Hoofdstuk 12 - De handlezer
By Chris Polanen
Ik laat me in het water zakken.
Mijn lichaam voelt alsof het 150 kilo weegt.
Ik ben geen rog meer, maar een zeekoe.
Onder water is het stil.
Ik zet af tegen de kant.
Kick, kick, kick.
Zelfs nu kan ik, ziekelijk overblijfsel van een mens, met gemak onder het wateroppervlak door glijden.
Niet nadenken.
Glijden.
Er komt een jongen naast me zwemmen. Een zestien- of zeventienjarig lichaam, vanaf de vroege jeugd getraind om de perfecte stroomlijn te vinden. Als een torpedo schiet hij door het water. Hij heeft gezien dat ik een oud-wedstrijdzwemmer ben en daagt me uit. Als we vanaf de kant afzetten laat hij me ver achter zich met zijn dolphin kick, alsof hij weet dat hij mij zo het meest pijn kan doen.
Heel langzaam begin ik me iets beter te voelen. Ik voel mijn spieren weer en kan steeds meer kracht zetten.
We zetten weer tegelijk af en nu zet ik kracht. Zes kicks onder water. Er kraakt iets in mijn rug, mijn benen voelen alsof ze niet bij mijn lichaam horen, maar een beweging die jarenlang geperfectioneerd is, verleer je nooit.
We gaan gelijk op en kijken elkaar een moment onder water aan. Hij stuwt zich omhoog en crawlt verder. Ik zwem langer onder water door, maak nog zes, zeven slagen boven water, die alle pijn die in mijn schouders sluimert doet opvlammen, en kom tegelijk met hem bij de muur uit.
Hij doet zijn zwembril omhoog en kijkt me verbaasd aan. Zijn blik daalt af naar mijn borstkas en weer omhoog. ‘U bent erg snel, meneer…’
Ik hijg zo zwaar dat ik bijna niet kan praten. ‘Ik heb ooit… het record… op de honderd vrij gehad.’ Het heeft om precies te zijn twee jaar en elf maanden standgehouden.
Zijn mond valt iets open. ‘Echt? Wow… dat wil ik ook.’ Hij rolt met zijn schouders. ‘Ik train voor een beurs in de States.’
Jezus. Ik kijk naar zijn schouders die hoekig boven het water uitsteken. Een lichaam zoals het mijne, veertig jaar geleden. ‘Je techniek is goed,’ zeg ik. ‘En je hebt de perfecte bouw. Wat is je beste slag?’
‘Vlinder en borstcrawl.’
‘Onder water kun je sneller worden. Ik kan je laten zien hoe dat moet.’
Hij knikt enthousiast. ‘Dat is geweldig!’ Hij kijkt om zich heen. ‘Zullen we eerst een baantje sprinten? Op topsnelheid?’
Ik glimlach. Ik was vanochtend bijna dood, jongeman.
Zijn ogen schitteren.
Natuurlijk moet ik het niet doen. Ik kijk rond. Niemand kijkt, niemand heeft het gehoord, niemand komt het te weten als ik de uitdaging uit de weg ga. Geen gezichtsverlies. Maar dit water was ooit van mij en het voelt alsof het nog steeds zo is.
‘Oké,’ zeg ik. ‘Maar wel van het startblok.’
Met een brede glimlach drukt hij zijn zwembril op zijn gezicht. Hij verheugt zich erop mij al in de lucht achter zich te laten.
We klimmen het water uit.
Een jongen met een mannenlichaam, gehard in het water en versterkt met gewichten. Het resultaat van jarenlang pijn lijden voor een heilig doel. Hij heeft veerkracht in zijn passen, ik heb lood in de mijne.
We stappen op de startblokken en ik voel mijn hart bonzen. Het maakt zich klaar voor de race, maar de rest van mijn lichaam is nog steeds niet geheel ontwaakt.
Ik buig me voorover en druk mijn vingers tegen de voorkant van het startblok. Het voelt warm en vertrouwd, maar mijn rug zal deze positie niet langer dan een paar seconden volhouden.
‘U mag aftellen,’ zegt hij.
Ik hoor leedvermaak in zijn stem, medelijden zelfs en ik kijk een laatste keer naar dat lijf van staal dat zich samenbalt om het ego dat jaren, eeuwen geleden dat felbegeerde record vestigde, voor eens en voor altijd te verpulveren.
Welke zestiger doet zoiets stoms? Ik kan alleen maar hopen dat de dood dit niet ziet als een poging om zelf naar het einde te sprinten. Ik haal diep adem en probeer mijn hoofd vrij te maken van angst en spijt.
‘Drie, twee, een… Go!’
Ik zet af. De lucht is zwaar, veel zwaarder dan toen ik vroeger van het startblok vloog. Ik ben zo broos dat zelfs lucht me tegenhoudt.
De klap waarmee ik het wateroppervlak raak, dreigt mijn lichaam uit elkaar te rukken, maar ik hou het met een uiterste krachtinspanning bij elkaar en boor mijzelf naar beneden.
Onder water vrees ik dat de druk van het water al het leven uit mij zal persen, maar het menselijk lichaam is een fantastische constructie. Het is gericht op overleven, heeft een eigen geheugen en kan handelen zonder tussenkomst van het brein. Een adrenalinestoot kan een zwemmerslichaam vol kanker met gemak meters onder water voortstuwen.
De angst verdwijnt.
Tijdens die eerste meters met je hoofd tussen je armen gedrukt, alle kracht uit je lijf naar je benen pompend, ben je geen mens meer, maar een oerwezen, ver terug in de evolutie.
De wereld boven water is verdwenen.
De jongen is allang boven water, maar ik glij verder. Vanuit mijn ooghoek zie ik hem schuin boven mij door het water maaien. We gaan gelijk op, het tienmeterpunt voorbij en mijn lichaam zendt een noodsignaal uit, mijn zuurstof is op. Ik moet naar het wateroppervlak, maar het menselijk brein kan zo’n signaal negeren en het lichaam, tegen alle regels van de fysiologie in, forceren om door te gaan. Boven water heb ik geen schijn van kans. Nog een paar meter onder water en dan ben ik met een paar slagen boven water klaar.
Ik kom boven en zuig de lucht naar binnen. Met mijn laatste krachten rek ik mijn lijf uit, grijp elke centimeter water die ik kan en duw zo hard naar achteren dat het voelt alsof mijn schouders scheuren.
We liggen precies naast elkaar, maar ik weet dat zijn snelheid met elke slag toeneemt en de mijne met elke slag vermindert.
Ik krijg niet genoeg lucht en ik weet dat ik het moet opgeven.
Nu direct.
Stoppen met deze waanzin.
Maar ik ben niet bang meer.
Dit is de mooiste manier om te sterven.
Op volle snelheid.
Het water schuimt.
De pijn verdwijnt.
Mijn vingertoppen stoten hard tegen de muur.
Alles wordt zwart.
Het gezicht van Judy boven mij. Tranen in haar ogen.
Ben ik dood? Maar, dan is zij het ook.
‘Henri. Mijn god, Henri.’
Ik wil haar geruststellen.
Ze heeft zich altijd zorgen om mij gemaakt.
Mijn mond weigert.
Ik voel mijn lichaam niet.
Boven mij is het plafond van het clubhuis.
Ik lig op de vloer.
Wat er ook na de dood is, deze vloer en dit plafond zijn dat niet.
Judy pakt mijn hand en knijpt mijn vingers zo hard samen dat ik mijn knokkels tegen elkaar voel drukken.
We leren van kleins af aan dat we de snelste en de sterkste moeten zijn.
Dat we het meeste geld moeten verdienen, het meeste drinken en de meeste vrouwen versieren.
We houden dat een leven lang vol.
We negeren het verval van ons lichaam, pronken met dure auto’s, jonge vrouwen.
We proberen jonge mannen bij te houden, te verslaan zelfs.
We denken dat we afgeschreven zijn als we daarmee stoppen.
We denken dat het einde dan begint.
Waarom huil je, Judy? Ik ben dat niet waard. Je hebt al te veel om mij gehuild. Ik heb je genoeg redenen gegeven.
En nu lig ik hier en vallen je tranen op de tegels.
Nieuwsgierige gezichten achter je, ogen op zoek naar andermans ellende.
Ze vragen aan elkaar wie ik ben, wat er gebeurd is.
Maak je niet druk om mij, parasieten, ik ben een zwemmer uit een ver verleden met een naam die allang vergeten is.
Lopen jullie door en graaf je eigen graf. Neem de tijd.
Rook, zuip, snuif, vreet, breek harten, breek regels, breek beloften, breek alles, totdat je graf mooi ruim en diep is.
Ik zal mijn best doen om jullie persoonlijk op te halen als het zover is.
‘Godzijdank. Hij komt bij. Henri… hoor je mij?’
‘Ja… je hoeft niet te schreeuwen.’
Je lacht. En je lach is nog steeds de mooiste. Een lach voor in bed, een lach tijdens het vrijen, een lach tegen ziekte, een lach tegen pijn.
‘Heb je pijn?’
‘Nee. Ik voel niets.’
‘Kun je opstaan?’
‘Nee.’ Ik blijf hier voor altijd liggen.
Laat ze maar over mij heen stappen.
Langs mij heen dansen.
Over mij struikelen.
‘Probeer het.’
Godverdomme.
Sterke armen hijsen me omhoog tot ik recht overeind zit. Er wordt een stoel gehaald en dezelfde armen trekken me nog hoger en laten me in de stoel ploffen. Daarna wordt de stoel naar een tafeltje geschoven en ga jij tegenover mij zitten.
Iemand zet een glas cola voor mij neer.
‘Neem een slok,’ zeg je en ik doe het.
Cafeïne en suiker bruisen door mijn hersenen.
‘Gaat het weer?’
Ik knik.
‘Heb je echt tegen Renzo gezwommen?’
‘Heet hij zo? Het was niet zo’n goed idee.’ Ach, dat kun je na elke stommiteit zeggen zolang de afloop niet dodelijk is.
Nu lach je weer. Zo mooi dat het pijn doet. Hoe heb ik het zo lang zonder je lach kunnen redden?
Waarom heb ik mij er ooit bij neergelegd dat je exclusief van die dikzak was? Waarom ben ik niet met je blijven praten, echt praten, tot je kinderen wat ouder waren, tot je pijn gesleten was?
Je moet de laatste jaren behoorlijk wat tekortgekomen zijn bij die ouwe en in elke lange relatie zijn er dagen waarin er van de liefde alleen irritatie overblijft. En dan zijn zelfs de meest trouwe vrouwen te verleiden.
‘Renzo is onze snelste zwemmer, wist je dat? Hij zit minder dan een seconde boven het record op de honderd vrij. En hij heeft een beurs voor de States. Hij zou de volgende Nesty kunnen worden.’
‘De volgende Nesty?’ Ge-wel-dig. Dit verhaal zal nog jaren de club rondgaan. Een oude gek die het opnam tegen de kampioen van de club, bijna doodging en een paar maanden later echt de pijp uitging.
‘Je bent lang niet naar de wedstrijden komen kijken.’
Kijk niet naar mij alsof ik je kind ben. Ik was je man. ‘Nee…’
‘Renzo zei dat je gelijk met hem aantikte voor je bewusteloos raakte. Echt waar?’
Ik haal mijn schouders op. Ze voelen alsof ze vol naalden zitten.
Je blik verandert. Zo keek je vroeger ook naar mij als ik nog een keer wilde. En de tweede keer was altijd lekkerder dan de eerste keer. Ik weet nog hoe ik me daarna voelde. Helemaal leeg en ontspannen. Waarom denk ik daar nu aan?
En nu kijk je naar mijn lichaam. Vraag je je af hoe sterk het nog is? Of herinner je je hoe het in een vorig leven zo hard tegen je aandrukte dat je naar adem hapte. En waarom schud je nu je hoofd? Denk je dat ik het niet meer kan? Als ik die volgende Nesty bij kon houden, zou ik je dan niet meer kunnen laten klaarkomen? Jezus, wat gebeurt er met mij? Ik kan alleen nog maar aan seks denken.
‘Je hebt die jongen laten schrikken. En mij ook. Voel je je echt goed? Moet ik je niet naar het ziekenhuis brengen voor een check-up?’
‘Nee. Ik ben pas geweest. Alles was goed. Alleen een grote prostaat.’
‘O, gelukkig.’
‘Hoe gaat het met jou?’
‘Ik kom er langzaam bovenop.’
‘Waar bovenop?’
‘Dion is vorig jaar december overleden. Wist je dat niet?’
Wat? Ik wachtte er vijftien jaar op en nu heb ik het gemist. Vorig jaar… dan is er zoveel kostbare tijd verloren gegaan. Ik had je kunnen troosten en het zou niet lang duren voor je mij in je bed zou toelaten. Je bent nog een jonge vrouw en je kunt niet vergeten zijn hoe je ervan genoot met mij. God, ik moet aan iets anders denken. Ik word gek.
‘Nee, dat wist ik niet. Wat erg voor je.’ Ik frons mijn wenkbrauwen en probeer vol medeleven te kijken, maar ik kan wel juichen. ‘Waaraan is hij overleden?’ Ik vraag het alleen maar om het onderwerp snel en netjes af te ronden. Kanker, hartaanval, hersenbloeding, nierfalen, longontsteking, het maakt allemaal niet uit. Na je antwoord zal ik zeggen dat hij een goede man was. Ik hoop alleen dat het niet zijn prostaat was.
‘Hij was al lang niet goed. Suiker, hoge bloeddruk, nieren. Maar het kwam onverwachts. Gewoon onder de douche. Een hartstilstand.’ Je kijkt op een vreemde manier tevreden, terwijl zo’n dood voor hem misschien mooi was, maar niet voor jou. Je hebt hem waarschijnlijk gevonden met dat dikke lijf uitgestrekt op de badkamervloer, armen en benen alle kanten op, ogen wijd open, kwijl uit zijn mond. Overal water.
Zo dood neervallen was wat ik hem vijftien jaar lang toewenste, maar nu zal ik met mijn zwemmerslijf niet veel langer leven dan dat lichaam waarin al jaren telkens iets dichtslibde, afstierf of verschrompelde. Mijn straf voor het doodwensen van een man die alleen schuldig was aan het houden van een vrouw die ik het leven onmogelijk had gemaakt.
‘Hij was een goede man, Judy… en…’
Ze onderbreekt mij. ‘Ik heb de laatste tijd veel aan je gedacht, Henri…’
‘Ja?’ Waarom zou iemand veel aan mij denken? Behalve dat ik heel hard onder water kan zwemmen is niets aan mij de moeite waard. Langer dan een dag zou ik mijzelf niet als gezelschap willen hebben.
‘We hadden het goed samen, toch?’
‘Ik was stom. Ik besefte niet dat ik je kwijt zou raken.’
‘We waren nog jong.’
Ik knik. Ik was jong en stom. Nu ben ik oud en stom.
‘Ik breng je naar huis. Je kunt zo niet rijden.’
We gaan in haar auto zitten. Een absurd grote SUV waarin de nieuwe rijken rijden. De ouwe dacht dat ze hierin veilig zou zijn, hij kon niet weten dat ze mij ermee naar huis zou brengen en dat ik zo dicht naast haar zou zitten dat ik mijn hand op haar been zou kunnen leggen.
Judy heeft haar handen op het stuur, maar maakt geen aanstalten om de motor te starten.
‘En als ik terug was gekomen?’ vraagt ze.
‘Ik had alles gedaan om het goed te maken.’
‘Kinderen?’
‘Ja.’
‘Had je echt spijt?’
‘Nog steeds.’
‘Nog steeds?’
‘Ja. We hadden een goed leven kunnen hebben. Ik heb het verpest.’
Ze wrijft over haar gezicht, drukt met duim en wijsvinger in haar oogkassen alsof ze haar ogen in haar hoofd wil drukken. Als ze me weer aankijkt zijn haar ogen rood en vochtig. ‘Hield je van mij?’
‘Heel veel.’ Ik weet niet goed hoe ik het zou moeten uitleggen, maar omdat ik altijd haar liefde voor mij voelde, voelde ik ook altijd liefde voor haar. Het is een andere liefde dan ik voor Mirna voelde, minder vurig, maar vanzelfsprekender. Het is compleet vergeleken met de brokstukken gevoel die ik in latere relaties tot een geheel probeerde te maken.
Gek, we hunkeren ons hele leven naar liefde, maar we weten niet eens hoe het werkt. Misschien is wat er tussen Judy en mij is, liefde tussen man en vrouw zoals die moet zijn, maar het zou ook een misverstand kunnen zijn.
Ze kijkt weer voor zich uit en ademt zwaar.
Ik weet niet of ze verschrikkelijk boos gaat worden of verschrikkelijk gaat huilen, maar wat het ook wordt, ik denk niet dat ik het kan verdragen. ‘Judy…’
Ze maakt een afwerend gebaar en wendt zich af.
Ik weet wat ze doet en ik weet dat het haar pijn doet. Ze heeft een alternatieve werkelijkheid met mij opgeroepen en moet er direct weer afscheid van nemen. Andere kinderen, andere vrienden, een andere familie, andere hoogte- en dieptepunten. Iedereen weet dat je dat niet moet doen, want het echte leven verliest het altijd van de droom. De sleur is kansloos tegen het verlangen. Maar we doen het allemaal en ons hart weet er geen raad mee.
‘Het spijt me, Judy. Ik…’
Dan draait ze zich naar me toe, pakt mijn hoofd tussen haar handen en drukt haar lippen hard op de mijne. Het voelt als een stomp. Voor verloren jaren, voor niet geboren kinderen, voor misgelopen geluk. Daarna bestudeert ze de uitwerking met mijn hoofd nog tussen haar handen.
Ik voel de tranen over mijn wangen lopen en doe geen poging om ze tegen te houden of weg te vegen.
Aan de manier waarop ze haar lippen tegen elkaar perst zie ik dat ze niet gaat huilen.
Dan laat ze me los en start de auto.
Ze geeft gas en we razen over de weg. De auto dendert over oneffenheden in het asfalt.
Ze scheurt door de bochten en als ze niet hoeft te schakelen wrijft ze over mijn been zoals je doet bij een kind dat zich pijn heeft gedaan.
Ik probeer te stoppen met huilen, maar het lukt niet. Pas als de auto tot stilstand komt heb ik mezelf weer een beetje onder controle.
Ze parkeert bij het fort, niet ver van de Waterkant, en stapt uit zonder iets te zeggen.
Dan glimlacht ze en knikt in de richting van het water.
Vandaag jaagt de wind over de rivier en laat hij die golven als een zee. De omgeving is verlaten. Geen toerist, geen dakloze, zelfs geen zwerfhond.
We lopen langzaam naar de steiger met de Marinetrap.
Zoals iedere wedstrijdzwemmer dook ik elk jaar op 1 juli vanaf een ponton bij Domburg het water in om met de stroom mee naar de stad te zwemmen. Naar deze trap, het eindpunt, onzichtbaar ergens aan de horizon. Na uren door het water ploegen, moest je goed navigeren om er niet langs gesleurd te worden door de stroming. En dan de verlossende armen die je omhoogtrokken. Onvaste stappen op het hout, onwennig op je benen en altijd opgelucht.
Op ons eerste afspraakje nam ik je mee naar deze plek. De steiger van Leonsberg bij de monding was romantischer, maar bezoedeld met Mirna’s herinnering.
Ik weet nog hoe serieus je was, hoe aandachtig je naar me luisterde. Mijn bedoeling was om zo dicht mogelijk bij je te komen totdat een kus onvermijdelijk was, maar je vroeg wat ik wilde van het leven en terwijl ik probeerde een intelligent antwoord te formuleren, barstte je in lachen uit. Ik besefte het toen niet, maar dat moment was ons begin.
Zie jij dezelfde beelden terwijl je naar het water kijkt?
‘Ik weet heus wel dat we de verloren tijd nooit meer goed kunnen maken,’ zeg je.
Je draait je om en leunt tegen het hout, zoals je toen ook deed. Uitdagend. Uitnodigend. Je bent niet veranderd. Je hebt nog net zoveel leven in je.
Ik adem de rivierlucht in en eindelijk heb ik genoeg zuurstof.
Genoeg voor de waarheid.
‘Ik hou nog steeds van je, Judy. Maar ik ben ziek. Ik ga dood.’
Je kijkt mij niet-begrijpend aan.
‘Prostaat. Uitgezaaid.’
‘Nee. Nee. Nee.’
Zo moet je ook gekeken hebben toen je die ouwe op de badkamervloer vond. Maar ik ben nog niet dood, Judy. De schrik in je ogen en je open mond winden mij op.
En nu druk je me tegen je aan. Je gebruikt een andere parfum, maar je geur zou ik altijd herkennen. Ik heb van je geur gehouden. Sommige vrouwen kunnen stinken als beesten, maar jij rook altijd lekker, zelfs als je je nog niet gewassen had. Ik voel dat je borsten zwaarder zijn geworden, natuurlijk, twee kinderen en vijftien jaar, maar het is alsof mijn lichaam het jouwe na al die jaren direct herkent. Ik leg mijn handen op je heupen zoals ik vroeger deed en voel een erectie opkomen.
‘O god, Henri…’ Je fluistert in mijn oor. ‘Nee…’
Je adem in mijn oor voelt heerlijk. Blijf fluisteren, praat over de dood als je wilt, maar druk je lichaam tegen mij aan. Meer heb ik niet nodig.
Ik druk je tegen mij aan en hoop dat je niet van mijn erectie schrikt.
‘Kan je niet behandeld worden?’
Ik schud mijn hoofd en druk een kus op je schouder, alsof we al twintig jaar man en vrouw zijn en ik je geruststel over een klein ongemak.
‘Hoelang heb je nog?’
‘Weken, maanden. Dat weet niemand.’
‘Voel je je ziek?’
‘Nee. Plassen is moeilijk, maar ik voel me goed. Ik heb een keer pijn gehad ’s nachts. Verder niets.’
‘Soms leven mensen veel langer dan de arts voorspelt.’
‘En soms korter.’
Ik laat mijn hand over je billen naar beneden glijden. Ze zijn groter, ronder dan vroeger, maar nog steeds stevig. Wat heb ik dat al die jaren graag willen doen. Ik ga geen moeite doen om mijn opwinding te verbergen.
‘En wat nu, Henri? Wat ga je doen?’
‘Leven. Zolang het nog kan.’
Je zucht en je drukt je buik tegen mij aan.