Hoofdstuk 18 - De handlezer
By Chris Polanen
Mirna rijdt en ik zit met bloot bovenlijf naast haar. Sinds ik uit het water gehaald ben heeft ze alleen maar mijn naam gezegd. Keer op keer. Fluisterend, vermanend, troostend.
Ik kon op eigen kracht naar de auto lopen en toen Mirna aanbood om te rijden, sputterde ik tegen, maar één bik van haar was voldoende om mij te doen instemmen.
Na vijf minuten op de weg besef ik hoe vreemd het voor haar moet zijn om weer in Suriname te rijden. Links rijden. Rechts stuur. Gaten in de weg. Overstekende honden.
‘Hoe is het om weer hier te rijden?’ vraag ik.
Ze schudt haar hoofd en het lijkt alsof ze haar adem inhoudt. ‘Je bent gesprongen, je bent niet gevallen.’ Haar blik heeft iets wanhopigs. ‘Je wist hoe sterk de stroming was en je zwom gewoon weg.’
Mijn hoofd voelt alsof het gevuld is met rivierwater dat alles verzwelgt. ‘Tegen de stroom in zwemmen is onmogelijk.’ Er komen geen andere woorden in me op.
Mirna kijkt strak voor zich uit. ‘Je keek niet eens meer om. Het leek wel alsof je dood wilde.’
Dat wilde ik ook, maar dat kun jij niet begrijpen.
‘Liever dood dan naar mij luisteren. Daar leek het op. Haat je mij zo, Henri?’
Ik hoor dat je je best doet om je stem niet te verheffen. Niemand wil onaardig zijn tegen iemand die bijna verdronken is.
De rivier in mijn hoofd komt langzaam tot rust. Ik heb al die jaren nooit proberen te benoemen wat ik voor je voel, Mirna, maar ik denk niet dat het haat is. Het is te moeilijk om te omschrijven, zonder drama, zonder zelfmedelijden en vooral zonder zwakte te laten zien. Ik ben een Surinaamse man. Al val ik vanbinnen uit elkaar, ik zal controle veinzen en je niet aankijken. ‘Ik haat je niet.’
‘Wat voel je dan als je naar mij kijkt, Henri? Wees eerlijk. Alsjeblieft.’
Waarom willen vrouwen altijd weten wat je voelt? Een eerlijk antwoord zou ze teleurstellen. De wereld heeft mij nooit geleerd te voelen. Laat staan het uit te spreken. Ik voel zwaarte of lichtheid. Verzadiging of lust. Verdriet of blijdschap. Aantrekking of afkeer. De ingewikkelde, genuanceerde gevoelens die je van mij verwacht, ken ik niet. Toch wil ik een goed antwoord geven op je vraag, geen verzinsel. Ik ben geen barbaar. Je hebt hier vijfendertig jaar mee rondgelopen en voor mijzelf zou het ook goed zijn om wat er in mijn binnenste woekert te benoemen.
Mijn hoofd stroomt leeg en ik voel me sterker. Heeft de stroming mij kracht gegeven? Heb ik onder water kracht gevonden? Misschien is dat mijn hele leven wel zo geweest. Ik sluit mijn ogen en ga terug naar die dag, vijfendertig jaar geleden. ‘Het voelde alsof ik doodging vanbinnen,’ zeg ik en open mijn ogen.
Je krimpt ineen en klampt je vast aan het stuur. Slikt.
Mag mijn medelijden met jou invloed hebben op wat ik nu zeg? De spijt van de dader kan toch nooit belangrijker zijn dan de pijn van het slachtoffer? ‘Ik voelde mij niets waard. Waardeloos.’
Ik zie een streep vocht op je wang. Sommige tranen rollen zo snel dat je alleen hun spoor ziet.
We zwijgen.
Ik zie nu dat we al halverwege de Anton Dragtenweg zijn. De weg die altijd te lang lijkt, blijkt te kort voor dit gesprek.
‘Hoe heb je dat verwerkt?’ vraag je.
Nederlanders denken dat alles verwerkt moet worden. Maar ze vergeten dat verwerking een luxe is van de westerse wereld en dat de rest van de wereldbevolking gewoon verdergaat met leven. ‘Ik denk niet dat ik het ooit verwerkt heb.’
Je tranen stromen nu flink door.
‘Je hebt er toch wel met mensen over gesproken?’
‘Nee. Ik schaamde mij.’
Je kreunt. ‘O god.’
Ja, mevrouw uit Nederland. Ik heb geen therapie gehad, geen antidepressiva geslikt, geen familieopstelling gedaan, niet gezocht naar trauma’s in de generaties voor mij. Ik luister als jullie op vakantie komen en met elkaar praten over alle onzin waaraan jullie je onderwerpen met als doel de ultieme mentale gezondheid te bereiken. Nog een statussymbool van de Euro-Suri. Ik walg van jullie.
‘Dat is verschrikkelijk…’
‘Wat jij gedaan hebt is verschrikkelijk.’ Ik heb het nog nooit uitgesproken. Nog nooit een woord gezocht voor de pijn die voelde als een ternauwernood overleefd ongeluk. En nu herhaal ik een woord dat je niet koos voor het trauma zelf, maar voor het verzwijgen ervan, in een zin die zo vlak klinkt dat er geen gevoel achter lijkt te zitten.
Ik zoek naar een ander woord. Liefst meerdere woorden, die ik op je af kan vuren, zoals je in een film weleens ziet. Woorden die dwars door je hart heen zullen boren tot je mij smeekt om te stoppen.
Mijn hartslag bonst in mijn oren en een wee gevoel trekt vanuit mijn buik naar boven. Vreselijk, nee, dat is voor een ongeluk of een dode. Afschuwelijk, nee dat klinkt te vrouwelijk.
‘Laag.’ Dat is het woord. ‘Als twee honden. Jij en Humphrey.’
Was je dat vergeten, Mirna? Dit is wat we hier zeggen als we iemand pijn willen doen. Als er geen hoop is op vergiffenis.
Je buigt voorover. Je kin raakt het stuur en je schouders schokken.
Ik had je nooit moeten laten rijden, ik had mijn stomme mond moeten houden, ik had niet meer boven water moeten komen. Ik wil mijn hand op je rug leggen, je troosten, maar ik doe het niet.
De auto wijkt naar rechts en we komen half op de andere weghelft terecht. Verderop nadert een vrachtwagen. Als die ons raakt, zijn we op slag dood. Het idee om in zo’n alles vernietigende klap te sterven is heerlijk. Het idee om je mee te nemen naar de plek waar ik binnenkort eindig, Mirna, voelt heel goed. De kans dat een oude liefde opnieuw kan opbloeien is na de dood het grootst.
Ik trek het stuur met een ruk naar links en we raken van de weg. De auto stuitert door de berm en we komen met een schok tot stilstand.
Je rust met je voorhoofd op het stuur, je handen op het dashboard en huilt alsof je nooit meer gaat stoppen.
Normaal gesproken ben ik weerloos als vrouwen huilen. Ik omhels ze, druk ze tegen me aan, fluister woorden van troost, wrijf over hun rug. Nu voel ik geen enkele aandrang om iets te doen. Ik wil niet dat je stopt, Mirna. Na vijfendertig jaar mag je huilen. Een dag, een week, een maand, een heel seizoen. Ik zie voor me hoe je een hele winter, koud en eindeloos, achter een raam zit te huilen. Wanneer zou het genoeg zijn?
Ik weet niet hoelang we zo zitten.
Langzaam wordt het huilen minder. Wat ik in de loop der jaren heb geleerd, is dat tranen bij sommige vrouwen makkelijk opkomen en net zo snel weer verdwijnen, terwijl anderen alleen in de ergste crisis huilen. Ik vermoed Mirna, dat jij tot de laatste categorie behoort en dan is zo’n huilbui waarschijnlijk moeilijker te stoppen, moet het uitrazen.
Ze leunt achterover, zoekt in haar handtas en vindt een pakje tissues. Met snelle bewegingen droogt ze haar gezicht. Dan kijkt ze mij aan, knijpt haar ogen samen en probeert te glimlachen. ‘Sorry, Henri. Ik kon het niet tegenhouden. Ik had niet moeten rijden. Dat was gevaarlijk… Gelukkig reageerde je op tijd.’
Ze legt haar hand tegen mijn wang. ‘Het is vreselijk als je weet dat je iets nooit meer goed kunt maken.’
Haar hand gloeit tegen mijn huid. Ik wil haar pols pakken en samendrukken tot ik de botten hoor kraken, maar ik krijg mijn arm niet omhoog.
‘Toen we met de boot achter je aan voeren was dat het enige wat ik dacht: ik moet nog sorry zeggen. En toen je onder water verdween dacht ik dat het te laat was. En dat je al dat verdriet mee de dood in nam.’
Ik wil die hand op mijn wang nog steeds weghalen. Alleen moeders en geliefden leggen een hand zo tegen je wang. ‘Waarom denk je dat jouw sorry iets uit gaat maken?’ Dat kwam er erg hard uit.
De tranen springen weer in haar ogen. ‘Zou het niets uitmaken?’
Ik heb eindelijk de kracht gevonden om haar pols te pakken, erin knijpen lukt niet, maar naar beneden trekken wel. ‘Ik denk het niet.’
‘Ik ga het toch zeggen.’ Ze draait zich naar mij toe, zoekt naar de juiste positie, trekt haar jurk goed. Haar been lijkt in de weg te zitten, ze vouwt het met veel moeite onder zich. ‘Henri, ik heb nog nooit ergens zoveel spijt van gehad. Humphrey en ik hadden je om vergiffenis moeten smeken. Een gebaar maken. Maar we durfden het geen van beiden. Wat we gedaan hebben was te erg. Ik verwacht niet dat je het ons ooit gaat vergeven. Ik denk niet dat je je hier beter door gaat voelen, maar ik moet het uitspreken.’
En dit is het dus. Met deze woorden moet ik het doen.
Ik kijk naar de rivier die in de verte blijft stromen, de wind die door het riet speelt, de wolken die door de lucht schuiven.
Er is niets veranderd.
Mirna kijkt me aan met een angstig soort verwachting in haar ogen.
Ik knik, maar kan geen woorden vinden, dus blijf ik maar knikken. Hoe zielig is een mens die een excuus niet een beetje waardig kan accepteren?
‘Je hoeft niets te zeggen,’ zegt Mirna.
‘Ik weet niet… wat ik moet zeggen.’
Ze wendt haar hoofd af.
‘Ik ga rijden,’ zeg ik en stap uit.
Op het moment dat ik rechtop sta voel ik twee dingen: een stekende pijn in mijn rug en de aandrang om te plassen, zo hevig dat er geen enkel uitstel mogelijk is.
Ik kijk rond en zie mijn verlossing: een manjaboom, een meter of tien in de richting van de rivieroever. Zelfs met deze pijn moet ik het redden. Ik zet een paar passen, maar bij elke pas voel ik de spieren in mijn onderrug verkrampen en de pijn ontneemt me de adem.
‘Henri! Wat ga je doen?’
Ik wuif haar weg. De kans dat ik in mijn broek plas, wordt met de seconde groter.
Ik ga de boom niet halen. Wanhopig kijk ik om me heen.
Er staat een oude vrouw op het balkon van de aangrenzende villa. Ze leunt met haar knokige lichaam over de balustrade en volgt argwanend mijn bewegingen.
Ik hef mijn handen in een wanhoopsgebaar en roep: ‘Sorry, mevrouw, ik ben ziek!’
Dan wend ik mij van haar af en rits mijn gulp open. En natuurlijk: hoe nodig ik ook moet, plassen lukt niet. De pijn in mijn rug schiet door naar mijn kruis en doet mij vooroverbuigen.
Ik hoor de vrouw achter mij verontwaardigd roepen. Keer op keer gebruikt ze het woord ‘ziek’, maar verder versta ik er niets van. Het klinkt alsof ze een hond wil wegjagen.
Eindelijk een zwakke straal. Druppels die branden alsof er kokend water uit mijn toli stroomt.
Mirna’s stem achter mij: ‘Ben je aan het plassen, Henri?’
‘Ik heb last van mijn prostaat.’
‘Maar zo in een open veld? Had je niet bij die boom…?’
‘Laat me met rust, Mirna. Als ik moet, moet ik.’
‘Jezus, Henri…’
De vrouw op het balkon klinkt nu ronduit hysterisch. Behalve ‘ziek’, hoor ik nu ook ‘hond’.
Ik ben nog niet uitgeplast, maar zo lukt het niet meer.
Ik knoop mijn broek dicht en draai mij om.
Mirna omhelst mij, drukt haar lichaam tegen me aan, steviger dan op het vliegveld. Haar zweet heeft het laatste restje parfum verdrongen. ‘Sorry, Henri,’ fluistert ze in mijn oor. ‘Ik wist het niet.’ Haar borsten drukken tegen mijn borst, haar handen voelen heet op mijn rug.
Ik kijk haar aan.
Ze glimlacht.
Zonder na te denken zoen ik haar en pas wanneer mijn lippen de hare raken werken mijn hersens weer. Er zijn tientallen redenen om haar niet te zoenen en slechts een paar krankzinnige om het wel te doen, maar nadenken wordt steeds moeilijker. Een mond herkent de lippen, de smaak, de tong, alles wat het brein vergeten is, en die herkenning spoelt alle bedenkingen weg. Een mens kan zich daar niet tegen verzetten. Dit gevoel bereikt de plek waar de pijn zich schuilhoudt, ingenesteld in lagen angst en woede. Het brengt een verlichting die ik nooit voor mogelijk had gehouden. Maar ik heb meer nodig, veel meer.
Ik zoen haar gretiger, druk haar tegen me aan, laat mijn handen over haar heupen naar beneden glijden.
Ze geeft zich aanvankelijk over, maar dan voel ik weerstand. Natuurlijk, dit kan niet zo, in een open veld, terwijl er iemand kijkt. Maar ik kan niet stoppen. Het voelt alsof ik haar moet verslinden om geen pijn meer te voelen.
Ze duwt tegen mijn borst, wijkt achteruit en glimlacht. ‘Rustig aan, oude man.’
Langzaam neemt mijn verstand het weer over.
Mirna fronst haar wenkbrauwen, knikt naar iets achter mij.
Ik draai me om.
Naast de vrouw staat nu een man op het balkon. Beiden staan als bevroren tegen de balustrade en staren ons aan.
Ze vragen zich af hoe ik, een dakloze junk, plassend met ontbloot bovenlijf in een open veld, een nette vrouw in een bloemetjesjurk, onmiskenbaar een vakantieganger, durf te zoenen. En waarom zij het in godsnaam laat gebeuren.
De man wenkt ons.
Ik sla mijn arm om Mirna’s middel en we lopen langzaam in de richting van het balkon.
De man, lang, grijs, ver in de zeventig, maar nog kaarsrecht, vraagt: ‘Alles in orde, mevrouw?’
‘Ja, hoor,’ zegt Mirna, vrolijk en geheimzinnig.
‘Had u pech met de auto?’
‘Nee. Geen pech. We moesten even stoppen.’
De man en de vrouw kijken elkaar aan. Ze weten dat Mirna een wereld aan informatie achterhoudt.
‘Bent u op vakantie?’ vraagt de vrouw.
Slim. Ze weet allang dat Mirna een vakantieganger uit Nederland is. Surinamers boven de vijftig kleden zich hier allemaal hetzelfde, maar de Nederlandse Surinamers, vooral de vrouwen, hebben van alles overgenomen van de Nederlanders en het kleurrijker, strakker, wijder, langer of korter gemaakt, zodat er iets ontstaat wat niemand precies kan plaatsen. Vakantiegangers bewegen zich ook sneller, alsof ze altijd haast hebben. Als je ze dwingt rustig te gaan zitten, zie je hun voeten wiebelen en hun ogen heen en weer schieten. En als je ze hoort praten, weet je niet of je moet lachen of huilen.
En deze oude vrouw weet dat dit de ingang is tot informatie.
‘Ja,’ antwoordt Mirna, ‘Hoe weet u dat?’
‘Uw accent. U heeft lang in Nederland gewoond.’
‘Vijfendertig jaar,’ zegt Mirna.
‘En komt u vaak op vakantie?’
‘Dit is de eerste keer.’
De vrouw slaakt een zachte kreet en kijkt haar man even aan. ‘Suriname is veel veranderd in die tijd,’ zegt ze.
Mirna knikt.
‘Waarom bent u nu gekomen?’
De vrouw zou bij de politie kunnen gaan werken. Ik begin me te ergeren aan het feit dat de man en de vrouw alleen tegen Mirna praten. Een zestigjarige man in korte broek met bloot bovenlijf is het niet waard om aan te spreken?
‘Om een oude geliefde weer te zien,’ zegt Mirna.
Jezus, Mirna. Surinaamse Nederlanders hebben de onhebbelijke gewoonte om de meest intieme dingen tegen vreemden te zeggen.
De man en de vrouw kijken me vragend aan met angst voor antwoorden. Mijn haar is in de war, mijn broek is nog nat en bruinverkleurd door het rivierwater, maar ze zien natuurlijk dat ik een beter doorvoed lijf heb dan de gemiddelde junk of dakloze en dat maakt mij nog gevaarlijker. Ik zou zelfs een overvaller kunnen zijn, die met een vrouw als afleiding op onorthodoxe wijze hun terrein binnen probeert te komen, een wapen achter in mijn broek gestoken.
Ik schraap mijn keel en gebruik de stem die ik vroeger reserveerde voor speeches. ‘Ik voel mij natuurlijk vereerd met dit bezoek. We hebben elkaar vijfendertig jaar niet gezien, maar wat in het hart leeft, sterft niet. Excuses trouwens dat we niet wat discreter waren net, maar u weet vast nog hoe het is als de passie opvlamt. En excuses voor het openbaar urineren, maar ik heb een serieus prostaatprobleem.’
Het stel kijkt mij aan alsof ik bezeten ben door de duivel.
Mirna doet haar best om haar lachen in te houden.
‘Bedankt voor uw aandacht, maar we moeten gaan,’ zeg ik. ‘Goedemiddag.’
De man doet halfslachtig zijn hand omhoog en de vrouw probeert te zwaaien, maar haar arm werkt niet mee.
We lopen langzaam terug naar de auto, mijn arm nog steeds om Mirna’s middel, mijn hand op haar heup. Bij de auto kijken we elkaar aan en ik weet dat ze hetzelfde denkt als ik. Na al die jaren heeft alle pijn, spijt en woede deze zoen niet kunnen voorkomen. Op dit perceel vol onkruid, op deze plek waar nooit iets van betekenis gebeurt, hebben we, zonder na te denken, iets nieuws gecreëerd.
Nu rij ik.
Mirna kijkt voor zich uit. ‘Een serieus prostaatprobleem… Je bent echt grappig.’
Ik lach en geef gas.
‘Hoe serieus is dat probleem?’ vraagt ze.
Ik staar naar het asfalt en druk het gaspedaal dieper in. Als we weer zoenen en dat is zeer waarschijnlijk, zal mijn naderende einde alleen maar in de weg zitten.
‘Waarom rij je zo snel?’ vraagt ze. ‘We hebben geen haast, toch?’
Ik zucht. ‘Nee…’
‘Vroeger… als iets je dwars zat, reed je ook veel te snel. Dan was ik bang dat je jezelf op die bromfiets dood zou rijden.’
Verbaasd kijk ik haar aan. Dan kijk ik weer naar de weg en dwing mezelf de druk op het gaspedaal te verminderen. ‘Je hebt gelijk… Er is geen haast.’
‘En je prostaat?’
Ik schraap mijn keel. ‘Hij is te groot. Dan moet je telkens plassen. En het gaat moeizaam.’
‘Ik zou je bijna geloven…’ Ze kijkt naar buiten.
Godverdomme, waarom schraapte ik mijn keel? Deed ik dat vroeger ook al als ik loog? Zelfs na al die jaren kent ze mij beter dan ik mijzelf ken. Oké, rustig aan, dicht bij de waarheid blijven. Minimale veranderingen aanbrengen op plekken waar ze niet opvallen. Elke leugenaar weet dat dat het geheim is van een goede leugen.
‘Het is een goedaardig soort kanker, volgens de dokter kan ik er oud mee worden.’
‘O, gelukkig.’ Ze bestudeert mijn gezicht, op zoek naar de waarheid.
Ik glimlach verontschuldigend, alsof ik het vervelender voor haar vind dan voor mij.
‘Moet je niet behandeld worden dan?’
‘Eh ja, ik moet nog tabletten krijgen.’ Ik kuch. Dat was stom.
‘Je kunt mij ook gewoon de waarheid vertellen.’ Ze zegt het op een neutrale toon. Niet boos, niet dwingend, maar als een vrijblijvende optie. ‘En je rijdt weer sneller…’
Het kost me nog meer moeite om mijn voet van het gaspedaal te lichten.
En plotseling voel ik dat ik kilometers gezwommen heb.
Liegen kost energie en ik ben te moe. ‘Het spijt me dat ik… tegen je lieg.’
Ze draait zich naar me toe. Trekt haar jurk goed.
‘Het is kwaadaardig. Uitgezaaid. Volgens de dokter heb ik niet heel lang meer.’
Ze staart me aan, maar haar gezicht blijft onbewogen.
Het lijkt alsof ze in shock is.
En zo zitten we zwijgend naast elkaar.
Ik druk het gaspedaal diep in.
De Anton Dragtenweg raast voorbij.
Nu pas begrijp ik het. Op de bromfiets, te paard, in het water, in de auto. Als ik snel ga voel ik me ongrijpbaar, het is altijd zo geweest.
De snelheidsmeter passeert de 100 en de auto dendert over het oneffen asfalt. Een overstekende hond of een diep gat in de weg en de auto wordt gelanceerd of slaat over de kop. We weten het allebei.
Ze fluistert. ‘Niet zo snel, Henri. Alsjeblieft.’ Ze wil weer terug naar haar eigen wereld, met haar twee mannen, elkaar netjes aflossend, niet een van de vele Surinaamse verkeersslachtoffers worden die elke dag de krant of het internet halen, door over de kop te slaan, zichzelf dood te rijden tegen een paal, een huis, een andere auto of van de weg te vliegen en het water in te duiken, onder invloed van drugs, drank of gedreven door roekeloosheid, de krachtigste doder van allemaal.
‘Je kan niet vluchten…’ Ze spreekt nauwelijks hoorbaar, maar haar woorden hebben effect.
Eindelijk lukt het me om mijn voet van het gaspedaal te lichten. We zijn in de stad en ik rij op de automatische piloot naar huis.