Hoofdstuk 10 - De handlezer
By Chris Polanen
Vrijdagavond, tien uur. Vanaf het balkon kijken we naar de voorbijgangers, op weg naar een van de vormen van plezier die de straat biedt.
Schuin tegenover ons parkeert een zwarte BMW met de neus in het hoge onkruid langs de weg. Het begroeide zand was vroeger een voetpad, maar is al jaren onbegaanbaar.
De bestuurder stapt met enige moeite uit. Zestig plus, slank, kalend, het resterende haar met vet strak achterovergekamd, een gouden ketting die schreeuwt dat geld geen probleem is, wit hemd, beige broek, witte schoenen. Hij sluit zijn auto met een bliepje, haalt diep adem, kijkt om zich heen, kantelt zijn hoofd eerst naar links, dan naar rechts en duwt zijn schouders naar achteren. Voorzichtig zet hij de eerste passen op het zand. Zijn stappen missen de soepelheid van de jeugd, maar zijn nog net buiten het bereik van de stramheid van de ouderdom. Het buikje boven de riem met de grote gouden gesp zie je alleen als je goed kijkt.
Hij voegt zich bij de stroom jongeren die over het asfalt flaneren, alsof hij niet drie decennia meer meedraagt en net als zij kan vertrouwen op zijn energie en veerkracht. Alsof ook hij zijn tijd kan verdoen met lachen om niets, met dromen over een toekomst die nooit zal komen en vriendschap sluiten met mensen die hem zullen teleurstellen of verlaten. Alsof zijn kleding achteloos bij elkaar geraapt is en niet zorgvuldig geselecteerd om te camoufleren dat de schouders slinken, de borstspieren gaan hangen en de buik zwelt. Alsof hij de kilo’s niet weghoudt door zichzelf te dwingen te joggen en aan martelwerktuigen in de gym te hangen. Binnensmonds vloekend laat hij vet en zoet, hoe verleidelijk ook, staan.
Ik weet alles, broer. We verschillen niet veel, jij en ik. Veel minder dan ik zou willen. Ik weet dat je op weg hiernaartoe een scenario van de nacht samenstelde gebaseerd op de meest bedwelmende en geilste ervaringen uit het verleden. Zo houden we onszelf tijdens de laatste levensfase voor de gek. Ik weet welke afwegingen je straks zult maken als je moet beslissen of je het hol binnengaat waar de meisjes wachten met hun blikken en heupen of de club waar je vrouwen zult ontmoeten van je generatie die, ondanks teleurstellingen en trauma’s, gekapt en geparfumeerd aan de bar hopen op een man die anders is. Een man die je ooit wilde zijn, misschien zelfs ooit bent geweest.
‘Mijn moeder komt,’ zegt Rowan. ‘Op vakantie.’
O god. Na mijn ouders begraven te hebben, na vrouwen liefgehad, pijn gedaan en verlaten te hebben, zelfs na gehoord te hebben dat ik ga sterven, zonder er veel bij te voelen, zijn die woorden genoeg om mijn hart te laten bonken.
Ik weet niet wat ik moet denken, laat staan zeggen. Haar beeld in mijn hoofd, het gezicht van de foto, lacht om alles wat ik in vijfendertig jaar geanalyseerd, opgeborgen en verdrongen heb. Ik wil vluchten, maar er is geen uitweg. Het enige wat ik uit kan brengen is: ‘Wanneer?’ en ik hoop dat mijn stem niet angstig klinkt.
‘Over een week al. Ik had het ook niet verwacht…’
‘Waarom nu? Na al die tijd?’ Mijn stem klinkt vreemd en als je dat zelf kunt horen ben je er echt slecht aan toe. Wat is het verdomme toch met die Surinamers in Nederland? Als je al vijfendertig jaar weg bent, kun je die volgende vijfendertig jaar toch ook wegblijven?
‘Ik stuur berichten over wat ik meemaak. Ze zegt dat ze zich daardoor bewust is geworden dat ze moet komen.’
‘Ze is nooit teruggeweest, toch?’ Wat denkt ze hier in godsnaam te vinden? Haar verloren jeugd? Het oude Suriname? Beide zijn weg, opgeslokt door de tijd, die alleen maar ouderdom en verval uitschijt. En daar moeten we het mee doen.
‘Nee.’
‘Alles zal vreemd zijn voor haar.’
‘Zeker. Maar ze heeft het gevoel dat het nu of nooit is. Ze zegt dat ze alle plekken van vroeger wil bezoeken. En dat ze jou wil zien.’
Rowans glimlach is duidelijk bedoeld om mij gerust te stellen, maar er is niets of niemand op deze aarde die dat nu kan doen. God zou in al zijn glorie moeten verschijnen en mij verzekeren dat alles goed komt. ‘Wil ze mij zien?’ Mijn stem schiet omhoog alsof tijdens mijn hele leven niemand mij heeft willen zien.
Rowan knikt en glundert.
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’
Rowan kijkt mij aan zoals je naar een kind kijkt dat je wilt aanmoedigen om te zeggen wat het denkt. Na een stilte, waarin hij ongetwijfeld de kwelling op mijn gezicht kan lezen, zegt hij bijna fluisterend: ‘Ze heeft me verteld dat ze een relatie met jou had voordat ze met mijn vader naar Nederland ging.’
Ik knik, maar ik kijk hem niet aan. Ik voel me verdomme alsof ik weer vijfentwintig ben en elk moment in huilen kan uitbarsten. Mijn leven is straks voorbij en de dood zal al het onrecht en alle fouten onherstelbaar maken. Misschien is dat het ergste van sterven.
‘Ik wist niet dat ze iets hadden… Ik dacht dat ze met mij was.’
Ik zie geen verbazing in zijn blik. Hij weet het. Zijn moeder heeft het verteld. Maar haar versie kan heel anders zijn geweest dan de mijne, want niets vertroebelt het geheugen zo goed als de liefde. Wie weet er na vijfendertig jaar nog precies wat er gezegd en gedaan is? Bovendien passen we in de loop der jaren de gebeurtenissen in ons voordeel aan, beetje bij beetje, tot in de meest intieme details. In de versie die zij hem heeft verteld was ik waarschijnlijk oppervlakkig, zonder enige ambitie. Niet de moeite waard. En dat kan ik niet eens ontkennen.
‘Het moet verschrikkelijk voor je zijn geweest.’
Zijn dat Mirna’s woorden of de zijne? ‘Ik heb er nooit met iemand over gesproken.’
‘Waarom niet?’
‘Ik schaamde me…’
‘Maar jij hebt toch niets fout gedaan?’
‘Nee, maar wat voor een sukkel ben je als dit je overkomt?’
Rowan schudt zijn hoofd en legt een hand op mijn schouder. Humphreys hand.
Het voelt goed en slecht.
‘Jij hebt er niets mee te maken. Ik kan er met jou niet over praten,’ zeg ik.
‘Je hoeft er ook niet met mij over te praten,’ zegt hij. ‘Praat er met mijn moeder over. Misschien kunnen jullie het afsluiten.’
‘Niet alles in het leven is af te sluiten.’
Ik klop een paar keer op de hand die op mijn schouder rust om aan te geven dat hij weer weg kan.
‘Waarom gaan we vanavond niet stappen?’ vraagt hij. ‘Even ontspannen?’
‘Stappen?’
‘Uitgaan. Gewoon hier in de straat. Jij mag zeggen welke tent.’
Ik zucht. Uitgaan lijkt een expeditie naar de jungle, die dagenlange voorbereiding vergt, terwijl het voelt alsof ik nooit meer uit deze stoel zal kunnen opstaan.
Rowan kijkt me verwachtingsvol aan. ‘Kom op, oom Henri. Zo oud ben je toch nog niet?’
De gedachte dat ik mijn erf moet verlaten maakt me ziek, maar de gedachte dat ik het nooit meer zal doen, ook.
‘Ik weet het niet…’
‘De nacht is nog jong, oompie.’
‘Oompie? Oké, maar we gaan naar een rustige tent. Gewoon wat drinken.’
Een uur later verlaten we gedoucht, goedgekleed en geparfumeerd het erf. Onze bestemming is Club Coconut, de rustigste tent van de straat en de enige waar nog Surinamers van mijn leeftijd komen.
Op weg ernaartoe passeren we een bar met oudere mannen die achter hun dyogo’s lachen alsof ze het leven onder controle hebben, een terras vol Nederlandse stagiaires die opgemaakt en proostend vastbesloten lijken alles uit de nacht te halen, ongeacht regels en risico’s, de tent met Braziliaanse goudzoekers aan wie het stof uit de mijnen voorgoed vastgekleefd lijkt en het hol met de prostituees, die kijkend en glimlachend meer mannen aantrekken dan erin lijken te passen.
In het dagelijks leven mengt de bevolking steeds meer, maar in het nachtleven zijn er overal barrières. Alsof je bij elke uitgaansgelegenheid een paspoort moet laten zien met afkomst, opleiding en bankrekening.
De oude upper class is de laatste decennia grotendeels verdrongen door zakenlui, politici, opportunisten en drugsdealers die zich ondanks het gebrek aan hersencellen omhoog wisten te werken op de puinhopen van militaire onderdrukking, wanbeleid en corruptie.
Ik heb altijd gewalgd van hun horloges, sieraden, kleding en schoenen. Mijn god, die schoenen. Ook was ik mij altijd bewust van het risico dat je door een kogel geraakt zou kunnen worden tijdens een slordig uitgevoerde liquidatie. Genoeg reden om mij ’s avonds alleen onder de goede namen en de goede manieren te begeven.
Het is zeker een jaar geleden dat ik in Club Coconut ben geweest en als we er binnenstappen zie ik direct dat het helemaal mis is.
Het interieur is in felle kleuren geverfd, de bar is verbouwd met veel glas en toont talloze flessen drank. Zowel het personeel als het publiek is veel jonger en de soulmuziek is vervangen door een opzwepend bonkend geluid. Op de dansvloer zijn de schuifelende paartjes vervangen door een deinende massa.
Rowan kijkt mij aan terwijl we langs de dansvloer naar de bar lopen.
Ik zie de opwinding op zijn gezicht. Hij oogt plotseling jonger, maar zelf voel ik me met de minuut ouder worden. In dit tempo zal de melancholie, dat gif van de ziel, mij voor middernacht ineen laten zakken nog voordat de kanker de kans krijgt. Het zou naar zijn voor Rowan, maar ik denk niet dat ik het zelf heel erg zou vinden. Voor iemand op weg naar het graf, is een wereld die al het bekende vernietigt, te veel om te verdragen.
De jongen achter de bar knikt naar mij en wijst naar een smalle trap naar boven.
Ik trek mijn wenkbrauwen op. Praten is moeilijk met deze herrie.
Hij knikt bemoedigend, alsof hij zeker weet dat ik niet beneden, maar boven moet zijn.
We gaan de trap op en betreden een andere wereld. Meer licht en soulmuziek op een prettig volume. Het publiek is twintig, dertig jaar ouder dan beneden en op de dansvloer draaien twee paartjes hun rondjes. Ruggen recht, wangen tegen elkaar, handen van de dames op de schouders van de heren, handen van de heren op de rug van de dames.
Mijn lichaam en geest ontspannen.
We nemen plaats aan de bar en aan het andere einde zie ik de man zitten die ik eerder op de avond uit zijn auto zag stappen. Hij is in gesprek met een redi uma, een rode vrouw van een jaar of vijftig. Ze heeft haar haren strak achterover, grote zilveren creolen in de oren, een lange slanke hals.
Echte schoonheid herken je van ver, ook met gedempt licht. Haar kaarsrechte houding, de manier waarop ze haar glas vasthoudt en af en toe knikt, alles straalt ongenaakbaarheid uit. Ze lijkt op een secretaresse van het ingenieursbureau waarvoor ik werkte, maar vanaf deze afstand kan ik niet met zekerheid zeggen of zij het is.
In de manier waarop de man naar haar toe leunt en de bewegingen van zijn handen zie ik de gretigheid van iemand die gevonden heeft wat hij zoekt en alles in de strijd gooit. Sommige dingen blijven altijd hetzelfde.
Ik zie Rowan onrustig op de bar tikken.
‘Voor jou is het beneden leuker, Ropi.’
Hij knikt. ‘Is het goed als we opsplitsen, oom?’
‘Geen probleem. Ik blijf op de bejaardenafdeling. Ik zie je straks wel weer.’
Hij lacht en loopt naar de trap.
Ik neem de omgeving in mij op. Paramaribo is klein, dus je ziet meestal wel bekende gezichten, maar ik zie geen vrienden of kennissen.
Er zijn een paar tafels met dames zonder heren, maar ze worden allen gehaald om te dansen. De jagers mogen dan wat ouder zijn, ze laten geen muurbloempjes verpieteren.
De dame aan het eind van de bar knikt beleefd naar de man en loopt op mij af. Zij is het. Gloria. Het is al bijna twintig jaar geleden, maar ze lijkt nauwelijks veranderd. Ik hoop maar dat het zo blijft als ze dichtbij is.
Zoals ze net op de barkruk zat, zat ze vroeger achter haar bureau: mooi, stijlvol, getrouwd. Alle mannen keken, flirtten en fantaseerden in stilte. Ze vertrok een jaar nadat ik er begon en daarna zag ik haar nooit meer.
‘Henri.’
O god, die stem. Ze was aantrekkelijk, maar het was haar stem die haar onweerstaanbaar maakte. Onwaarschijnlijk zwaar voor een vrouw en nooit veel luider dan fluisterend, trok die stem, volgens mij zonder dat ze zich daarvan bewust was, de mannen naar haar toe.
Mannen hebben het over het uiterlijk van een vrouw, over haar persoonlijkheid, over de manier waarop ze beweegt en met een enkele boezemvriend over hoe ze bemint, maar nooit over haar stem.
Nu ik dat diepe fluisteren hoor, voel ik weer wat ik altijd voelde als ze tegen mij sprak. Die uitnodiging om dichterbij te komen, aan te raken, alsof we al geflirt, gezoend, of zelfs gevreeën hadden en we dat weer konden doen.
Ze omhelst mij. Hartelijk genoeg om me te laten voelen dat haar lichaam nog slank en stevig is. Haar parfum is zwaar en sensueel, zoals je de laatste jaren steeds vaker ruikt. Geuren die gemaakt lijken om mannen te ontregelen. Zijn het idioten of genieën die zoiets ontwerpen? Na de omhelzing bekijk ik haar nog eens goed.
‘Gloria. Hoe gaat het? Je ziet er goed uit.’ Toegegeven, ik heb het ontelbare keren tegen mannen en vrouwen gezegd zonder het te menen, als ik dacht dat het mij iets op zou leveren of omdat ik dacht dat het van mij verwacht werd, soms uit medelijden, om ongelukkigen wat zelfvertrouwen te geven, maar nu meen ik het.
Ze is niet veel jonger dan ik, maar ze heeft een manier gevonden om de tijd te verslaan. Ze heeft na al die jaren haar gezicht en haar figuur nog. Een van de twee behouden is al een prestatie, beide is een klein wonder. Voor mannen zijn de eisen minder hoog. Als je niet te veel vreet, zuipt of rookt, je gebit onderhoudt en er geen rare uitwassen op je gezicht groeien, kom je een heel eind. Vrouwen hebben het veel moeilijker, zij moeten vruchtbaarheid uitstralen. Met minder neemt de wereld geen genoegen.
‘Jij ook, jongeman.’
O ja, zo noemde ze mij. Ik was de jongste ingenieur van het bureau. We praatten vaak in de pauze. Dan vertelde ze mij over problemen die ze met haar man had en ik over gedoe met vriendinnen. In het begin hoopte ik dat de vertrouwelijkheid tot een andere intimiteit zou leiden, al was het slechts een kortstondig, onbezonnen, schaamteloos moment, maar al snel realiseerde ik me dat zij geen vrouw was die zo’n moment zou laten ontstaan. Toch bleven we elkaar opzoeken en gaven we steeds meer van onszelf bloot. Zij zei dat ik geil, egoïstisch en hopeloos was, maar leek het mij niet kwalijk te nemen. Ik vertelde haar dat alle mannen die ik kende hetzelfde waren en kan me nog goed herinneren hoe ze mij aankeek. Geamuseerd en getergd. Dan verzekerde ik haar dat ik ooit mijn leven zou beteren en lachten we zoals jonge mensen lachen die nog niet weten dat het leven daar veel te kort voor is.
‘Een gepensioneerde jongeman nu. En jij?’
Ze glimlacht. ‘Nog niet met pensioen. Maar wel eigen baas. En gescheiden. Dus helemaal vrij.’
Ik verander van een bijna-dode in een man van vlees en bloed. Mijn longen vullen zich met meer lucht, omdat ze weten dat ik vanaf dit moment alle zuurstof nodig heb die ik kan vinden. Er golft iets naar boven dat twintig jaar zoeken, onrust, bij elkaar komen en uit elkaar gaan, wegspoelt. Als een drenkeling probeer ik houvast te vinden, woorden te vinden, controle te krijgen. Ik leg mijn handen op de bar. Dat geeft wat steun.
‘Helemaal vrij? En hoe bevalt dat?’
‘Heel goed. Geen man meer die mij zegt wat ik wel en niet mag.’
‘O. Mooi…’ Heel mooi. Fantastisch.
‘En jij?’
‘Een oude vrijgezel.’ Bijna dood, maar daar gaan we het vanavond niet over hebben. Waarom zouden bijna-doden geen leuke avond mogen hebben? Wij hebben er meer recht op dan al die anderen met nog een heel leven voor zich.
Ik knik in de richting van de man met wie ze in gesprek was. ‘Ben je hier met hem?’
Ze schudt haar hoofd. ‘Hij is opdringerig. En patserig.’
‘Een patser met goede smaak,’ zeg ik met de glimlach die bij zo’n uitspraak hoort, ondeugend en ingehouden. Maar deze keer glimlach ik vooral om mijzelf: wie flirt, leeft.
Haar mondhoeken gaan heel even omhoog en in een flits zie ik in haar blik wat ons vroeger verbond.
Ze wendt haar hoofd af en knikt. ‘We vertelden elkaar alles… weet je nog? Alle problemen.’
Ik knik. We zorgden ervoor dat we buiten bereik van het gehoor van collega’s bleven. Niemand zou vermoeden dat we zelfs bespraken wat er in onze slaapkamers gebeurde. Ik denk dat ik het zelf niet eens geloofd zou hebben.
Het nummer dat de dj inzet is ‘Reasons’ van Earth, Wind & Fire. De begintonen dringen diep door in mijn ziel op zoek naar dat laatste beetje geloof in de liefde. De stem van Philip Bailey, belachelijk hoog voor een man, maar perfect om de liefde als hachelijke onderneming te beschrijven.
Gloria kijkt mij aan, lichte spot in haar blik.
Ik aarzel, maar volgens mij is niemand van onze generatie immuun voor deze muziek. Ik maak een uitnodigend gebaar naar de dansvloer en beweeg mijn andere hand naar haar rug. Dit gebaar, subtiel en ontspannen, is de eerste noodzakelijke stap. Zij weet waarschijnlijk net als ik dat de live-uitvoering die nu begint, bijna achtenhalve minuut duurt en haar reactie zal het verloop van de avond bepalen.
Ze recht haar rug en knikt.
We lopen de dansvloer op en in het midden legt ze haar handen op mijn schouders en ik de mijne op haar rug. We zetten de eerste passen en ik voel dat haar lichaam nog de soepelheid van een jonge vrouw heeft. Zij zal voelen dat mijn schouders gespierder zijn dan die van de meeste mannen van mijn leeftijd. Dan moeten we bepalen hoe dicht onze lichamen elkaar zullen naderen. Er zijn eigenlijk maar drie mogelijkheden. Een: geen contact, twee: iets dichterbij, waarbij je de lichte aanraking van elkaars buik en heupen voelt en dan natuurlijk drie: close, waarbij je de borsten van de dame tegen je borst voelt drukken en haar dijen langs de jouwe voelt wrijven. Logisch dat we kiezen voor de veilige tussenweg.
Ik kan me niet eens herinneren wanneer ik voor het laatst gedanst heb. Ik ben nooit zo’n aansteller geweest die een vrouw alle kanten op draait en theatrale pauzes inlast, maar ik kan een dame met gevoel door een soulnummer leiden, zelfs als het achtenhalve minuut duurt.
We praten niet, maar de vertrouwdheid van vroeger heeft geen woorden nodig en we dansen de nummers die volgen als vanzelfsprekend door. Tijdens het derde nummer voel ik haar ontspannen en dichterbij komen. Ze legt haar hoofd tegen het mijne, ik voel haar borsten en dijen licht tegen mij aan.
Na het dansen drinken we aan de bar en we praten zoals we dat twintig jaar geleden deden, maar nu terugkijkend op onze levens. Ze vertelt over het einde van haar huwelijk, hoe de lelijkheid de laatste restjes liefde wegspoelde en hoelang het duurde voor ze de verbittering kwijtraakte. Ik vertel over de laatste tien jaar waarin ik steeds minder moeite deed om iets van mijn relaties te maken en ze zelfs niet meer zo noemde.
‘Ik ben er waarschijnlijk niet geschikt voor,’ besluit ik met de opgewektheid van iemand die weet dat er niets meer van hem verwacht wordt.
‘Wie van ons wel?’ zegt ze en ze lacht een zachte, spottende lach.
Ik kijk naar de vuurrood gestifte lippen en haar tanden die groter zijn dan in mijn herinnering. Ik zie een stukje van haar tong en ik voel mijn hart kloppen.
‘Jij ook niet dan?’
‘Moet ik het nog proberen? Op mijn leeftijd.’
‘Je ziet er nog fantastisch uit.’
Ze glimlacht flauw, zoals vrouwen doen die hun hele leven lang complimenten van mannen hebben gekregen en laat haar blik over mij heen gaan.
Ik verwacht een compliment terug, maar ze haalt diep adem en ik heb genoeg vrouwen dit zien doen om te weten dat die extra lucht nodig is om iets zwaars naar buiten te stuwen.
‘De meeste mannen weten niet wat liefde is. Wat geven is…’
Ik open mijn mond, maar de woorden vervliegen voor ik ze uit kan spreken. Ik hoef niet te doen alsof ik weet wat liefde is. Ik hoef niet meer te liegen, niet meer te overtuigen, niet meer te vleien. Ik hoef niet te doen alsof ik anders ben dan de rest, alleen om haar in bed te krijgen. In de tijd die ik nog heb moet ik eerlijk zijn. Dat is het enige wat zin heeft.
‘Je hebt gelijk,’ zeg ik.
Ze kijkt verbaasd. ‘Ik dacht dat je zou zeggen dat je dat in de loop der jaren geleerd hebt.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Ik denk dat ik nog een leven nodig heb om dat te leren.’
Ze kantelt haar hoofd iets naar achteren en barst in lachen uit, zoals ze vroeger ook deed.
Ik weet het weer. Als ze zo lacht, donker en diep, hoor je de kracht die in haar huist. Vroeger vond ik haar lach te overweldigend, maar nu zou ik het geluid willen absorberen, al die levenskracht in mij opzuigen. Ik kijk naar haar hals die zo slank en glad is als van een jonge vrouw. De gedachte dat ik nooit meer mijn lippen tegen zo’n hals zal kunnen drukken overvalt me en ik voel hoe de tranen achter mijn ogen opwellen.
Ze kijkt mij aan, bezorgdheid in haar blik. ‘Kijk niet zo somber. Ik plaag je maar.’
Ik forceer een glimlach. ‘Ik besef nu pas hoe ik onze gesprekken gemist heb.’
De lach verdwijnt van haar gezicht. ‘Ik heb nog vaak gedacht aan wat je zei. Over mannen. Ik dacht altijd dat mijn man anders was. Dat wij het wel zouden redden.’
‘Als we jong zijn denken we allemaal dat we het gaan redden.’ Ik heb direct spijt van mijn woorden.
‘We redden het ook… alleen anders dan we dachten.’ Ze kijkt me aan met een blik die ik niet ken van vroeger. ‘Het leven kan nog steeds mooi zijn, toch?’
Ik knik. Nu, op dit moment, is het leven prachtig.
We zwijgen.
Zij kijkt naar de dansvloer en ik kijk naar haar.
Een koperkleurige huid, een kleine rechte neus, volle lippen en bruin gladgemaakt haar. Creools en Europees bloed. De aantrekkingskracht die haar type op mij heeft probeer ik allang niet meer te verklaren. Sinds ik mij kan herinneren heb ik een zwak voor de ‘rode vrouw’. Ik voel me er niet schuldig over. In Suriname kun je elke voorkeur wel veroordelen als racistisch, maar dat is waanzin, want elk mens op aarde heeft voorkeuren.
Ik kijk naar haar profiel en herinner me dat ik dat vroeger ook deed. De lijn vanaf de haargrens over het voorhoofd, langs de neus, mond en kin tot de hals is perfect. Geen van mijn vriendinnen had zo’n mooi profiel.
Is het vreemd dat ik zoveel waarde hecht aan het profiel van een vrouw? Als je elkaar aankijkt is het profiel toch van geen enkel belang? Je ziet het slechts in flitsen gedurende de dag en je krijgt alleen de kans om het te bestuderen als ze aan het lezen is, naar het uitzicht staart, of het mooiste moment: als ze slaapt. Dan is de aandrang om met je vinger zachtjes over de huid die lijn te volgen bijna niet te weerstaan, ook al weet je dat ze daardoor wakker wordt en je zal vervloeken om je rare afwijking.
Wat zou je doen, Gloria, als ik dat nu deed? Zou je je ogen sluiten en het toelaten of mijn pols vastpakken en mij vragen of ik gek geworden was? Of zou je je lippen tuiten en een kus op mijn vingertop geven? Het is dat beeld dat mij de kracht geeft om me naar je toe te buigen en te zeggen: ‘Je hebt een prachtig profiel. Het mooiste dat ik ooit gezien heb. Dat vond ik vroeger ook al, maar ik durfde het niet tegen je te zeggen.’
Zo. Ik heb tegen een vrouw gezegd wat ik echt denk. Zonder bang te zijn om afgewezen te worden. De angst die alles tussen man en vrouw overschaduwt is weg.
Ze draait zich naar mij toe met grote ogen en een brede lach.
‘Ik heb besloten om te zeggen wat ik denk,’ zeg ik, serieuzer dan ik van plan was.
‘O ja? Wanneer heb je dat besloten?’ Ze kijkt me aan alsof ik elk moment kan zeggen dat ik een grapje maakte.
‘Net.’ Ik kijk haar recht in de ogen. Misschien wel voor de eerste keer.
Ze houdt mijn blik vast. ‘En wat wil je daarmee bereiken?’
‘Niets. Het is gewoon het beste… op dit punt in mijn leven.’
‘O ja? Wat voor punt is dat?’
‘De laatste fase voor het eindpunt.’ Pas nadat ik het gezegd heb, realiseer ik me dat het lachwekkend klinkt, maar ze lacht niet. Ze kijkt weer naar de dansvloer die langzaam volloopt.
Ik weet dat mannen talloze tactieken op haar uitgeprobeerd hebben en dat ze zich nu afvraagt of dit er ook een is. Een alles-of-nietsaanpak, een kamikazepiloot die probeert haar hart te raken, maar zichzelf zal vernietigen in een explosie van spot en afwijzing als het doel gemist wordt.
Net als ik besluit te vertellen dat ik niet lang meer te leven heb, laat ze zich van de barkruk glijden en zegt: ‘Laten we dansen.’
We dansen dicht tegen elkaar en ik betrap me erop dat ik haar parfum opsnuif. Als zij na het eerste nummer haar lichaam iets dichter tegen mij aan drukt, sluit ik mijn armen steviger om haar heen, zorgzaam, alsof we geliefden zijn met een verleden en een toekomst. Zo dansen we verder.
Na het dansen lopen we naar de bar en haakt ze haar arm in de mijne.
We bestellen drankjes en praten over wat er van de collega’s van het ingenieursbureau terecht is gekomen, maar er is iets veranderd in de manier waarop ze naar mij kijkt.
Later op de avond komt Rowan aanlopen met een meisje dicht tegen hem aan, alsof ze elkaar al lang kennen. Ze is lang, slank, met heel kort haar. Jongensachtig, mooi, vol energie.
Ik stel Rowan voor aan Gloria en hij stelt ons voor aan het meisje. Ze heet Christina, een Braziliaanse, geboren in Suriname.
Een halfuur later zitten we alle vier op mijn balkon.
Het was Rowans idee om thuis nog wat te drinken. Ik begreep heel goed dat hij dat schattige jonge wezen zo lang mogelijk bij zich wilde houden, maar waarom hij ons oudjes daarbij wilde betrekken is mij een raadsel. Ik was niet heel enthousiast. In het verleden is het meenemen van dames naar huis weleens tegengevallen.
Het lijkt zo makkelijk: je bent met een vriend op stap, ontmoet twee vriendinnen en het klikt. Je wilt zonder de veel te luide muziek en de dansende idioten om je heen de mogelijkheden verkennen, als volwassenen, tijdens een echt gesprek, zonder te moeten schreeuwen of in iemands oor te praten.
Maar wat blijkt: op het balkon begint de magie te vervliegen en vallen steeds meer storende details op. Ach, hoe ouder je wordt, hoe meer je de dingen accepteert zoals ze zijn. Je stoort je niet meer aan pigmentvlekken, een scheve tand meer of minder, want laten we eerlijk zijn, wie heeft er na de vijftig nog een perfect gebit? En zelfs wratten en littekens, mits niet te groot, zijn geen onoverkomelijk probleem meer. Maar soms krijg je spijt van het gesprek dat je op gang probeert te houden, omdat de dame die tijdens het dansen je bloed sneller deed stromen praat over onbenulligheden of erger nog, haar kinderen en exen, net iets te ordinair lacht en net wat te veel alcohol achteroverslaat. Of je merkt tot overmaat van ramp dat je haar vriendin leuker vindt en je vraagt je af hoe je de avond in godsnaam tot een niet al te ongemakkelijk einde kunt brengen.
Niets van dat alles vanavond.
Ik zie bij Gloria slechts wat sproeten op haar neus en wangen. Prachtige sproeten.
Ze praat niet over zichzelf, maar vuurt vraag na vraag op Rowan en Christina af. Ze luistert geconcentreerd naar hun antwoorden en kijkt naar hen zoals mensen naar hun eigen kinderen kunnen kijken, geamuseerd en bewonderend. Ze is erg nieuwsgierig naar het handlezen.
Ik kan zien dat ze Rowan haar handen wil laten zien, maar het niet durft te vragen.
‘Laat je handen maar even aan hem zien,’ zeg ik.
‘Dat hoeft niet, hoor, Rowan,’ zegt ze, ‘mensen vragen dat natuurlijk aldoor aan je.’
‘Ik kan wel een eerste indruk geven, hoor,’ zegt Rowan.
Gloria laat hem haar palmen zien. ‘Wat is dit spannend…’ zegt ze.
Haar handen ogen fragiel. Lange, smalle vingers.
Ik voel de aandrang om ze aan te raken.
Rowan bestudeert ze, pakt ze voorzichtig beet en buigt de vingers. Tot mijn verbazing buigt hij haar duim naar achteren tot deze bijna dubbelvouwt, maar het lijkt haar geen pijn te doen.
‘Veel lijnen, een heel zachte huid. Gevoelig voor alle prikkels. Je gedachten staan nooit stil. Een flexibele duim. Je staat altijd open voor nieuwe dingen, nieuwe mensen… past je gemakkelijk aan in elke situatie. Het is moeilijk om nee te zegen. Om grenzen aan te geven.’
Gloria trekt haar handen langzaam terug. ‘Dat is gewoon eng… voorlopig genoeg, hoor. Henri hoeft ook niet alles over mij te weten.’
Ik lach.
Christina legt haar handen met de palmen omhoog op tafel en kijkt Rowan uitdagend aan.
Hij bekijkt haar handen en glimlacht een beetje geheimzinnig. ‘Creatief, charismatisch en eigenwijs,’ zegt hij en kijkt haar aan. ‘En er is nog iets… Ik kan het niet in het openbaar zeggen.’
Ze trekt haar wenkbrauwen op. ‘Zeg het maar in mijn oor.’
Hij buigt zich naar haar toe en fluistert iets in haar oor.
Haar mond valt open. ‘Wat?’ roept ze.
Gloria en ik kijken elkaar aan en glimlachen.
‘Meen je dat?’ vraagt ze aan Rowan. Ze staart naar haar handen.
‘Natuurlijk,’ antwoordt hij en wijst naar een lijn in haar hand. ‘De venusgordel wordt dat genoemd.’
Ze lacht zoals alleen een jonge vrouw midden in de nacht kan lachen en geeft Rowan een duw tegen zijn schouder. ‘Oké, ook genoeg voor mij,’ zegt ze en legt haar handen in haar schoot. ‘We hebben het er nog wel over.’
Daarna praten we over de verschillen tussen Nederland, Suriname en Brazilië en we discussiëren over wat de beste plek is om te wonen.
Ik vraag mij af wat de beste plek is om te sterven. In Nederland zouden ze mij met bestraling en chemo misschien langer in leven houden, de laatste fase comfortabeler maken. In Brazilië zou ik in een dure privékliniek ongetwijfeld al mijn spaargeld nodig hebben om dezelfde zorg te krijgen. En hier, ach, we hebben goede artsen, maar ze staan vaak met lege handen. Als het einde nadert, moet je hopen dat er een god of een duivel bestaat die je komt halen voordat het lijden ondraaglijk wordt, het liefst in de vorm van een overdosis morfine.
Christina leunt tegen Rowan aan en fluistert iets in zijn oor.
‘We gaan beneden nog wat drinken. Kunnen jullie ook even rustig praten,’ zegt Rowan en ze staan op.
Christina geeft Gloria en mij een zoen op de wang.
Ik hoor ze lachen op de trap.
‘De jeugd,’ zegt Gloria en ze kijkt naar mensen op straat op weg naar hun auto’s.
Ze zit dicht naast mij. Dicht genoeg om aan te raken. Haar parfum heeft de hele avond niets aan kracht verloren.
Plotseling draait ze zich naar mij toe. ‘Keek je weer naar mijn profiel?’
‘Natuurlijk. Elke kans die ik krijg,’ zeg ik.
Ze lacht en schudt haar hoofd.
Dan buigt ze zich naar me toe. Haar lippen raken de mijne zo kort en licht dat het moment alweer vervlogen is voordat ik kan reageren.
Dan staat ze op en zegt: ‘Ik ga.’
Ik schiet overeind en kijk haar aan.
Haar blik is zacht en geeft me moed.
Ik kus haar, een fractie langer en steviger dan zij mij, maar nog steeds een kus, geen zoen. Dit is koorddansen. In evenwicht blijven. Niet te snel.
Een passant roept: ‘Ja, pappie!’
Verstoord kijk ik om.
Ik twijfel heel even tussen lach en vloek, maar de lach wint.
Gloria lacht ook.
Ik pak haar hand die zich direct om de mijne sluit. ‘Ik loop met je naar je auto.’
We lopen hand in hand de trap af. Met haar hoge hakken en strakke rok gaat het heel langzaam, maar ik volg haar tempo.
In Rowans kamer is het stil.
‘Je zal ze voor mij groeten,’ zegt Gloria.
Ze wijst naar haar auto, die een meter of 15 van mijn poort geparkeerd staat. Hand in hand, midden in de nacht, na twintig jaar en twee kussen, is dat ver weg. We lopen langzaam, belachelijk langzaam zelfs, alsof we allebei weten dat het nodig is om onze gedachten en gevoelens te ordenen voor het afscheid, wanneer woorden met de grootste zorgvuldigheid gekozen moeten worden en elke aanraking precies goed moet zijn.
Haar hakken tikken op het asfalt. Honden blaffen tegen luidruchtige voorbijgangers, auto’s gevuld met dwazen passeren met open ramen en luide muziek. Haar parfum wordt af en toe verdreven door de geur van geroosterd vlees en uitlaatgassen. Haar hand wordt zwaarder in de mijne, zoals dat gaat met handen die je eigenlijk niet goed genoeg kent om zo lang vast te houden.
Ik kijk naar haar profiel. Het is ondoorgrondelijk.
Hoe licht ook, een vrouw kust je niet zomaar. Het is voor haar zoveel makkelijker om te wachten tot jij al die barrières overbrugt en al die risico’s neemt. Een man zou kunnen denken dat ze seks wil en dan te snel gaan, te veel willen. Die ene seconde dat ze met haar lippen de mijne raakte heeft ze laten merken dat ze weet dat ik geen doorsnee idioot ben, dat ze weet dat ik me zal gedragen of het juist niet erg vind als ik dat niet doe.
Zestig jaar oud, na zoveel vrouwen en zoveel zoenen, voelt het toch weer als de eerste keer. Mijn hartslag is alert en volgt nauwlettend elke prikkel die binnenkomt en alles wat er in mij beweegt. Slechts een ding is zeker, zekerder dan alle chaos om ons heen: de kus die ik teruggaf was niet genoeg.
‘Dit is mijn auto,’ zegt ze. Haar stem klinkt schor. Schuchter. Onweerstaanbaar.
Haar auto is een nieuwe luxe sedan die ik af en toe in het verkeer heb zien verschijnen. Duur en elegant.
De naar huis kerende idioten vullen de nacht met hun baldadige geluiden, maar onze stilte is nu sterk genoeg om ze buiten te houden.
Ze leunt met haar rug tegen het portier en glimlacht.
Hoe vaak heb ik zo voor een vrouw gestaan, afwegend hoe dichtbij ik zou kunnen, mogen komen, mij afvragend of ik mijn handen aan weerszijden van haar op de auto zou leggen of op haar heupen?
Ik ga dicht voor haar staan.
Ze beweegt haar borst iets naar voren, waardoor haar lichaam van de auto loskomt, slechts centimeters, maar dat is genoeg.
Ik weet niet eens wat ik met mijn handen doe, maar ik zoen haar en dit is geen kus, maar een echte zoen, aarzelend en aftastend, maar al snel gretig, op zoek naar al die verloren jaren, wetend dat ze onmogelijk terug te halen zijn, maar dat dit de enige manier is om het te proberen. Ze smaakt naar het leven, deze prachtige vrouw. En het is toch mogelijk: de tijd verdwijnt.
De zoen eindigt langzaam en onwillig, maar haar handen houdt ze om mijn nek, licht en vastberaden.
Er zijn zoenen geweest waarna ik direct wist dat ze catastrofale, onomkeerbare, misselijkmakende vergissingen waren, maar deze behoort tot die waarvan je direct weet dat ze, ook als er geen vervolg komt, tot de mooiste herinneringen gaan behoren.
‘We hadden dit veel eerder moeten doen,’ zegt ze en ze slikt.
Ik schud mijn hoofd. Dan had ik het verpest, op zoveel manieren dat ik ze niet eens allemaal kan bedenken. Mijn jonge zelf, onwetend en geil, verlangend naar het doel dat alle middelen rechtvaardigde.
‘Ik moet je wat vertellen.’ Ik schraap mijn keel en dat is godverdomme een van de meest onromantische dingen die je op zo’n moment kunt doen.
Ze sluit haar ogen en schudt langzaam haar hoofd. ‘Ik hoef niets te weten.’
‘Het is belangrijk.’
‘Misschien. Maar dit moment is belangrijker.’
Ze heeft gelijk.
Dus zoen ik haar weer.