Hoofdstuk 1 - De handlezer
By Chris Polanen
Poli Interne, Sint Vincentius Ziekenhuis, Koninginnestraat, Paramaribo, Suriname
De vingers van de internist tikken op het toetsenbord en de beelden laten zien waar de dood zich in mijn binnenste heeft genesteld. De arts kiest de woorden waarmee hij het vonnis ontvouwt zorgvuldig. ‘Genezen is niet mogelijk, uitstellen wel.’
Hij lijkt geen moeite te hebben met het brengen van de boodschap. De ziekte klinkt als een volkomen vanzelfsprekend einde van mijn leven, geheel volgens de wetten van de natuur, niet persoonlijk bedoeld. Hij legt uit op welke manieren het einde uitgesteld kan worden, maar benadrukt dat het onvermijdelijk is en dat ik mij daarop moet voorbereiden.
Ik kan horen dat hij zijn best doet om het consult binnen de beschikbare tijd af te ronden en toch voldoende medeleven te tonen. Aan zijn blik zie ik dat hij probeert in te schatten of ik mijn emoties onder controle zal houden. Huilen, schreeuwen, jammeren, stamelen ‘hoe, waarom, wanneer’, hij heeft het natuurlijk allemaal al vaker meegemaakt en wil straks gewoon lunchen. Misschien heeft hij een afspraakje met een verpleegster, een kamer op een verlaten afdeling, een beetje flirten, zoenen, kijken hoever hij kan gaan, hoe zou je die verleidingen als jonge dokter in godsnaam allemaal kunnen weerstaan?
Ik voel niets, alleen irritatie, afgunst misschien. Deze jongen kan na dit routine-doodvonnis doorgaan met alle stommiteiten die je uitvoert als je jong bent en je je onsterfelijk waant.
Ik kijk uit het raam, naar de lange galerij achter de standbeelden die beter in de glorietijd van het oude Rome zou passen dan in deze stad, niet ver verwijderd van haar ondergang, en naar al die stumperds die in de schaduw van de beelden rondscharrelen, met hun verbanden, infusen, rolstoelen en krukken.
Het is een gewone dag en ik kan gewoon weglopen, weg uit deze kamer met het interieur uit de dagen dat we nog ontwikkelingshulp uit Nederland kregen, de trap af, planken die zo kraken dat instorting een groter gevaar vormt dan alle ziekten hier bij elkaar, en deze tempel van rotting en pijn achter me laten.
Beste dokter met je dure achternaam, het kan mij niet schelen dat je vader en opa ook arts waren en dat je in Nederland gestudeerd hebt. Luister: ik heb een maand geleden de marathon in de Surinamerivier gezwommen, 18 kilometer borstcrawl met die almachtige stroom mee, zonder één keer te stoppen, zonder spierpijn of kramp, tientallen jonge kerels achter mij latend.
Kijk verdomme naar mijn schouders, kijk naar mijn armen, kijk naar mijn gezicht, kijk goed, nooit alcohol, geen enkele sigaret, en durf dan nog te zeggen dat ik niet lang meer te leven heb. Die scans zijn niet van mij, maar van een of andere, vanbinnen wegrottende sloeber.
Er worden zoveel fouten gemaakt in een ziekenhuis: verkeerde narcoses, scalpels die cruciale zenuwen klieven, chirurgische instrumenten die in een buik achterblijven. Er worden zelfs baby’s verwisseld, hele levens door elkaar gehusseld. Waarom dan niet een paar scans? Ga op zoek naar dat stervende lichaam van wie die scans zijn gemaakt. De man tegen wie je hebt gezegd dat hij kerngezond is, terwijl je naar mijn organen keek.
In mijn hoofd ben ik al op weg naar mijn auto. Met grote stappen, zacht vloekend. Ik start, geef gas, de Prins Hendrikstraat uit, de Mahonylaan in, draai de Wilhelminastraat op en dan direct rechts de Henri J. Benjaminstraat in naar Dolfijn. Binnen vijf minuten ben ik er. Laat geen straathond of zwerver mijn pad kruisen, want ik weet niet of ik mijn voet van het gaspedaal haal.
Een duik in het water, mijzelf er doorheen trekken tot mijn schouders verkrampen en mijn longen geen lucht meer krijgen, tot de gedachten verdwijnen en alleen mijn hartslag overblijft, dat is wat ik nodig heb.
De stem van de internist wordt nog zachter, hij spreekt over zaken die geregeld moeten zijn voor ik mijn laatste adem uitblaas, zoals een testament en mijn uitvaart.
Ik heb een jaar geleden jouw uitvaart geregeld, Ma. Het was veel werk, maar voor jou, vierennegentig jaar oud, verschrompeld en glimlachend, tot het einde onbevreesd, deed ik het zonder klagen. Vooral uit schuldbesef, omdat ik me realiseerde dat ik nooit veel voor je had gedaan. En kijk mij hier nu zitten.
Je hebt jouw geloof nooit op mij over kunnen brengen, of nou ja, toen ik te klein was om de grote vragen te stellen misschien, maar zodra ik kon heb ik het vervangen door twijfel en spot. En kijk mij hier nu zitten, Ma.
Wat zou er in godsnaam op mijn steen moeten staan? Niets. Helemaal niets. Geen van mijn eigenschappen is het waard om in steen gebeiteld te worden. Als ik eerlijk ben, en daar wordt het nu wel tijd voor, heb ik nooit veel voorgesteld. Niet als zoon, niet als partner, niet als vriend.
Wie zou in de droge tijd de zon trotseren en zich in de regentijd door de modder slepen om mijn graf te bezoeken? Zelfs toevallige voorbijgangers zouden het geen blik waardig keuren. Hun aandacht zou getrokken worden door de grootste stenen, de monumenten opgericht voor de ooit rijken en machtigen.
In mijn hoofd begint het te ruisen. Is het bloed dat op de vlucht voor de verdoemenis door mijn hoofd raast? De ruis wordt luider en ik moet me concentreren om de internist nog te verstaan. Het geluid zwelt aan tot het ruisen van een oerzee die alles overspoelt. Ik voel hoe het water mij in zich opneemt, zo geruststellend dat ik geen vragen hoef te stellen.
Ik loop het ziekenhuis uit en voel de zon op mijn huid branden en het zand onder mijn schoenen knisteren. Onzichtbaar in de bomen fluit een vogel. Een schel en nerveus geluid dat ik nog nooit gehoord heb. Boven mij bewegen vluchtige grijze wolken zich langs massieve witte. Waarom kijken mensen niet vaker omhoog, weg van het vuil, van het stof en de ellende?
Het trottoir is vol kuilen en op veel plekken begroeid met dicht onkruid. Ik realiseer me dat ik de enige voetganger ben die er loopt. Iedereen loopt op de weg. Nee, toch niet. Een vrouw trotseert net als ik het zand en de opdringerige planten.
Ze vertraagt haar pas, maar blijft recht op mij aflopen. Haar zonnebril bedekt bijna een kwart van haar gezicht. Het montuur rust op een kleine rechte neus, de lippen zijn dun en iets te rood gekleurd.
Ik sta stil en wacht af. Ze komt me niet bekend voor.
Vlak voor mij blijft ze staan. Er is geen glimlach, geen begroeting, niet eens een knikje. Ze plaatst haar rechterbeen iets vooruit, lijkt de juiste houding te zoeken voor ze me aanspreekt, en haalt diep adem.
Ik voel de wind. De stengels van het onkruid achter haar bewegen bij elke vlaag. Ik hoor de stemmen van mannen die voor een winkel staan te drinken, het gebrom van auto’s verderop in de straat, een vrouw die een kind roept. De wolken schuiven langs elkaar in het staalblauw van de lucht boven ons.
‘Henri…’
Ik hoor hoe mijn naam haar tong pijnigt.
Het is lang geleden dat ik die zo heb horen uitspreken.
De glazen van de bril zijn zo donker dat ik geen glimp van haar ogen kan opvangen en ze zijn zo groot dat ze haar wenkbrauwen volledig bedekken.
Geen enkel tijdperk of plek in mijn geheugen opent zich.
Ik zie haar neusvleugels bewegen.
‘Hallooo,’ zeg ik, zoals mannen doen als ze een aantrekkelijke vrouw ontmoeten, alsof ik haar herken, alsof ik verrast ben haar na jaren weer te ontmoeten, alsof ik klaar ben om te flirten, alsof ik de pijn niet gehoord heb.
Ondertussen zoek ik gejaagd door jaren, decennia, levensfasen, steeds verder terug. Ik probeer haar tengere gestalte ergens te plaatsen, stel me voor hoe ze er zonder zonnebril uitziet, hoe haar mond lacht, eet, drinkt, zoent.
Maar er komt niets. Zelfs met haar ogen bedekt is ze wat ik vroeger ‘mijn type’ zou noemen. Maar nu realiseer ik me dat die onbegrepen aantrekkingskracht mij jaren van mijn leven heeft gekost.
Ik hoop op een beweging, een blik, een lach waaraan ik een beeld uit mijn geheugen kan koppelen. Eén beeld is genoeg. Van zoveel van ons leven blijft slechts een enkel beeld over en soms is dat zo vaag dat we het met gevoelens en woorden moeten aanvullen, al weten we niet meer of die er wel bij horen.
Ze staat echter doodstil, alsof ze juist wil voorkomen dat ik een herinnering vind en die ga bewerken. ‘Het is lang geleden,’ zegt ze, maar aan de manier waarop ze haar lippen heel even samentrekt, zie ik dat het niet lang genoeg is.
Ik kan niet vragen of ze de bril afdoet. Als een vrouw echt iets betekend heeft, zou je haar ook met zonnebril moeten herkennen.
‘Hoe gaat het met je?’ vraagt ze. In dit niemandsland tussen heden en verleden blijft er niet veel meer over om te zeggen. Haar hoofd draait een stukje opzij. Genoeg om te laten zien dat de vraag uit ongemakkelijke beleefdheid gesteld wordt en niet uit interesse.
‘Wel goed… En met jou?’
Ze knikt. ‘Goed.’
Haar lippen lijken, door zich telkens op elkaar te persen, de woorden tegen te houden die mij zouden kunnen verlossen.
De wolken verplaatsen zich steeds sneller.
Ik knik. Voor het eerst in mijn leven begrijp ik wat belangrijk is. De pijn die ik veroorzaakte heeft de jaren overleefd, terwijl deze vrouw niet eens genoeg voor mij betekende om een herinnering te worden. Dat betekent dat ik schuldig ben. Wat er ook gebeurd is. Ik heb een heel leven ongestraft rondgelopen en haar de last laten dragen. ‘Het spijt me,’ zeg ik en ik meen het.
Er wordt zoveel gefilosofeerd over excuses, vooral door mensen die ze niet willen aanbieden omdat ze te trots, te eigenwijs of te stom zijn, maar je kunt ze aanbieden en het menen, zelfs als je niet meer weet wat je gedaan hebt.
Haar zucht lijkt op een snik. ‘Ik had nooit gedacht…’ Ze schudt haar hoofd.
‘Het spijt me echt,’ zeg ik. Ik had je meer kunnen geven, je al die pijn kunnen besparen, maar ik moest kennelijk eerst horen dat het einde nabij is om dat te beseffen.
Ze kijkt naar de grond. ‘We waren nog jong.’
Dan doet ze haar zonnebril af en kijkt me aan. En ja, die ogen, die grote huilogen herken ik. Ik heb er ooit in gestaard en er van alles in gezien, ook wat er niet was.
Ons mannen wordt verweten dat we zo vaak alleen maar het lichaam begeren, maar dat is onzin. Alleen die ogen kunnen ons verlossen, ook al weten we niet precies waarvan en duurt die verlossing nooit lang. En ook al kan ik mij verder niets meer herinneren, ik weet dat ik ooit deze ogen wilde. Alleen deze. Juist deze.