Hoofdstuk 11 - De handlezer
By Chris Polanen
Ik word wakker en probeer op te staan, maar ik voel mijn lichaam niet.
Mijn geest zweeft weg.
Ik loop met mijn ouders door onze straat.
We hebben dat nog nooit samen gedaan, maar nu lijkt het vanzelfsprekend dat we onder de ongenadig brandende zon op weg zijn naar huis.
Mijn vader loopt met ontbloot bovenlijf, zijn dikke buik vooruit. Zijn rechterbeen heeft zoals gewoonlijk moeite het linker bij te houden. Tussen de lota-plekken op zijn borst die hij weigert te behandelen, prijkt in bijna vervaagde inkt een klein pistool en de initialen T.J. De korte broek die hij aanheeft zit onder de donkere vlekken. Motorolie van de bromfietsen die ondanks dagenlang gesleutel niet willen starten en vet gelekt uit vlees dat hij roostert in het vat. De pata’s die hij aanheeft zijn ooit van mij geweest. Hij heeft ze opgeëist nadat ik ze een jaar of twee gedragen had. In de schoenen van zijn zonen lopen geeft hem een voldoening die ik nooit begrepen heb. De zolen laten los bij de punt, de veters zijn niet gestrikt en slepen met vuile en gerafelde uiteinden over straat.
Mijn moeder heeft een blouse aan met grote rode bloemen en draagt glanzende zwarte schoenen met lage hakken. Kleding voor de kerk.
Ze lopen hand in hand. Vastgeklonken. Ondanks alles.
De straat is anders. Zelfs nu we ons huis naderen herken ik bijna niets. De oude huizen zijn weg, vervangen door nieuwe met spierwitte muren. De vuilnis en autowrakken zijn verdwenen en er is een trottoir van vierkante tegels, onwaarschijnlijk vlak gelegd. Nergens onkruid. Ik zie geen bekende gezichten. Er wordt Portugees, Spaans en Chinees gesproken.
Mijn vader vervloekt alle nieuwkomers en wat ze met de straat gedaan hebben, maar mijn moeder noemt het verandering die we niet tegen kunnen houden en zegt dat de straat er beter uitziet dan ooit. Mijn vader snuift verontwaardigd.
Deze woede zal op mijn moeder afketsen zonder haar ook maar enigszins van haar stuk te brengen en zich daarna op mij richten, geconcentreerder en gevaarlijker. Ik veeg de zweetdruppels van mijn voorhoofd en bereid me voor op het ergste, maar mijn vader zwijgt.
Voor de poort van ons huis staan we stil.
‘Dit is de enige plek die nog hetzelfde is,’ zegt mijn vader.
Mijn moeder schudt haar hoofd. ‘Laat het los,’ zegt ze.
In haar stem hoor ik meer liefde dan ik kan verdragen en mijn keel knijpt dicht.
En dan zie ik het. Er glijdt een zinkplaat van het dak. En nog een. Steeds meer. Ze raken de grond met een kletterend geluid dat pijn doet aan mijn oren. De houten balken die tevoorschijn komen zitten vol gaten. Termieten hebben zich er jarenlang ongemerkt doorheen gevreten.
‘Dit is de enige plek waarnaar ik terug kan keren,’ zegt mijn vader en ik zie tranen in zijn ogen.
Ik heb hem nog nooit zien huilen.
‘Je kunt de tijd niet terugdraaien,’ zegt mijn moeder.
Het dak stort in en het hout verpulvert met een zacht geruis.
Er snijdt een geluid door mijn ziel.
Gekrijs.
Leef ik nog?
Het komt van boven.
Wanhoop.
Paniek.
Nee, wacht…
Het is de papegaai van Theo, de buurman.
Jezus…
Ik leef.
Ik ben wakker, maar ik kan me niet bewegen.
Niet eens een vinger of een teen.
Ik ben verlamd.
De kanker neemt over.
Vechten is zinloos.
Ik moet loslaten.
Berusten.
Ik had niet gedacht dat het zo zou gaan.
Gisterenavond was ik nog onsterfelijk.
We zoenden steeds gretiger, tegen de auto aan, met de lust van twintig jaar geleden, mijn handen over haar billen, haar hand op mijn gulp, een erectie zoals ik in geen tijden had gehad, tot we, buiten adem, met de nuchterheid en zelfbeheersing van onze leeftijd, besloten dat we de volgende dag, frisgewassen en energiek, verder zouden gaan. Telefoonnummers uitgewisseld en de route naar haar huis doorgenomen. Een seksafspraak voor vandaag, later in de middag.
En kijk mij nu.
Met die afspraak heb ik het lot getart.
Een terdoodveroordeelde die denkt dat hij de tijd te slim af kan zijn door op een middag twintig jaar uitgestelde seks in te plannen. Ik val te veel op tussen al die stumperds die liggen weg te kwijnen in hun bed.
Dood, God, kanker. Jullie moesten wel ingrijpen.
Ik begrijp het.
Maar wat was het heerlijk om nog een laatste keer te voelen hoe de lust het overnam en die roes neem ik mee. Naar de hemel of hel, naar de leegte of een volgend leven, waar ik ook terechtkom, ik neem die geilheid mee. Ik ga naar het einde met dezelfde energie die mij creëerde. Welke dode kan dat zeggen?
Ademhalen wordt moeilijker.
Ik ga.
Ik ben er nog.
Ik krijg weer lucht.
Mijn toli is het enige deel van mijn lichaam dat ik nog voel. Is dat de laatste plek waar je levensenergie zich concentreert voordat je sterft?
Het lijkt alsof de energie zich vanuit mijn toli naar boven en beneden verspreidt.
Er trekt een tinteling door mijn lichaam heen, alsof het zich klaarmaakt om een enorme erectie te worden.
Ik ga nu.
Die papegaai krijst nog steeds.
Ik heb Theo zo vaak gezegd dat ik dat gekrijs ’s ochtends vroeg niet meer pik.
Dan antwoordde hij steevast: ‘Ik leer hem praten. Als hij kan praten, verkoop ik hem.’
De vogel heeft drie vriendinnen van Theo zien komen en gaan en twee van mij: Marlene en Rita.
Elke ochtend gekrijs.
Terwijl ik keek hoe jullie sliepen. Marlene, jij doodstil en onbeweeglijk. Jouw profiel behoorde tot de mooiste. Rita, jij kreunend en woelend. Je had het profiel van een jong meisje en het vertederde mij telkens weer.
Gekrijs terwijl we ’s ochtends seks hadden. Marlene, jij slaperig en loom, Rita, jij maakte mij ervoor wakker.
Gekrijs, terwijl we probeerden te voelen, te praten, niet te kwetsen en hoopten niet gekwetst te worden.
Gekrijs, terwijl alles eindigde. Rita, jij zei: ‘Ik denk dat we allebei weer vrij willen zijn,’ en ik kromp ineen. Marlene, ik zei: ‘Ik heb tijd voor mezelf nodig,’ en ik zag je vechten tegen je tranen.
En het krijsen maakte alles lelijk.
Nu moet ik met dat geluid sterven.
Dat is erger dan het sterven zelf.
Als er een hel is, wordt daar ook zo gekrijst.
Theo, je was een goede buurman, maar je hebt geen idee wat je mij aandoet.
Ieder mens heeft recht op een rustig einde.
Ik word boos, Theo, en dat is verschrikkelijk.
Niemand wil boos sterven.
Dat moet een van de slechtste manieren zijn.
Godverdomme.
En het krijsen maakt alles lelijk.
Mijn hart klopt als een paard dat langzaam over een zandweg galoppeert.
Ik kan mijn vingers bewegen. Mijn tenen ook.
En het krijsen maakt alles lelijk.
Mijn lichaam voelt alsof alle energie eruitgezogen is, maar het is weer mijn lichaam.
Ik leg m’n hand op mijn toli. Hij voelt dood.
Misschien is mijn tijd toch nog niet gekomen.
Centimeter voor centimeter druk ik mijn lichaam omhoog.
Zelfs na een marathon in de rivier voelde mijn lichaam niet zo zwaar.
Rechtop blijven staan onder de douche en mezelf wassen, vergt al mijn krachten.
Ik tril alsof ik vannacht Parkinson heb gekregen. Een broodje smeren en een kop thee zetten zijn bijna onmogelijke opgaven, maar na het ontbijt stopt het trillen.
Het is al elf uur, maar Rowan is nog beneden. God weet hoe laat hij het heeft gemaakt. Misschien is het meisje wel blijven slapen.
Ik ga op het balkon zitten. De lucht is een nieuwe kleur blauw, de bomen zijn zo groen dat het pijn doet aan mijn ogen.
Tegen pijn kun je vechten, je kunt worstelen, over de grond kruipen, je omhoogtrekken, pijnstillers slikken. Maar als het einde komt, kun je je alleen maar overgeven.