met zijn poten over de grond, voordat hij opsprong en iedereen met zijn modderige poten begroette. Richards witte hemd was al snel bezaaid met donkere vlekken.
Richard klopte hem vrolijk op zijn kop en keek Preston aan. 'Lagen er dekens in het koets?'
'Ja. Gelukkig had mijn koetsier ze na de winter nog niet opgeruimd.'
Toen Hercules Richard met rust liet, ademden ze alle drie zwaar. Jane voelde dat ze rilde en Richard sloeg zijn deken om haar schouders.
'Blijf van haar af!' snauwde Thorne hem toe.
'Thorne, hou op,' zei Jane vastberaden. 'Ik kwam hier om je te vertellen dat ik het je nooit zou vergeven als je de man van wie ik houd zou vermoorden.'
De trekken op Thornes gezicht vertrokken. 'De man van wie je houdt?' vroeg hij langzaam en knipperde met zijn ogen.
Jane keek in de ogen van haar broer, die normaal hard waren, maar nu verzachtten van genegenheid. In zijn donkere irissen lag een vertrouwde warmte, waarin lang gekoesterde herinneringen aan hun gedeelde jeugd dreven. Hij was er vanaf de eerste dag voor haar geweest en had altijd voor haar gezorgd. Zijn stoïcijnse façade leek af te brokkelen toen zijn blik zich vulde met liefde en medeleven.
Ze keek naar Richard, die naar haar staarde alsof ze het geneesmiddel voor een plaag was. Zijn intense blauwe ogen glinsterden. Toen draaide ze zich weer om naar haar broer en glimlachte naar hem. 'Ja, Thorne. Ik houd van Richard.'
Thorne slaakte een lange, vermoeide zucht. 'Jane, je verwart liefde misschien met verliefdheid.'
'Nee, ik weet wat ik voel, broer. Ik dacht dat ik niet goed genoeg was voor zijn wereld, maar je had gelijk, Thorne. Je hebt altijd gelijk gehad. Ik hoor daar thuis.' Ze draaide zich om naar Richard, die aan haar lippen hing. Hij was zo groot, zo sterk en gespierd, en toch stond er zoveel hoop en kwetsbaarheid in zijn ogen dat haar hart dreigde te breken. 'Ik houd van je, Richard. En als je nog steeds met me wilt trouwen...' Ze slikte, haar mond was plotseling droog. '... dan zeg ik ja.'
Richards gezicht vertrok in de mooiste glimlach die ze ooit bij een man had gezien. Hij nam haar handen in de zijne en ze vroeg zich af hoe hij het voor elkaar kreeg om zo warm te zijn, terwijl hij in het ijskoude water had gelegen. Zijn sterke, warme handen verwarmden haar koude vingers op een aangename manier, stelden haar gerust en stuurden een zoete tinteling rechtstreeks naar haar hart.
'Ik wilde hemel en aarde bewegen om je het hof te maken,’ zei hij, 'zodat je ja zou zeggen. Natuurlijk wil ik nog steeds met je trouwen.' Hij lachte. 'Je bent de liefde van mijn leven.'
Er brak iets in haar open. Stond ze echt op het punt om de loop van haar leven zo drastisch te veranderen, nadat ze er zeker van was geweest dat ze voor altijd een oude vrijster zou blijven?
Ja, dat stond ze. Want zij was die vrouw. De vrouw die overal thuishoorde waar ze wilde thuishoren.
En op dat moment was de beslissing duidelijk.
'Ik hoor thuis waar jij bent, Richard Seaton,' zei ze.
En ondanks de zes andere starende mannelijke ogenparen, sloeg ze haar armen om de nek van haar verloofde en kuste hem. Zijn lippen waren heet, zacht en soepel en ongeacht alle aanwezigen, liet hij zijn tong haar mond in glijden en streelde de hare. Ze kusten, ondanks Thornes ongelukkige gegrom, ondanks het geblaf van Hercules, ondanks de kou die door hun zware, natte kleren kroop.
Want dat was wat Richard met haar deed. Met een simpele aanraking ontstak hij een vuur in haar aderen. En de kus... o, de kus... die smeulde en brandde. Haar huid tintelde en de hitte steeg op langs haar ruggengraat en verspreidde zich naar haar meest intieme plekken.
En plotseling had ze het niet koud meer.
'Genoeg!' blafte Thorne, en met spijt maakte Jane zich los van Richard. Ze wisselden een speelse grijns uit. Ook hij moest zich op dat moment als een ondeugend kind hebben gevoeld.
Ze keken beiden naar Thorne.
Haar broer zag er ontzettend boos uit, nat en koud als ook hij was. Zijn wenkbrauwen waren gefronst en zijn mondhoeken omlaag getrokken terwijl hij hen in hulpeloze woede aanstaarde. Brace, Morgan en Tristan leken daarentegen geamuseerd. Jane dacht dat ze alleen nog een drankje in hun hand en een comfortabele zitplaats misten en dan zouden ze ontspannen en van de show genieten.
'Wat? Thorne, zeg alsjeblieft niet dat je hem nog steeds wilt vermoorden,' zei Tristan.
Thorne zuchtte diep en kneep in de brug van zijn neus. 'Goed dan. Ik zal u niet doden, sir. U had gelijk. Ik kan de man van wie mijn zus houdt niet doden. Jullie hebben mijn zegen. Maar jullie twee zullen elkaar tot de bruiloft niet zonder mij ontmoeten!'
De gezichten van zowel Jane als Richard betrokken.
Maar toen ze naar Richard opkeek, verscheen er een ondeugende uitdrukking op zijn gezicht. Ze leunde dichter naar Richard toe. 'Ik denk dat hij geen idee heeft hoe sluw we kunnen zijn!'